Chapter 26
Ik wist dit saluut niet te beantwoorden, omdat ik, evenals de kanonnier van Landguard-fort, geen kruit had; inderdaad gevoelde ik de waarheid van de hatelijkheid.
Green stond bij ons, doch deed geen mond open, vóór de kapitein uitgesproken had; toen stak hij mij de hand toe, met tranen in de oogen en sprak met trillende stem: »Vaarwel, mijn uitnemende vriend; ik zal u nooit vergeten; toen gij mij vondt, was ik een ellendeling, maar gij hebt mij tot een eerlijk man gemaakt. Nimmer zal de dag uit mijn geheugen gaan, toen gij, met gevaar voor uw eigen leven, mij, die uwe bescherming zoo onwaardig was, zijt komen redden. Maar God zegene u! Mocht ooit de oorlogskans u als gevangene naar mijn vaderland voeren, dan is hier mijn adres. Al wat ik bezit zal het uwe zijn, dat zult gij ondervinden."
De man, die in de boot in opstand was gekomen en naderhand op den kaper dienst had genomen en met mij was opgezonden om gevonnist te worden, stak aan kapitein Green, toen hij langs hem ging, de hand toe om hem vaarwel te wenschen, doch deze wendde zich af, zeggende: »Ik vergeef u het kwaad, dat gij mij persoonlijk hebt willen aandoen, te meer wijl ik gevoel, dat ik mij dit zelf op den hals had gehaald; maar ik wil mijzelf niet onteeren door een verrader van zijn land, de hand van vriendschap toe te reiken."
Zoo zeggende, volgde hij kapitein Peters in de sloep, die hen overvoeren zou. Ik vergezelde hen naar het schip en verliet hen, na mij overtuigd te hebben, dat zij dáár alle gemakken hadden. Green was zoo aangedaan, dat hij niet kon spreken, en de arme Mungo kon alleen uitbrengen: »Dag, massa letenant--mij denke u goed man is."
Naar mijn eigen schip teruggekeerd, maakte ik zeil naar Engeland. Wederom begroetten wij de krijtbergen van het iederen echten Engelschman zoo dierbare Albion. Slechts hij die van dat geliefde strand een tijdlang gebannen is geweest, kan zich het innige gevoel van vreugde op zoo'n oogenblik voorstellen. Wij liepen door de Needles, en ik ankerde te Spithead, na eene afwezigheid van veertien maanden. Ik meldde mij bij den admiraal, toonde hem mijne lastgeving en gaf de gevangenen op, die men mij verzocht op het vlaggeschip te doen overgaan. »En nu," zeide hij, »na uwe merkwaardige ontkoming, geef ik u verlof om naar de stad te gaan en uwe familie te bezoeken, voor wie gij zeker een voorwerp van groote belangstelling zult zijn."
Alvorens ik met mijn verhaal verder ga, is hier eene korte uitweiding noodzakelijk.
EENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Kort nadat het fregat, waarmede ik New Providence verlaten had, den Amerikaanschen prijs, waarover mij het bevel was toevertrouwd, had losgelaten, waren eenigen van onze matrozen eens tegen de Amerikaansche gevangenen aan het bluffen over het prijsgeld, dat zij weer verdiend hadden.
»Loopt heen," zeiden de Yankees; »van dien prijs, evenmin als van degenen, die er op overgegaan zijn, zult gij ooit meer iets vernemen."
Deze woorden werden overgebracht aan den commandant van het fregat; de stuurman en de matrozen werden nader ondervraagd en daardoor kwam de geheele snoode handeling met dat schip aan het licht. Zij verklaarden, dat het schip in zinkenden staat was op het oogenblik, dat zij het verlieten, en om die reden hadden zij zulk eene groote haast gemaakt om in de boot te komen. De stuurman vertelde verder, dat het onmogelijk was om de lekken te bereiken, die geboord waren in de voorpiek en heel achterin, onder de kajuit; dat het hem bevreemdde, dat kapitein Green zulks verzwegen had; het was zeker geweest doordien hij toen dronken was. »Het schip," vervolgde de stuurman, »moet ongeveer twaalf uren, nadat wij het verlieten, naar den kelder zijn gegaan."
Dit verslag werd opgenomen in het rapport van mijnen commandant aan de admiraliteit, en mijn arme vader kreeg langs officiëelen weg bericht van deze treurige gebeurtenis. Vijf maanden waren er verloopen, sinds men het laatst van mij gehoord had, en alle hoop omtrent mijn behoud was vervlogen: zoo kwam het dat, toen ik klopte aan de voordeur van mijns vaders huis, ik den bediende, die mij opendeed, in de rouw gekleed zag: hij was iemand, die eerst na mijn vertrek in dienst was gekomen en mij dus volstrekt niet kende. Bij gevolg legde hij geene verwondering aan den dag toen hij mij zag.
»Goede hemel!" zeide ik, »wie is hier dood?"
»Mijnheers eenige zoon, sir," antwoordde de man, »mijnheer Frank ---- is op zee verdronken."
»O! is dat alles?" zeide ik. »Ik dacht, dat het iets veel ergers was."
De man maakte de gevolgtrekking, dat ik een ongevoelig heer was, en keek mij verstomd na, toen ik hem voorbijstoof, en de trappen op, naar de huiskamer liep. Ik had voorzichtiger behooren te zijn; maar, zooals gewoonlijk, volgde ik slechts den aandrang van mijn gevoel. Toen ik de deur opende, zag ik mijne zuster in diepen rouw aan eene tafel gezeten, en tegenover haar eene andere jonge dame, die met den rug naar mij toegekeerd was. Mijne zuster gaf een gil, toen zij mij gewaarwerd. De andere dame keek om, en ik herkende Emilia, ook zij was in het zwart gekleed. Toen mijne zuster een gil gegeven had, was zij bewusteloos op den grond gevallen. Emilia volgde onmiddellijk haar voorbeeld, en daar lagen zij samen, als een paar versteende koninginnen in de Westminster-abdij. Het was een schilderachtig, maar geen verkwikkelijk gezicht.
Ik was zelf ontzettend verschrikt en begreep, dat ik een dwazen streek had begaan; doch daar er geen tijd te verliezen was, trok ik onstuimig aan de schel, en eenige vazen ziende staan, waarin men pas versche bloemen scheen gedaan te gedaan te hebben, nam ik die op en besproeide den nek van de jonge dames overvloedig met den inhoud; doch Emilia kreeg er het meeste van, hetgeen bewijst, dat ik noch mijne tegenwoordigheid van geest, noch mijne genegenheid voor haar verloren had.
Higgins, de kamenier mijner zuster, was de eerste, die om het harde schellen, vreezende dat er iets ernstigs gebeurd was, kwam aanvliegen. Zij rolde als een richochet-kogel de kamer in. Het was eene oude kennis van mij; toen ik nog een jongen was, had ik haar dikwijls gekust, en zij had mij daarvoor even dikwijls een draai om de ooren gegeven. Toen deze Abigail, mij, dien zij voor eene verschijning hield, rechtop staande en de beide dames, die zij dood waande, op den grond uitgestrekt zag, gaf zij een luiden, angstwekkenden kreet, holde wat zij loopen kon de kamer uit, daarbij den huisknecht, die juist wilde binnenkomen, bijna omver werpende.
Deze, een lompe boerenknaap, de zoon van een van mijns vaders pachters, stak alleen zijn hoofd binnen de deur en zag de dames op den grond liggen; daar de indruk, dien ik op hem gemaakt had, vooral door mijn opvatting van het bericht van mijn eigen overlijden, niet erg gunstig was, geraakte hij totaal in de war en had daardoor den meesten aanleg als een mandarijn te doen, dat is, het hoofd te schudden en geene hand uit te steken.
»Laat dadelijk een paar van de meiden hier komen," riep ik hem toe; »althans iemand, die hier hulp kan verleenen; vertel hen, dat zij vlugzout, eau de cologne--en zulken rommel medebrengen. Gauw, stommeling! Gans! vlug wat. Hoe staat ge mij zoo aan te gapen?"
De knaap zag mij aan, keek toen naar de vermeende lijken, daarbij zeker denkende, dat ik hier de moordenaar was, en hetzij als door den donder getroffen, of in twijfel omtrent mijn recht hem bevelen te geven, bleef hij met het hoofd binnen en zijn lichaam buiten de kamer, als iemand die te pronk staat. Ik zag, dat hier eenige uitlegging behoorde gegeven te worden, en riep: »Ik ben Mr. Frank. Wilt ge nu doen wat ik zeg, of moet ik u die vaas naar den kop smijten?" een der bloemvazen daarvoor gereedhoudende.
Wanneer ik werkelijk de vaas had willen werpen, dan zou ik hem gemist hebben, want de kerel was weggevlogen als een aangeschoten bruinvisch. Hij snelde naar mijn vader, die in zijn studeervertrek zat, en riep dezen reeds op een afstand toe: »O, mijnheer--goed nieuws! slecht nieuws--goed nieuws!"
»Wat voor nieuws, gij gek?" vroeg mijn vader, haastig van zijn stoel opspringende.
»O, mijnheer, ik weet niet, mijnheer; maar ik geloof, mijnheer, Mr. Frank is weer levend, en de twee dames bennen dood."
Mijn arme vader, wiens gezondheid veel had geleden en wiens gestel nog niet bekomen was van den schok van mijn onderstelden dood, stond bevende, op beide handen zich steunend, over de tafel te rusten en verzocht den man te herhalen, wat hij gezegd had. De knaap deed dit half huilende, en mijn vader, die nu wel begreep wat er gaande was, kwam naar boven. Gaarne had ik in zijne armen gevlogen, doch ik was druk bezig met mijne lieve Emilia op te richten, terwijl mijne arme zuster, nog evenzeer buiten kennis, aan den anderen kant van mij lag.
In den tusschentijd was »alle hens op" geroepen en iedereen toegesneld--ieder levend wezen in huis, de hond niet te vergeten, in de huiskamer vergaderd. De meiden, die mij gekend hadden, weenden en snikten erbarmelijk, en de nieuwe huisknecht hield hen, uit zuivere sympathie, gezelschap. De koetsier, de palfrenier en de staljongen beefden en staarden; de een bracht water, de andere een kom, en die lummel van een huisknecht iets anders, dat ik maar niet noemen zal; in zijne onbekooktheid, had hij maar het eerste het beste gegrepen, dat hem voorkwam bruikbaar te zijn. Zijn ijver op prijs stellende, wenkte ik hem toch om maar weg te gaan. Ongelukkig voor hem had de werkmeid de vergissing bespeurd, die zijne verstrooidheid hem had doen begaan; hem het geheimzinnige meubel met de linkerhand driftig ontrukkende, verborg zij dit onder haar schort en gaf den stakkerd met de rechterhand zoo'n flinken tik op zijne wang, dat ik dadelijk om de walvischboot bij de Bermudas dacht, welke die liefkoozing van den grooten visch ontving. »O, ezelskop!" zeide zij, »wie heeft dat ding nu noodig?"
»Die oorveeg beduidt meer!" zeide ik, en het kwam uit, dat ik goed geraden had:--den volgenden zondag trouwde datzelfde paar in de kerk.
Eene vernuftige toepassing van vlugzout, koud water en gebrande vederen, te gelijk met het wrijven der slapen, losmaken van de halsboorden en korsetveters van de jonge dames, werd met het gelukkigste succes bekroond. Ieders hand en ieders tong was in beweging; en met al die kunstmiddeltjes gingen ten laatste de oogen van Emilia open, vestigden zich op mij, vreugde en geluk over de schepping verspreidende, als de zon, die zich uit den Atlantischen Oceaan verheft en na een vreeselijken orkaan zijn licht doet schijnen ter opbeuring van de bewoners der Antillen. Binnen het half uur was alles weer op orde gekomen; »de stukken werden gesjord--de aftrap geslagen;" het bediendencorps marcheerde af. Ik werd het middelpunt van het tableau. Emilia hield mijne rechter-, mijn vader mijne linkerhand vast; mijne dierbare Clara hing mij om den hals. Vragen werden gedaan en beantwoord, zoo vlug als de snikken en tranen daarvoor tijdruimte lieten;--dit halve uur vergoedde mij al wat ik geleden had, sinds ik in die duivelsche brik uit Engeland naar Barbados was gezeild.
Het verhaal mijner lotgevallen werd gegeven met de zedigheid en de kortheid, die de omstandigheden en de tijd vereischten. De koetsier werd, bovenop een der beste wagenpaarden, naar den heer Sommerville toegezonden, en de postkar was dien dag overladen met brieven aan alle vrienden en familieleden.
Toen dit afgeloopen was, gingen allen zich kleeden voor het diner. Welke verandering had één uur gewrocht: het huis van rouw was een huis van vreugde geworden! Helaas! hoe dikwijls vindt het omgekeerde plaats! Spoedig verschenen de dames in vlekkeloos wit gekleed. Mijn vader had de rouwkleederen afgelegd, en de bedienden kwamen in hunne gewone livrei te voorschijn.
Toen de soep gediend was, bood mijn vader Emilia den arm; ik volgde met mijne zuster. Emilia achteromziende, riep mij toe: »Niet jaloersch zijn, Frank!"
Mijn vader lachte, en ik nam mij voor mij over die kleine plagerij te wreken.
»Gij weet de boete," zeide ik, »en die zal ik invorderen."
»Het is mij aangenaam te kunnen verklaren, dat ik er in staat en genegen toe ben," antwoordde zij, en wij zetten ons neder. Mijn vader drukte mij de hand, en zeide »Frank, dit is een geheel ander maal, dan waar wij gisteren aanzaten. Wat wisten wij toen weinig van het geluk dat voor ons was weggelegd!" Bij deze herinnering schoten Emilia en Clara de oogen vol tranen.
De jonge dames droogden zich vervolgens de tranen af, maar hun eetlust was over. Tevergeefs beproefde Emilia iets te eten. Ik schonk beiden een glas wijn in. »Kom," zeide ik, »op zee geldt het spreekwoord, dat de spiritualiën gemakkelijker wordt weggestuwd dan de drooge victualie; laten wij op elkanders gezondheid drinken, dan zal het wel beter gaan."
Zij volgden mijn raad, die goed werkte. Onze maaltijd was vroolijk, doch onze vreugde werd gematigd door de herinnering van de geleden droefheid.
Nadat de tafel was afgenomen, bleven de dames nog een poos bij ons zitten, ten einde nog verder te hooren vertellen van mijne ontkoming uit verschillende gevaren. Toen ik dat geval ophaalde van dien man, die op de brik overboord was gevallen, en ik vertelde hoe ik hem nasprong en hij door mij gegrepen en boven gehouden werd, tot wij beiden begonnen te zinken, en de zee boven mijn hoofd reeds zoo donker werd, kon Emilia zich niet langer goed houden; zij sprong op, viel toen op hare knieën, verborg haar lieve gelaat in mijns zusters schoot, hartstochtelijk uitroepende. »O, houd op, houd op, lieve Frank,--vertel niet verder,--ik kan het niet aanhooren,--heusch, ik kan het niet hooren!"
Wij omringden haar en voerden haar weg naar de huiskamer, waar wij verder over lichter en vroolijker onderwerpen bleven praten. Emilia sloeg een paar noten op de piano aan en deed eene poging om te zingen; doch het wilde niet vlotten; een vroolijk lied kon zij niet zingen, en een ernstig lied bracht haar van streek. Te twaalf uren gingen wij uiteen en ieder zocht zijne eigene kamer op.
Des anderen daags reeds was de heer Sommerville overgekomen en ontbeet met ons mede. Dit was voor Emilia weder eene nieuwe beproeving; toen hij binnenkwam, viel zij luid snikkende in zijne armen. De heer Sommerville vatte mijne hand met beide de zijne en vroeg belangstellend om de geschiedenis te mogen hooren van mijne hoogst bijzondere lotgevallen, waarvan ik hem eene verkorte uitgave voordroeg. Ik had, door Clara daarin geholpen, gelegenheid gevonden een uurtje met Emilia alleen te zijn, om eens te spreken over onze voorgenomen huwelijksplannen; en bemerkende, dat daartegen geene andere hinderpalen bestonden dan die, welke gewoonlijk te berde worden gebracht, nam ik mij voor mij deswege tot de beide vaders te wenden.
Dit keurde Emilia eindelijk goed, nadat ik haar had herinnerd aan de verschillende gevaren, waarin ik den laatsten tijd verkeerd had. Zoodra dan ook de dames van tafel waren opgestaan, verzocht ik mijn vader om ter harer eere onze glazen eens te vullen; toen ik het mijne, in al het vuur eener grenzenlooze genegenheid, op hare gezondheid had geledigd, stelde ik de vraag aan de beide heeren te gelijk. Mr. Sommerville en mijn vader zagen elkander aan, en de eerste sprak:
»Gij schijnt een vreeselijke haast te hebben, Frank."
»Och niet meer, sir," antwoordde ik, »dan het onderwerp wel verdient." Hij maakte eene lichte buiging, en nu begon mijn vader.
»Ik kan niet zeggen," merkte de goede oude heer op, »dat ik voor trouwen ben, vóór gij hoofdofficier zijt. Ten minste zoolang gij dien rang niet hebt, kunt ge niet zeggen uw eigen baas te zijn."
»O, als ik daarop wachten moet, vader," zeide ik, »dan kan het nog heel lang duren. In onzen dienst, althans in Engeland, is niemand zijn eigen baas. De kolonel staat onder de bevelen van den admiraal, de admiraal wordt gecommandeerd door de Admiraliteit, de Admiraliteit door den Hoogen Raad, de Hooge Raad door het Parlement, het Parlement door het volk, en het volk door de uitgevers, drukkers, schrijvers en dergelijk gespuis."
»Ik gevoel eene stille bewondering voor uwen logischen gedachtengang," zeide mijn vader, »maar vóór alles dienen wij toch eens eerst naar den passementwinkel in Charing-Cross te gaan, om te zien of wij u niet aan een paar epauletten kunnen helpen. Zoodra wij u uw eigene korvet zien commandeeren, zal het mij hoogst gelukkig maken,--wat ik ook geloof van mijn vriend Sommerville te kunnen zeggen,--u ook het commando over zijne dochter te zien aanvaarden."
Niets wat ik aanvoeren kon, was in staat de oude heeren een duim van dit sine qua non af te brengen. Men kwam overeen, dat er dadelijk bij de Admiraliteit werk van mijne bevordering zou gemaakt worden; en zoodra deze er was, dan zoude Emilia over mij, voor de wittebroodsdagen, de beschikking krijgen.
Dit alles was nu heel aardig voor hen uit het standpunt der voorzichtigheid bezien, doch het klopte niet bijzonder met de inzichten van een vurigen minnaar van eenentwintigjarigen leeftijd; want ofschoon ik alle vertrouwen had in mijns vaders invloed bij de Admiraliteit, wist ik evenzeer, dat er pas eene uitmuntende nieuwe bepaling was gekomen, die verhinderde, dat een luitenant tot den rang van overste kon bevorderd worden, vóór hij minstens twee jaren als zoodanig, en dan nog wel buitengaats, gediend had; evenmin kon een overste voor bevordering in aanmerking komen, tenzij hij minstens één jaar in dien rang had gediend. Dit keurde ik nu uitmuntend voor den dienst in het algemeen, doch ik had het nog niet zoover kunnen brengen om de amor patriae boven mijne eigenliefde te stellen, en ik wenschte de bepaling zelve en de heeren, die haar in de wereld geschopt hadden, met de grootste innigheid in de grot van New Providence, als het kon, omtrent den tijd van hoog water.
Het antwoord van de Admiraliteit luidde in zooverre gunstig, dat men zekerheid gaf, dat ik bevorderd zou worden, zoodra mijn diensttijd vol was, waaraan nu nog twee maanden ontbraken. Ik werd aangewezen voor een schip, dat te Woolwich uitgerust werd, en vóór dit zeeklaar zou zijn, was die tijd om, en zou ik overste worden. Dit was nu geen goed middel om de gereedmaking van het schip te verhaasten, voor zoover ik er bij betrokken was; maar dat viel nu niet te verhelpen; en daar de verblijfplaats mijner geliefde dicht bij Woolwich gelegen was, beproefde ik den tusschentijd te verdeelen tusschen gehoorzaamheid aan mijnen commandant en gehoorzaamheid aan mijne aanstaande, en ik was zoo gelukkig beiden te kunnen voldoen, omdat mijn commandant zich volstrekt niet bemoeide met het schip, noch met de uitrusting daarvan.
Vóór ik naar boord ging, beproefde ik nog eenmaal om de hardnekkigheid van mijnen vader aan het wankelen te brengen. Ik herinnerde hem, dat ik een arbeid van Hercules achter den rug had, en dat, als ik weer buitenslands ging, het ongeluk wel eens zou kunnen willen, dat ik niet zoo gelukkig door alles heenrolde, of dat door eene of andere noodlottige bezwering de tooverketting, die mij nu aan Emilia bond, zou kunnen breken. Daar deze dichterlijke ontboezeming hem evenmin vermurwde als mijne prozaïsche opmerking, wendde ik mij nogmaals tot Emilia zelve. »Ongetwijfeld," zeide ik, »kunt gij niet zoo hardvochtig zijn als onze onverbiddelijke bloedverwanten; zeker zult gij bij deze gelegenheid wel mijne voorspraak willen zijn! Geef slechts een blik van afkeuring aan mijnen vader, en op mijn woord, hij zal niet anders dan de vlag kunnen strijken."
Doch de heks antwoordde met een glimlach (daartoe zeker vanwege het hoofdkwartier opgestookt), dat het haar niets zou aanstaan haren naam in de Morning Post te lezen, als ondertrouwd met een luitenant. »Wat is tegenwoordig een luitenant?" zeide zij--»Niet veel. Het heugt mij, dat ik eens in Farcham logeerde en wij naar Portsmouth gingen om de werf en de schepen te zien, en daar was toen uw oude vriend, die lange admiraal sir Hurricane Humbug, geloof ik dat gij hem noemt, die de arme luitenants voor zich uit dreef als een herdershond de schapen. Er liep er ook altijd een hem vlak achter de hielen, precies als een lakei; en dan was er nog een ander, die mij toescheen, even als een bulhond aan de ketting, voor de deur van het bureau van den admiraal gekluisterd te liggen; alleen als de admiraal met zijne familie uit wandelen ging, mocht hij mede, doch dan liep hij met de gouvernante achteraan. Neen, Frank, het moet minstens een kolonel zijn, met een paar gouden epauletten, aan wien ik mij door het huwelijk verbind."
»Het is mij wel," hernam ik met het noodige zelfbehagen in den penantspiegel ziende; »als gij verkiest uw geluk vast te knoopen aan de beloften van een eersten lord van de Admiraliteit en aan een paar epauletten, dan moet ik zwijgen. Vrouwelijke smaak, daar kan ik niet bij. Sommige dames verkiezen gouden gallon en rimpels boven jeugd en schoonheid;--het spijt mij voor haar, dat is al."
»Frank," zeide Emilia, »gij zult moeten erkennen, dat gij ijdel genoeg zijt om minstens admiraal te wezen."
»De admiraals danken u voor het compliment," zeide ik; »ik vertrouw ten minste dat ik de vlag geen schande zou aandoen; doch om u de waarheid te zeggen, beste Emilia, zie ik volstrekt met geen onstuimig verlangen naar mijne verheffing tot dien rang uit. Drie sterretjes op den schouder en drie gouden galons om de mouw zijn, naar mijn inzien, geene vergoeding voor grijze haren, dunne beenen en een gebogen rug.
»Het spijt mij wel voor u, mijn waarde held," zeide de jonge dame; »doch gij moet u in deze schikken."
»Nu dan, als het moet, dan moet het," zeide ik en werd gestoord door den huisknecht, die mij een dienstbrief bracht, niets meer of minder bevattende dan de lastgeving om met den meesten spoed naar boord te gaan. Sic transit gloria mundi!
Mijn teleurstelling zoo goed mogelijk verkroppende, ging ik voort met mij voor de geleden ongemakken schadeloos te stellen, door zooveel pleizier te maken, als ik in den weinigen tijd, die mij overbleef, slechts kon genieten. Gelukkig was de eerste officier van het fregat iemand die, omdat hij weinig vrienden had en slecht bij kas was, nooit aan den wal ging. Trouw op den betaaldag liet hij zijn geld halen en hij kwam er juist mede rond, tot den dag dat er weer uitbetaald werd; en daar ik bemerkte, dat hij bijzonder gesteld was op eene goede Havana-sigaar en op een lekker glas cognac-grog--te veel dronk hij nooit--schonk ik hem een kistje van de eerste en een dozijn flesschen van de laatste, ten einde hem gemakkelijk te verzoenen met mijne veelvuldige afwezigheid van boord.
Zoodra het dagwerk was afgeloopen, zeide de goedhartige luitenant: »Kom, Mr. Mildmay, ik weet dat gij gaarne nu en dan eens aan den wal wilt zijn. Hier, gebruik de jol maar; zend haar dadelijk naar boord terug en maak, dat gij morgenochtend te negen uren weer present zijt, om u bij den adelborst met de corvée op de werf aan te sluiten."
Dit trof ik nu bijzonder. Gewoonlijk kwam ik op de tijdelijke verblijfplaats van den heer Sommerville te Blackheath aan, als de klok voor het kleeden tot het diner luidde, en steeds ontmoette ik een aangenaam gezelschap aan tafel. Mijn vader en de beste Clara waren, evenals ik, gasten daar aan huis. Met de vriendelijke vergunning van den heer Sommerville, bracht ik eens Talbot met mij mede, dien ik als volmaakt gentleman in manieren, als man met gezond verstand begaafd, als iemand die eene goede opvoeding had genoten en hooge, voorname kennissen bezat, trotsch was mijn vriend te noemen. Meer bijzonder stelde ik hem voor aan mijne zuster, en vond eens gelegenheid Emilia in het oor te fluisteren, (wel wetende, dat zij dit niet lang voor zich zou houden,) dat hij het onmisbare voorrecht bezat van twee epauletten te dragen. »Daarom," zeide ik er bij, »houd hem een beetje op een afstand, uit vrees van evenals de Echte Yankee bij verrassing genomen te worden."