Chapter 28
In mijne sloep had ik twintig man en een adelborst. Toen wij vóór den mond van de haven kwamen, zagen wij daarin vier vaartuigen geankerd, waarom wij naar binnen roeiden. Wij hadden evenwel geene gelegenheid om met onze vredes-vlag een proef te nemen, daar wij, nauwelijks binnen geweerschot afstands, een hagelbui van kogels kregen, die ons door twee honderd bedekt opgestelde soldaten werd toegezonden en vier mijner manschappen buiten gevecht stelde. Er schoot dus niets anders over, dan de vaartuigen te enteren en naar buiten te brengen. Twee daarvan zaten gestrand en werden in brand gestoken, daar het (dank zij het oponthoud van 's morgens aan boord) bot laag water was: hierbij kregen wij nog meer gewonden. De beide andere vaartuigen nam ik daarop in bezit, en een daarvan aan den adelborst, die nog een zeer jong kereltje was, toevertrouwende, verzocht ik hem het anker te lichten. Daartoe stond ik hem de sloep af met al het volk op vier man na, die ik bij mij hield. Het scheen, dat hij nog meer verliezen leed, want hij hakte zijn kabel door en zeilde nog vóór mij uit. Ook ik lichtte nu het anker; doch toen wij daarmede bezig waren, verloor ik nog een man, door een geweerschot gedood. Daarop zeilde ik den adelborst achterna. Wij hadden ongeveer den afstand van vier Eng. mijlen uit den naasten wal bereikt, toen een hevige sneeuwstorm kwam opzetten. Alle onze zeilen, die trouwens zeer oud waren, woeien dadelijk weg. Mij bleef niets over dan ten anker te komen, wat ik deed op eene bank met vijf vademen water. Het andere vaartuig verloor evenzoo zijne zeilen en dreef op de kust, omdat het zijn anker kwijt was, werd daar stukgeslagen, en het daarop geplaatste volk gewond, gevangengenomen of, zooals ik later vernam, doodgevroren gevonden.
Des anderen daags zag ik het wrak zitten, geheel met ijs overdekt. Zóó was het reeds een treurig vooruitzicht voor mij, en toen wist ik nog niet eens, wat er van de bemanning geworden was. Zelfs mijn eigen toestand was niet benijdenswaardig; het scheepje was zeer licht gebouwd, doch diep geladen met zout: eene lading, die op de eene of andere wijze nat geworden, erger is dan water, omdat zij niet kan worden uitgepompt en op het laatst zwaar wordt als lood. Overkwam ons iets dergelijks, dan zou niets ons drijvende kunnen houden, en bij zulk een ramp hadden wij niet eens eene sloep gehad. Ik had drie man bij mij, behalve nog dien dooden, die door ons in de kajuit was neergelegd. De bottelarij was totaal ledig,--geen enkel artikel bevond er zich in, dat eetbaar was. Ik lag vier mijl uit den wal, met zwaar stormweder, waarvan de vroolijkheid verhoogd werd door sneeuw en de bitterste koude, die ik ooit gevoeld had. Wij gingen het vaartuig eens doorzoeken en vonden een goeden voorraad zeilen, die echter niet passend waren, benevens nog een paar rollen nieuw zeildoek; blijkbaar was een en ander aan boord gebracht om er een nieuw stel zeilen voor het scheepje van te maken, zoodra daaraan de behoefte zou ontstaan; ook was er een overvloed van zeilmakershandplaten, naalden en zeilgaren. Doch om te eten was er letterlijk niets dan zout, en om te drinken slechts één vaatje water. Wij legden in de kajuit een vuur aan en hielden ons zoo warm als wij konden, terwijl wij om beurten eens naar dek gingen, om te zien of het anker hield en het weder eens bedaarde. Hevig stampten wij en namen water bij geheele zeeën te gelijk op den bak over, terwijl alles op het dek stijf vroor. Den daarop volgenden morgen bespeurden wij eene mijl dichter naar den wal te zijn gedreven, terwijl de storm met onverminderde woede aanhield. Het andere vaartuig was nu een masteloos wrak dat ons als het ware als een spooksel aanstaarde.
Wij begonnen een nijpenden honger te krijgen; na den tweeden dag waren wij reeds door onze brandstoffen heen,--wij moesten daarvoor de beschotten gaan afbreken. Omlaag hielden wij ons onledig met het aanmaken van een stel zeilen en dronken warm water, om de koude te verdrijven. Doch lang kon dit niet worden volgehouden; de koude werd steeds vinniger en twee malen reeds was er een begin van brand ontstaan, doordien wij te hard stookten, om niet te bevriezen. De tweede nacht ging voorbij als de eerste; en met het aanbreken van den dag bevonden wij binnen twee mijl van de kust te zijn gedreven. Dien dag kwamen onze zeilen gereed, en met veel moeite gelukte het ons de hoogst noodige aan te slaan.
De manschappen waren nu uitgeput van koude en honger en verzochten mij het kabeltouw te kappen en op den wal te loopen; doch ik wist hen over te halen om het nog tot den volgenden morgen aan te zien, omdat deze stormen gewoonlijk slechts van korten duur zijn. Weder kropen wij dien nacht dicht bijeen om ons warm te houden, terwijl de buitenste man het lijk, bij wijze van deken, tegen zich aan legde. Dien nacht bedaarde de storm, en tegen den morgen was het weer opgeklaard.
De wind was nog steeds uit eene ongunstige streek, en naar ons schip op te boksen was onmogelijk. Door het aanhoudend bevriezen van het overgekomen water, waren boegstagen en want met eene ijskorst van wel vijf duim dikte bedekt, en op den bak lag eene laag van wel twee voet ijs, zóó helder, dat men het touwwerk opgeschoten, daaronder zag liggen.
Er bleef nu niets anders te doen over: dus mijne matrozen gelastende, het touw te kappen, was ik besloten het vaartuig den wal op te laten zeilen en mij daar, zoo noodig, over te geven. Wij heschen een stagzeil, en nu was mijn plan om nog iets verder door te zeilen en ons gevangen te geven bij eene groote stad, die ik wist, dat ongeveer twaalf mijlen verder aan de kust gelegen was. Ik zag er tegen op ditzelfde te doen ter plaatse, waar wij de prijzen genomen hadden.
Op het oogenblik, waarop wij den derden morgen zeil zetten, waren wij tot binnen den afstand van eene mijl gedreven en bijna terug op de plaats, die wij verlaten hadden. Aldaar had men eenige veldstukken tegen ons in batterij gebracht. Zij waren goed gericht, doch de kogels konden ons niet bereiken. Ik zette nog eenig zeil meer en hield hoog aan den wind langs den wal, tot ik binnen een paar kabellengten van het hoofd kwam, waar mannen, vrouwen en kinderen waren uitgeloopen om ons te zien stranden, toen er plotseling een hevige sneeuwbui kwam opzetten; de wind draaide geheel en was zoo hevig, dat ik niets meer van de haven kon zien en er met geene mogelijkheid het schip meer in had kunnen brengen; aangezien ik nu dadelijk inzag, dat de wind gunstig was om ons schip te bereiken, dat ongeveer veertig mijlen van ons verwijderd was, liet ik het roer opleggen en stuurde ik daarheen.
Dit werd goed uitgevoerd. Tegen elf uren des avonds haalden wij het schip en riepen om eene sloep te zenden. Men had ons van boord zien naderen, en de gevraagde sloep werd dadelijk gezonden en bracht ons allen naar het fregat over, terwijl er een paar versche manschappen medekwamen om den prijs te bewaken.
Ik was radeloos van honger en koude, en met moeite kwamen wij tegen het schip op, zoo uitgeput en zwak waren wij allen. Ik werd verzocht om in de kajuit te komen, daar het voor den commandant veel te koud was om zijn gelaat op het dek te vertoonen. Ik vond zijne lordschap voor een goed vuur gezeten, met de voeten op het haardijzer; op de tafel stond eene karaf met madera, met een glas en gelukkig, hoewel niet voor mij bestemd, een grooten roemer. Ik greep de karaf met de eene en den roemer met de andere hand, vulde dien boordevol en sloeg den inhoud in eene teug naar binnen, zonder er zelfs over te denken om zijn lordschaps gezondheid te drinken. Hij keek vreemd op en hield mij zeker voor gek geworden. Ik moet erkennen, dat mijne kleeding en uiterlijk voorkomen volmaakt in overeenstemming waren met mijne handelingen. Sinds ik drie dagen geleden het schip had verlaten, had ik mij noch gewasschen, noch geschoren, noch verschoond. Mijn baard was gegroeid, mijne wangen stonden hol, mijne oogen waren ingezonken, en wat mijne maag betreft--iets gelijksoortigs moeten de ongelukkige Franschen, die uit den Russischen veldtocht overbleven, gevoeld hebben. Mijne vervallen persoonlijkheid was in een hoog opstaanden, blauwen duffel gehuld, die bevroren en met ijzel en sneeuw overdekt was als een gesuikerde podding.
Zoodra ik spreken kon, zeide ik: »Ik verzoek verschooning, mylord, doch ik had niets te eten of te drinken gehad sedert ik van boord was gegaan."
»O, dan is het heel goed," zeide zijn lordschap; »ik had niet verwacht u ooit weer te zien."
»Waarom mij dan, voor den duivel, er op uitgezonden?" dacht ik bij mijzelf.
Gedurende ons kort gesprek was mij niets aangeboden, geen stoel, ook geene verversching, waaraan ik zoo groote behoefte had; wanneer ik het had kunnen volhouden, zou ik onder het vertellen mijner lotgevallen staande zijn gehouden. Ik wilde juist daarmede beginnen, toen de wijn mij naar het hoofd steeg; en tot steun greep ik de rugleuning van eenen stoel.
»Laat dat nu maar loopen," zeide de commandant, blijkbaar door mijnen toestand uit zijne lustelooze onverschilligheid ontwaakt; »ga u maar liever op uw gemak stellen; dan zal ik er morgen wel alles van hooren."
Dit was de eerste en eenige vriendelijkheid, die hij mij ooit bewees; en deze kwam zoo à propos, dat ik hem er dankbaar voor was. Ik bedankte hem en ging dadelijk naar de longroom, alwaar ik, in weerwil van al wat ik gehoord had van de gevaren van het eten na langdurige onthouding, alles verslond wat men mij voorzette en naar evenredigheid dronk, mijne daar omheen staande kameraden vertellende, hoe weinig het gescheeld had of wij waren er toe overgegaan om het lijk in stukken te snijden en te braden. Het viel hun niet moeielijk dit te gelooven, toen zij zagen, op welke wijze ik aan het eten was gegaan. De drie matrozen, die bij mij waren geweest, beval ik in de zorg van den dokter aan; en met zijne toestemming, schonk ik hun elk een halve kan goed heeten cognacgrog met suiker, bij wijze van »slaapmutsje." Nadat ik deze voorzorg genomen, voor mij zelf aan de roepstem der natuur, en voor mijne kameraads aan de roepstem der nieuwsgierigheid gevolg gegeven had, zocht ik mijn bed op en viel in een diepen slaap, die tot den volgenden middag voortduurde.
Dus eindigde deze onoverlegde en noodlottige tocht: een afgezant met het geheiligde teeken des vredes uit te zenden, om onder de bescherming daarvan een vijandige daad te plegen. Waren wij onder deze omstandigheden gevangengenomen, dan had men ons, als honden, aan den eersten boom den besten kunnen ophangen; ongewapend er op uit te gaan ware een dolle streek geweest, daarom durfde ik op mij nemen om een onrechtvaardige, dwaze order in den wind te slaan. Zulks strekke intusschen niet ten voorbeeld voor de jongeren, doch worde opgevat door de ouderen als eene waarschuwing om nooit bevelen te geven, vóór zij daarvan behoorlijk de gevolgen hebben overwogen. De veiligste maatregel voor jongeren is altijd om te gehoorzamen. Op deze wijze verloor 's Konings dienst achttien flinke mannen, na zeer zwaar lijden, voor eene boot »het privaat eigendom" van den commandant, van eene waarde van nog geen twintig pond!
Des anderen daags, toen ik mij gekleed had, wenschte de eerste officier mij te spreken. Dadelijk schoot mij die malle uitdaging te binnen. »Dat is een mooi nastukje," dacht ik, »voor het treurspel, om door den eersten officier doodgeschoten te worden, alleen omdat ik hem juist zoo'n »bol" genoemd had als den commandant." De eerste officier had echter niet zulke barbaarsche voornemens; hij had na mijn vertrek de juistheid mijner opmerking gewaardeerd, en daar hij een goedhartige noord-landsman was, stak hij mij de hand van verzoening toe, die ik met groot genoegen aannam, daar ik voor den eersten tijd variatie genoeg had gehad.
DRIEËNTWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Wij gingen den volgenden dag onder zeil en kregen last om uit te zien naar het Amerikaansche eskader, dat onzen handel zooveel afbreuk had gedaan; wij stelden daarom koers naar de kust van Afrika. Tien dagen waren wij onder weg, toen van top een schip werd ontdekt. Op dat oogenblik bevonden wij ons binnen de honderdentachtig mijlen van de Kaap-Verdische eilanden. Wij zetten zooveel mogelijk zeil voor de jacht, en verkenden het schip spoedig voor een zeer zwaar fregat, dat niet de minste moeite deed om ons te ontwijken, doch veel eer zijne bezeildheid tegen de onze beproefde: zijne wijze van handelen liet ons geen twijfel, dat het een Amerikaansch fregat was, en wij maakten ons tot het gevecht gereed.
Onze commandant had, geloof ik, nog nooit een zeegevecht bijgewoond, of zoo al, dan was hij er alles van verleerd; op grond hiervan, behoefte gevoelende zijn geheugen te verscherpen, legde hij boven op het spil gereed het beroemde uittreksel uit John Hamilton Moore, een boek dat nu verouderd is, maar destijds beschouwd werd als de vraagbaak in zeeaangelegenheden, bijeenverzameld door een van de bekwaamste schrijvers op dat gebied. John, die omtrent elk geval, dat zich voor kan doen, den noodigen raad uitdeelt, heeft ons, onder andere nuttige wenken, verteld wat de proefondervindelijk gebleken beste wijze is om een schip in actie te brengen en daarna zijnen vijand te nemen. Doch de genoemde John moet zeker in de dwaling verkeerd hebben, dat kogels even gemakkelijk rood gloeiend te maken waren, als zijn eigen neus gloeiend rood, of hem moeten ganschelijk ontgaan zijn »de manieren en gewoonten in zulke gevallen op zee gebruikt," daar hij aangeeft als voorlooper of eerste gerecht van het diner een goeden voorraad gloeiende kogels toe te dienen op het oogenblik dat de gasten pas zijn aangezeten. Wáár echter bedoeld gerecht gekookt moet worden, verzuimt hij er bij te vertellen. Het kan echter niet worden tegengesproken, dat eene volle laag van zulke artikelen van grooten invloed zou zijn op de overwinning, vooral indien de vijand bij ongeluk geen kans zag met gelijken munt terug te betalen.
Zoo althans dacht zijn lordschap, die naar den eersten officier toegaande, zeide:
»Mijnheer »Dinges," zoudt gij niet denken, dat gloeiende »hoe heeten zij ook" moeten gegeven worden in de eerste laag aan dien »gij weet wel?""
»Gloeiende kogels, bedoelt gij, mylord?"
»Ja," zeide zijn lordschap; »denkt gij niet dat wij hen daarmede zouden klein krijgen?"
»Waar duivel moeten wij die vandaan halen, mylord?" vroeg de eerste officier, die niet dezelfde was, die met mij had willen duëlleeren, omdat ik hem voor een even grooten bol had uitgemaakt als de commandant; laatstbedoelde was door de kuiperijen van den schrijver van boord af gewerkt.
»Ja, dat is waar ook," zeide zijn lordschap.
Wij kwamen nu het vreemde schip zeer snel nabij, toen het, tot onze groote teleurstelling, een Engelsch fregat bleek te zijn; over en weer werden de onderscheidings- of nummerwimpels geheschen, en de commandant, die jonger officier was dan de onze, kwam bij ons aan boord, om zijne opwachting te maken en zijne orders te laten zien. Hij was vóór drie weken uit Engeland vertrokken, bracht het bericht mede van den vrede, die met Frankrijk gesloten was, en onder zijne papieren eene promotielijst van de marine, die nevens een flesch Londen-porter een zeeofficier buitenslands steeds het meest welkom is.
Gretig namen wij allen kennis van den inhoud dezer belangwekkende lijst, en ik was oververheugd bij de pas benoemde commanders mijn eigen naam aan te treffen: wel stond ik juist nog de onderste, doch dit maakte niet uit. Ik ontving de gelukwenschingen mijner kameraden. De schepen gingen weer spoedig uit elkander, en wij zetten koers naar het eiland Santiago, daar onze commandant voornemens was onzen watervoorraad in Port Praya aan te vullen, vóór wij een langdurigen kruistocht op het Amerikaansche eskader zouden aanvangen.
Hier vonden wij een slavenhaler, onder bevel van een zeeofficier en bestemd naar Engeland; en dit achtte ik eene schoone gelegenheid om daarmede de reis te maken, daar ik er natuurlijk weinig lust in had, om als luitenant te blijven dienen, wetende dat ik reeds overste was. Doch ook om meer redenen, wenschte ik thuis te varen, en de dringendste daarvan was mijn voorgenomen huwelijk met Emilia. Op grond daarvan verzocht ik van den commandant vergunning om het schip te verlaten, waarvoor hij wel termen kon vinden, omdat het hem gelegenheid gaf een zijner gunstelingen in mijne plaats te stellen. Ik nam afscheid van mijne kameraden en van mijn commandant, die, hoewel een ongevoelige kwast en volstrekt geen zeeman, toch verscheidene goede eigenschappen bezat: werkelijk mocht men zijn lordschap een gentleman noemen; en hadden wij den vijand ooit ontmoet, dan zoude hij met zijn schip goed gevochten hebben, want hij had goede officieren, was voldoende overtuigd van zijne eigene onbekwaamheid en zou naar goeden raad geluisterd hebben, terwijl hij in persoonlijke dapperheid voor niemand behoefde onder te doen.
Drie dagen na onze aankomst, zeilde het fregat weder uit. Ik begaf mij naar boord van den gewezen slavenhaler, waar geene slaven aan boord waren dan een viertal om op scheepje dienst te doen; het was er jammerlijk smerig, en daarin moest ik mij zien te schikken, omdat er geen herberg aan den wal was. Port Praya is de eenige goede ankerplaats op het eiland; de oude stad Santiago was verlaten, doordien aldaar slechts eene open reede was, die eene hoogst onveilige ankerplaats aanbood. De stad Port Praya is slechts eene ellendige verzameling van hutten van klei opgetrokken; het huis van den gouverneur en nog slechts één ander zijn beter gebouwd, maar zij zijn nog niet zoo bewoonbaar als een stulp in Engeland. Het geheele eiland telde geen tien Portugeezen, doch meer dan tienduizend zwarten, oorspronkelijk slaven; toch was alles er vreedzaam hoewel er iederen dag opnieuw slaven werden aangevoerd.
Niet moeielijk viel het de verschillende rassen van elkander te onderscheiden; de Yatoffen zijn lange, doch geen zwaar gebouwde menschen, meerendeels soldaten. Ik zag er eens tien bij elkander staan, waarvan de kortste boven de zes voet en twee à drie duim haalde. De Foulah's, uit het land van Ashantee, behooren tot een ander ras; dezen zijn krachtig en gespierd, leelijk van gelaat, slecht gevormd en verraderlijk. De Madingoes zijn de kleinsten van allen, maar zij zijn een goedig, handelbaar soort.
Dit eiland van slaven wordt alleen door slaven, die men soldaten heeft gemaakt en die ellendig uitgerust zijn, in bedwang gehouden; hunne uniform is voor een deel voortbrengsel van kunst, namelijk een buis en een hoofddeksel, voor het overige geheel natuur. Alleen de ordonnans van den gouverneur veroorloofde zich de weelde van een broek, doch deze was dan ook voortdurend in dienst, van den een op den ander overgaande, naarmate er aflossing plaats vond.
Ik stak bij den gouverneur mijn compliment af, die hoewel een Portugees zijnde, de mode van het eiland verkoos te volgen en even zwart was als het meerendeel zijner onderdanen. Na eenige weinige Fransche plichtplegingen nam ik mijn afscheid. Ik was zeer nieuwsgierig om de oude, verlaten stad Santiago te zien; en na een zeer warme wandeling van wel twee uren over allerlei braak liggende gronden, waar men niets dan grazende geiten zag, bereikte ik de woeste plek.
Het was een treurig schouwspel; het scheen, dat daar een menschenras was uitgestorven. De stad was gebouwd op eene ruime glooiing, die naar zee afliep; de huizen waren van steen en schoon; de straten geregeld en geplaveid, waaruit viel op te maken, dat het vroeger eene plaats van gewicht moest geweest zijn; doch verwonderlijk is het, dat zulk een dor, onvruchtbaar eiland nog ooit eenigen handelsvoorspoed gekend heeft. Wat daarvan bestaan heeft, moet geweest zijn, vóórdat de Portugeezen de Kaap de Goede Hoop omzeilden; en de hechtheid en sierlijkheid van sommige gebouwen pleit voor deze onderstelling.
De muren waren dik en stonden nog in hun geheel; de kerken waren talrijk, doch hunne daken waren evenals die van het meerendeel der huizen, ingevallen. Sommige boomen waren in het midden der straten tot eene belangrijke hoogte opgegroeid, en hadden zich door het plaveisel een weg gebaand en aan weerszijden de steenen opgelicht; de kloostertinnen waren slechts wildernis. Door menig dak stak de kruin van een kokospalm omhoog; uit verscheidene ramen hingen de reusachtige bladen der banaan. De eenige bewoners dezer stad, groot genoeg om er tien duizend te kunnen bevatten, waren enkele monniken, die een ellendigen bouwval hadden betrokken, het overblijfsel van een prachtig klooster. Dit waren de eerste negermonniken, die ik ooit zag; hunne kappen waren zoo zwart als hun gelaat, en hun haar was grijs en wollig. Ik kwam tot het besluit, dat zij deze levenswijze alleen uitgezocht hadden, omdat er geene andere zoo lui te vinden was; doch ik kon mij geen denkbeeld maken van de wijze, waarop zij in hun onderhoud voorzagen, daar er niemand was, bij wien zij om een aalmoes of gift konden vragen.
Het voorkomen dezer arme lieden paste volkomen bij hunne treurige omgeving. Er was schoonheid en liefelijkheid in deze eerbiedwaardige bouwvallen, die mij aangenaam aandeed. In de stad zelf heerschte eene indrukwekkende stilte; doch er was als eene zachte stem, die mij in het oor fluisterde:--»Londen zal eenmaal hetzelfde zijn--en Parijs; en gij en uwe kinderen en kindskinderen zullen allen geleefd, geliefd en geleden hebben; doch wie zal de rampzalige man zijn, die van den top van Primrose-Hill op de doodsche, eenmaal zoo machtige stad zal nederzien, als gij van deze kleine hoogte op de eens bloeiende stad Santiago nederblikt?"
De geiten graasden langs de helling van den heuvel en de jongen huppelden om hen heen. »Waarschijnlijk zijn dit nu," dacht ik, »de eenige voedingsmiddelen van deze arme monniken." Ik wandelde terug naar Port Praya en keerde aan boord mijner drijvende gevangenis, den slavenhaler, weder. De officier, die daarover het bevel voerde en hem als prijs overbracht, was een weinig aangenaam mensch; hij viel althans niet in mijn smaak, en wij wisselden slechts gewone beleefdheden. Hij was een oud masters-adsistent, die wel drie malen zijn tijd uitgediend had; doch een weinig verdienstelijk persoon zijnde en geene vrienden bezittende, die zorgden dat dit gebrek over het hoofd werd gezien, had men hem steeds met de bevordering gepasseerd: hierom zag hij met afgunst tegen een jong commander op. Het was niet juist op zijn verlangen, dat ik de reis medemaakte, doch hij was er toe verplicht geworden door den last van mijne vorigen commandant en profiteerde er nu meteen van om de kajuitstafel op eene voordeelige wijze (uit mijne beurs) te voorzien van de noodige ververschingen, in den vorm van vruchten, gevogelte en groenten, alleen te Port Praya te verkrijgen; hierdoor had hij zich nu natuurlijk in mijn gezelschap te schikken.
Het vaartuig zou, zooals ik bespeurde, den volgenden dag nog niet zeilen. Met het aanbreken van den morgen ging ik met mijn geweer over den schouder en met een gids bij mij den wal op, het land in, op de jacht van pintado's, eene vogelsoort van de kust van Guinea, welke in overvloed ook op dit eiland wordt aangetroffen. Zij waren echter zoo schuw, dat ik geen enkelen onder schot kon krijgen; en ik keerde over de heuvels terug, langs een weg, dien de gids mij als den kortsten had aangewezen. Vermoeid van het loopen, was ik verheugd in een beschut dal aan te komen, waar de palmboom en banaan eene heerlijke schaduw voor de brandende zon opleverden. De gids klom verwonderlijk vlug een kokosboom in en wierp van boven een zestal der vruchten neder. Zij waren van buiten groen en hunne melk vond ik de verfrisschendste en aangenaamste drank, die ik ooit geproefd had.