Frank Mildmay, De zeeofficier

Chapter 7

Chapter 73,910 wordsPublic domain

Murphy erkende de verplichting die hij aan mij had, en betuigde, dat hij in vrees voor den dood had verkeerd, maar binnen een paar dagen vergat hij wat hij mij schuldig was, voltooide zijn eigen schande en was oorzaak dat mijn karakter verheven werd ten koste van zijnen goeden naam. Om een zeer onbeduidende reden wierp hij mij een kom vuil water in het aangezicht, toen ik eens langs hem ging; dit was een schoone aanleiding om aan mijn lievelingshartstocht te voldoen. Reeds lang had ik op een aanleiding tot twist met hem gewacht, maar daar hij op onzen overtocht naar Gibraltar tot Malta ziek was geweest, had die ontbroken. Hij was nu hersteld en in 't volle genot zijner krachten, zoodat hij vreemd opkeek van mij den eersten slag te ontvangen. Een worsteling volgde; ik bracht al mijne bokslessen in practijk en wond mijzelf tot gloeihitte op bij het herdenken aan de vroeger van hem ondervonden beleedigingen. Tot zijn eer moet ik zeggen, dat hij zich heel goed hield,--maar er stond voor hem veel op het spel; verloor ik het, welnu dan bleef alles zooals vroeger, maar voor hem was het een gansch ander geval. Een gevallen tiran kan zijne vrienden wel tellen. Dol van woede bij de gelukkige stompen, die ik hem in 't aangezicht toebracht, verloor hij zijne kalmte, terwijl ik doodbedaard bleef; zijne bewegingen waren zoo wild, dat ik al zijne slagen wist te keeren en met woeker terugbetaalde. Eindelijk bleef hem niets over dan zich gewonnen te geven met half dichtgeslagen oogen en een zoodanig met bloed bevlekt, opgezwollen gezicht, dat hij zelfs voor zijne vrienden, als hij die bezeten had, onkenbaar zou zijn geweest.

Ik was er zonder eenig merkteeken afgekomen; de meesten onzer waren met gemaakte prijzen medegezonden en dus van boord afwezig; maar de twee oudsten uit onze voorlongroom, een oude masters-assistent, die geen kans had om ooit bevorderd te worden, en de jonge dokter, die mij bij den pols had gehouden, toen ik voor mijne zoogenaamde insubordinatie had moeten boeten, waren nu, als getuigen van Murphy, bij het gevecht tegenwoordig geweest. In beginsel had ik aangenomen, om als ik in den strijd gelukkig was geweest, de behaalde voordeelen te vervolgen. De juichtonen der overwinning galmden door ons verblijf: de jongsten bewierookten mij met triomfzangen en gaven groote ergernis aan het bovengenoemde drietal. De jonge dokter, een bleekneuzig, dom, pokdalig en ziekelijk uitziend jong man, was dwaas genoeg om hardop te zeggen, dat, omdat ik Murphy een pak slaag had gegeven, ik nog niet denken moest, dat ik nu de baas in de voorlongroom was. Mijn antwoord hierop was een beschuit, die ik als een seinschot van waarschuwing in zijn gezicht slingerde; en op hem toespringende, vóór hij zijne lange beenen onder de tafel had kunnen uittrekken, vatte ik hem met mijne hand in zijn halsdas en draaide die zoo stijf dicht, dat ik hem half deed stikken, terwijl ik onderwijl zijn hoofd eenige malen zeer onzacht met het beschot liet kennis maken.

Toen hij mooi zwart in 't gelaat begon te worden, liet ik los, hem vragende of hij soms nog voldoening verlangde, waarop hij ontkennend antwoordde; en van dien dag af was hij altijd behoorlijk onderdanig jegens mij. De andere oudere heer, een stevige koopvaardijlobbes, gevoelde zich zeer onaangenaam gestemd bij de achtereenvolgende nederlagen van zijne bondgenooten, en zou, geloof ik, graag een afzonderlijken vrede met mij gesloten hebben. Hij had er in 't geheel niet over gedacht om den dokter te hulp te komen, ofschoon deze er hem herhaaldelijk om gesmeekt had. Het was mij een groot genoegen dit op te merken, en ik was nu te gewilliger ook hem zijn aandeel te geven, nu ik zag, dat hij er weinig zin in had. Maar het was hem daarom niet geschonken. Om twaalf uren in dien nacht, werd ik van de eerste wacht afgelost en vond, omlaag komende, den ouden assistent in een verregaanden staat van dronkenschap. Zoo rolde hij in zijne kooi en viel in slaap. Toen hij daar »als een zwijn" lag, nam ik een stuk helschen steen, maakte dit nat en trok allerlei streepen en figuren over zijne getaande physionomie. Zijne op zichzelve reeds buitengewoon leelijke tronie had nu veel van een getatoueerden Nieuw-Zeelander. Den volgenden morgen, toen hij zijn toilet ging maken, was mijne partij in stille verwachting naar de ontknooping. Hij opende een oude toiletdoos, zette scheermes en zeep klaar, haalde een ouden riem en plaatste een driehoekig stuk spiegelglas tegen het opstaande deksel, gereed om zich in te zeepen. Wie beschrijft de afschuw en verbazing, waarmede hij terugsprong bij het zien zijner eigene beeltenis? Hij overtrof Roscius bij het aanschouwen van den geest van Hamlet. Met zijn natgemaakten voorvinger wilde hij de vlekken uitwisschen, maar de schoone teekeningen wilden niet verdwijnen, en wij stonden als kleine saters rondom hem te schateren van het lachen.

Ik vertelde hem boutweg, dat hij evenals Murphy en de dokter, mijn merk droeg; en, voegde ik er met een wreede spotternij, die ik beter gedaan had voor mij te houden, bij: ik wilde vandaag nu al mijne onderdanen eens in zwarte livrei zien. Ik vroeg, of hij voldaan was over mijne schikking, of dat hij daartegen appèl wenschte aan te teekenen; hij gaf te kennen, dat hij het er bij zou laten.

Zoo had ik, in ééne vierentwintig uren de groote bondgenooten, zoo lang mijne onderdrukkers, ten onder gebracht. De gevolgen mijner overwinning kan ik in een paar woorden mededeelen. Van dit oogenblik af, evengoed als ware er eene omwenteling geweest, heerschte er in de voorlongroom vrijheid en gelijkheid, al liet de broederschap nog wel iets te wenschen over. Mijn invloed was nu groot genoeg geworden om aan allerlei wederrechtelijkheden een eind te kunnen maken, en dit deed ik ook trouw. De vroeger zoo hinderlijke tirannie der oudsten was volkomen gebroken. Daar nu in het vervolg ook bleek, dat ik niet zoo twistziek was als men vroeger dacht, maakten mijne handelingen een werkelijk zeer gunstigen indruk ook bij de officieren.

Wij verlieten Malta, in de verwachting onzen opperbevelhebber (eskadercommandant) in de buurt van Toulon te vinden. Nu heeft zelden de commandant van een fregat een groot verlangen om bij zijn admiraal te komen, tenzij hij gewichtige brieven moet overbrengen. Dit laatste was thans niet het geval; met een zwaren oostelijken storm achter ons, vlogen wij westwaarts de Middellandsche zee door en moesten toen weer langs de Spaansche en Fransche kusten opwerken. »Het is een slechte wind, die niemand wat goeds aanwaait", zegt het spreekwoord; dit ondervonden ook wij weer; hadden wij nabij Toulon gekruist met het overige deel van de vloot, dan zou het ons al bitter weinig voordeel hebben opgeleverd om eenige prijzen te maken, want het prijsgeld moest dan in zooveel deelen verbrokkeld worden. Onze kolonel, die een slimme kerel was, maakte liever buit op eigen gelegenheid, en als er iets genomen was, zond hij het altijd bij voorkeur naar Gibraltar; ten eerste, omdat wij dan weer daarheen gezonden werden om ons volk terug te halen, en ten tweede, omdat hij uit ervaring wist, dat men bij het admiraliteitshof te Malta erg knoeide en dat dáár altijd veel aan den strijkstok bleef hangen.

Al wat wij tot nu toe genomen hadden werd dan ook voor de formaliteit der prijsverklaring naar Gibraltar gezonden, en nu vonden wij gelegenheid er nog wat aan toe te voegen. Wij hadden het geluk eerst een groot schip te vermeesteren, en daarna weer eene brik. De laatste had eene lading tabak en wijn in. Met het bevel over deze brik werd ik belast, en geen eerste minister had ooit zoo'n drukkende verantwoordelijkheid bij zoo'n gebrekkigen steun. De bemanning van het fregat was, door de vele gemaakte prijzen, die naar eene haven onder zeil waren, en door de ongelukkige ontmoeting met den kaper zoo gedund, dat mij slechts drie man konden afgestaan worden. Ik was echter zoo blijde met mijn eerste commandement, dat ik geen bezwaar gemaakt zou hebben, zelfs al had ik alleen met een hond en een varken moeten varen.

De sloep van het fregat bracht ons over. Er woei een fiksche Oostenwind; dadelijk legde ik het roer op en stuurde op de oude rots aan. Toen de wind later toenam en storm werd, hield ik hem maar recht van achteren, doch moest spoedig besluiten de bramzeilen te bergen. Met groote moeite, en één voor één, wisten wij dit gedaan te krijgen. Toen bleek het noodig een paar reven in de marszeilen te steken, maar dit ging niet. Wij namen de proef met een zoogenaamd Spaansch rif, d.i. wij lieten de marszeilen op den rand loopen en zetten de riftalies stijf, doch wij bleven vóór den wind, die nog steeds onrustwekkend toenam, door het water vliegen. Onze lading (wijn en tabak) was ongelukkigerwijs door een Spanjaard en niet door een Engelschman gestuwd. Het onderscheid was voor mij niet van belang ontbloot. Een Engelschman zou, met het oog op het bekende gebrek zijner landgenooten, den wijn beneden en de tabak boven geborgen hebben. Doch juist het omgekeerde was gebeurd. Mijn volkje was er spoedig achtergekomen en had zich heel gauw meer dan half bedronken.

Alles ging nog goed tot twee uren des morgens, toen mijn roerganger, die men aan zijn lot overgelaten had, ook behoefte aan eene »hartversterking" begon te krijgen, en de anderen niet kunnende wekken om hem een dropje te brengen, vond, dat hij heel best het schip zichzelf kon laten sturen, zoolang hij even naar het kraantje liep.

Nauwelijks was echter het roer losgelaten, of het vaartuig vloog in den wind op, en kwam dwarsscheeps te liggen; die veranderde windrichting op de zeilen kostte ons den grooten mast, die even boven dek afbrak. Gelukkig bleef de fokkemast behouden; de roerganger, nog geen tijd gehad hebbende zich te bedrinken, ijlde naar zijn post terug en de beide andere matrozen werden nuchter van schrik.

Zoo goed en zoo kwaad als het ging, wisten wij de vleet kwijt te raken. Wij kregen het vaartuig weer vóór den wind, en zóó ging het verder. Maar de Engelsche zeeman, die op zijn tijd de noodige stoutheid weet aan den dag te leggen, is bij eene andere gelegenheid ook weer hoogst onvoorzichtig, en ziet bij gevaar de gevolgen licht over het hoofd. In plaats dat het verlies van het groottuig eene waarschuwing voor hen was tot matigheid, had dit op mijn volk juist een omgekeerde werking. Nu de helft van de zeilen zichzelve geborgen had, was het met de overgebleven helft een veel gemakkelijker huishouden; zij konden nu tweemaal zoo gemakkelijk dronken zijn dan te voren. Deze regel van drieën werd, mijns ondanks, behoorlijk in toepassing gebracht, en zoolang de verdere reis duurde, waren zij altijd onbekwaam door den wijn.

De fortuin begunstigt ons dikwijls het meest, wanneer wij dit het minste verdienen. Ik wist, dat wij bijna onmogelijk het nauw van Gibraltar konden uithollen zonder het te bemerken. Den derden dag, nadat wij het fregat verlaten hadden, liepen wij vroeg de rots in het zicht en rondden ten twee uren de punt van Europa. Ik had mijn volk order gegeven de ankerkabels op te steken en, zooals dat aan jonge officieren wel eens meer overkomt, er op gerekend, dat het uitgevoerd was, omdat ik het gezegd had en zij »ja" geantwoord hadden. Het was niet in mij opgekomen om te gaan zien of mijn bevel volbracht was; om de waarheid te zeggen, had ik zelf ook werk genoeg om handen. Ik stond aan het roer van 's nachts twaalf uren tot zes uren 's morgens, te gelijk scherp naar het land uitkijkende; toen had ik mij laten aflossen en nadat ik het roer overgegeven had, was ik tot tien uren in een diepen slaap gevallen: toen was al mijn verstand noodig geworden om te zorgen, dat wij de baai inliepen, en niet de straat uitstormden, en daardoor ontging mij die heele kabelgeschiedenis, tot op het oogenblik dat wij de ankers noodig kregen.

Toen ik, met ons prijs-sein in top, langs den achtersteven van een der in de baai liggende oorlogsschepen zeilde, riep de wachthebbende officier mij toe, dat ik »zeil zou minderen." Jawel, dacht ik, niets liever dan dat, maar hoe dit gedaan te krijgen? Mijn bemanning was daartoe door dronkenschap buiten staat, en toen ik terugriep om mij daarvoor assistentie te zenden, waren wij zoo hard doorgezeild, dat men door den harden wind mij niet verstaan kon of wilde. Nood breekt wet. Ik liep te veel vaart om ten anker te kunnen gaan en zag onder de andere schepen een groot transportschip liggen, dat, naar ik meende, beter dan elk ander een stootje kon verdragen. Te meer liet ik voor dat doel het oog op dat vaartuig vallen, omdat ik wist, dat de reeders van zulk soort schepen gewoonlijk gauwdieven zijn, die er niets om geven om het gouvernement op duizenden ponden sterling aan onkosten te jagen. Toevallig lag hij juist bij de ankerplaats voor prijzen, en daar ik geene andere kans zag om te komen, waar ik wezen wilde, stuurde ik recht op het transportschip aan en liep hem vierkant in de zijde tot groote verbazing van kapitein, stuurman en volk.

De gewone uitroepingen, vloeken en verwenschingen volgden den schok. Hierop was ik voorbereid, evenals op het verlies van mijn voortuig, dat, kennis makende met de fokkera van het transportschip, ons over stuurboordsverschansing verliet en daardoor het vraagstuk van zeilmindering volledig oploste. Mijn schoone brik was eerst tot een kotter herleid en nu bleef er niets dan een romp over, die gelukkig waterdicht was gebleven. Met geringe moeite kwam ik van het groote schip vrij en commandeerde daarop op fieren toon: »Laat vallen het anker!"

Maar jawel: mijn anker viel, dat was zeker, maar het gaf ons niets, mijn vaartuig had er geen houvast aan wegens het verzuim van de kabelopstekerij. Wij bleven dus drijvende, en toen wij achter een der fregatten gekomen waren, zond de commandant daarvan, ziende dat ook de andere kabel niet vast was, vriendelijk een sloep met volk tot mijne hulp; en te vijf uren lag ik eindelijk veilig in de baai en stapte ik op mijn halfdek op en neder, even trotsch als Columbus, toen hij de Amerikaansche eilanden ontdekt had.

Maar kort, zeer kort duurde mijne macht! Den volgenden morgen reeds kwam ons fregat binnen. De kolonel liet mij halen, en ik gaf hem verslag van mijne reis en mijn wedervaren. Minzaam troostte hij mij over den ondervonden tegenspoed, en in plaats van mij een aanmerking te maken over het verlies mijner masten, zeide hij dat het, alles samengenomen, nog wonder was, dat ik het schip had weten binnen te brengen. Nog geen veertien dagen lagen wij voor Gibraltar, toen er bericht kwam, dat de Fransche legers Spanje waren binnengetrokken, en kort daarop kwam bevel uit Engeland om tegen de Spanjaarden geene vijandelijkheden meer te plegen. Dit was voor ons wat men noemt »een klontje uit de pap", daar nu alle kans op prijsgeld vervlogen was; doch tegelijkertijd vermeerderden onze werkzaamheden en werd er voortaan veel grooter activiteit van ons gevergd, dan het geval zou zijn geweest, indien de oorlog met Spanje had voortgeduurd.

Wij kregen nu last ons bij het eskader in de wateren van Toulon te voegen, doch moesten onder weg Carthagena bezoeken en in die haven den toestand van de Spaansche vloot opnemen. Door den gouverneur van de plaats en de Spaansche zeeofficieren werden wij met de meeste hoffelijkheid ontvangen. De laatsten deden zich als zeer bekwaam en welopgevoed voor. Hunne schepen echter lagen voor het meerendeel afgetuigd, en voor eene nieuwe uitrusting ontbraken de middelen.

ZESDE HOOFDSTUK.

Natuurlijkerwijs zeer verlangende om een land te zien, waar wij zooveel jaren achtereen buiten waren gesloten, verzochten en verkregen wij allen vergunning om naar den wal te gaan. Dit werd ook aan de matrozen toegestaan, die er in troepjes van vijftien of twintig man gebruik van maakten. In de straten werden wij achtervolgd en aangegaapt door het volk; doch tevens vermeden zij met ons in aanraking te komen. Van overoude tijden af hebben de herbergen in Spanje een slechten naam gehad, welken die in deze stad naar behooren ophielden. Meestal werden zij door het laagste gespuis, door oplichters en roovers bezocht, die er geene gewetenszaak van maakten om voor afwisseling ook eens een moord te plegen. Het eten was er afschuwelijk. Alles was bereid met knoflook en olie. De olla podrida met de onafscheidelijke tomato-saus waren onuitstaanbaar, maar den wijn vonden wij, adelborsten, nog al genietbaar. Als wij soms in een dier huizen ons maal gebruikten, zochten de roovers twist met ons; en daar zij steeds met hunne dolken gewapend waren, was het onze zaak op verdediging bedacht te zijn; gingen wij aan tafel zitten, dan lieten wij steeds duidelijk den loop onzer pistolen blinken en daarmede hielden wij hen, die even lafhartig als diefachtig waren, op een eerbiedigen afstand. Onze matrozen evenwel, die minder voorzichtig en ook zelden gewapend waren, werden herhaaldelijk door die schurken aangerand, beroofd en sommigen zelfs vermoord.

Eens was ook ik bijkans hun slachtoffer geworden. Toen ik op zekeren avond met den tweeden master wandelde, werden wij door vier van die onverlaten aangeklampt. Uit de vreemde wijze, waarop zij hunne mantels omhadden, bemerkten wij weldra, dat zij daaronder wapens verborgen. Ik verzocht mijn kameraad zijn dolk gereed te houden, goed tegen mij aan te sluiten en niemand tusschen ons en den muur door te laten. Ons op onze hoede ziende, wenschten zij ons »buenas noches" (goeden nacht) en beproefden ons op ons gemak te brengen met een praatje en vroegen een sigaar, die mijn makker bijna zou gegeven hebben, had ik hem niet gewaarschuwd vooral geen oogenblik de hand van zijn ponjaard te nemen, want dit hadden zij juist gaarne gewenscht.

In deze verdedigende houding bleven wij doorwandelen, tot wij bijna op de plaza, het groote marktplein waren, alwaar vele menschen bijeen, volgens plaatselijke gewoonte, in den maneschijn pantoffelparade maakten. »Nu," riep ik mijn vriend toe, »nu ons weggemaakt. Volg mij snel, als ik het op een loopen zet, en dan tot op het midden der plaza." Onze list gelukte, wij ontliepen de dieven, die het niet dadelijk begrepen hadden en bovendien in de vlugheid hunner bewegingen door hun zware mantels verhinderd waren. Op de politie in Spanje had door ons niet gerekend kunnen worden.

Behalve nog eenmaal om te voldoen aan een uitnoodiging bij den Spaanschen admiraal, die al de officieren gevraagd had, was dit de laatste maal, dat ik 's avonds aan den wal ging.

Van Carthagena werd de reis in de richting van Toulon voortgezet, in de nabijheid waarvan wij ons onder de vlag stelden. Onze eskaderchef gaf ons last om te gaan kruisen tusschen Perpignan en Marseille. Des anderen daags reeds verlieten wij de vloot en hielden de kust voortdurend in onrust. Geen schip durfde zich buiten den wal vertoonen; wie het beproefd had, zou in onze handen zijn gevallen. Om de kustbatterijen gaven wij niets. Wij brachten deze met onze achttienponders tot zwijgen, of wij landden en lieten ze in de lucht springen. Bij een dezer kleine schermutselingen was ik bijna gevangengenomen en zou ik in dat geval al de eer en roem en de wonderdadige ontkomingen, die in de volgende bladzijden vermeld zijn, misgeloopen zijn. Misschien had men mij neergesabeld, maar anders zou ik stellig als krijgsgevangene voor de volgende zes jaren, die de oorlog nog duren zou, naar de vesting Verdun weggevoerd zijn.

Wij waren geland om een versterking te bestormen en zoo mogelijk in de lucht te doen vliegen, waartoe wij een grooten zak buskruit en een lange lont met ons voerden. Alles ging aanvankelijk even voorspoedig. Wij kwamen toen aan een kanaal, waar wij over moesten. De beste zwemmers werden vóór geroepen, om het kruit droog over te brengen. Ik bood mij, onder meer anderen, daarvoor aan. Gemakshalve liet ik schoenen en kousen staan; en nadat wij de batterij genomen hadden, keek ik zóó oplettend naar de kist met telegraphische seinen, dat ik geheel niet meer dacht aan de voorgenomen ontploffing, tot ik het schreeuwen van »Loop, loop!" hoorde door degenen die aan de buitenzijde de lont hadden aangestoken.

Op dat oogenblik stond ik op den dertig voet hoogen, glooienden muur van het fort. Een gedeelte sprong, de rest gleed ik af en liep wat ik loopen kon onder een hagelbui van steenen, die aan een uitbarsting van den Vesuvius deed denken. Ik kwam er zonder letsel af, doch in den sprong had ik mijn voet bezeerd en leed daaraan veel pijn. Twee velden met stoppels bezet moest ik overtrekken, en daar mijne schoenen aan gindsche zijde van het kanaal stonden, kreeg ik van het scherpe stroo in mijne wond, dat mij bijna dol maakte, zoodat ik veel neiging gevoelde er maar bij neer te gaan zitten en mijn lot af te wachten. Gelukkig echter bleef ik het volhouden en had bijna de sloepen bereikt. Men had mijne afwezigheid niet opgemerkt en was reeds van wal gestoken, toen in de verte een geluid als van een naderenden donder mijn oor trof. Ik bemerkte spoedig, dat dit ruiterij uit het nabijgelegen Cotte was, te laat opdagende om de batterij te helpen verdedigen; ik deed daarop eene uiterste krachtsinspanning en sprong in zee, de sloepen achterna. Zoo na waren zij mij op de hielen, dat eenige vijandelijke jagers op hunne paarden mij te water volgden en hunne pistolen op mij losten. De sloepen waren reeds een kwart mijl van de kust opgeroeid, toen de officieren gelukkig de cavalerie opmerkten, en tegelijkertijd ook mij in de peiling kregen; een der sloepen kwam mij te gemoet, en met groote moeite werd ik opgevischt; doch ik was van vermoeienis en bloedverlies zoo uitgeput, dat ik voor half dood aan boord werd gedragen; door mijne wonden lag het been open, en wel eene maand lang bleef ik onder geneeskundige behandeling.

Toen ik bijna hersteld was, namen wij een schip, waarmede Murphy als prijsmeester werd weggezonden; denzelfden avond nog pakten wij een schoener van haar ankerplaats weg. Het bevel over het laatste vaartuig werd weder aan mij opgedragen. Het was nacht geworden vóór ik daarmede weg kon, en in de groote verwarring aan boord had men verzuimd het vaatje sterken drank voor mijzelf en de bemanning bestemd, mede te geven. Hierdoor kwam ik van het eene uiterste in het andere; op mijn vorig schip had ik te veel drank gehad, maar hier had ik gebrek. Daar wij van nature dorstig uitgevallen waren, behoefde ons verlangen naar drank werkelijk geene aanmoediging van de zoutevisch, die het hoofdbestanddeel der lading en daardoor ook van onze voeding uitmaakte, en sterk hinderde ons het gemis van onzen borrel.

Den derden dag na het verlaten van ons fregat met bestemming naar Gibraltar zag ik voor mij uit onder den Spaanschen wal een schip, dat ik voor dat van Murphy herkende aan een bijzonder teeken in zijn groot marszeil. Ik zette alle dienstdoende zeilen bij om hem in te halen, in de hoop van hem wat drank te kunnen verkrijgen, wetende dat hij veel meer dan het noodige aan boord had. Toen ik naderde, zette ook hij alle mogelijke zeilen bij, doch tegen donker was ik zoo nabij, dat hij bijna gepraaid kon worden; dichter kwam ik niet; toen deed ik een paar seinschoten met de kleine drie-ponders, die mijn schoener voerde. Ofschoon ik deze herhaalde, werd er geen notitie van genomen en toen het geheel donker was geworden, raakten wij uit elkanders gezicht, om eerst weer in Gibraltar samen te treffen.