Frank Mildmay, De zeeofficier

Chapter 23

Chapter 233,676 wordsPublic domain

Mijne eerste gedachte was dankbaarheid voor mijn wonderdadig behoud; mijne tweede was een treurig voorgevoel van het lot mijner arme manschappen, die maar al te waarschijnlijk verminkt aan den voet van dezen berg lagen. Ik deelde mijn vermoeden mede aan de twee matrozen, die bij mij waren en mij intusschen hadden ingehaald. Hoe meer wij er over nadachten, des te meer verdween elke twijfel in onzen geest. Langs een glooiend slingerpad daalden wij af; en na een hoogst vermoeiende en gevaarlijke wandeling, die een uur vorderde, bereikten wij de plaats, waar ons aller vrees helaas! volkomen bevestigd werd. Hier lagen de twee lichamen mijner mannen en dat van mijn hond, onkenbaar verminkt: het scheen, dat beiden beproefd hadden over het mos te loopen, even zorgeloos als ik op het punt was geweest dit te doen, ware niet de hond mij vóór geweest. Peinzende keerde ik naar mijne manschappen aan de baai terug en deelde hun onze droevige ontdekking mede. Allen waren bewogen over het lot dat hunne kameraden getroffen had, en niet het minst de Amerikaansche kapitein, die Green heette.

Inderdaad, zoolang wij dezen armen man bij ons in de boot gehad hadden, had hij zich geheel anders doen kennen, dan ik aanvankelijk van hem gedacht had; steeds bedankte hij voor zijn rantsoen sterken drank, dien hij aan de matrozen weggaf; hij zweeg meestal en zat in gedachten verzonken; dikwijls zag ik dat hij in stilte bad, en bij die gelegenheden stoorde ik hem nooit. Andere keeren legde hij zich er op toe om zoo nuttig mogelijk te zijn. Hij naaide en lapte de kleeren en schoenen van het volk, of leerde hun daarin zich zelf te helpen. Viel er zwaar werk te verrichten, dan was hij steeds de eerste om te beginnen, de laatste om te eindigen; en zoover ging hij in zijne beleefde hulpvaardigheid, dat wij hem allen begonnen lief te hebben en met eerbied te behandelen. Wanneer wij op zee waren, nam hij met de meeste trouw en waakzaamheid een wacht waar.

Geenszins was dit uit vrees of bezorgdheid voor slechte behandeling onder zoovele Engelschen, die door zijne houding in het ongeluk waren gebracht. Spoedig had hij eene gelegenheid om te toonen, dat de verandering in zijn gedrag het uitvloeisel was van hartzeer en berouw.

Den volgenden morgen zond ik een troep langs het zeestrand rond, met last om den berg heen te gaan en de lijken onzer ongelukkige kameraden aan den schoot der aarde toe te vertrouwen. De twee matrozen, die mij vergezeld hadden, waren mede voor dien dienst aangewezen; toen zij daarvan teruggekeerd waren, bracht ik hun onder het oog, hoe noodlottig ons verblijf op dit rampzalige eiland was geweest, en hoeveel beter het toch geweest zou zijn, als wij naar Rio de Janeiro waren doorgegaan, dat, slechts een tweehonderdvijftig mijlen verder, op dit oogenblik al reeds door ons bereikt kon zijn; dat wij nu het voornaamste deel onzer provisiën--sterken drank en tabak--opteerden; terwijl onze boot, onze laatste hoop, ons uiterste redmiddel, niet eens veilig lag, daar een storm haar kon vernielen. Op grond hiervan stelde ik voor om dadelijk toebereidselen voor ons vertrek te maken, wat met algemeene stemmen werd goedgekeurd.

Het werk, dat nog te verrichten viel, verdeelden wij onder elkander: sommigen gingen eene zeeprovisie jonge vogels vangen, die gedood en schoongemaakt werden; anderen vulden onze watervaten. Kapitein Green nam het toezicht over het tuig, de zeilen en riemen van de boot en zorgde, dat hieraan niets ontbrak. De overgebleven spiritualiën waren niet veel, en kapitein Green, de adelborst en ikzelf namen ons voor het ons daarvan toekomende aandeel voor buitengewone gevallen te bewaren. Drie dagen na den aanvang onzer toebereidselen, en eene week na onze aankomst, scheepten wij ons weder in, en na in de branding bijna omgeslagen en volgeloopen te zijn, heschen wij andermaal ons zeil op de wijde wateren van den Atlantischen Oceaan.

Het was echter niet voorbeschikt, dat wij ditmaal veel gevaren zouden doorstaan of de kust van Zuid-Amerika zouden bereiken; want slechts weinige uren waren wij in het ruime sop, toen wij een schip in het zicht kregen; dit bleek, nader-bij komende, een brik, een Amerikaansche kaper te zijn, varende veertien stukken en honderdentachtig koppen, bestemd om te kruisen in den omtrek van de Kaap de Goede Hoop. Zoodra men ons gewaar werd, hield men op ons af, en een half uur later bevonden wij ons veilig aldaar aan boord; toen ook onze kleine voorraad goed op het dek was overgebracht, liet men de boot aan zijn lot over.

Mijne manschappen werden zeer ruw behandeld, zoolang zij er niet in toestemden op den kaper dienst te nemen, waartoe zij allen na overreding en bedreigingen overgingen, niettegenstaande ik daartegen mij zoo krachtig mogelijk verzette en alles aanwendde om hen van zulk een noodlottigen stap terug te houden. Alleen Thompson bleef dit weigeren.

Ook bij den kaperkapitein protesteerde ik tegen deze schending der gastvrijheid. »Gij vondt mij," zeide ik, »in volle zee, in eene zwakke boot, welke aanhoudend in gevaar verkeerde door eene hooge zee overstelpt of door een dartelen walvisch omgeslagen te worden. Gij hebt mij en mijn volk opgenomen met alle medelijden en vriendschap, die wij slechts verwachten konden; maar dit alles doet gij weer te niet door mijne manschappen over te halen tot ontrouw aan hun wettigen vorst, door hen te dwingen om rebellen te worden en hen dus bloot te stellen aan de hoogst mogelijke straf, die hen wacht, als wij (waar zeer veel kans voor bestaat) weer in handen van onze landgenooten vallen mochten.

De kapitein, die een ruwe, doch verstandige en helderziende Yankee was, antwoordde: dat het hem leed deed dat ik de zaak op deze wijze opnam; dat hij volstrekt geene beleediging bedoelde; dat hij niets met mijne manschappen te doen wilde hebben, vóór zij zich uit eigen beweging kwamen aanbieden om onder hem te dienen; dat hij echter niet had kunnen voorkomen, dat eenigen van zijn eigen volk mijne matrozen tot dezen stap hadden overgehaald. »En nu, mijnheer de luitenant," zeide hij, »laat ik u eene vraag stellen. Neem aan, dat gij een Engelsch schip commandeerdet, en ik had het ongeluk gehad door u genomen te worden, en tien of twaalf van mijne matrozen boden zich aan bij u dienst te nemen, opgevende te Newcastle thuis te behooren, zoudt gij ze dan weigeren? Buitendien, vóórdat de oorlog begon, zaagt gij er geen bezwaar in om van onze koopvaarders volk over te nemen,--zelfs onze oorlogsschepen waren daarvoor niet veilig, wanneer gij er kans toe zaagt. Zeg nu eens open en eerlijk, wat het onderscheid is tusschen uwe handeling en de onze?"

Hierop antwoordde ik: dat het niet gemakkelijk was hieromtrent iets te zeggen, doch dat zelfs al ware zulks het geval, het dan voor ons weinig nut zoude opleveren om eene dergelijke quaestie te behandelen, die wijzer menschen, dan wij waren, zoowel in zijn land als het mijne, in de laatste twintig jaren reeds veel hoofdbrekens had gekost; dat het hier een op zichzelf staand geval betrof, dat afzonderlijk behoorde uitgemaakt te worden; dat de oorlogskansen mij in zijne macht hadden gebracht, en hij een slecht gebruik had gemaakt van het tijdelijke voordeel, dat hij genoot, door toe te staan, dat mijne menschen, die toch slechts arme, bekrompen schepsels waren, tot plichtverzaking werden verleid en overgehaald hun vlag te verlaten en hoogverraad te plegen, waardoor zij hun leven verbeurden en hunne gezinnen in het ongeluk stortten; dat, wat ook zijne regeering of de mijne vroeger gedaan mochten hebben, welke gedragslijn ook gevolgd werd door dezen of genen commandant, geen vorige zaak recht kon maken wat onrecht was; en verder liet ik het aan hemzelf over (ziende, dat mij niets anders overbleef) om te zeggen of hij nu deed, wat hij wenschen zoude, dat hem geschiedde.

»O, wat dat betreft," zeide de kapitein, »daarom bekommeren wij kapers ons niet zoo bijzonder; wij denken vooral om nummer één; en als uwe matrozen nu verkiezen te vertellen, dat zij van Boston vandaan zijn en op mijn schip willen dienen, dan moet ik hen aannemen. Wel," vervolgde hij, »daar is de beste van uw volk, Thompson; ik verwed er een vaatje oude Jamaica-rum onder, dat hij een geboren Yankee is, die, als hij volgens zijn hart te werk ging liever onder Amerikaansche, dan onder Engelsche vlag zou willen vechten."

»Zij kunnen voor mijn part opd......, die zoo iets van Jack Thompson zeggen," gaf de Schot, die dit gehoord had, ten antwoord; »ik ben nog nooit van m'n leven overgeloopen, en dat zal me ook niet gauw gebeuren. Ik heb u en uwe stuurlieden maar één stuk raad te geven, kaptein. Ik ben een bedaard man en zal nooit iemand kwaad doen, als het niet in een eerlijk vechten is; maar als òf gij, òf iemand van uw volk probeeren om mij om te koopen, of op eenigerlei wijze mij ontrouw willen maken aan mijn koning of aan mijn land, dan zal ik hem, als ik er kans toe zie, plat in elkaar trappen als eene schol; en al kan ik het niet, dan zal ik het toch beproeven."

»Dat is goed gezegd," sprak de kapitein, »en ik prijs u daarvoor. Gij kunt er op rekenen, dat ik u niet verzoeken zal, en als een van mijn volk het doet, dan moet hij maar ondervinden wat er op staat."

Kapitein Green hoorde dit gesprek aan; hij nam er geen deel in, maar liep op de hem eigene, peinzende wijze, op het dek op en neer. Toen de kapitein van den kaper naar omlaag was gegaan, kwam die ongelukkige man naar mij toe en merkte op:

»Wat een flink stuk van een Engelschen matroos hebt gij daar bij u."

»Ja," antwoordde ik, »hij is er nog een van het rechte soort; hij komt uit het land, waar de opvoeding der minvermogenden bijdraagt tot de veiligheid der rijken, waar men iemand er niet minder om acht, als hij zijn bijbel leest, en waar het meerendeel van de lagere standen grootgebracht is in alle eenvoudigheid van het vroegere Christendom."

»Ik houd het er voor," zeide Green, »dat gij er in uwe marine niet veel zóó hebt."

»Meer dan gij denken zoudt," hernam ik; »en wat u het vreemdst zal toeschijnen is, dat zij nooit deserteeren zullen, zelfs al zijn zij geprest geworden; en toch houdt men hen op veel lager gage, dan zij te voren hadden of dan zij krijgen konden, maar zij hebben een hoog begrip van zedelijkheid en godsdienstig gevoel, en dit houdt hen tot hunnen plicht."

»Maar in weerwil hiervan, moeten zij toch niet erg tevreden zijn," zeide Green.

»Dat behoeft daaruit juist niet te volgen," zeide ik: »zij hebben in den zeedienst verschillende voordeelen, die zij elders missen. Voor langdurigen dienst en voor bekomen wonden verkrijgen zij pensioen, op hun ouden dag genieten zij veel geldelijke hulp, hunne weduwen en weezen ontvangen bescherming, zoowel van gouvernementswege als van liefdadigheidsinrichtingen of rijke particulieren. Maar wij zullen dit gesprek later voortzetten," vervolgde ik, »want ik zie daar het eten naar de kajuit opgedragen worden."

De kapitein van den kaper bewees mij alle eerbied en voorkomendheid, zooveel hij slechts kon. Veel hiervan had ik te danken aan Green en aan den zwarte, Mungo, die beiden mijn gedrag verheerlijkt hadden bij de redding van het leven van hem, die dat van ons allen in de waagschaal had gesteld. Greens dankbaarheid kende geene grenzen,--hij waakte over mij dag en nacht, zooals eene moeder over haren lieveling zoude waken; hij voorkwam elke behoefte, elken wensch, dien ik kon hebben en was nooit gelukkiger, dan wanneer hij dien kon bevredigen. De matrozen van de brik waren allen even vriendelijk en attent voor mij, zoo hoog waardeerden zij mijne handeling om het leven van hunnen landgenoot te redden, en mijn eigen leven te wagen in het onderdrukken van een oproer.

Wij kruisten zuidwaarts en namen een paar prijzen, die echter geene groote waarde hadden. Een daarvan, een handelsvaartuig van Mozambique, werd vernield; met den ander, een slavenhaler van Madagaskar, wist de kapitein niet goed wat hij uitvoeren zou. Daarom scheepte hij slechts een tiental van de stevigste negers over, om in den dienst aan boord van den kaper te assisteeren, en liet verder dien prijs maar aan zijn lot over.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

De kaper heette de Echte Yankee. Zijne eerste bestemming was het eiland Tristan d'Acunha. Hier dacht hij een ander, aan dezelfde reeders toebehoorend, vaartuig te ontmoeten, dat hem vooruitgezeild was, toen het plan opkwam om tusschen de Kaap en Madagaskar te gaan kruisen, ten einde een paar der rijkgeladen thuis varende Oost-Indische schepen, die alleen reeds alle moeite en kosten van uitrusting zouden vergoed hebben, prijs te maken.

Zonder dat er iets belangrijks voorviel, bereikten wij genoemd eiland. Ik had met leedwezen opgemerkt, dat de tweede stuurman, Peleg Oswald geheeten, een norsch, woest en twistziek man was, en dat, hoewel de kapitein Peters en de eerste stuurman Methusalem Salomon mij steeds met onderscheiding behandelden, hij niet de minste welwillendheid voor mij aan den dag legde.

Zooals ik hierboven reeds heb aangeteekend, was kapitein Green, sedert hij bij ons was, in alle opzichten veranderd als het blad van een boom: den drank had hij geheel afgezworen, hij was door en door vroom geworden, en telkens wanneer er op den kaper onaangenaamheden voorkwamen of getwist en gevochten werd, was hij de scheidsrechter en vredemaker. Hij nam hierdoor den kapitein en opperstuurman eene zee van moeielijkheden uit de handen, en door zijn toedoen werd de toon, die aan boord heerschte, veel beter en er behoefde minder en ook niet zoo streng meer gestraft te worden. Het volk was opgeruimd en deed met lust zijn werk; en ware Peleg Oswald slechts niet aan boord geweest, dan zou er eene algemeen goede verstandhouding bestaan hebben.

Wij liepen op 15 December het eiland in 't zicht, met het schoonste zomerweer, dat zich denken laat. Wij staken bij aan de noord- of bovenswinds-zijde van het eiland, nog ongeveer twee Eng. mijlen van de kust zijnde; dichter durfden wij niet naderen uit vrees voor de »rollers," een verschijnsel dat angstwekkend grootsch is, op deze weinig bezochte plek. Omtrent dit zeer bijzondere natuurverschijnsel zijn verschillende gissingen gemaakt, maar eene voor mij voldoende uitlegging heb ik nooit kunnen krijgen, om de doodeenvoudige reden, dat dezelfde oorzaak dan ook dezelfde uitwerking zou moeten hebben op St. Helena, Ascension of elk ander eiland of landpunt aan eene bijzonder groote watervlakte liggende. Ik zal trachten eene beschrijving te geven van het gezicht, dat eene opeenvolging van rollers zou geven, wanneer, hetgeen wel eens voorkomt, een vaartuig daarin geraakt en op de kust wordt geworpen.

Het water is volkomen glad, zou men op het oog zeggen,--door geen zuchtje van den wind gerimpeld,--wanneer er plotseling uit het noorden een hooge golf komt aanrollen, doorschijnend, donkerblauw als ware het glas, eerst brekende zoodra hij op den wal stuit, als wanneer hij schuimend ineenstort met een donderend geluid en een onweerstaanbare hevigheid, die door kunst noch menschelijk vernuft kan weerstaan worden. Die golf wordt door andere gevolgd. Als daarin ankergrond te vinden was, zoude toch geen anker kunnen houden; maar er staat een negentig à honderd vadem water, en daarom zou een schip, dat er inkwam, zijn anker liet vallen en het noodige kabeltouw uit liet loopen, slechts één korten ruk gevoelen en daarna weer los zijn, of hield het bij zeldzaam toeval, dan zou de zee, tegenstand gevoelende, op den romp breken en het schip overstelpen. Dit was het ongelukkige lot, dat eene Engelsche oorlogskorvet overkwam, die nadat de commandant met zes man van boord was gegaan, in de rollers geraakte, op het strand sloeg en met man en muis verging. Alleen de commandant en de roeiers bleven behouden. Dit ongelukkige vaartuig ging verloren, niet uit onbekwaamheid of gebrek aan zeemanschap bij bevelhebber of equipage, want beiden waren uitstekend, maar door hunne onbekendheid met deze locale bijzonderheid, welke nergens anders, in die mate althans, wordt aangetroffen. Dicht naar den wal gedreven, vóór het lood grond raakte, liet men op het laatst nog drie zware ankers vallen; doch niets vermocht de kracht der »rollers" te weerstaan, die haar op het strand wierpen, waar zij bij de eerste aanraking middendoor brak, terwijl allen verdronken in het zicht van den hevig ontroerden commandant en zijne sloepsbemanning, die de lijken hunner ongelukkige scheepsmakkers, naar gelang zij door de zee aangespoeld werden, ter aarde bestelden.

Er bestaat nog eene andere vreemde bijzonderheid bij dit eiland: tot een heel eind de zee in, is de strandlijn omgroeid met een plant, waarvan, onder den naam van Fucus maximus, door kapitein Cook reeds melding is gemaakt. Zij groeit op eene diepte van zestig vademen en bereikt in één langen stengel de wateroppervlakte, van waar zij nog drie à vier honderd voet verder komt, met korte takken, die omtrent een voet uit elkander zijn. Zoo groeit dus in den stormachtigen oceaan eene plant, die langer is dan eenig dergelijk voortbrengsel op het vaste land en niet halen kunnen de getah-pertsja, noch waringinboom, waarvan enkele takken benedenwaarts groeien, een eigen wortel verkrijgen en geacht kunnen worden een afzonderlijke stam te zijn. De hierbedoelde zeeplanten bieden weerstand aan de vereenigde krachten van de machtigste elementen; tevergeefs worden zij gebeukt door wind en golven; hunne bladeren mengende op den waterspiegel, tarten zij den orkaan en diens geweldige kracht. De bladen groeien afwisselend verschillende kanten uit; en wanneer de wind de zee in beroering brengt, slaan zij naar elkander toe met een soort van klagend geluid, dat ons dubbel droefgeestig stemde in onzen gedrukten gemoedstoestand en bij de verlatenheid van het eiland. De bladen of spruiten dezer plant zijn zoo sterk en hebben zooveel drijfvermogen, dat geene boot er door kan komen, als zij wat dicht bij elkander gegroeid staan; eens beproefde ik met mijnen voet, wat zij wel dragen konden, en kreeg ik de overtuiging, dat iemand, van sneeuwschoenen gebruik makende, er overheen zou kunnen loopen.

Kapitein Peters noodigde mij vriendelijk uit hem naar den wal te vergezellen. Niet zonder moeite landden wij en wandelden naar de hut van een man, die hier op eigen verlangen achtergelaten was; hij had zijn gezin bij zich en noemde zich, evenals een zeker ander hoog personage op een eiland, dat noordwaarts van hier lag, de »Keizer." Van de Kaap de Goede Hoop had men eene afdeeling Engelsche soldaten gezonden, om deze plaats in bezit te nemen, doch na een kort verblijf had men den post weer ingetrokken.

Zijne tegenwoordige keizerlijke majesteit had tijdens mijn bezoek eene donkerkleurige gemalin en verscheidene lichter bruine prinsen en prinsessen. In alle andere opzichten was hij een echte Robinson Crusoë; hij bezat eenige koeien en varkens; deze laatste zijn sterk op het eiland vermenigvuldigd. Huisgevogelte was er overvloedig, en een groot stuk grond had hij met aardappelen beplant, toenmaals de eenige plaats bezuiden de linie, waar deze vrucht behoorlijk groeide. Het land zelf is rijk en voor groote verbeteringen vatbaar; tal van stroomende beekjes bevorderen er de vruchtbaarheid.

Doch ook op deze afgelegen plek had onrust en oproer zich vertoond; de keizer had slechts één onderdaan, en deze Caliban had zich verstout, in rechtstreeksche schending van een keizerlijk voorschrift.... voor zijn middagmaal een vogel te dooden.

»Opstand," zeide de vertoornde keizer, »is de telg des duivels, en ik ben vast besloten den misdadiger ten voorbeeld te stellen."

Ik werd de bemiddelaar tusschen de twee van meening verschillende partijen en merkte zijne keizerlijke majesteit op, dat wat het stellen van een voorbeeld betrof, eene dergelijke gestrengheid niet veel nuttige uitwerking zou hebben, omdat zijne kinderen nog te jong waren om reeds verdorven te zijn; en te meer nog, daar zijne majesteit zijn bijbel zoo goed kende, zou hij wel weten, dat het hier plicht was om te vergeven. »Bovendien," zeide ik, »komt het mij voor, dat hare majesteit de keizerin nog al gespierde armen heeft en op zijn tijd wel een handje mede zou kunnen helpen om eenige toekomstige handeling van verzet of ongehoorzaamheid te beletten of te bestraffen." Ik vermoed echter, dat het zedelijke wetboek van zijne majesteit van dezelfde uitgaaf als het mijne was en dat de daarin voorkomende bepalingen overeenkomstig de eischen des tijds gewijzigd werden. Het moet bijzonder lastig voor hem geweest zijn dat hij niet onderhandelen kon met zijn eersten minister en zijn' aarts-kanselier, dien hij op straffe des doods naar de andere zijde van het eiland had gebannen. Het vonnis was oorspronkelijk voor den tijd van zes maanden gewezen; maar dank zij mijne tusschenkomst werd de overtreder vergeven en weder in gunst aangenomen. Ik was er niet weinig trotsch op, wanneer ik terugblikte op dit staaltje van mijne macht als bemiddelaar, waardoor ik er waarschijnlijk in geslaagd was een burgeroorlog in zijne geboorte te smoren.

De keizer vertelde mij, dat er aan de oostzijde van het eiland een Amerikaansche walvischvaarder lag, bezig om walrustraan te laden; dat hij aldaar reeds zes weken ten anker lag en nu bijna vol was. Ik verzocht hem mij de plaats aan te wijzen, waar het oorlogsschip vergaan was; hij bracht mij naar de plek, waar nog van de overblijfselen te vinden waren. Op de klippen lagen nog eenige wrakstukken, en niet ver van daar zag men een aardhoop, waarop een geschilderde plank als grafsteen geplaatst was. In ruwe letters en beknopte woorden stond daarop het lot van het schip en het aantal der slachtoffers vermeld; den inhoud van het grafschrift kan ik mij niet meer juist te binnen brengen, doch het hield in hoofdzaak in, dat aldaar het stoffelijk overschot rustte van een honderdtal zeelieden, zooals de Engelsche marine geen betere kon opleveren, en dat zij tot het laatste oogenblik hunnen plicht hadden betracht. Het was een treurig schouwspel, vooral voor een zeevarende, wien mogelijk reeds spoedig een dergelijk lot boven het hoofd kon hangen.

Wij vulden dien dag verscheidene watervaten en kwamen den volgenden dag daarmede geheel gereed. Daarop verzeilden wij naar de oostkust van het eiland, om dicht bij den walvischvaarder te ankeren, waarvan de kapitein ons in zijne boot een bezoek was komen brengen: ik trad met hem in gesprek en werd getroffen door eene opmerking, die hij maakte.