Frank Mildmay, De zeeofficier

Chapter 30

Chapter 303,480 wordsPublic domain

Nog slechts een zeer kleine som restte mij. Was ook deze verloren, dan moest ik wel eindigen, want voor het maken van schulden bestond geene gelegenheid. Tegen Talbot gevoelde ik eenigen wrok; onrechtvaardig genoeg gaf ik hem in stilte de schuld, dat mij de middelen om door te blijven spelen ontbraken, want na zooveel tegenspoed was de fortuin immers verplicht te keeren?! Ik zou nog één avond de kans wagen en dan niet meer. Talbot vergezelde mij en hield een wakend oog op mijne handelingen, daar hij zich van schuld bewust gevoelde, mij aan den speelduivel te hebben overgeleverd.

Men speelde »rouge et noir." Ik zette alles op rood en won, liet den inzet staan, verdubbelde, won weder. De hoop goud nam reusachtige afmetingen aan. Weder, nogmaals, andermaal verdubbelde hij. Zeven malen achtereen was de roode kaart gekeerd, zeven malen was mijn inzet verdubbeld. Talbot, die achter mij stond, bad en smeekte mij om nu te eindigen.

»Bedenk toch wat de gevolgen zijn van het ééns keeren van de andere kaart," zeide hij; »waag nu niet langer, wees tevreden met hetgeen gij hebt."

»Dat," mompelde ik, »Talbot, kan mij niet helpen; ik wil meer hebben."

Wederom werd rood gekeerd, tot verbazing der omstanders; en tot hun nog grooter verbazing bleef mijn goud nog steeds op de tafel liggen. Weer trachtte Talbot mij te overtuigen, dat langer doorgaan krankzinnigenwerk was.

»Als een krankzinnige ben ik reeds lang aan het werk," was mijn antwoord; »nu nog éénmaal en dan voor het laatst."

De bankiers, wetende hoe gering de kans is, dat na acht malen rood gekeerd te hebben, andermaal die kleur boven komt, en voor hen dus de meeste waarschijnlijkheid bestond hun geld terug te krijgen, gaven vergunning voor den 9den zet. Talbot beefde als een blad. De kaart werd gekeerd: het was rood, de bank was gesprongen.

Voor dien nacht was het spel ten einde. De verliezers gaven natuurlijk aan hun gevoel lucht in de hevigste verwenschingen, terwijl ik bedaard al mijne winst bijeenstreek en per rijtuig huiswaarts keerde met Talbot, die de voorzorg had genomen, om het geleide van twee gendarmes te vragen. Beiden ontvingen een Napoleon tot belooning.

»Nu, Talbot," zeide ik, »ik zweer plechtig om, zoo waar als ik in den hemel hoop te komen, nooit weder te spelen." En deze belofte heb ik eerlijk gehouden. Mijn goed geluk was één op de tienduizend, die in dat huis geruïneerd zijn geworden. Den volgenden morgen reeds zond ik alles aan mijn vader terug wat ik van hem ontvangen had, en hield zelf nog eene belangrijke som over.

Vast besloten om dezen kring van losbandigheid en verleiding, waar mijn voornemen elk uur op de proef werd gesteld, te verlaten, kwamen wij overeen om naar Brest te reizen en aldaar de arsenalen te gaan zien.

VIJFENTWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Twee dagen later verlieten wij Parijs; na eene reis van drie dagen door eene eentonige landstreek, bereikten wij de kleine stad Granville, aan het Kanaal gelegen. In dit aangename plaatsje vertoefden wij eenige dagen; en daar onze brieven ons geregeld werden nagezonden, ontvingen wij ook hier weer tijding uit Engeland.

Daaronder was ook een brief van Clara, welke inhield, dat er verschillende pogingen waren aangewend om Emilia tot andere gevoelens over te halen, zonder dat daardoor het minste was bewerkt; dat daardoor integendeel eene zekere verkoeling tusschen de familiën was teweeggebracht. Zij voegde daarbij: »Ik vrees, dat uw vriend nog wel zoo slecht is, als gij zijt; want ik hoor, dat hij reeds lange jaren met een ander meisje verloofd is. Daar ik nu geloof, dat de grootste aanleiding tot uwe vriendschap zijne genegenheid voor mij is, en gij dus een verkeerden indruk van zijne oprechtheid hebt, acht ik het mijn plicht u met een en ander bekend te maken. Het is onmogelijk, dat gij langer achting kunt gevoelen voor den man, die met de gevoelens uwer zuster gespot heeft, en vurig hoop ik, dat uw volgende brief het bericht uwer scheiding zal behelzen."

Hoe weinig dacht de arme Clara, toen zij dezen brief schreef, welke ernstige gevolgen dit hebben zoude; dat zij door hare klachten eene mijn deed springen, waardoor rampen zouden ontstaan, tienmaal zoo ernstig als al wat ons ooit overkomen was.

Ik was toen ter tijde in een sombere gemoedsstemming, ik haatte mijzelf en ieder ander. De laatste dagen had ik het gezelschap van Talbot verduurd, doch het was mij niet aangenaam geweest; en ik was zelfs zoekende naar een voorwendsel om van hem ontslagen te geraken. Ja, hij was mijn vriend, dit had hij bewezen; doch ik was niet in eene stemming om diensten te erkennen. Afgewezen door haar, die ik liefhad, had ik neiging om elkeen af te wijzen. Talbot was mij een blok, een ketting aan het been, waarvan ik mij niet te spoedig kon bevrijden. Deze brief gaf mij eene aanleiding mijn wrevel bot te vieren; doch in plaats van hem een koel afscheid te geven, zooals Clara's bedoeling was, besloot ik met hem op leven en dood te vechten.

Mijn brief uitgelezen hebbende, legde ik dien voor mij neder, zonder iets te zeggen. Talbot vroeg op den hem eigen vriendelijken, goedhartigen toon, of ik nieuws had. »Ja," antwoordde ik, »ik heb ontdekt, dat gij een schurk zijt!"

»Dat is zeker iets nieuws," zeide hij; »en het vreemdste daarbij is, dat de brief van Clara daarvan de overbrenger is. Doch dit is eene taal, Frank, die zelfs uwe ongelukkige gemoedsgesteldheid niet kan verontschuldigen. Trek uwe woorden in!"

»Ik zal ze eerder herhalen," zeide ik. »Gij hebt mijne zuster bedrogen en zijt daarom een schurk."

»De naam van Clara," hervatte Talbot, »doet mij bedaard blijven: geloof mij, Frank, gij dwaalt. Ik heb haar lief en koester steeds de meest eervolle bedoelingen te haren opzichte."

»Ja," zeide ik met een schamperen lach, »terwijl gij reeds voor jaren met een ander meisje verloofd zijt. Jegens een van beiden hebt gij u als een schurk gedragen; ik trek mijne woorden daarom niet terug, doch herhaal die; en daar gij onder beleedigingen zoo geduldig weet te blijven, verwittig ik u, dat ik u hedenavond op het zeestrand verwacht, of gij moet gedoogen, dat ik u schandvlek met een naam, die voor elken rechtgeaarden Engelschman nog ondragelijker is."

»Houd op, genoeg Frank," zeide Talbot met een gelaat waarop zoowel het bewustzijn der onschuld als mannelijke vastberadenheid te lezen was. »Gij hebt meer gezegd, dan ik ooit verwacht had van u te zullen hooren, en veel meer, dan gebruikelijk is om te verdragen. Wat moet, zal gebeuren; maar nog eens herhaal ik, Frank, dat gij dwaalt, dat gij ongelukkig misleid zijt en bitter berouw zult krijgen over de dwaasheden van dezen dag. Gij zijt op uzelven verstoord en wilt dit nu op uwen vriend wreken."

Die woorden maakten geen indruk op mij. Ik had een diep liggend gevoel naar wraak en de zucht om iemand uit den weg te ruimen, of, zoo dit niet mocht gebeuren, de valsche hoop, dat Emilia er onder lijden zou, als ik door de hand van Talbot mocht worden gedood.

Met mijne pistolen op de afgesproken plaats gekomen, vond ik aldaar Talbot reeds wachtende. Weder sprak hij:

»Frank, ik roep den hemel tot getuige, dat gij ongelijk hebt. Schort ten minste uw oordeel op, als gij uwe woorden niet wilt herroepen!"

Als door den duivel bezeten, en pas overtuigd, toen het te laat was, beantwoordde ik zijn vredesvoorstel met de meest beleedigende spotternij: »Toen gij last gaaft op een armen jongen in het water te vuren, waart gij niet bevreesd," zeide ik; »nu het blijkt, dat er teruggeschoten zal worden, durft gij niet. Kom, kom, neem uwe plaats, sta op als een man, wees niet bang."

»Voor mijzelf," antwoordde Talbot, met vaste en rustige onderwerping, »ken ik geene vrees; doch voor u, Frank, is mijn hart ongerust." Zoo zeggende, nam hij het pistool op, dat ik hem toegeworpen had.

Wij hadden geene getuigen, ook was er niemand in den omtrek te zien. De maan scheen helder, en wij stapten naar het uiterste strand, waar de eb het zand vrij hard had achter gelaten. Hier stonden wij rug aan rug. De gewone afstand was veertien passen. Talbot weigerde den zijnen te meten, doch bleef stilstaan. Ik maakte tien passen en wendde mij om. »Klaar," zeide ik op zachten toon.

Beiden hieven wij onzen arm op; doch Talbot liet de tromp van zijn pistool zakken, zeggende: »Het is mij onmogelijk om op Clara's broeder aan te leggen."

»Het is mij onmogelijk haren beleediger te missen," antwoordde ik, en na goed gemikt te hebben, vuurde ik en trof hem in de zijde. Hij sprong op, draaide een halven slag om en viel met zijn gelaat op den grond.

Hoe plotseling kan de menschelijke gemoedsstemming keeren! Hoe snel wordt de bevrediging der wraak op den voet gevolgd door innig berouw! De blinddoek viel voor mijne oogen weg; ik zag in eens het valsche, bedriegelijke schijnbeeld, dat mij verleid had tot eene zoogenaamde »zaak van eer." De eer, o groote hemel! had mij tot een moordenaar gemaakt en de stem van mijns broeders bloed schreide om wraak.

De mannelijke en krachtige gestalte, welke eene minuut te voren mijn bittersten haat had opgewekt, werd, nu hij daar sprakeloos ternederlag, een voorwerp van overdreven genegenheid. Ik liep op Talbot toe en bemerkte, toen het te laat was, het kwaad, dat ik had gesticht. Het besef van moord, wreedheid, onrecht, doch vooral van de zwartste ondankbaarheid, overstelpten op eens mijn verwarde verbeelding. Ik keerde het lichaam om en zocht naar teekenen van leven. Een kleine bloedstroom liep uit zijne zijde en verloor zich in den grond; door de hevigheid van zijn val waren mond en neus vol zand geraakt. Ik waschte hem schoon, stelpte het bloedverlies met mijnen zakdoek, zette hem op tegen mij aan, en kon alleen uitbrengen: »O God, waarom mij bij zooveel gelegenheden gespaard, dat ik dit moest beleven!"

Talbot opende even de halfgebroken oogen en staarde mij daarmede aan, doch sprak niet. Eensklaps nog keerde het bewustzijn weder--hij herkende mij, en o God! die vriendelijke blik doorboorde mij het hart. Hij spande zich in, om wat te zeggen, en bracht eindelijk met tusschenpoozen uit:

»Zoek brief--schrijflessenaar--lezen--uitleggen--God zegen--." Zijn hoofd viel achterover, hij was dood.

O, hoe benijdde ik hem! Al ware hij nog tien duizend maal meer schuldig, dan ik hem vermoedde te zijn, het zou mij niets rustiger hebben gestemd. Ik was zijn moordenaar en had te laat zijne onschuld erkend. Hoe ik er toe kwam, of op welke wij zo ik het deed, is mij nog een raadsel, doch ik ontdeed mij van mijn halsdoek en bond hem dien over de wond heen, stijf om het middel. Het bloed hield daardoor op te vloeien. Het lichaam liet ik op de plaats liggen en keerde naar ons hotel terug in een staat van zielelijden en ellende, geëvenredigd aan de drift en opgewondenheid, waarmede ik van daar was gegaan.

Mijn eerste werk was de brieven te lezen, waarnaar mijn vriend mij verwezen had. Bij mijne aankomst had ik onze beide bedienden nog op gevonden. Mijne handen en kleederen zaten vol bloed, en met verbazing zagen zij mij aan. Ik vloog naar boven, om hunne vragen te ontwijken, en greep den schrijflessenaar, waarvan ik wist, dat de sleutel aan zijn horlogeketting vastzat. Met den pook brak ik het slot open en nam er het bedoelde pakket uit. Op dit oogenblik trad zijn bediende in de kamer.

»Mijnheer, waar is mijn meester?" vroeg hij.

»Ik heb hem vermoord," zeide ik; »zijn lijk zult gij vinden op het zeestrand bij den seinpost; en," vervolgde ik, »nu ben ik bezig hem te berooven."

Mijn voorkomen en mijne handelingen, waren al te zeer in overeenstemming met mijne verklaring. De man snelde de kamer uit; doch ik lette daarop niet, en nog verwondert het mij, hoe ik eenige aandacht aan de brieven kon wijden, nu ik toch reeds van Talbots onschuld overtuigd was. Ik las echter het pakket door en vond verscheidene brieven van Talbots vader, handelende over een engagement, dat hij (de vader) zonder zijn (Talbots) toestemming had gesloten, met eene jonge dame van aanzien en fortuin, dat Talbot geweigerd had, omdat hij aan Clara gehecht was.

Reeds vroeger heb ik medegedeeld, dat Talbot van zeer hooge afkomst was; en dit huwelijk, dat door de ouders van beide partijen gewenscht was, willende doorzetten, had men het bericht verspreid, dat alles daaromtrent vastgesteld was en slechts op de terugkomst van Talbot gewacht werd om te trouwen. Alleen in den laatsten brief had zijn vader toegegeven ten gunste van Clara; doch hij verzocht hem niet te spoedig hare hand aan te nemen, daar hij eerst een behoorlijk excuus wilde vinden, om die vroegere overeenkomst te verbreken; doch bovenal drong hij op geheimhouding aan, totdat alles geschikt zou zijn. Zoo was dus alles opgehelderd. Doch zelfs vóór ik van den inhoud dier brieven had kennis genomen, was voor mij geen bewijs meer noodig van zijne onschuld.

Juist was ik met lezen gereed, toen gendarmes mijne kamer binnentraden en mij, op last van den officier van justitie, naar de gevangenis voerden. Werktuigelijk liep ik mede en werd overgebracht naar een klein gebouw op het midden van een plein staande. Het was een cachot met op elk van de vier zijden een getralied venster zonder glas. Er was geene bank, geene tafel in,--niets dan muren en de vloer. De wind woei er doorheen. Ik had niet eens een overjas bij mij; doch ik gevoelde koude, noch ongemak, want mijn geest was vervuld van veel grooter ellende. De deur werd achter mij gesloten, en ik hoorde de zware grendels opschuiven. Van weerskanten werd niet gesproken, en zoo bleef ik alleen achter.

»Wel," zeide ik, »het noodlot heeft nu het uiterste volbracht, en de fortuin zal wel eindelijk genoeg hebben van het kwellen van een ongelukkige, die niet dieper kan zinken! Den dood vrees ik niet." Het eenige wat mij vreeselijk hinderde, was de gedachte aan eene openbare terechtstelling. Daartegen verzette zich mijn trots; want die trots was bij mij teruggekomen en deed zich gelden, zelfs in mijn cachot.

Toen de dag weder begon aan te breken, werd ik uit mijne droomerij,--want slapen was het niet geweest, gewekt--door het leven van de boeren, die met karren de voortbrengselen van het land op het marktplein kwamen brengen. De gevangenis werd van alle zijden omringd door oud en jong, die een kijkje wilden hebben van den Engelschen moordenaar; licht en lucht werd uit mijn verblijf weggenomen door de menschenhoofden, die zich verdrongen tegen de ijzers van mijne ramen. Ik werd bezichtigd als een wild beest; kinderen, op hun moeders schouder gezeten, ontvingen eene les en eene waarschuwing, terwijl men naar mij wees.

Als een tijger in zijn hok, die door zijn heen en weer loopen het oog vermoeit, zoo liep ik in mijne gevangenis; had ik een der onbeschaamde bespieders door de smalle opening in den drie voet dikken muur naar mij toe kunnen trekken, met genoegen zou ik hem vermorzeld hebben. »Al die menschen," zeide ik, »en nog duizenden meer, zullen getuigen zijn van mijne laatste oogenblikken op het schavot!" Ik dacht er een oogenblik aan mij zelf te dooden, doch de middelen ontbraken mij daartoe.

Ten laatste begon de menigte uiteen te gaan; de ramen waren weer ledig, met uitzondering van een of andere kleine jongen, die zijn hoofd tegen de tralies drukte. Uitgeput door lichamelijke vermoeienis en geestelijk lijden, wilde ik juist op de koude steenen gaan liggen, toen ik het gelaat van mijn eigen bediende zag, die haastig op het venster van de gevangenis toekwam en vroolijk uitriep:

»Houd moed, mijn waarde meester! Mijnheer Talbot is niet dood."

»Niet dood!" riep ik, zonder te weten wat ik deed, op mijne knieën nedervallende en mijne gevouwen handen en smeekende oogen hemelwaarts richtende. »Niet dood! God zij geloofd. Dan is er hoop, dat ik nog geen moordenaar ben."

Vóór ik meer kon uitbrengen, kwam de magistraat met den officier van justitie in mijn cachot en deelde mij den uitslag van een gehouden onderzoek mede; mijn vriend was in staat geweest de duidelijkste antwoorden op alle vragen te geven; uit de verklaring van den heer Talbot zelf was afgeleid, dat er eene affaire d'honneur was geweest welke in den vorm behandeld was geworden; de pistolen, die beide in het water waren gevonden, waren hiervan de bewijsstukken; »en daarom mijnheer," vervolgde de magistraat, »hetzij uw vriend blijft leven of sterven mocht, het is alles in den regel geschied, en gij zijt vrij."

Dit zeggende maakte hij eene beleefde buiging en wees naar de deur; ik snelde naar buiten en vloog naar de kamer van Talbot, die zijn bediende vooruitgezonden had om mij te berichten, dat hij mij gaarne wenscht te spreken. Ik vond hem te bed. Toen ik binnenkwam, stak hij mij de hand toe, die ik overdekte met kussen en besproeide met mijne tranen.

»O Talbot!" riep ik, »kunt gij mij vergeven?"

Hij drukte mij de hand en liet die van uitputting weder los. De geneesheer liet mij de kamer uit, zeggende: »Alles hangt er van af, dat hij rustig wordt gehouden." Ik vernam toen, dat hij het behoud van zijn leven aan twee zaken te danken had: de eerste was, dat ik de wond met mijn halsdoek had dicht gebonden; de andere was, dat het duel had plaats gevonden beneden het hoogwaterpeil. Toen ik hem had achtergelaten, was het water wassende; de koele golven, die over hem heen begonnen te slaan, hadden hem tot bewustzijn doen ontwaken. In dezen toestand was hij door zijnen bediende gevonden, niet heel lang vóórdat hij geheel door den vloed zou bedekt zijn geworden, omdat hij geene kracht genoeg had om het strand op te kruipen. Verder hoorde ik, dat de kogel door de lever was heengedrongen en anders geene gevaarlijke gedeelten meer had geraakt.

Recht dankbaar voor den loop der gebeurtenis zette ik mij naast den lijder neder en verliet hem niet, vóór hij volkomen hersteld was. Toen hij zoover gebracht was, schreef ik aan mijn vader en aan Clara een omstandig verhaal van alles wat er had plaats gevonden. Clara nu ingelicht, had geene bezwaren meer om voor hare genegenheid uit te komen. Talbot werd door zijn vader verzocht om terug te komen. Ik bracht hem tot Calais, waar wij scheidden; enkele weken later had ik het genoegen te vernemen, dat mijne zuster zijne vrouw was geworden..

Die enkele weken bracht ik nog op het vaste land van Europa reizende door. Ik zal van mijn wedervaren en mijne ontmoetingen gedurende dien tijd geen verslag geven, ten eerste omdat er weinig opmerkelijks in gebeurde, ten tweede omdat ik al reeds te veel gevergd heb van het geduld van den lezer om mij te volgen in avonturen, die geheel buiten het scheepsleven vielen. Genoeg zij het te melden, dat mijne levenswijze langzaam mijn gemoed tot kalmte terugbracht.

Kort nadat Talbot naar Engeland was vertrokken, ontving ik het bericht, dat Eugenia aan eene slepende ziekte was gestorven. Hoewel ik dit bericht met eenige droefheid vernam, moest ik toch erkennen, dat die vrouw, zonder daaraan in het minste schuld te hebben, voor mij de oorzaak van veel jammer was geweest. Hoeveel zou niet ongeschied zijn gebleven, als ik haar niet ongelukkigerwijze in Bordeaux had weder ontmoet. Van alle kanten werd nu opnieuw op Emilia gewerkt, om haar tot verandering van inzichten te mijnen aanzien over te halen. Het gebeurde tusschen Clara en Talbot, dat geheel op een misverstand berust had, en de ernstige gevolgen, die daaruit waren voortgevloeid, hadden haar tot nadenken gestemd, en zooals mijn vader verwacht had, was tijd en afwezigheid in mijn voordeel bij haar werkzaam geweest. De verwijdering der beide familiën had door het huwelijk van Clara opgehouden. De brieven, die ik uit het buitenland schreef, waren zeer droefgeestig van toon, doch lieten voor het overige zoo duidelijk blijken, dat ik veel ernstiger en bezadigder was geworden, dat, toen met den dood van Eugenia de grootste hinderpaal voor het herstel eener goede verstandhouding tusschen ons was weggevallen, Emilia er in toestemde haren veel beproefden minnaar weder te zien. Niets was er meer noodig om mij op de vleugelen der liefde naar Engeland terug te doen keeren.

Toen ik Emilia wederzag en alles opnieuw tusschen ons werd opgehelderd,--toen haar gebleken was, dat ik niet zoo schuldig was geweest, als zij onder den eersten indruk wel geloofd had,--toen mij gebleken was, dat zij toch eigenlijk, in weerwil mijner verkeerdheden en dwaasheid, nooit opgehouden had mij lief te hebben,--toen werd alles, wat vergeven kon worden, vergeven en werd opnieuw het tijdstip van ons huwelijk vastgesteld.

De heer Sommerville gaf daarbij de bruid weg; mijn vader was met Talbot en Clara tegenwoordig; en wij allen waren, na de ondervonden vreemde lotswisselingen, ten diepste aangedaan door deze verzoening en door deze, zooals thans verwacht kon worden, gelukkige vereeniging.

AANTEEKENINGEN

[1] Zoo noemden de Amerikanen Bonaparte.

[2] Een zeemansgids.