Frank Mildmay, De zeeofficier

Chapter 3

Chapter 34,012 wordsPublic domain

Tegen acht uren ongeveer, kwam ik aan boord terug, waar Murphy mij intusschen vóór was geweest en eene allesbehalve hartelijke verwelkoming had bereid. Ik werd zoo koel ontvangen, dat ik mijn troost op het halfdek ging zoeken, aldaar op en neer bleef loopen, tot ik vermoeid was en toen tegen een stuk geschut aanleunde. In die houding werd ik opgeschrikt door het barsche bevel: »Blijf van dat stuk af; er wordt niet geleund op 't halfdek!" Ik bracht de hand aan mijn pet en vervolgde mijn eenzame wandeling, van tijd tot tijd een schuinschen blik werpende op den officier der wacht, die mij zoo grof gewaarschuwd had. Mijn stemming was zeer neerslachtig; ik gevoelde mij hoogst ongelukkig. Nog geen verzuim had ik kunnen plegen en toch leed ik als onder een begane misdaad. Men had mij gegriefd, en zoo goed ik kon had ik mij verweerd. Waren het dan allen duivels, waar ik mede te maken had? Mijne gedachten keerden naar huis terug. Het beeld mijner bedroefde moeder, snikkende in mijns vaders armen, stond mij helder voor den geest. Mijn ongevoelig hart snakte naar liefderijkheid. Tranen kwamen op en zouden, had ik een eenzaam hoekje gevonden, willig gevloten hebben. Mijn trots was voor 't oogenblik geknakt. Ik gevoelde alle ellende der afhankelijkheid en had gaarne alle schoone vooruitzichten willen verruilen voor mijne plaats terug in de ouderlijke woning.

Niet lang daarna kwam de eerste officier aan boord terug. Ik hoorde hem het met mij gebeurde aan den luitenant van de wacht vertellen. Dit deed het getij in mijn voordeel kenteren. Ik moest in de officiers-longroom komen, en toen ik daar alle vragen voldoende had kunnen beantwoorden, werd Flyblock geroepen, en ik opnieuw onder zijne hoede gesteld. Ik hoopte nu maar, dat de bescherming van den eersten officier mij een tijdlang beleefde behandeling zou waarborgen.

Ditmaal had ik betere gelegenheid mijn nieuw verblijf en mijne kameraden, die thans aan boord terug en in hun logies bijeen waren, op te nemen. Zij waren rond de tafel gezeten op kisten, die zoowel voor bank als bergplaats dienst deden; om zijne zitplaats te bereiken moest men over al de anderen heenklimmen. Zoo dicht opeengepakt te zijn, is zelfs onder de beste vrienden niet aangenaam; er behoeft niet eens warmte, bedompte lucht, gebrek aan linnengoed bij te komen. Nergens anders was een dergelijke toestand denkbaar, dan in het ruim van een slavenhaler. De adelborsten waren acht in getal, vier ouderen en vier nieuwelingen, zooals ik. Zij zaten in hun hemdsmouwen. Het maal op de tafel bestond uit licht bier in een groote pul, en harde scheepsbeschuit in een Japansche broodmand. Om den grooten eenvoud der gerechten niet te verstoren, of wel de onoogelijke vette tafel te verbergen, lag er een groot groen kleed met gele randen overheen, vol thee- en azijnvlekken. Ergens in een hoek stond een zak aardappelen; boven onze hoofden, tegen het dek aan, tegen boord, overal waren planken en kastjes getimmerd, waar in beminnelijke verwarring elkaar gezelschap hielden: borden en glazen met octantdoozen, messen, vorken en suikerbrooden, vuile hemden en kousen met nog fraaier tafellakens; waar kleer- en schoenborstels naast kammen en tandenschuiers te vinden waren, evenals steken en ponjaards naast zeelaarzen, en de boterprovisie tusschen een paar schrijfcassettes. Een enkele brandende vetkaars verlichtte dit soort van moordhol, waarin men zelfs met gesloten oogen kon genieten, door goed den neus op te halen.

Na mijne intrede gevoelde ik mij hier geenszins op mijn gemak. Dicht bij de deur stond onze zwarte bediende, die zelf al niet aan een parfumeriewinkel deed denken, op orders te wachten, met een handdoek voor het schoonvegen van borden en glazen, die mij reeds dadelijk onpasselijk maakte; ik viel half ziek op den eersten zetel neer. Na eenige oogenblikken kwam ik wat bij, spande mijne oogen zoo goed mogelijk in en waagde het in 't rond te zien. Het eerst viel mijn blik op mijn vijand van 's middags; hij droeg de sporen onzer ontmoeting in een met bruin papier onder een vuil zijden zakdoek verbonden linkeroog, met het andere staarde hij mij aan en op een woesten en brutalen toon zwoer hij wraak over mijne handeling te zullen nemen. Hierin werd hij gesteund door een ander, die naast hem zat en een onaangenaam gezicht had, door een paar groote bakkebaarden niet mooier gemaakt.

Onnoodig is het verder uit te wijden over al wat mij naar het hoofd geworpen werd; ik kan volstaan met de verklaring, dat de grooteren allen tegen mij en de jongeren onzijdig waren. Van de eerste partij ging eene soort van lastgeving uit, dat de andere helft eens wat ruimte zoude maken en naar boven zoude opkrassen." »En jij, mijnheer van Vuistenburg," zeide er een, »ruk maar op met de rest en laat je leelijke tronie zoo weinig mogelijk hier zien."

De knapen gehoorzaamden in stilte en ikzelf had geen bezwaar hen te volgen. Bij het heengaan voegde Murphy mij toe: »Zoo moordenaar, ik zie, dat je weet te gehoorzamen, en dat is maar goed ook, want ik had al een beschuit klaar, om je naar den kop te smijten." Die beleediging moest ik nog slikken, maar maakte het mij niet duidelijker wat de admiraal toch bedoeld kon hebben met zijn gezegde, van die »goede manieren", die ik aan boord te leeren had.

Ik sloot mij nu meer aan bij de jongere adelborsten, en wij begaven ons voor een ongestoord onderhoud naar voren op den bak. Na langdurig overleg, werd ik, ofschoon het mijn eerste avond aan boord was, met algemeene stemmen als hun leider verkozen. Die eerepost had ik te danken aan mijn kloekmoedig optreden tegen de tirannie der oudsten en inzonderheid aan mijn aanval tegen Murphy. Door hen vernam ik nu veel van de wijze, waarop het bij ons toeging; hoe wij door den commandant, met het oog op de oefeningen en vermeerdering van kennis, ingedeeld waren en onder toezicht stonden; hoe wij voornamelijk, en het beste, in het vloeken werden opgeleid; hoe goed wij nagegaan werden; hoe wij wel ten volle aan de tafel mochten bijbetalen,--maar om de beste provisiën door anderen te zien opeten. Mijn bloed kookte bij die verhalen van hunne onderdrukking, en plechtig verklaarde ik liever te zullen sterven, dan zulk eene behandeling te gedoogen.

Het werd tijd om onze nachtkwartieren te gaan betrekken. Onder het halfdek, in 't gezicht van den schildwacht bij de kerkdeur hing mijne hangmat. Men wees mij, hoe ik daarin moest klimmen, en lachte mij uit, toen ik er aan de andere zijde even vlug weer uitgleed. Ik moest mij hier het zedelijk overwicht van die kereltjes, alleen omdat zij reeds ettelijke weken aan boord waren, wel laten welgevallen en voor goede munt opnemen, dat zij mij voor een »baar" uitmaakten. Die plagerijen waren echter nog al goedaardig, en na nogmaals den lachlust mijner kameraden te hebben gaande gemaakt, slaagde ik er eindelijk in het ware evenwichtspunt in mijn slingerend bed te vinden en viel spoedig in een diepe rust. Doch tegen ongeveer vier uren in den morgen werd daaraan een gewelddadig einde gemaakt, want op dat oogenblik kwam met een ruk het hoofdeneinde van mijn hangmat naar beneden, en ik viel met mijn hoofd op het dek, terwijl mijne beenen nog in de lucht bleken hangen, evenals van de arme Sally, toen zij in het bootje een bruinvisch ving. Ontdaan door den schok en niet zeer spoedig tot een helder inzicht van de zaken gebracht doordien mijn bloed naar de beenen steeg en ik daardoor niet vatte hoe die kanonnen tegen den zolder aangeplakt waren, had ik eenigen tijd noodig, vóór ik mij kon oprichten.

De schildwacht voor de kerk, die de toedracht der zaak gezien had en den dader had opgemerkt, kwam medelijdend ter mijner hulp. Hij knoopte de gebroken lijn aaneen en hing mijne hangmat weder op, maar kon mij niet overhalen mij andermaal in dat verraderlijke bed te wagen, want ik dacht niet dadelijk, dat dit touw met opzet doorgesneden was. Te bang voor eene nieuwe tuimeling, wikkelde ik mij in mijne dekens en legde mij neer op eene kist, van waar ik een wakend oog kon houden op de plek, waar ik neergebonsd was.

En gelukkig was die inval van mij, want nog maar weinig minuten later kwam Murphy, van de hondewacht afgelost, naar omlaag, zag mijne hangmat weer hangen, meende dat ik er inlag, nam zijn mes en sneed de lijn aan het boveneinde weer door. »Zoo," zeide ik in mijzelf, »waart gij dat, die mij de eerste maal ook hebt laten vallen, op het gevaar af mij een hersenschudding te bezorgen, en het nu weer beproeft!" Ik deed eene gelofte van wraak en vervulde die spoedig. Als een struikroover, kroop ik ineen opdat hij mij niet zou gewaarworden en loerde, tot ik hem in zijn eigene hangmat had zien kruipen en zijn solo in het snurken kon waarnemen. Zachtjes schoof ik een paar schrootbossen onder zijn hoofdeinde, zoodat hij in zijn val op de scherpe randen zou neerkomen, (al had hij zich te pletter gevallen, 't kon mij niets schelen, ik dorstte immers naar wraak) en stil, maar met één ruk, sneed ik zijn touw door. Hij viel op de wijze, die ik voorzien had, gaf een diepen snik en bleef liggen. Ik had weer haastig mijn kist en mijn deken opgezocht en hield mij slapende, terwijl de schildwacht, die gelukkig gezien had, hoe Murphy mij het eerst had afgesneden, met een lantaarn nader-bij kwam, de schrootbossen weer naar hun plaats terugschoof, en hem bewusteloos ziende, den sergeant van de mariniers waarschuwde en verzocht den ziekenoppasser mede te brengen.

Toen de sergeant naar voren was gegaan, fluisterde hij mij toe: »Blijf stilliggen; ik heb alles gezien, maar als zij er achterkwamen, zoudt ge een leelijke pijp rooken." Murphy had weinig vrienden, zoo het scheen: iedereen verheugde zich in het voorgevallene. Ik bleef stil in mijn deken gewikkeld, terwijl de ziekenvader de belangrijke wond verbond en na geruimen tijd er eerst in slaagde hem bij te brengen. Doch wel veertien dagen moest mijn vijand zijn bed houden. Het vermoeden viel niet op mij, of zoo er soms al over gedacht mocht zijn, begreep men zeer goed, dat ik niet de aanvaller was. Het geheim bleef goed bewaard, ik gaf den marinier een guinje present en verhief hem tot mijn oppasser.

Een enkel woord tot mijne verontschuldiging zal hier niet misplaatst te achten zijn. Ik gaf hierboven een staaltje van mijne hardheid en onverzoenlijkheid. Hartstochten als deze behoorden zeker op mijn leeftijd nog sluimerende te blijven, maar juist door de onmenschkundige handelingen van diegenen, waaraan men mij als kind had toevertrouwd, waren zij reeds vroeg ontkiemd. Dit waren nu de vruchten mijner slechte opvoeding. En in welk eene omgeving was ik nu, op een leeftijd voor diepe indrukken zoo vatbaar, geraakt? Op een schip moest ik samenleven met een driehonderdtal mannen uit den laagsten stand der maatschappij. Met vloeken werd elk gesprek gekruid; de eenige zondagviering bestond in verwisseling van kleederen en meer vrijen tijd tot ongebondenheid.

Welk voorbeeld de officieren aan hun jeugdiger scheepsmakkers gaven, heb ik hierboven reeds met een enkel voorbeeld aangetoond. Wat de adelborsten onderling aanging, hiervan viel mede weinig goeds te zeggen. Taal en manieren waren niet beter dan die van het volk; hunne levenswijze was misschien iets meer verfijnd. Hun eenig genoegen aan den wal bestond in dronkenschap en liederlijkheid, hunne gesprekken aan boord liepen over weinig anders en zij waren trotsch op die feiten. Wel mocht de commandant mij opgemerkt hebben, dat op een oorlogsschip alles zijn tegenwicht vond; maar in het adelborstenverblijf was zulks dan overeenkomstig de zeden der wilden, voor wie lichaamskracht het hoogste is en beslist of men tiran dan wel slachtoffer zal wezen. De schooltucht was nog heilig bij de tirannie in een adelborsten-longroom in het jaar 1803.

Tiranniseeren werkt altijd hoogst nadeelig. Niemand wordt er beter door. Ik geef gaarne toe, dat jongelieden uit de hoogere standen eenige partij kunnen trekken uit den omgang met minderen, en dat het een jong aristocraat geen schade doet, eens een pak slaag op te loopen van een burgermanszoon. Maar hij, die als slaaf wordt opgebracht, eindigt met tiran te zijn, wanneer hij zelf de macht in handen krijgt. Onze aard brengt er ons toe om anderen te doen ondervinden, waar wijzelven in geleden hebben. De moed en geestkracht van een flinken jongen zullen door eene slechte behandeling, waartegen hij niet is opgewassen, gebroken worden, om dikwijls plaats te maken voor lijdelijke onderwerping met een onbevredigd gevoel naar wraak, dat hem levenslang bijblijft.

Ik had aanleg voor dit laatste. Het zal uit sommige mijner verdere lotgevallen nog meermalen blijken, dat het slechte zaad, zoo vroeg en zoo mild in mij gezaaid, zeer welig opschoot. Toen ik pas aan boord kwam, schrikte ik terug van al de ruwheid, die ik zag. Langzamerhand gewende ik aan den omgang met al wat slecht was. In weinige maanden was ik juist als de anderen. Misschien ware ik langer bestand gebleven tegen den invloed der slechte voorbeelden, als zij mij met geweld waren opgedrongen; maar bij bespotting mijner levensopvatting legde ik spoediger de wapenen neer. Mijn jonge kameraads, die mij hoogstens zes maanden in dienst vooruit waren, waren reeds oud in verdorvenheid; zij lachten om mijne onschuld en heetten mij »papkind" of »schoolmiss", doch brachten mij spoedig op gelijke hoogte. Den leeftijd voor volkomen loszinnigheid hadden wij noch niet bereikt, maar de aanleg was bij ons allen aanwezig.

Ik was nog geen twee dagen aan boord, toen mijne makkers er op aandrongen, dat ik eens den grooten top zou inklimmen. In vol vertrouwen enterde ik het want in als een geoefend klimmer, maar was nog niet zeer hoog, toen ik ingehaald werd door een marsgast en een zijner maats, die mij zonder plichtplegingen elk bij een arm pakten en behoorlijk aan een paar hoofdtouwen vastbonden. Zij lachten om mijne tegenwerpingen. Ik vroeg, wat dit te beduiden had, waarop de marsgast, heel beleefd de hand aan zijne muts brengende, antwoordde, dat dit de manier was, waarop alle heeren behandeld werden, den eersten keer dat zij het tuig inkwamen, en dat het slechts aan mij stond mij los te koopen. Ik keek om hulp omlaag naar het halfdek, doch daar stond iedereen mij uit te lachen, en niet het minst die kleine apen van jonkers, die mij derwaarts verlokt hadden en veel pret in hun grap hadden. Geen uitweg ziende, vroeg ik, wat ik te betalen had. De marsgast zeide, dat zeven shillings een fatsoenlijk losgeld was. Ik beloofde die som te zullen geven, werd losgemaakt en voldeed, op het dek teruggekomen, mijne schatting.

Dit kleine voorval nu niet eens medegerekend, had ik aan boord nog niet veel anders dan wreedheid en onderdrukking te lijden gehad; dit versterkte mijn diep leedwezen ooit den voet op een schip gezet te hebben. Alleen wanneer ik Murphy met zijn verbonden hoofd in zijne kooi zag liggen, gevoelde ik eene aangename voldoening, die mij verder drong om te zijner tijd met iedereen af te rekenen, die mij iets schuldig was gebleven.

Toen ik drie weken aan boord was, werd het schip zeeklaar gerapporteerd. Bij den eersten officier was ik nog al in gunst geraakt, door met ijver de mij opgedragen diensten te vervullen. Ik was bij eene wacht ingedeeld, in de voormars geplaatst en aangewezen bij de divisie voorste kanonnen in de kuilbatterij. Van de adelborsten had ik gehoord, dat de eerste officier een hard, onaangenaam man was, vooral lastig tegen degenen, die het eenmaal bij hem verkorven hadden; maar ik moet eerlijk zeggen, dat ik die meening niet kon deelen en hem altijd als een echt gentleman achting heb toegedragen. Met den tweeden officier was ik op lang zoo'n goeden voet niet. Ik had dezen eens dienst geweigerd, omdat ik meende, dat hij daarin buiten zijn macht ging, en dit vergaf hij mij nimmer.

Murphy was weer hersteld en deed zijn dienst; zijn haat tegen mij was geenszins verminderd, en nooit had ik rust in zijne tegenwoordigheid. Eens wierp hij mij met kracht een harde beschuit naar het hoofd, mij daarbij een onteerenden scheldnaam gevende. In eens was het met mijne zelfbeheersching gedaan en was al, wat ik reeds door mijne heftige geaardheid had moeten lijden, glad vergeten; het bloed kookte mij in het hoofd en droppelde van mijn gewond voorhoofd. Verblind van woede, greep ik een koperen kandelaar, die, om zeevast te staan, vol lood was gegoten, en wierp dien met alle kracht in zijne richting. Als hij niet tijdig gebukt had, zou het zeker zijne laatste beleediging zijn geweest; nu evenwel kreeg onze zwarte jongen, die achter hem stond, het voorwerp tegen den schouder; kermende werd de arme man naar den ziekenboeg gebracht en bleef verscheidene dagen onder dokters handen.

Murphy vloog op tot onmiddellijke wraakneming, maar werd daarin teruggehouden door zijn oudste collega's, die beweerden dat mijne overtreding een meer plechtige strafoefening vorderde. Door een soort van rechtbank, waar de ontvangen provocatie eenvoudigheidshalve niet in rekening werd gebracht, werd ik schuldig verklaard aan »insubordinatie tegen een oudere," en »het geven van een slecht voorbeeld aan de jongeren," en veroordeeld om afgeranseld te worden met behulp van een kous met nat zand gevuld. Met het aangezicht op tafel, werd ik door de vier krachtigsten vastgehouden, terwijl de dokter-assistent, die ook ons logies deelde, mijn pols vatte om waar te nemen, hoeveel ik kon verdragen; Murphy trad, op eigen verzoek, als beul op. Bij elk ander zou ik het bij de onuitstaanbare pijnen, die ik leed, hebben uitgeschreeuwd; maar nu was het mijn eer te na en zou ik mij eerder hebben laten doodslaan, dan een kik te geven. Na een uiterst gestreng pak, gaven het koude zweet en eene flauwte aan, dat ik niet meer kon verduren. Ik werd losgelaten met het bevel om veertien dagen achtereen op mijzelf te eten op mijn kist. Nauwelijks was ik overeind en weder bij adem, of ik verklaarde op de ernstigste manier, dat elke herhaling van de ondervonden beleediging een herhaling van het feit, waarvoor ik nu straf had geleden, ten gevolge zoude hebben en dat ik dan bij den commandant om recht zou vragen. »En," zeide ik, mij bijzonder tot Murphy wendende, »ik ben het geweest, die laatst uwe hangmat heb afgesneden, waardoor gij bijna den kop te pletter gevallen hebt. Dat was voor uw lafhartige daad aan mij; en ik zal het weer doen, al heb ik er nog zoo onder te lijden; elke daad van dwingelandij, die ge aan mij begaat, zal zijne wraak vinden. Beproef maar eens, of ik ook woord houden zal." Hij grijnslachte en werd bleek, maar durfde, als echte lafaard, niets meer ondernemen. Ik werd de voor-longroom uitgejaagd en hoorde nog achter mij zeggen: »Nu, dat is een kwaadaardige duivel!"

Dit heftige tooneel had een soort van wapenstilstand ten gevolge. Murphy begreep, dat hij bij de eerste provocatie den kandelaar naar zijn hoofd, of een mes in zijne ribben zou krijgen; den vrede, dien ik niet door zijn medelijden kon verkrijgen, had ik nu aan zijne vrees te danken. De zaak werd druk op het schip besproken. Daar het bij de officieren in de longroom verkeerd werd voorgedragen, veroordeelde men mij. Bij de bemanning, waar men Murphy algemeen haatte, geraakte ik er door in gunst; mijn flinke weerstand wekte bewondering.

De houding der officieren was zoo koel, dat ik mijn troost maar bij de mindere schepelingen zocht. Dit was mij in zooverre nuttig dat ik nu snelle vorderingen maakte in de practijk van mijn vak en veel leerde uit de verschillende oordeelvellingen over het algemeen gebrek aan zeemanschap bij de officieren, uit den mond dier oude echte zeelui opgevangen. Onze goede verstandhouding gaf aanleiding tot de volgende overeenkomst: zij beloofden mij nooit te zullen wegloopen uit eenige sloep, waarmede ik in dienst aan den wal zou zijn; ik daarentegen zou hen altijd veroorloven, om zoo lang mogelijk naar de kroegen te gaan. Ongelukkig echter ontbraken er, in spijt van ons contract, toch twee man uit de sloep, waarmede ik daags voor ons vertrek naar zee was uitgezonden, en omdat ik buiten mijn boekje was gegaan met hen te vergunnen in een drankwinkel te loopen, werd ik, toen ik aan boord kwam, van het halfdek ontzet en alleen voor den dienst in den voortop aangewezen.

DERDE HOOFDSTUK.

Mijn jeugd en gebrek aan ervaring en de geringheid der overtreding, waaraan ik mij had schuldig gemaakt, in aanmerking nemende, zal de strengste tuchtmeester moeten toegeven, dat ditmaal de eerste officier mij onrechtvaardig hard behandelde. Blijkbaar hadden mijne vijanden invloed op hem gehad. De tweede officier en Murphy deden niet eens moeite om te verbergen, hoeveel genoegen hun mijn ongenade deed.

Ons schip kreeg last om naar Portsmouth te zeilen, alwaar de commandant, die met verlof was, aanboord zou komen. Wij zagen hem dan ook spoedig na aankomst opdagen, en toen had de eerste officier aan hem te rapporteeren over hetgene in zijne afwezigheid was voorgevallen. Ik had nu tien dagen achtereen dienst in den voortop gedaan, en het was de bedoeling van Mr. Handstone geweest, dat ik nog bovendien aan een der stukken lichamelijk afgestraft zou worden voor het laten wegloopen van mijn volk. Hoewel aanvankelijk de kolonel daar wel ooren naar had, bleef toch dit gedeelte mijner straf achterwege. Voor het overige was ik nog steeds uit de voorlongroom gebannen en at, hoewel lid van de algemeene tafel gebleven, steeds mijn maal eenzaam op mijn kist. Mijn jongste kameraads spraken alleen tersluiks met mij, uit vrees voor de ouderen, die mij zoo goed als doodverklaard hadden.

De straf van dienst doen in den voortop had niet veel te beduiden. Ik ging als »alle hens op" was naar boven, zoo ook gedurende den tijd, dien ik anders de wacht zou hebben, en troostte mij met een boek, zoolang ik niet zelf nu en dan de handen uit de mouw moest steken. De matrozen beschouwden mij eenigszins als martelaar in hunne zaak en beijverden zich om strijd, mij voort te helpen in het leeren splitsen en knoopen, reven, vastmaken der zeilen enz.; eerlijk moet ik bekennen, dat het de beste uren van mijn scheepsleven waren, die ik met die eerlijke pikbroeken sleet.

Of dit nu door mijne vijanden opgemerkt werd, weet ik niet; maar kort na zijne aankomst werd ik bij den commandant in de kajuit geroepen, en ontving daar een lesje over mijn wangedrag, zoowel wat betrof mijn overgevoelig en twistziek karakter, als het wegloopen van mijn manschappen. »Ware het niet," zoo vervolgde hij, »om uw overigens goed gedrag, dan zoude uwe straf veel zwaarder geweest zijn; ik wil nu niet betwijfelen, dat deze kleine correctie er toe zal bijdragen, dat gij u in 't vervolg beter in acht neemt. Wij zullen het nu hierbij laten blijven; gij kunt weer uwe gewone diensten hervatten."

De tranen, die eene harde behandeling mij niet had kunnen afpersen, kwamen mij nu in de oogen, en het duurde eenige oogenblikken vóór ik genoegzaam bedaard was om voor de ondervonden goedheid te bedanken en een uitlegging te geven van de oorzaken mijner ongenade. Ik vertelde nu, hoe ik sedert mijn komst aan boord als een hond behandeld was geworden, en dat ik nu voor het eerst eens menschelijk was toegesproken. Ik gaf een overzicht van al mijn lijden, aanvangende met dat noodlottige glas wijn, waarvan ik de bedoeling niet dadelijk had begrepen. Ik verzweeg niet, dat ik Murphy's kooi had afgesneden en hem een koperen kandelaar naar het hoofd had geworpen, en gaf daarbij de verzekering, dat ik nooit de eerste aanleiding gaf en nooit mijn vuist oplichtte vóór ik zelf geslagen was. Ik zeide bovendien, dat ik niet voornemens was ooit een slag te ontvangen, of mij een onbehoorlijken naam te hooren toevoegen, zonder dit kwalijk te nemen. Dat was nu eenmaal mijn aard, en al zoude dit mij het leven kosten, ik kon het niet veranderen. »Sedert ik aan boord ben," vervolgde ik, »zijn er dikwijls matrozen van sloepen weggeloopen, en de betrokken officieren of adelborsten kwamen er altijd met een berisping af, terwijl ik, nog zoo goed als vreemd aan boord, met de grootste en vernederendste gestrengheid behandeld ben geworden."