Chapter 25
Met een spoed, die zelfs mij, gewend aan de manoeuvres op goed geoefende oorlogsschepen, ten hoogste verbaasde, werden al die lichte zeilen weg- en ingenomen. Er gebeurde echter een misslag bij: het onderlijzeil werd wel afgevierd en opgegeid, doch niet binnen boord gehaald en bleef een tijdlang onder de fokkerust naast het schip medegesleept, vóór men er een der stuurlieden kennis van gaf.
»Haal door de bakboordsbrassen, scherp bij den wind brassen, bakboord het roer, laat hem oploeven, kwartiermeester."
»Bakboord ligt hij, sir," zeide de man aan het roer, en het schip loefde aan den wind, doch zeer langzaam, hoewel er een groot zeil en brikzeil bij stond en de kluiverschoot afgevierd was.
»Ik geloof, dat wij hen nu beethebben op het laatst," zeide de kapitein. »Wat denkt gij er van, heer luitenant?" mij daarbij een hartelijken, welgemeenden tik op den rug gevende. »Kom wat zegt gij, willen wij eens een lekkere flesch drinken, na de vermoeienissen van den dag?"
»Wacht een oogenblik," zeide ik, »wacht nog een oogenblik."
»Waar kijkt gij zoo heen, daar te loefwaart?" vroeg de kapitein, die opmerkte, dat ik steeds op eenzelfde punt bleef staren.
Vóór ik tijd had om antwoord te geven, kwam Thompson naar mij toe, en terwijl hij wees naar hetzelfde punt, waarop ik mijn oog gericht had, zeide hij: »Daar is het schip mijnheer." De kapitein hoorde dit; en daar vrees scherpzinnig maakt, zag ook hij dadelijk wat onze aandacht had getrokken.
»Op verder ontloopen is nu niet veel kans," zeide hij; »wij hebben het vàn den wind beproefd, dat voor ons altijd de beste gelegenheid was: toen heeft hij ons geklopt; en bij den wind was het voor ons nooit bijzonder gunstig, maar toch is het verwonderlijk zoo slecht als wij nu loopen; met dit gladde water en dit mooie briesje, moest het veel beter zijn. Salomon, zie eens rond, er moet iets zijn, dat verkeerd is en ons in de vaart hindert."
Salomon ging aan stuurboordszijde naar voren, maar zag niets. Toen hij echter, den bak rondloopende, aan lij over den boeg en later over de verschansing naar buiten boord keek, zag hij zeildoek uit de fokkerust afhangen. »Wat is dat?" vroeg hij. Niemand gaf antwoord. Hij sprong op de verschansing, om beter te zien, en vond het heele onderlijzeil te water hangende en medegesleept.
»Geen wonder, dat hij niet loopt," zeide de stuurman, »dat houdt me nog al geen klein beetje tegen. Wie heeft het onderlijzeil moeten bergen?--Maar enfin, dat zullen wij later wel uitmaken. Komt hier, jelui gasten."
Enkelen van de Amerikanen kwamen nu op zijn geroep, doch niet bijzonder gewillig. Het was niet gemakkelijk om met de vaart, die het schip had, het nu doornatte zeil binnen boord te palmen; en terwijl zij daarop hunne krachten verspilden, zag men te loefwaart het licht van een kanonschot flikkeren; en vóór de dreun in onze ooren kwam, floot ons een kogel boven de hoofden en schoot als een bliksemstraal door het brikzeil heen.
»Hoera voor Oud-Engeland!" zeide Thompson. »De knaap, die dat schot gedaan heeft, krijgt morgen mijn oorlam."
»Houd je b.k, verd..... Engelsche schurk," viel de tweede stuurman in, »of ik zal je voor goed den drank verleeren."
»Ik denk niet, dat gij dit doen zult," zeide de Schot, »en als gij nog voor vriendschappelijken raad vatbaar zijt, zou ik het maar niet beproeven." Thompson stond op dit oogenblik op een achterluik; de boosaardige stuurman sprong op hem toe en greep hem in den kraag. Thompson scheurde zich in een ommezien los en gaf met de rechtervuist den ander een stomp in de maagholte, waarmede hij naar de lij vloog. Hij viel,--kwam bij den boomschoot te land,--wilde dien grijpen, pakte mis--en stortte in zee, waaruit hij nimmer weer verrees.
Nu was er groote verwarring. »Man overboord!"--Weder een schot van het fregat,--weer een, nog een, elkander snel opvolgend. Om het lot van den drenkeling bekommerde zich niemand in de algemeene paniek. Een kogel schoot het achterste hoofdtouw door; een andere ging dwars door de op dek staande boot. Het fregat zat ons klaarblijkelijk dicht op de hielen. Het volk liep naar omlaag, om hun kisten en kooien te halen; de kapitein stak mij de hand toe en zeide: »Mijnheer, ik geef mij aan u over, handel nu zooals gij meent te moeten doen."
»Thompson," riep ik, »gooi den grooten schoot en den grooten bras aan lij los." Zelf naar voren gaande, maakte ik de groote hals, en de achterboelijns los; de groote ra draaide daarop vierkant en het achtertuig tegen. Thompson greep daarop een brandende lantaarn en hield deze boven stuurboords-verschansing uit.
Het fregat zeilde ons rakelings achterom, daarbij eene fraaie batterij vertoonende; ons toepraaiende, vroeg men wat schip wij waren.
Ik antwoordde, dat het de Echte Yankee van Boston was, dat wij bijgedraaid lagen en ons overgaven.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Het fregat stak dadelijk, onder onze lij, bij den wind op, en binnen een paar minuten kwam er eene sloep bij ons op zijde. De officier, die daarin medegekomen was, om ons schip in bezit te nemen, sprong vlug naar boven en was dadelijk op het dek. Daar ontving ik hem, legde met een paar woorden uit, wat voor soort van schip het was, en stelde hem den kapitein en Green voor, welke beiden ik hem bijzonder aanbeval voor de vriendelijkheid, die zij mij betoond hadden. Daarop noodigde ik hem uit mij omlaag naar de kajuit te willen vergezellen, terwijl de adelborst, die met hem mede was gekomen, op dek bleef en den last ontving het grootzeil te laten dichtgeien en alles zooveel mogelijk te doen opruimen. De bemanning kreeg order om hun goed bijeen te pakken en zich gereed te houden binnen een uur het schip te verlaten.
Toen er in de kajuit licht werd ontstoken, herkenden de luitenant en ik elkander onmiddellijk.
»Wel, goede hemel, Frank," zeide hij, »hoe komt gij hier?"
»Om u dit uit te leggen," zeide ik, »zouden wij morgenochtend nog niet gereed zijn; maar vertel mij eens welk schip is het, dat den Yankee genomen heeft? Is het niet de R----; en wat is mijn vriend Talbot daar aan boord?"
»Het fregat," antwoordde hij, »is de R----, zooals gij geraden hebt. Wij behooren tot het station aan de Kaap. Ik ben eerste officier en hier met bevordering heengezonden voor de Rochefort-geschiedenis."
»Dat is toch hard," zeide ik, »dat gij zoo lang hebt moeten wachten op iets wat gij zoo eerlijk verdiend hadt; maar kom, wij hebben druk werk. Laat ons naar het volk gaan zien, en als gij nu naar boord terug wilt gaan, met u medenemende den kapitein, den stuurman en een deel der manschappen, waarvoor ik de woeligsten en onverschilligsten zal uitzoeken, zal ik wel hier blijven en den prijs in gereedheid brengen om met het aanbreken van den dag door te zeilen, en dan,--als kolonel F---- het goedvindt,--zal ik mijne opwachting bij hem komen maken."
Dit kwamen wij overeen. De matrozen, die ik aanwees, gingen de sloep in, terwijl vier van de roeiers aan boord van de brik overkwamen om mij te helpen. Spoedig brachten wij alles op orde, om gereed te zijn voor al wat men van ons mocht verlangen. Intusschen kwam er eene andere sloep met eene versche bemanning en die weer een twintigtal gevangenen zou afhalen; en de adelborst, die mede kwam, bracht de beleefde boodschap van den commandant over, die weten liet, dat het hem verheugde, dat de prijs in zulke goede handen was, en dat hij zich aanbevolen hield voor mijn gezelschap aan het ontbijt te acht uren; verder verzocht hij, dat, als ik klaar was om door te zeilen, ik zulks zoude seinen met twee lantaarns naast elkander in het groot want, en dat wij van dat oogenblik af zouden opsteken tot noord, met volle zeilen.
Tegen vier uren waren wij zoover, gaven het afgesproken sein en hielden ons te loefwaart van het fregat. Ik ging een paar uren liggen, liet mij te zes uren wekken, kleedde mij aan en was tegen half acht uren gereed mij naar boord te begeven. Ik hoorde daar aan boord weder de trom en het gefluit,--na de liefelijke stem van Emilia het heerlijkste geluid, dat mijne ooren kon streelen. De tranen kwamen mij in de oogen, van blijdschap omdat ik mij weder onder de bescherming van onze geliefde vlag bevond. Het fregat loefde op, aan den wind; spoedig daarop werd de giek gestreken en gezonden om mij af te halen; een schoon wit dekkleed was achterin gespreid; de roeiers waren gekleed in een net wit kostuum, met stroohoeden op en zeildoeksche schoenen aan. Zonder uitstel nam ik in de giek plaats en mijn hart klopte van verrukking, toen ik aan boord van het fregat stapte en de bootsmansmaat ter mijner eere valreepsgasten floot.
Ik werd door den commandant en de officieren met alle bij dergelijke gelegenheid passende vriendelijkheid en belangstelling ontvangen. De eerste deed mij honderden vragen, en de officieren en adelborsten kwamen allen om mij heen staan om, mijne antwoorden te vernemen. Ook de equipage was zeer benieuwd om onze geschiedenis te hooren, en ik verzocht den commandant de giek nog een keer over te zenden, om Thompson af te halen, die mij dan zou kunnen helpen in het voldoen aan de algemeene nieuwsgierigheid. Dit gebeurde, en de flinke, trouwe kerel kwam aan boord. De eerste vraag, die hij deed was: »Wie deed het eerste schot op den prijs?"
»Dat was Mr. Spears, de eerste luitenant van de mariniers," antwoordde een van het volk.
»Dan krijgt Mr. Spears mijn oorlam voor vandaag," zeide Thompson; »want dat heb ik van nacht gezegd en ik houd altijd woord."
»Daar durf ik op zweren," zeide kapitein Peters van den kaper: »ik heb menschen gekend met goede beginselen, en gij zijt een daarvan; en ik heb lieden gekend van slechte beginselen, en daarvan was hij er een, dien gij gisterenavond om zijne afrekening gezonden hebt; en dat was een gelukkige inval van u, want zoo zeker als gij daar staat, zou die man het op uwen dood hebben toegelegd, hetzij met behulp van een mes, hetzij door middel van water of door vergif. Ik heb nooit iemand gekend of van iemand gehoord, die straffeloos Peleg Oswald geslagen of beleedigd had. Hij was van Kentucky of van Ohio afkomstig,--een gewezen squatter,--doch had eens twee man met zijn geweer doodgeschoten, omdat zij geweigerd hadden een stuk grond met hem te ruilen. Van een derden had hij eens een oog uitgeslagen om een zeer onbeduidend verschil van meening. Om deze handelingen had hij het land moeten verlaten; want niet alleen werd hij gerechtelijk vervolgd, maar de man, die zijn eene oog kwijt was geraakt, keek met het andere des te scherper naar hem uit, en Peleg zou geëindigd zijn met een geweerkogel in zijn oor te krijgen, als hij niet oostwaarts gevlucht was en teruggekeerd naar de zee, waarvoor hij eerst opgeleid was. Ik hoorde zijne geschiedenis eerst lang, nadat wij samen op een schip waren. Hij zou zeker ter dood zijn veroordeeld; maar daar hij eenig buitgeld bij elkaar had, wist hij zijne vervolgers af te koopen. Het was mijn stellig voornemen hem bij een volgende kruistocht achter te laten, indien het God behaagd had mij behouden t'huis te brengen."
Terwijl Peters deze korte levensgeschiedenis van zijn verdwenen stuurman vertelde, werd bericht, dat het ontbijt voor den commandant gereed stond, en ontvingen de beide Amerikaansche kapiteins de uitnoodiging om daarvan gebruik te komen maken. Toen wij de achterste halfdekstrap afgingen, konden Peters en Green niet nalaten een blik van bewondering te werpen op het schoone en helderwitte dek, de keurig onderhouden batterij en de volmaakte vereeniging van het nuttige met het sierlijke, zoo onnavolgbaar als men dit dikwijls aan boord onzer oorlogsschepen vermengd vindt. Niets overtrof de zindelijkheid, overvloed, gulheid en vroolijkheid aan den disch van den commandant.
Het gesprek liep over den aard, de eigenschappen en het aantal manschappen op den kaper. »Het zijn allen zeelieden," zeide Peters, »met uitzondering van de tien zwarten."
»Eenigen hunner zijn toch Engelschen, zou ik denken", zeide ik.
»Ik mag niet uit de school klappen," zeide de geslepen Amerikaan; »het is moeielijk om altijd te weten of een man, die dikwijls in de beide landen geweest is, geboortig is van Boston in Lincolnshire, of van Boston in Massachusetts; en misschien weten zij het zelven niet eens altijd. Wij doen nooit veel navraag, wanneer een matroos bij ons zijne diensten aanbiedt."
»Gij hebt een groot aantal van onze zeelui in dienst, zoowel bij de marine als bij de koopvaardij," zeide onze commandant.
»Ja," zeide Green, »en er is geen gevaar, dat wij er te kort zullen komen, daar gij voor ons prest."
»Wij voor u pressen?" vroeg kolonel F----; »hoe meent gij dat?"
»Uwe presgangen," zeide de Amerikaan, »bezorgen ons het volk. Uwe zeelieden willen dat niet verdragen; en, maak daar staat op, voor elke twee man, die gij met geweld neemt, krijgen wij er één vrijwillig."
Peters sprak deze opvatting met heftigheid tegen en scheen zeer boos op Green om het afleggen van die verklaring.
»Er is geen twijfel aan," hernam Green; »ik weet precies, hoe onze oorlogs- en koopvaardijschepen bemand zijn. Ik durf er op zweren, dat meer dan twee derden van de Engelsche marine gedeserteerd zijn, omdat zij daar geprest waren. Och, gij hebt het mij immers zelf verklaard, Peters;--zie maar eens naar uwe eigene bemanning."
Peters kon nu niet langer tegenspreken; hij voer woedend tegen Green uit en zeide, dat hij losgelaten had, wat nooit aan een Engelsch officier had moeten erkend worden; dat het waar was; dat Amerika op ons stelsel van pressen als het plechtanker van zijne zeevaart nederzag; maar dat het hem leed deed, dat dit gewichtige geheim door een Amerikaan bekend was gemaakt.
»Wat mij betreft," hervatte Green, »ik heb zooveel verplichting aan dezen wakkeren, jongen Engelschman voor de mij bewezen goedheid, dat ik ten eeuwigen dage de vriend van hem en zijn land ben geworden en gezworen heb nooit tegen Groot-Brittanje de wapens op te vatten, tenzij tot wering van een inval in mijn eigen land."
Het ontbijt was afgeloopen, en wij gingen allen naar het dek; het schip en zijn prijs lagen bijgedraaid; alle hens werd opgefloten, de sloepen werden gestreken, de rest van de gevangenen werd met hun goed van de brik afgehaald, en toen zij aan boord waren, werd de geheele bemanning, van den kaper afkomstig, op het halfdek geroepen, ondervraagd en voor een deel herkend als Engelschen.
Toen zij berispt werden en het schandelijke van hun gedrag hun voor oogen werd gehouden, verklaarden zij, dat door hun toedoen de kaper genomen was, want dat zij met opzet het lijzeil te water hadden laten slepen, waardoor het schip in zijn vaart was tegengehouden.
Kapitein Peters zag verbaasd op van deze bekentenis; en de commandant van het fregat betoogde toen, dat zoodanig gedrag juist te verwachten was van een verrader van zijn land. Zich toen naar de gevangenen keerende, sprak hij: »De schandelijkheid van uw eerste misdrijf kon moeielijk vergroot worden; doch uw verraad aan het nieuwe gouvernement, waaronder gij dienst hebt genomen, maakt u onwaardig den naam van mannen te dragen. Ook hebt gij niet het minste recht u te beroepen op uw ellendig aandeel in het overgeven van den prijs, daar wij geen oogenblik van den aanvang der jacht af daarvan zicht verloren hebben, terwijl wij, zoodra hij ging opsteken, zeker wisten, dat hij in onze macht was."
De mannen lieten hun hoofd hangen, en toen zij vergunning hadden gekregen om naar omlaag te gaan, was er niemand van de fregats-equipage die hen aan zijn bak wilde ontvangen; maar de werkelijke Amerikanen werden zeer vriendelijk behandeld.
Wij richtten nu koers naar de Simons-baai, waar wij juist eene week na de prijsmaking aankwamen.
De admiraal van het station weigerde de zaak der gevangenen voor een zeekrijgsraad te laten behandelen; hij oordeelde, dat het hier eene politieke aangelegenheid gold, en was voornemens hen naar Engeland op te zenden, waar de lords der admiraliteit wel over hen zouden beschikken.
De echte Yankee werd aan het vice-admiraliteitshof aan de Kaapstad aangegeven, veroordeeld als wettige buit en voor den dienst aangekocht. Aangezien hij in zijne soort een prachtig vaartuig was, behaagde het den admiraal te zeggen, dat, daar ik het zoo bijzonder ongelukkig getroffen had, hij mij als luitenant er het bevel van zou opdragen en voornemens was mij met brieven, die reeds op eene gelegenheid wachtten, naar Engeland te zenden.
Dit was eene schikking, die veel voordeeliger was, dan ik had durven hopen, maar het aangenaamste van alles daarbij was, dat mijn vriend Talbot, die mij het eerst de hand gedrukt had aan boord van den prijs, verzocht de reis mede te maken, omdat, daar hij met den laatsten post zijne benoeming tot commander (kapitein-luitenant) had gekregen. Op mijn verzoek, stond de admiraal ook toe, dat de kapiteins Peters en Green met mij de thuisreis maakten. Mungo, de zwarte en Thompson de kwartiermeester, benevens de adelborst, die met mij in de boot was geweest, waren ook van de partij. Verder was, zooals men verwachten kan, mijne equipage niet van de beste; maar het stond niet aan mij om moeielijkheden te maken, en ik vulde het tekort slechts aan met zes van de negers, afkomstig van den slavenhaler, dien de kaper het laatst buitgemaakt had, en zoo meende ik wel in staat te zullen zijn om Spithead te halen.
Aan de Kaap namen wij een goeden voorraad provisiën in. De Amerikanen drongen er op aan, daarin hun aandeel te betalen; doch ik wees dit beslist af, verklarende dat het genoegen om hen als gasten te hebben voor mij zeer groot was. Ik kocht van kapitein Peters zijn geheelen voorraad wijn en eetwaren tegen de volle waarde. Mungo werd tot hofmeester benoemd, daar ik bijzonder met hem ingenomen was. Toen mijn vriend Talbot al zijn goed aan boord had laten brengen en de admiraal mij zijne laatste orders had doen toekomen, ging ik met mijn schip van Simonsbaai naar Engeland onder zeil.
Op eene thuisreis van dezen aard valt gewoonlijk weinig merkwaardigs voor. Ik behoefde St. Helena niet aan te doen en verlangde ook volstrekt niet naar oponthoud onder weg. Ik zette zeil, zooveel het schip maar wilde voeren. Talbot en ik werden boezemvrienden, en aan onze kajuitstafel heerschte de meest volkomen overeenstemming. Zooveel mogelijk vermeden wij om het gesprek op de nationale eigenaardigheden te brengen en onthielden wij ons van het behandelen der politiek. In vertrouwen deelde ik aan Talbot mijne genegenheid voor Emilia mede.
Eens kwamen wij aan tafel over zwemmen te spreken. »Ik houd het er voor," zeide Talbot, »dat mijn vriend Frank hier ons allen daarin een lesje kan geven. Herinnert gij u nog dien keer, dat gij op de reede van Spithead van het fregat naar den wal zijt gezwommen om er een bezoek te af leggen?"
»Ja zeker," antwoordde ik, »en evenmin ben ik vergeten, dat gij bij diezelfde gelegenheid zooveel geweerkogels om mij heen liet regenen."
»Uw ontkomen van te verdrinken of doodgeschoten te worden, toen en vroeger," zeide de nieuwe overste, »doet mij iets veel ernstigers voor u in de toekomst verwachten."
»Dat is mogelijk," zeide ik; »maar toch betwist ik de wettigheid van uwe daad, om te beproeven mij te dooden, vóór gij wist wie ik was en wat ik in den zin had. Hoe wist gij, dat ik niet krankzinnig was? Ik had ook op een ander schip thuis kunnen behooren; maar hoe het zij, als ik getroffen was geworden en men had mijn lijk gevonden, zou de lijkschouwing niet in uw voordeel, en de uitspraak eener jury sterk in uw nadeel zijn uitgevallen."
»Ik zou ze hartelijk uitgelachen hebben," antwoordde Talbot.
»Misschien zou men u geleerd hebben, dat het volstrekt niet was om te lachen," zeide ik.
»Kom aan!" hervatte Talbot, »waar staan schildwachten met geladen geweren voor?"
»Om het schip te verdedigen," antwoordde ik; »om sein te geven van eenig naderend gevaar; om te verhinderen, dat iemand zonder vergunning het schip zou verlaten; doch nooit om iemand het leven te benemen, tenzij tot eigen verdediging, of wanneer de veiligheid van 's konings schip het vordert."
»Ik ben het met uwe gevolgtrekkingen niet eens," zeide Talbot; »de krijgsartikelen zeggen duidelijk, dat op desertie de doodstraf staat."
»Dat is waar," zeide ik, »maar die staat ook op andere overtredingen; maar al die misdrijven dienen eerst voor een krijgsraad bewezen te worden. Gij kondt b. v. toen niet bewijzen, dat ik deserteerde, en zelfs als gij dit hadt kunnen doen, ontbrak de omstandigheid, dat ik naar den vijand overging. Ik erken, dat ik ongehoorzaam was aan uwe bevelen, maar daarop zou toch ook maar eene lichte straf gestaan hebben, terwijl uwe willekeurige handeling den koning van een (al zeg ik het zelf) eerlijk en trouw onderdaan beroofd zou hebben. Als mijn lijk niet gevonden ware, zoude de gestrengheid van het door u gestelde voorbeeld voor den dienst niets goeds hebben opgeleverd. Integendeel, men zou gedacht hebben, dat ik ontkomen was, en menigeen zou mijn voorbeeld gevolgd hebben."
»Van achteren gezien," zeide Talbot, »spijt het mij, niet eene sloep te hebben gestreken, om u na te zetten; maar het heeft mij toch altijd genoegen gedaan, dat de mariniers hebben misgeschoten."
Hiermede was dit onderwerp afgehandeld; wij wandelden nog eene poos op het dek, zetten voor den nacht koers op Fayal, waarvan wij niet ver verwijderd waren, en zochten toen onze kooi op.
Ik viel in een diepen slaap, en het was geen wonder, dat het gesprek van 's avonds mijnen geest bezighield, en mijne droomen tot het aanbreken van den dag bestonden uit een vreemd mengelmoes van gedachten zonder verband, verstandig of onzinnig, toen Thompson op mijne kajuitsdeur tikte, mij vertelde dat het helder dag was en het eiland Fayal, op ongeveer zeven mijl noord-oost van ons, in het zicht.
Ik kleedde mij en ging naar het dek, zag het land en een vreemd zeil, dat westwaarts stuurde. Toen ook de Amerikanen bovengekomen waren en dat vaartuig hadden gezien, vroegen zij mij, of ik het niet zoude praaien. Ik had geen bezwaar. Daar wij alles bij hadden en de ander geene moeite deed om ons te ontloopen, maar zijn koers bleef doorsturen, haalden wij hem spoedig in. Het bleek een schip te zijn naar New-York bestemd, met uitgewisselde Amerikaansche krijgsgevangenen.
In geval wij eenig naar de Vereenigde Staten bestemd schip mochten ontmoeten, had de admiraal mij vergund, mijne gevangenen rechtstreeks naar huis te zenden en hen niet naar Engeland mede te nemen. Ik had, uit vrees van mogelijke teleurstelling, hiervan Peters en Green onkundig gelaten; maar toen ik zag, dat hier zulk eene gemakkelijke gelegenheid voorkwam, deelde ik hun mijne plannen mede. Hunne vreugde en dankbaarheid gingen alle beschrijving te boven; zij bedankten mij duizendmaal, zooals zij ook aan Talbot deden, voor de hun bewezen vriendelijkheid.
»Heer luitenant," zeide Peters, »ik ben niet gewoon om met Engelschen om te gaan; en als ik ulieden altijd gehouden heb voor een hoop dwingelanden en bullebakken, is dit mijne schuld niet. Ik nam aan wat men mij verteld had, maar nu heb ik uit eigen oogen gezien en bevonden, dat de duivel nooit zoo zwart is, als men hem afschildert." Ik maakte eene buiging voor dit Yankee-compliment. »Hoe het echter zij," vervolgde hij, »zoude ik op eene goede manier nog wel eens eenige kogels met u willen wisselen. Brengt gij deze brik nog eens weer in onze wateren; ik hoop een andere van hetzelfde soort te krijgen, en daar ik weet, dat gij een d.....sch brave kerel zijt en evenveel van een kloppartij als van een goed diner houdt, zoude ik dan wel eens willen beproeven, of ik het bevel van de Echte Yankee niet terug kon krijgen."
»Als gij uwe volgende brik eveneens bemandet als uwe laatste, grootendeels met een goed soort Engelschen," zeide ik, »dan vrees ik, dat het niet gemakkelijk voor mij zal wezen mijzelf te verdedigen."
»Dat laat ik voor hetgeen het is," zeide de kapitein. »Niemand vecht beter dan hij, die den strop om zijnen hals gevoelt; en onthoud wat buurman Green u gezegd heeft--want hij heeft de kat uit den zak gelaten--: wij zouden geene Engelschen in onzen dienst hebben, wanneer zij niet in den uwen geprest waren geworden."