Chapter 24
»Gij Engelschen kunt dan toch somtijds al heel raar handelen," zeide hij; »gij zendt eene bende soldaten om te gaan leven op een eiland, waar men alleen aan matrozen wat hebben zou. Gij luistert naar al de praatjes, welke die rood-rokken u believen wijs te maken; (zij kunnen immers nergens aarden, waar zij verder dan een geweerschot afstands van eene kroeg zijn?); en omdat het hun niet bevalt, verlaat gij het eiland weer. Zoo'n soldaat is bijzonder op zijn eigen gemak gesteld, al toont hij weinig eerbied voor dat van anderen; en het was toch wel vooruit te zien, dat hij slecht rapporteeren zou over een eiland, waar geene vrouwen en geen rum te krijgen zijn, en hij dus zoowat met een gevangene gelijkstond. Nu, dat zou anders gegaan zijn, als broeder Jonathan dit eiland bezeten had; hij zou het zijne kosten hebben laten opbrengen; hij zou er de bemanningen van twee of drie walvischvaarders hebben neergezet, met hun vrouwen en heele familie en met al hun geriefelijkheden bij zich, met nog een partij boerenarbeiders om den grond te ontginnen en dan den heelen boel onder bevel van een officier gebracht hebben. Het eiland kan best op zichzelf staan, zooals gij wel zien kunt, en alles zou er goed gaan. Het is even gemakkelijk, zoo niet gemakkelijker om het eiland af te visschen van den wal uit, als van een schip. Breng uw traanketels en vaten maar het strand op en laat een paar dozijn goede walvischbooten hier achter, en het eiland zal een rente opleveren, na aftrek van al het geld, dat er aan ten koste is gelegd, want de walrussen hebben geene andere plaats om naar toe te gaan, hetzij om van huid te verwisselen in den herfst, hetzij om hunne jongen voort te brengen in het voorjaar. Het visschen en de andere diensten zouden zeer in den smaak der matrozen vallen, die, als zij verkozen, naar huis konden gaan in de schepen, welke de volle vaten traan kwamen weghalen en weer ledige kwamen aanbrengen."
De kapitein keerde naar zijn schip terug, maar vergat, geloof ik, onzen kapitein de vereischte zeilaanwijzingen naar zijne ankerplaats op te geven. Wij liepen naar den oosthoek van het eiland en wilden juist ankeren, toen Peters, naar zijne meening wat te dicht op den walvischvaarder komende, nog iets verder wilde doorzeilen. Ik heb verzuimd op te merken, dat, toen wij den noord-oosthoek van het land rondden, de koelte aanwakkerde en in valwinden door de ravijnen kwam. Daarvoor hadden wij zeil geminderd, en toen wij nu dicht langs den walvischvaarder kwamen, praaide men ons van daar toe; maar de harde wind belette ons te hooren, wat er geroepen werd; toen wij nu op den noodigen afstand waren, lieten wij het anker vallen.
Negentig vadem van den kabel liepen aan één stuk uit, vóór het schip optornde en op den wind zwaaide; en tot onze teleurstelling bemerkten wij over de bank, waar de ander zijn anker had laten vallen, heengeschoten te zijn, terwijl het onze nu in eene groote diepte lag; wij loodden althans negentien vaâm onder de kluis en slechts zeven vaâm onder den spiegel. Juist brak de maan door de wolken en hadden wij het genoegen te kunnen opmerken, dat wij minder dan vijftig ellen achter ons een rif hadden van steenen, waarvan de zwarte koppen boven water uitstaken.
Zeer bevreemde het ons, dat wij onder de stilten tusschen de windhorrels in, niettegenstaande de diepte, voor eene bocht van het zwaartouw lagen; doch omstreeks twee uren in den morgen brak onze kabel, door de scherpe klipsteenen doorgesneden. Dadelijk werd zeil gezet, maar wij zaten zoo dicht op de rotsen achter ons, dat zij met een steen te bewerpen waren; en wij dachten werkelijk, dat wij het einde van den kruistocht van de Echte Yankee bereikt hadden; doch dit werd niet bewaarheid, want het schip bleef behouden door dezelfde oorzaak, die onzen kabel in eene bocht had laten hangen. Wij bevonden, dat het de Fucus maximus was, die onzen ondergang verhinderde; ons anker was gevallen in dit onderzeesche bosch en was blijven hangen op de toppen der boomen; en zoo dik waren op deze hoogte takken en bladeren, dat zij ons weerhielden van te drijven en, toen de kabel gebroken was, ons op den wal geraken tegengingen. Wij verhaalden langzaam tusschen de planten uit en waren verheugd weer van die ellendige plaats vrij te zijn. Nu wensch ik dit kleine keizerrijk allen mogelijken voorspoed, maar hoop toch, dat mijn kwaad gesternte mij nimmer meer derwaarts moge voeren.
De arme Thompson was, welke moeite ik ook in zijn belang aanwendde, op grond van zijn vaste en onwankelbare trouw, steeds aan allerlei onaangename bejegeningen aan boord blootgesteld. Aan mij zou hij zelden hierover klagen; liever was hij zijn eigen rechter, door dengeen, die hem kwelde, dit op zachtzinnige wijze onder het oog te brengen (dergelijke wenken deelde hij nl. met zijne forsche vuisten tusschen de oogen of op den neus van zijn kwelgeest uit). Gewoonlijk bleef de zaak daarbij, want zijn karakter was zoo eenvoudig en goed, dat alle geschikte matrozen aan boord hem genegen waren. Op een nacht viel er een man overboord,--het weder was kalm en de brik liep weinig vaart; terwijl men bezig was de jol, die aan de hekdavits hing, te strijken, brak een van de haken daarvan en sloegen de vier man, die er in bezig waren, te water. Twee hunner konden niet zwemmen, en allen schreeuwden luidkeels om hulp, zoodra zij weer boven kwamen. Thompson, dit ziende, sprong als een Newfoundlandsche hond van boven neer, zwom eerst naar den zwaksten, dien hij naar de zorgkettingen van het roer bracht om zich daaraan op te houden, en vervolgens greep hij den tweeden, dien hij achter het schip bracht en een van daar afgevierd touw onder de armen bond. Op deze wijze voortgaande, gelukte het hem allen te redden. Twee van de vijf zouden zonder zijne tijdige tusschenkomst stellig gezonken zijn, want het vorderde eenigen tijd vóór er eene andere boot kon gestreken worden; terwijl de drie anderen erkenden, dat zij zonder hulp het schip wel niet zouden hebben kunnen bereiken.
Het gedrag van Thompson werd door iedereen aan boord zeer toegejuicht, en sommigen vroegen hem, hoe hij toch zijn leven wilde wagen voor menschen, die hem zoo slecht behandelden; hij zeide, dat zijne moeder en zijn bijbel hem geleerd hadden om zooveel mogelijk het goede te doen: en daar God hem een sterken arm had geschonken, hoopte hij dien altijd te zullen gebruiken ten behoeve van zijnen broeder in den nood.
Men zou nu denken, dat een daad als deze de herhaling van verdere beleedigingen zou voorkomen hebben; doch hoe meer Thompsons waarde door de Amerikanen werd opgemerkt, des te verlangender werden zij hem een der hunnen te zien worden. De tweede stuurman, dien ik reeds beschreven heb als een ruwen, brutalen kerel, klampte hem weer eens met de oude aanbieding aan, zeggende dat hij ongetwijfeld zijn fortuin zou maken met het nemen van twee, misschien wel drie buitengewone Oost-Indievaarders, wier ontmoeting zoo goed als zeker was.
Thompson keek den man open in het gelaat en zeide met zijn sterk Schotschen tongval: »Hebt gij niet gehoord, wat ik dien anderen dag aan uwen kapitein heb geantwoord?"
»Ja," antwoordde Oswald, »maar dat noemen ze bij ons te lande maar kletspraatjes."
»Maar zoo noemen zij dat in mijn land niet," zeide de Schot, terwijl hij hem te gelijk zijn vuist zoo net en stevig in het linkeroog duwde, dat hij als een os neersloeg, een groot deel van het dek met zijn zware lichaam bedekkende.
De man stond op, bevond dat zijn gelaat hevig bloedde en zijn oog dicht was; doch in plaats van zelf wraak te nemen, liep hij naar den kapitein, om zich te beklagen. Verscheidenen van de Amerikanen, door haat of jaloezie gedreven, gingen met hem mede en vroegen met veel misbaar, dat de Engelschman gestraft zou worden voor het mishandelen van een der scheepsofficieren. Toen echter de zaak nauwkeurig onderzocht was geworden, moest de kapitein verklaren, dat de stuurman de eerste aanleiding had gegeven, in zooverre hij Thompson had willen verlokken, en dat hij van vroeger had kunnen weten, waaraan hij zich hierdoor blootstelde; dat hij (de kapitein) aan Thompson, toen hij die verklaring aflegde, toegegeven had gelijk te hebben en daardoor thans verplicht was hem naar alle wetten van gastvrijheid te beschermen, en zulks alleen reeds niet zou mogen verzuimen wegens de dankbaarheid, die hij hem schuldig was voor het redden van het leven zijner landgenooten.
Het volk nam hiermede geen genoegen; luide bleven zij straf eischen, en er ontstond een geregeld oproer door den tweeden stuurman aangestookt. Er was echter aan boord ook eene andere partij, die zeer sterk was en niet in eene stemming om een Engelschman op zulke onwaardige wijze te zien behandelen. Wat voor landslieden dat waren, is gemakkelijk te begrijpen. De twist liep hoog, en ik begon daarvan ernstige gevolgen te vreezen, toen ik toevallig over bakboordsverschansing kijkende, een zeil zag en hiervan den kapitein kennis gaf. Dadelijk praaide hij den uitkijk in top toe; doch de uitkijk in top had zooveel belang gesteld in hetgeen er aan dek voorviel, dat hij zich in de mars had laten zakken, om beter toe te luisteren.
»Ziet gij dat schip niet aan bakboord?" vroeg de kapitein.
»Ja wel, sir," zeide de man.
»En waarom geeft ge er dan geen bericht van?"
De man wist, om een goede reden, daarop geen antwoord te geven.
»Kom af!" beval de kapitein; »Salomon laat hem aflossen; wij zullen je eens een beetje Yankee-discipline laten zien."
Voordat wij echter het onderzoek in dit misdrijf en de daarop gevolgde bestraffing behandelen, moeten wij den blik wenden naar het zeil, dat elke vijf minuten zichtbaar hooger en hooger boven de kim kwam. De kaper zeilde op dit oogenblik om de noordoost, onder mars- en bramzeilen, fok en kluiver, met eene gladde koelte en kalm water.
»Mijnheer de luitenant," zeide de kapitein, »waar ziet gij hem voor aan?"
»Ik denk," antwoordde ik, »dat het een van die extra Oost-Indievaarders is; en als gij hem meent te praaien, zou ik er onder klein zeil op aan sturen; waardoor gij tegen zonsondergang zoo nabij kunt zijn, dat gij, als hij u mocht willen ontloopen, met uwe betere bezeildheid, hem den ganschen nacht in 't zicht kunt houden."
»Ik geloof, dat gij daarin niet ver mis zijt," zeide de kapitein.
»Ik geloof, dat er geen woord van waar is," zeide de eerste stuurman, die juist uit den grooten top kwam, waar hij het laatste kwartier had doorgebracht met een scherpen uitkijk en het bestudeeren van den snit der zeilen van het vreemde vaartuig. »Als ik ooit van m'n leven een schip van hout en zeilen gezien heb, dan is dat een van John Bull's vervloekte levenmakers, en nog wel minstens een vier-en-veertiger."
»Wat antwoordt gij daarop, mijnheer de luitenant?" vroeg de kapitein.
»O, wat dat aanbelangt," viel de stuurman in, »is het niet te verwachten, dat hij ons het ware zal zeggen."
»Zeker omdat gij het in mijne plaats niet doen zoudt," antwoordde ik.
»Juist," hernam de stuurman.
En werkelijk moet ik bekennen, dat ik geen bijzonder verlangen had om nog eenige maanden met dit schip te blijven kruisen en nog eens, tot aanvulling van den watervoorraad, naar Tristan d'Acunha terug te moeten. Toen ik mijne meening kenbaar maakte, had ik mijn best niet gedaan om bijzonder scherp uit te kijken; maar toen ik het schip hard zag opzetten, ofschoon wij in bijna gelijke richting stuurden, overtuigde ik mij weldra, dat ik spoedig vrij en op mijne terugreis naar Engeland zijn zou, waar zich al mijn geluk en al mijne hoop bevond.
De eerste stuurman keek nog eens nauwkeurig,--de kapitein volgde zijn voorbeeld; toen zagen zij elkander aan en kwamen overeen, dat het hier het begin van het einde was.
»Het is mis, sir," zeide de stuurman, »en alles de schuld van dien vervloekten overlooper, die door u op de rol is geplaatst. Maar, zal ik hem niet eens achteruit laten komen, om hem op een geregelde wijze zijn ontslag te geven?"
»Allereerst," zeide de kapitein, »is het zaak om te beproeven, hoe hard wij op den loop kunnen gaan. Wij plachten nog al uit den weg te kunnen komen, en nog nooit heb ik de gekoperde slang gezien, die ons wist te bereiken. Breng de bovenbramzeils op, voer de spieren uit, laat de lijzeilen aanslaan--en afhouden tot de wind een paar streken achterlijker dan dwars is: zóó loopt hij het beste; en ik houd het er voor, dat wij gedurende den nacht dien duivel uit het oude moederland nog wel kunnen ontgaan."
Ik zweeg, maar keek oplettend naar de werkzaamheden. Het schip was zeer goed bemand en het zeil zetten ging zeer vlug.
»Laat loggen!" beval de kapitein.
Dit geschiedde, en het schip bleek negen mijlen te loopen.
»Hoeveel denkt gij dat gindsch fregat beloopt?" vroeg mij de kapitein.
»Ik houd er voor, dat hij wel elf mijlen zal halen; en daar hij nu zes mijlen achteruit is, zal het geen vier uren duren vóór hij binnen kanonschotsafstand is."
»Nu, een deel van dien tijd zullen wij besteden aan het betalen van onze schuld van dankbaarheid voor het voorrecht. Mr. Salomon, laat dien schurk zonder vaderland aan het groot want binden en roep een paar van je hongerigste katten (cats) op. Waar is Dirk Twist, die bootsmansmaat geweest is op de Statira; en die roodharige kerel, och je weet wel, die in de Rappa-banock van de Maidstone weggezwommen is?"
»Gij meent zeker rooden Sam?--Roep Sam Gall hier!"
De twee handlangers kwamen spoedig opdagen, elk van zijn folterwerktuig voorzien; en ik moet zeggen, dat deze er niet zachtzinniger uitzagen, dan al wat ik voor gelijke doeleinden aan boord bij overste G---- had zien gebruiken. De schuldige werd nu vóórgebracht en bleek, tot mijne verbazing, dezelfde te zijn, die door Thompson, toen wij pas in de boot waren overgestapt, wegens muiterij overboord gesmeten was. Ik kan niet zeggen, dat ik eenig leed gevoelde noch over de aanleiding, noch over het resultaat van de woordenwisseling van heden.
»Bind hem vast," beval de kapitein; »gij zijt op uw geregelde dienstbeurt voor uitkijk naar top gestuurd; in het waarnemen van dien plicht zijt gij te kort geschoten; vóórdat nu mijn gezag ophoudt, zal ik u een Yankee-stukje vertoonen."
»Ik ben een Engelschman," zeide de man, »en ik beroep mij op mijnen officier voor bescherming."
De kapitein zag mij aan.
»Als ik die officier ben, dien gij bedoelt," zeide ik, »dan erken ik u niet. Gij hebt uwe trouw afgezworen, toen het in uw kraam te pas kwam, en nu wilt gij uw vorige verbintenis weder aanvoeren, om een straf te ontloopen, die gij ruimschoots verdiend hebt. Ik zal zeker niet ten uwen behoeve tusschenbeide komen."
»Ik ben in de Earlstreet geboren," riep de Londenaar,--»mijne moeder houdt daar een penswinkel,--ik ben een echte Brit, en gij hebt geen recht mij te slaan."
»Gisteren nog waart gij een Yankee-matroos van Nieuw Londen en vandaag zijt gij een pensverkooper van Oud Londen; ik geloof niet ver mis te zijn met u een schurk zonder vaderland te noemen. Maar over het recht zullen wij later wel spreken," zeide de kapitein; »en nu Dick, begin maar."
Twist gehoorzaamde aan de opdracht met de noodige handigheid; toen hij den gevangene drie dozijn toegediend had, van een gehalte waarvoor mijn vriend de Hercules van Farnese op de brik zich niet had behoeven te schamen, werd Sam Gall verzocht om daarmede voort te gaan. Sam kweet zich à merveille van een gelijk aantal; en de gevangene, die het noodige misbaar gemaakt had, werd nu losgelaten. Onwillekeurig maakte ik de opmerking, hoe rechtvaardig het was, dat deze kapitein zijn schip verspeelde, door eerst toe te laten, dat men een man verleidde om zijn woord ontrouw te worden, en daarna in dienzelfden man vertrouwen te stellen.
»Laat ons nu een oog op de jacht houden," zeide de kapitein. »Wel verbazend, hij komt hard opzetten. Ik zie met het stampen den boegspriet al boven water; voor een half uur zag ik nog pas de fokkera. Hak de jol van achteren weg, Salomon."
De eerste stuurman nam een korte bijl en met één houw bij het einde van elken davit, hakte hij het vaste deel van de takels door; en de jol viel te water.
»Nu deze twee achterste stukken de poorten uit," beval de kapitein; »wij hebben te veel diepgang achter, en voor de verdediging zullen wij ze best kunnen missen, want het is een heele baas, dien wij hier achter ons hebben."
Binnen weinige minuten waren de kanonnen uit de voeten; en in het daarop volgende half uur, won de vijand slechts weinig. Het was nu 's namiddags half vier; de Yankees gevoelden hunnen moed herleven; en de tweede stuurman herinnerde den kapitein, dat zijn blauw oog nog niet bij het groot want was verrekend geworden.
»Dat zal ook niet gebeuren," zeide de kapitein, »zoolang ik het bevel voer over de Echte Yankee; zooals het is, is het billijk; niemand zal worden gestraft omdat hij zich behoorlijk verdedigd heeft na waarschuwing. Thompson, kom hier en blijf achteruit."
De man was juist bezig die order te gehoorzamen, toen hij werd aangegrepen door zes of acht van de ruwste klanten, die begonnen met hem zijn baaitje van het lijf te trekken.
»Laat los, jongens!" riepen Twist en Gall in één adem. »Het kan ons niet schelen om zoo'n vent als dien penskerel een pak te geven; maar Thompson zal hier in het schip geen haar gekrenkt worden. Hij is een der onzen; op-en-top een zeeman, en vóór gij hem aanraakt, hebt gij met ons en nog vijftig anderen te doen; want ik ben verd... als wij niet met den tweeden stuurman gaan loggen en dan bijdraaien, tot het fregat ons op zijde komt."
De oproermakers stonden een oogenblik verlegen; maar de tweede stuurman sprong op een stuk en riep luid: »Wie is er op onze hand? Zijn jelui voornemens je door die Engelschen op den kop te laten zitten?"
»Ja zeker," riep ik er tusschen in, »als gij het doen van gerechtigheid »op den kop zitten" noemt. Gij loopt veel gevaar, en ik waarschuw u. Ik zie juist hoe sterk degenen zijn, die zich Amerikanen noemen; en ofschoon ik de laatste ter wereld ben om mijn zegel te hechten aan een daad van verraad, door het schip bij te draaien, waarschuw ik u toch voorzichtig te zijn met het tergen van den bulhond, die alleen van zijns meesters ketting losgebroken is »voor een uitstapje," doch nu gereed om naar hem terug te keeren. Ik ben uw gast en daarom uw trouwe vriend; span uwe uiterste krachten in, om aan uwen vijand te ontkomen. Ik weet wat die is, want ik ken hem; en als ik mij niet vergis, dan zult ge, met alle moeite, die ge u nog geeft, nauwelijks tijd hebben, om uw boeltje bij elkaar te pakken; want houd u verzekerd, dat gij geen twaalf uren meer onder uw eigen vlag zult varen."
Deze toespraak had eene bedarende uitwerking. De kapitein, kapitein Green en Salomon liepen achteruit en zagen tot hunne ontsteltenis reeds duidelijk de waterlijn van het vervolgende fregat.
»Wat kunnen wij nu doen?" zeide de kapitein. »Op deze wijze heeft hij weer op ons gewonnen, terwijl al het volk achteruit was geloopen voor die helsche twist. Zet nog twee van de achterste kanonnen overboord."
Ook deze order werd met dezelfde vlugheid ten uitvoer gebracht, doch niet met hetzelfde succes bekroond. De kapitein begon nu te bemerken,--wat ik al lang had ingezien,--dat hij door de jol van den achtersteven los te hakken, die dus met zijn gewicht aan het uiterste eind van het schip hing, (evenals het lood aan een unster werkende), goed had gedaan; verder had hij het schip nog meer verlicht door die twee achterste kanonnen op te offeren. Maar hierbij had het moeten blijven; de uitwerking van het overboord werpen der twee volgende stukken was bepaald nadeelig. Het schip stak nu den neus te diep; het achterschip was te hoog uit het water; het stuurde nu wild en verminderde opvallend van vaart.
»Kap de boegankers weg," beval de kapitein. De sjorrings werden doorgehakt en de ankers vielen weg; dadelijk hief de brik zijn kop wat hooger en bereikte zijn vroegere vaart; toch had de vijand intusschen belangrijk op ons gewonnen. De kapitein en zijn volk stelden alleen hun hoop op de duisternis; en naarmate deze inviel, werd ik ontmoedigd, want ik begon mij ongerust te maken, dat wij nog zouden ontkomen. Reeds was de zon eenigen tijd beneden de kim; de wolk van zeildoek, die achter ons aankwam, werd minder duidelijk en verdween ten laatste in een donkere bui: in de eerste twee uren zagen wij er niets meer van.
Ik wandelde met Green en den kapitein het dek op en neer. De laatste scheen volstrekt niet op zijn gemak: hij had gehoopt deze reis zijn fortuin te maken en dan de vermoeienissen en zorgen van het zeeleven vaarwel te zeggen en zich terug te trekken in een of anderen gezelligen hoek van de westelijke nederzettingen, waar hij eene kleine hoeve kon ontginnen, en verder een eerlijk leven leiden: »want dit leven", zoo sprak hij, »is, ik durf het gerust te zeggen, eigenlijk niet veel anders dan rooverij."
Of deze proeve van zedelijkheid bij den kapitein, nu het gevolg was van het oogenblikkelijke gevaar, waarin hij verkeerde, mag ik niet uitmaken. Ik weet alleen, dat de lezer, als hij zich de moeite getroosten wil enkele bladzijden uit mijne levensgeschiedenis terug te slaan, mij bij verschillende gelegenheden daarin ook dikwijls in soortgelijke stemming zal aantreffen.
De twee kapiteins en de eerste stuurman zonderden zich nu af en lieten mij over aan mijne overpeinzingen, vlak vóór het groot want, over bakboordsverschansing geleund. De beraadslaging scheen nog al gewichtig te zijn en liep, zooals ik later vernam, over den koers die gestuurd moest worden, nu er zoo groote kans bestond, dat wij door den vervolger uit het zicht waren verloren. Al mijne hoop op verlossing vervloog, wanneer ik hunnen kant uitzag, en in mijn geest was ik er reeds op voorbereid om mede naar New-York te gaan.
Op dit oogenblik kwam een matroos achter mij staan, kwansuis om den bramschoot vóór te halen; en terwijl hij met een soort van »yeo-ho" aan het touw ging hangen, fluisterde hij mij in het oor: »Als gij wilt, kunt gij kapitein van de brik worden. Wij zijn met z'n vijftigen Engelschen, wij zullen bijdraaien en een lantaarn hijschen, als gij er een woord toe zegt en ons pardon bezorgt."
Ik deed eerst alsof ik het niet hoorde, doch mij omkeerende, zag ik Mr. Twist.
»Zwijg, schurk!" antwoordde ik, »meent ge eene daad van verraad weer door eene andere goed te maken? En durft gij het wagen een smet te werpen op de eer van een zeeofficier, door zoo'n schandelijk voorstel? Ga dadelijk, waar gij behoort te zijn, en waardeer het, dat ik hiervan tegen den kapitein zwijg, die volkomen gerechtigd zou zijn, u overboord te werpen,--een lot dat gij, door uwe aaneenschakeling van misdrijven, volkomen zoudt verdienen."
De man droop af, en ik begaf mij naar den kapitein, wien ik, zonder naam te noemen, vertelde wat mij overkomen was, hem aanmanende om tegen verraad op zijne hoede te zijn.
»Uw gedrag, mijnheer," zeide de kapitein, »is, zooals ik van een Engelsch zee-officier verwacht zou hebben; en daar gij zoo eervol gehandeld hebt, wil ik u wel vertellen, dat het mijn plan is om zeil te minderen tot de marszeils en den fok en scherp bij den wind op te steken in de richting van die donkere bui dáár in het zuiden."
»Zooals gij wilt," zeide ik; »gij zult mij wel verschoonen van het geven van advies, en eveneens zoudt gij mij niet gelooven willen, als ik u een goeden uitslag toewenschte; doch maak er staat op, dat ik met alle macht elke oneerlijke poging om u het bevel te ontnemen, zal tegengaan."
»Ik dank u, mijnheer," zeide de kapitein op treurigen toon; en zonder verder met woorden nog tijd te verspillen, commandeerde hij op zachten, doch fermen toon. »Strijk en gei op de bovenbramzeils en bramzeils, vier op de lij-zeilvallen en buitenschooten!"