Frank Mildmay, De zeeofficier

Chapter 6

Chapter 63,838 wordsPublic domain

Die stem hoorende, schrikte ik op en klom aan den voorkant der steng weer zoo vlug mogelijk naar boven, hopende dat hij mij bij de reeds ingevallen schemering niet zien zou. Maar ik had hierin misgerekend. Hij zag, wat voor alle partijen maar beter was geweest niet te zien. Hij riep de drie man die in de mars werkzaam waren toe hem te zeggen, waar ik mij bevond. Zij antwoordden: »Op de zaling." »Wat!" schreeuwde Handstone, met een vloek er op: »wilt ge soms vertellen, dat ik hem niet duidelijk juist naar boven zag klimmen?"

»Neen, mijnheer," antwoordden de matrozen, »hij zit nu zeker op de bramzaling te slapen."

»Kom allen naar omlaag, jelui leugenbeesten," beval de eerste officier »en ik zal je leeren waarheid te spreken!"

Ik, die op dat oogenblik kalm mijnen strafzetel weer ingenomen had, kreeg ook bevel om af te komen; alle vier moesten wij op 't halfdek komen, waar wij volgenderwijze ondervraagd werden:

»Welnu" zeide de eerste officier tegen den marsgast, »hoe durft gij zeggen, dat de jonker op de zaling zat, terwijl ik hem met eigen oogen langs de marsdraaireep zag opklimmen?"

Het speet mij voor de kerels, die om mij te helpen, zich in moeielijkheden hadden gewerkt, en ik wilde juist met de volle waarheid voor den dag komen, toen tot mijne groote verbazing de man stoutweg antwoordde: »Ik verzeker u, dat hij op de zaling zat, mijnheer, op mijn eerewoord."

»Uw eerewoord!" riep de eerste officier verachtelijk. Daarop zich achtereenvolgens tot de beide andere mannen wendende, deed hij hun dezelfde vraag en ontving hetzelfde besliste antwoord; dit was zoo sterk, dat ik mij nu al begon in te beelden, dat ik werkelijk boven gebleven was en de rest maar gedroomd had. »En nu, mijnheer," wendde hij zich het laatste tot mij, »ik vraag u thans op uw woord van eer als officier en als fatsoenlijk man: waar waart gij, toen ik het eerste naar boven riep?"

»Op de zaling, sir," was mijn antwoord.

»Dan zal ik het aannemen," zeide hij; »daar gij officier en gentleman zijt, ben ik verplicht u te gelooven." Hierop keerde hij zich om en ging heen woedend, zooals ik hem nog nooit gezien had.

Ik begreep duidelijk, dat hij mij toch niet geloofde en dat ik nu voortaan voor goed uit zijne gunst was. Maar als men nu eens onpartijdig over mijne handeling wil nadenken, hoe kon ik in dit geval anders gedaan hebben? Men had mij bepaald op de bramzaling vergeten; ik was al mijn eten misgeloopen; en die arme matrozen hadden alleen om mij voor straf te vrijwaren, een onbeschaamden leugen verteld, met groote kans om daarvoor een pak op hun broek op te loopen. Had ik hen nu in den steek gelaten, dan zouden zij hiervan niet vrijgekomen zijn, en ikzelf zou bij iedereen aan boord afgedaan hebben; vandaar dat ik werkelijk meende, dat ik als man van eer en van fatsoen verplicht was een leugen te vertellen, ten einde die arme kerels voor een zeer wreede bestraffing te vrijwaren.

Ware ik alleen in deze zaak betrokken gebleven, ik zou zeker, ofschoon geen aanspraak op martelaarschap beoogende, eerlijk de waarheid hebben gezegd. Het was alles de schuld van den eersten officier zelf: ten eerste was hij begonnen met te gestreng te zijn, en ten tweede had hij het onderzoek in eene zaak van zoo ondergeschikt belang veel te ver doorgezet. Toch hinderde het mij geweldig, dat ik er in was geraakt; zoodra dan ook de eerste officier genoegzaam bekoeld was, zoodat ik veronderstellen kon, dat de betrokken matrozen vrij van straf zouden blijven, ging ik naar hem toe en verklaarde hem mijn gedrag en den tweestrijd, waarin ik geweest was. Hij ontving mijne excuses zeer koel en nooit zijn wij weer goede vrienden geworden.

Onze kolonel, die nog al vermetel was, slaagde er in den vijand op de Fransche kust eenig nadeel toe te brengen. Ik zag kans om bij een onzer sloepen-expedities mede te slippen; wij landden, overrompelden een batterij en vernagelden de stukken. De Fransche soldaten vluchtten in aller ijl en gaven ons gelegenheid om eenige visschershutten te plunderen. Ik liep met de anderen mede om ook eenigen buit te snappen, en..... ik snapte een koopje. Buiten een der hutten lag een kolossale visch met den bek open; ik stak er een vinger in om hem weg te sleepen; maar mijne vangst was nog allesbehalve dood, hapte toe en beet mij het vleesch door tot op het been. Mijn bloed vloeide, en dit was het eenige dat deze tocht ons gekost heeft.

Ofschoon ik er zelf ook aan schuldig was, kon ik dat plunderen door de anderen niet goed aanzien. De matrozen kaapten allerlei dingen, waar zij letterlijk niets aan hadden, om weer weg te smijten in ruil voor even nuttelooze dingen. Meermalen bedacht ik later dat ik voor mijn aandeel behoorlijk gestraft werd en dat het ook niet aanging geheel onschuldige, ongelukkige wezens de ellende van den oorlog te laten medegevoelen. Onze volgende ontmoeting had echter nog meer ernstige gevolgen voor de grootste, de onschuldigste slachtoffers van den oorlog, waarvan de bewerkers intusschen rustig op hunne donzen bedden sliepen, als hadden zij aan dat alles geen deel.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Na het gebeurde op de voorbramzaling zou het mij nimmer gelukt zijn het vertrouwen en de achting van onzen eersten officier te herwinnen. Hij was ongetwijfeld een uitmuntend en streng dienstdoend officier en kon daardoor onmogelijk iets wat hij beschouwde te zijn een inbreuk op de eer, door de vingers zien. Toen het toeval dan ook kort daarna medebracht, dat wij van elkaar scheidden, was mij dit niet onaangenaam.

Eens jaagden wij in de baai van Arcasson op een vaartuig, dat, zooals gewoonlijk, zijn heil onder den wal nabij eene batterij zocht; en onze commandant besloot, zooals dit nu zijne gewoonte was, het daar vandaan te laten halen. Tot dit doel werden de noodige sloepen bewapend, daarvoor de bemanning aangewezen en alles voorbereid voor een aanval op den volgenden morgen. Het bevel over dezen tocht werd aan den eersten officier opgedragen, die dit volijverig aanvaardde en in zeer opgewekte stemming naar bed ging, in het vooruitzicht van den roem en het voordeel, die de volgende dag hem zou brengen. Hij was dapper en bedaard bij een gevecht, zoodat de matrozen hem vol vertrouwen, als den leider tot een zekere overwinning, volgden. Of nu ditmaal zijn slaap door onrustige droomen gekweld was geworden, dan wel nadere overpeinzing van de moeielijke en gevaarlijke taak die hem wachtte, hem verontrust had, weet ik niet; maar des morgens viel ons allen een belangrijke verandering in zijne wijze van doen op. Zijn ijver was verdwenen; met langzame en afgemeten passen, stapte hij over het dek, schijnbaar in diepe gedachten verzonken, en wat hij anders nooit was, ditmaal stil en droefgeestig en onverschillig voor de dienstzaken.

De sloepen werden klaargemaakt, de officieren waren er reeds in, de riemen werden opgezet, de oogen der jeugdige krijgshelden fonkelden van geestdrift en nog liet de heer Handstone, steeds in diep gepeins op dek loopende, zich wachten. Ten laatste ontving hij een herinnering van den commandant, die hem op luider toon dan gewoonlijk vroeg, of hij nu van plan was om het bevel te aanvaarden, Zijn antwoord was: »Wel zeker, onmiddellijk," en toen stapte hij flink en krachtig het halfdek over en liet zich in zijne sloep af.

Ik volgde en zette mij naast hem neder; hij keek mij vreemd en onverschillig aan; ware hij in zijne gewone stemming geweest, ongetwijfeld zou hij mij in eene der andere sloepen gezonden hebben. Wij hadden een heel eind te roeien, vóór wij het voorwerp van onzen aanval bereikten, terwijl het zoo dicht mogelijk onder den wal geankerd lag en gereed was ons te ontvangen. Eene volle laag van kartetsen was onze eerste begroeting. Deze had op ons volk dezelfde uitwerking als de sporen op een strijdros. Wij kwamen langs zijde en enterden het vaartuig. Handstone had in een oogenblik zijne gewone opgewektheid herkregen, moedigde zijne manschappen aan, klom met de sabel tusschen de tanden tegen het boord op, terwijl ons volk een salvo van geweerschoten loste en daarna hun onverschrokken aanvoerder volgde.

In onze sloep, die het eerst op zijde was gekomen, waren in minder dan een oogenblik elf man van de vierentwintig dood of buiten gevecht. Dit niet tellende, sprong de eerste officier vooruit. Ik volgde hem op de hielen; van de verschansing was hij dadelijk op het dek, en vóórdat ik mijn zwaard kon trekken om hem bij te staan, viel hij achterover tegen mij aan, sleepte mij in zijnen val mede en was een lijk. Zijn lichaam was door dertien geweerkogels getroffen.

Ik had geene gelegenheid om onder hem weg te komen, vóór er op ons getrapt werd en ik bijna stikte onder het gedrang mijner scheepsmakkers, die vurig om den prijs te nemen of om ons verlies te wreken, met onweerstaanbare dapperheid voortrukten. Ik werd voor dood gehouden en dienovereenkomstig behandeld, zoodat men mijn lichaam gebruikte als een trede aan den valreep, waar de trap ingenomen was. Daar bleef ik liggen, bijna flauw van de drukking en half gestikt in het bloed van mijn heldhaftigen aanvoerder, op wiens borst mijn hoofd rustte, terwijl ik, ter beschutting van mijn schedel tegen de hakken mijner vrienden en de wapens mijner vijanden, mijne handen om het achterhoofd hield. Daar ik nog nadenken kon, kwam ik echter tot de overtuiging, dat voorloopig een verandering van positie niet in mijn belang was. Binnen acht minuten was de strijd beslist, ofschoon het mij in mijn neteligen toestand, oneindig lang scheen. Vóór het afgeloopen was, geraakte ik geheel in onmacht, en toen ik weder bijkwam was het vaartuig onder zeil en buiten bereik van de schoten der versterking.

De eerste oogenblikken van rust na het bloedbad werden besteed tot onderzoek naar de dooden en gewonden. Ik werd tot de eersten gerekend en tusschen de stukken, naast de ontzielde lichamen van den eersten officier en de overigen neergelegd. Een frissche koelte, die de geschutpoort inwoei, bracht mij een weinig tot mijzelven, maar flauw en ziek als ik mij gevoelde, had ik de macht, noch de neiging om beweging te maken; mijn hoofd duizelde, ik wist niet goed meer wat er met mij gebeurd was en bleef in een soort van bedwelming, totdat de prijs bij het fregat was aangekomen en de hoera's van gelukwensching en overwinning door de aan boord achtergeblevenen mij in de ooren klonken.

Met de eerste sloep kwam de dokter met zijne helpers over, om de dooden te onderzoeken en aan de gekwetsten de eerste hulp te verleenen. Murphy kwam ook mede. Hij was niet bij de expeditie geweest; toen hij mijn dood gewaand lichaam zag, raakte hij het met de punt van zijn voet aan, daarbij uitroepende: »Daar hebben we een jongen haan, dien zij het kraaien verleerd hebben! Wel wonder, want het jong was voor de galg bestemd."

Het geluid van 's kerels gehate stem zou voldoende geweest zijn om mij uit mijn graf op te wekken, maar zoover was het nog lang niet met mij; zwakjes riep ik uit: »Je liegt," wat te midden van het droevige tooneel rondom mij een smakelijk gelach ten zijnen koste teweegbracht. Ik werd naar boord overgevoerd, te bed gebracht en adergelaten; spoedig was ik in staat om de bijzonderheden onzer ontmoeting te vertellen, doch een geruimen tijd bleef ik gevaarlijk ziek.

De uitlating van Murphy bij mijn dood gewaand lichaam en mijn bondig antwoord gaven aanleiding tot veel vroolijkheid aan boord; de adelborsten sarden hem door hem den redder van mijn leven te noemen, daar niets dan zijn gehate stem mij uit den doodslaap had kunnen wekken. Het treurig lot van den eersten officier werd door ons allen betreurd, ofschoon ik niet ontveinzen kan, dat het mij in dit geval, evenals den vorigen keer toen de dood een paar getuigen van mijn vechtangst had weggenomen, niet erg speet. Toen ik eenmaal wist, dat ik zijne goede meening verbeurd had, was het mij vrij aangenaam, dat ik hem nooit meer ontmoeten zou. Het bleek nu, dat hij een sterk voorgevoel van zijn dood had gehad; dikwijls had ik van het bestaan van iets dergelijks gehoord, maar dit nog nooit bijgewoond.

De prijs, die door ons genomen was, heette l'Aimable Julie; zij was geladen met koffie, katoen en indigo, voerde veertien stukken en telde vóór het gevecht zevenenveertig koppen, waarvan er acht sneuvelden en zestien gewond raakten. Daar dit buitenkansje voorviel kort vóór wij naar onze haven moesten terugkeeren, zetten wij spoedig koers naar Spitheads reede, alwaar onze commandant een hartelijke verwelkoming van den admiraal ontving. Toen ons rapport ingediend en de averijlijst opgemaakt en aan den admiraal opgezonden was, kregen wij per keerende post last om ons zeeklaar te maken. De bestemming was onbekend, en zelfs voor den commandant een geheim. De matrozenvrouwen echter beweerden te weten, dat wij naar de Middellandsche zee moesten, en zoo kwam het ook uit.

Slechts enkele dagen werden ons gegund om ons haastig klaar te maken; hiervan maakte ik ook gebruik om een paar malen naar huis te schrijven, waardoor ik verkreeg wat ik beoogde, namelijk het noodige geld. Wij gingen onder zeil en bereikten spoedig, zonder ongevallen, Gibraltar, waar wij de algemeene order vonden, die op elk uit Engeland aangekomen schip geldig is, namelijk, om ons te gaan stellen onder de bevelen van den admiraal te Malta. Weinige uren waren voldoende om onzen victualie- en watervoorraad aan te vullen; toen zetten wij onze reis voort, in grooter haast om van Gibraltar weg te komen, dan om Malta te bereiken,--zooveel mogelijk de bochten van de Spaansche kust volgende, in de hoop onder weg een en ander op te pikken, dat ons te La Valette een even hartelijke ontvangst zou bezorgen, als onlangs te Portsmouth ons deel werd.

Vroegtijdig, den tweeden morgen na ons vertrek, liepen wij Kaap de Gata in 't zicht. Met de ochtendschemering ontdekten wij vier zeilen bovenswinds en dicht onder de kust. Begunstigd door een lichte koelte, zetten wij alle zeilen bij voor de jacht. Verscheidene uren achtereen wonnen wij slechts weinig, en tegen den avond ging de wind geheel liggen. Toen werden de sloepen gereedgemaakt om de vervolging voort te zetten, en wij staken van boord, elk een eenigszins uiteenloopenden koers nemende. Ik was bij den master in de giek, en daar deze het snelst roeide, kwamen wij spoedig bij eene der feloeken aan. Wij losten er eenige geweerschoten op; doch daar er weer een zuchtje was doorgekomen, weigerde het vaartuig bij te draaien. Toen werd bijzonder op den man aan het roer gemikt en deze ook werkelijk getroffen; de eenige verandering, die wij daarmede verkregen was, dat hij den helmstok met de rechterhand moest loslaten, doch nu met de linkerhand bleef doorsturen. Wij van onzen kant bleven op dien onverschrokken kerel doorvuren, maar 't was zóó eigenlijk niets beter dan moordenaarswerk, daar hij zich niet kon verdedigen, doch slechts trachtte te ontkomen.

Ten laatste, na eens goed opgehaald te hebben, gelukte het ons met den sloepshaak in den spiegel van het scheepje te pikken, maar nauwelijks waren de riemen ingelegd, of men sloeg van boord onzen haak weer los, en wij dreven een goed eind achter. Daar nu de bries geheel opraakte, konden wij zoodoende spoedig weer oproeien, kwamen langs zijde en namen het vaartuig in bezit. De arme roerganger was tot het laatst toe zijn dienst blijven waarnemen, ofschoon hij geweldig bloedde. Wij boden hem alle hulp en vroegen, waarom hij zich niet eerder had overgegeven. Hij antwoordde fier, dat hij een Oud Castiliaan was. Of hij van meening was, dat een spoediger overgave onteerend zou geweest zijn, dan wel uit eigen ondervinding geleerd had, dat men tot het laatste oogenblik nooit weten kan hoe het loopt, kan ik hier niet uitmaken. Maar zeker is het, dat ik nooit iemand ontmoette, die zich kraniger hield. Gaarne had ik alles willen geven wat ik bezat om de wonden te kunnen heelen van dien geduldigen, zachtzinnigen, doch onversaagden ouden man, die geene klacht uitte, maar zich aan zijn noodlot onderwierp met eene zielegrootheid, die zelfs Socrates hem benijd zou hebben. Hij had vier kogelwonden en overleefde, zooals te verwachten was, slechts enkele uren zijne gevangenneming.

Tot onze verbazing bemerkten wij, dat dit scheepje met de drie andere, waarvan er nog een door de sloepen genomen was, van Lima uitgezeild was. Zij voerden slechts één mast, de bemanning was twaalf koppen sterk en de inhoud ongeveer dertig ton: de lading bestond uit koper, huiden, was en cochenille, en zij hadden toen vijf maanden reis. Hunne bestemming Valencia zouden zij binnen een dag bereikt hebben, indien zij niet door ons onderschept waren geworden. Wisselvallige kansen van den oorlog toch! Deze dappere schipper had, na een zorgelijke en vermoeiende reis, het vooruitzicht binnen enkele uren bij de zijnen aan te landen en hen te verblijden met het loon voor zijn eerlijke arbeidzaamheid en ondernemingsgeest,--toen eensklaps door ons aan al die zoete verwachtingen de bodem werd ingeslagen. Voor ons kwam het prijsgeld binnen onder de tranen, zoo al niet de vervloekingen van zijne weduwe en weezen!

Door eenig bericht, dat onze kolonel met den prijs opdeed, werd hij genoopt om van hier naar de Balearische eilanden over te steken. Wij liepen Iviza in 't zicht en zeilden er langs, naar de baai van Palma op het eiland Majorca; tot onze teleurstelling vonden wij hier niets en zetten onzen koers om het eiland voort.

Hier gebeurde iets zoo vreemds, dat het bijna niet te gelooven is; toch is geen twijfel denkbaar, omdat er buiten mij nog anderen getuige van zijn geweest. De zee was spiegelglad en het weer prachtig schoon; onze afstand van den wal bedroeg meer dan 5/4 mijl, toen de commandant de schootsverheid van onze kuilbatterij willende bepalen, den konstabel gelastte een der achttienponders op de kust te richten. De konstabel verzocht om een doel op te geven. Toevallig zag men van boord een mensch langs het witte strand loopen, en daar er, om den grooten afstand, schijnbaar niet de geringste kans bestond hem te kunnen treffen en het slechts een klein stipje geleek, werd hij als doelwit aangewezen. Het schot ging af en de man viel getroffen neder. Op dit oogenblik zag men eenig rundvee uit den boschrand te voorschijn komen, en werden daarop sloepen van boord gezonden om eenige daarvan te schieten en weg te kapen.

Bij het aan wal stappen, bevonden wij, dat ons slachtoffer door den kogel middendoor was geschoten; en het zonderlingste van de zaak was, dat hij een man van stand bleek te zijn. Hij was zeer netjes gekleed en droeg een korte zwarte broek, waaruit zijden kousen te voorschijn kwamen; toen hij het doodelijk schot ontving was hij in een van de werken van Ovidius lezende, welk boek ik hem nog uit de handen moest nemen.

Dikwijls hoort men van de wonderdadige uitwerking van een toevallig afgegaan schot, maar wie had ooit kunnen veronderstellen, dat die ongelukkige kogel zoover komen en zooveel onheil stichten zou. Wij begroeven den armen heer in het zand, nadat ik nog een klein miniatuurportret van een mooie jonge vrouw van zijn hals had afgenomen en nog een kostbare borstspeld bij mij had gestoken. Twee of drie van de koeien schoten wij neer: deze werden gevild en gevierendeeld in de sloep geladen, zoo keerden wij naar boord terug. Ik leverde de kostbaarheden bij den commandant in, doch deze gelastte mij ze te bewaren, tot er soms navraag van de familie gedaan mocht worden. Jaren daarna had ik die nog in mijn bezit.

Twee dagen later ontmoetten wij weer een vaartuig, dat er verdacht uitzag; daar het stil was, werden terstond de gewapende sloepen op de jacht uitgezonden. Deze verkenden het, naderbij komende, voor eene chebèque, varende onder Fransche vlag; die vlag werd echter spoedig neergehaald en door geen andere vervangen. Toen wij binnen stem-bereik kwamen, riepen zij ons toe om voorbij te gaan, onder bedreiging van te zullen vuren, als wij nader kwamen. Zoodanige waarschuwing kon op een Britsch officier, maar vooral op zulke vuurvreters als wij waren, geen invloed hebben. Wij bleven er dus op aanroeien en geraakten in een wanhopigen strijd, waarbij de partijen even sterk in aantal waren, doch zij het voordeel hadden op hun dek te staan en door verschansingen beschut te zijn. Wij echter behielden de overhand, kwamen aan boord en namen het vaartuig in bezit met een verlies aan onze zijde van zestien, en aan hunnen kant van zesentwintig man, zoo dooden als gewonden. Maar groot was onze ontsteltenis, toen wij gewaarwerden het bloed van eigen bondgenooten vergoten te hebben. Het scheepje bleek een kaper uit Gibraltar te zijn; zij hadden ons voor Franschen aangezien, omdat in onze sloepen de riemen in ijzeren dollen geroeid werden op de Fransche manier; en wij hadden gemeend, dat zij Franschen waren om hun vlag en later om de taal, waarin zij ons toegeroepen hadden. In dit gevecht verloren wij drie officieren en verscheidenen van onze beste matrozen. De kaper had eene uit allerlei natiën bijeengeraapte bemanning; het meerendeel waren Grieken; en ofschoon zij een vrijbrief van den gouverneur van Gibraltar wisten te toonen, kwam het ons voor, dat zij weinig op de nationaliteit van eenig schip letten zouden, zoodra zij slechts begrepen, dat het hun niet te sterk was.

Na deze ongelukkige vergissing gingen wij naar Malta door; de kolonel was eenigszins bevreesd voor een berisping van den admiraal voor zijne ondoordachte handeling om de sloepen af te zenden naar een schip, waarvan hij de weerbaarheid niet kende. Gelukkig voor hem was de admiraal afwezig, en toen wij hem later ontmoetten, hadden wij weer zooveel prijzen er bij genomen, dat deze kleinigheid er onder doorliep en met den mantel der liefde bedekt werd.

Tijdens ons verblijf in de haven van Malta viel op een goeden nacht mijn vriend Murphy overboord en dat nog wel terwijl alle sloepen uit het water geheschen waren. Hij kon niet zwemmen en zou zeker verdronken zijn, als ik niet overboord gesprongen was en hem boven water gehouden had tot er hulp kwam opdagen. De lieden aan boord verkondigden over deze mijne daad meer lof dan die verdiende. Iemand onder zulke omstandigheden het leven te redden, is een verdienstelijke daad; maar mijn eigen leven te wagen voor een ander, die van mijne komst aan boord af steeds getoond had mijn bitterste vijand te zijn, was veel meer dan zij verwacht hadden, en ontegenzeggelijk de edelste wraak, die ik had kunnen nemen. Maar hierin waren zij mis,--zij kenden mij nog niet genoeg; het was slechts mijne ijdelheid geweest en het verlangen om mijnen vijand te verpletteren onder zijne zware verplichtingen, die mij tot zijne redding hadden doen besluiten; bovendien toen ik van de valreep zijn gespartel stond aan te zien, begon ik te vreezen, dat al de wraak, die ik voor hem opgegaard had, mij daar in eens dreigde te ontgaan. Om kort te gaan, ik kon Murphy niet missen, en redde hem alleen om dezelfde reden, waarom een kat nog een paar malen de gevangen muis loslaat.