Frank Mildmay, De zeeofficier

Chapter 22

Chapter 223,946 wordsPublic domain

Ik voor mij vond, dat thans de les, die de kapitein te leeren had gekregen voor zijne verraderlijke en moorddadige bedoelingen, genoeg was. Ware ik in ernst van plan geweest den Amerikaan achter te laten, dan zou het gedrag van den armen Mungo mijn besef van plicht weer hebben doen ontwaken. Ik beval Thompson, die de sloep stuurde, het roer aan stuurboord en de boot weer langs zijde van het schip te leggen. Niet zoodra was dit bevel gegeven, of drie of vier van de matrozen sprongen met dreigende gebaren op en zwoeren, dat zij voor dien man niet terug wilden keeren, dat hij de oorzaak was van hunne ellende, en dat, als ik zijn lot verkoos te deelen, dit hun goed was, maar in de boot wilden zij hem niet hebben. Een hunner, woester dan de anderen, beproefde Thompson den helmstok te ontnemen; maar deze trouwe zeeman greep hem in den kraag en slingerde hem met een ruk overboord. De overigen kwamen naar achteren, om deze behandeling van hunnen aanvoerder te wreken; doch ik trok mijn degen, en dezen den naast-bij-zijnden muiteling op de borst zettende, gelastte ik hem, op straffe van onmiddellijk doorstoken te worden, naar zijne doft terug te keeren. Hij had al een en ander van mij gehoord en wist, dat ik in staat was het te doen.

Door bedaarde fermeteit is men een oproermaker spoedig meester. Hij gehoorzaamde, doch met blijkbaren tegenzin, en ik hoorde verscheidene oproerige uitdrukkingen onder het volk. Een hunner zeide, dat ik hun officier niet was en dat ik niet eens op het fregat behoorde.

»Dat," antwoordde ik, »is eene zaak, waarover ik u niet vergun een oordeel te vellen. Ik bezit eene aanstelling van 's konings eersten lord van de Admiraliteit, of althans in zijnen naam onderteekend. Uw commandant, en de mijne tevens, is op dezelfde wijze aangesteld. Op dit gezag berusten mijne handelingen. Kome op, wie dit durft betwisten,--en ik laat hem nog opknoopen aan de ra van het zinkende schip;" en naar den man ziende, die door Thompson overboord was geworpen en zich aan den rand van de boot vasthield, zonder er in te durven komen, vroeg ik hem, of hij voornemens was te gehoorzamen, ja of neen? Hij antwoordde van ja, en hoopte dat ik hem vergiffenis zou schenken. Ik zeide hierop, dat mijne vergiffenis geheel afhankelijk was van het gedrag van hemzelf en de overigen; dat hij niet moest vergeten, dat wanneer wij door ons eigen of eenig ander oorlogsschip werden opgenomen, hij en nog drie of vier der overigen reeds genoeg op hun geweten hadden, om voor muiterij opgehangen te worden; en dat niets dan hunne volkomene gehoorzaamheid voor het vervolge hen bij het bereiken eener haven voor die straf zou kunnen vrijwaren.

Deze toespraak had eene bedarende uitwerking. De schuldigen verzochten allen vergeving en gaven mij de beste verzekeringen voor hunne toekomstige onderdanigheid.

Dit alles gebeurde op korten afstand van het wrak en kon aldaar gehoord worden; en terwijl het gaande was, nam de wind, die frisch gewaaid had toen wij afstaken, langzaam af en kwam uit het zuidwesten zeer flauw naar het zinkende schip toe. Van deze omstandigheid maakte ik gebruik om eene zedepreek te houden. Toen ik hen onderworpen had en een weinig op hun gevoel had weten te werken, zeide ik, dat ik wreedheid nog nooit eenig goeds had zien teweegbrengen; dat, wanneer ergens een schip of eene boot een man had achtergelaten, die gered had kunnen worden, die wreede handeling steeds door allerlei ongelukken en totalen ondergang gevolgd was; dat ik heilig overtuigd was, dat wij het gevaar, waarin wij ons nu bevonden, nooit zouden doorkomen, als wij geen medelijden toonden met onze natuurgenooten. »God," zeide ik, »is ons genadig geweest door ons, in dezen dreigenden nood, een uitmuntende boot te geven voor onze redding en het is alsof Hij nu tot ons zegt: »Ga terug naar het wrak en neem uwen kameraad in het ongeluk op." De wind wijst ons juist daarheen, en is juist tegen de koerslijn in, die wij hadden willen sturen; haasten wij ons dus," vervolgde ik, »aan den Goddelijken wil te gehoorzamen; doet uw plicht en vertrouwt voor het overige op God. Dan zal ik mij trotsch gevoelen om over u het bevel te voeren, dan twijfel ik niet u veilig binnen te brengen."

Dit gaf den doorslag; vlug grepen zij naar de riemen en roeiden met krachtige slagen naar het wrak terug. De arme kapitein, die van alles getuige was geweest, wachtte de uitkomst van mijn pleit voor hem in angstige spanning af. Nauwelijks raakte de boot met zijn steven het schip aan, of hij sprong er in, viel op zijne knieën, en dankte overluid God voor zijne uitredding. Toen viel hij mij om den hals, omhelsde en kuste mij en weende als een kind. Onderwijl sprongen de matrozen, die nooit haatdragend zijn, uit eigen beweging aan boord terug en haalden zijn goed af; en toen Mungo zijnen meester gevolgd was, schudden allen hem de hand en zwoeren, dat hij in Guinea terugkomende, een zwarte prins zou worden. Verder maakten wij van de gelegenheid gebruik om nog een en ander van het schip in de boot over te nemen, wat ons mogelijk nuttig kon zijn en bij het vorige, haastige vertrek over het hoofd was gezien.

Nu staken wij voor goed af; en wij waren nog geen tweehonderd el van het schip, toen dit geweldig ging overhellen, weder recht kwam, om daarop over de andere zijde te hellen; toen, alsof het leefde en gevoel bezat, gaf het een laatsten stamp en ging, met den neus het eerst, in de peillooze diepte naar omlaag. Nauwelijks hadden wij den tijd gehad om dit treffende schouwspel aan te zien, toen de wind weer aanwakkerde uit zijn ouden hoek, het Oosten.

»Ziedaar," zeide ik, »de hemel heeft zich reeds vóór ons verklaard. Daar hebben wij onzen goeden wind terug."

En ons zeil weer geheschen hebbende, zetten wij koers op Kaap St. Thomas en in opgeruimde en dankbare stemming deelden wij ons eenvoudig middagmaal uit.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Het weder was schoon, de zee tamelijk kalm, en daar wij over een voldoenden voorraad levensmiddelen en water konden beschikken, was ons lijden niet groot, daar onze zorg alleen bestond, in vrees voor verandering van den wind en de kennis van onzen onzekeren toestand. Den vijfden dag na ons verlaten van het wrak ontdekten wij op grooten afstand land. Ik wist, dat dit het eiland Trinidad en de rotsen van Martin Vas zijn moesten. Dit eiland, gelegen op 20° Zuiderbreedte en 30° Westerlengte, behoort men niet te verwarren met dat van gelijke benaming op de kust van Terra Firma in de West-Indiën, dat nu eene Engelsche bezitting is.

Bij het raadplegen van Horsburgh, [2] dien ik bij mij in de boot had, bevond ik, dat het eiland vóór ons vroeger door Portugeezen bewoond geweest, maar sedert lang verlaten was. Den geheelen nacht door bleef ik er op aan sturen, tot wij duidelijk de branding tegen de rotsen konden hooren, toen stak ik bij den wind op aan de loefzijde van het land, op deze wijze het aanbreken van den dag afwachtende.

Het daglicht bescheen een steile, ruwgevormde, grauwe kust, met hooge en scherp gepunte rotsen, die uittartend nederzagen op de onbevredigbare en woeste golven, welke aanhoudend aan hunne voeten braken en daarna weer terugrolden om dergelijke slagen tot in het oneindige te herhalen. Eeuw in eeuw uit waren zij dus aan het werk geweest, eeuw in eeuw uit zouden zij alzoo voortgaan, zonder eenige, voor het menschelijk oog waarneembare, schade te veroorzaken. Op dat deel der kust, dat wij nu voor ons zagen, was landen eene onmogelijkheid, en daarom zeilden wij den wal langs in de hoop ergens een inham te vinden, waar wij met onze boot binnen konden komen, om haar daar vast te leggen. Het eiland scheen ongeveer negen mijlen lang, was blijkbaar van vulkanischen oorsprong en eene verzameling van rotsige hoogten, die zeven honderd voeten boven de oppervlakte der zee uitstaken. Het was kaal, behalve op de toppen der heuvels, waar enkele boomen eene kroon vormden, die prachtig en frisch scheen, maar het oog tergde, daar zij onbereikbaar was. Zelfs in geval ik eene landingsplaats gevonden had, betwijfel ik of ik er wel gebruik van zou gemaakt hebben, daar het eiland niets scheen voort te brengen, wat voor ons eenige waarde had, terwijl elk oponthoud noodeloos onzen levensvoorraad zou doen verminderen. Er was nergens een levend wezen te bespeuren, en om zóó nabij te komen, dat wij eene landingsplaats zouden kunnen onderscheiden, was hoogst gevaarlijk.

Dit zeer eenvoudige vooruitzicht gaf mij aanleiding tot de overweging om onze reis tot Rio Janeiro te vervolgen. Doch mijn volk was van eene andere meening. Zij vonden, dat zij lang genoeg achtereen, stijf op elkaar, op het water hadden doorgebracht, en gaven de voorkeur aan een verblijf op het eiland boven het langer wagen van hun leven in zoo'n zwakke boot op den wijden Oceaan. Nog waren wij aan het beraadslagen, toen wij langs een smalle zandstrook kwamen, waarop wij twee wilde varkens zagen loopen, die klaarblijkelijk bezig waren om zich met schaaldieren te voeden; dit besliste de zaak geheel en al, en ik stemde toe om onder de lij van het eiland langs te loopen en aan dien kant naar eene landingsplaats uit te zien. Volgens aanwijzing van Horsburgh liepen wij de Westpunt om, zoekende naar de bocht bij de Kegel-rots. Toen deze zich voor ons opende, was het een onbeschrijfelijk schoon gezicht, dat misschien nergens ter wereld zijne weergade vindt. Een enorme rots verhief zich bijna loodrecht uit de zee, tot een hoogte van negen honderd of duizend voet. Zij had aan de basis nagenoeg dezelfde afmetingen als aan den top en kwam in vorm volkomen overeen met eenen kegel; vandaar haren naam. De zijden waren glad, tot boven toe, de top was met groen bedekt en was zoo ver ons verwijderd, dat de zeevogels, die er bij duizenden omheen vlogen, reeds op twee derden van den afstand nauwelijks zichtbaar waren. Hevig werd de voet der rots door de zee gebeukt--sedert eeuwen waren de vogels in eindelooze verscheidenheid de ongestoorde bewoners van dit natuurlijke gedenkteeken geweest: elke eenigszins ruwe of uitstekende punt was met guano bedekt, en het scheen mij eene wonderbaarlijke speling der natuur toe, welke deze massa geplaatst had in den stand, dien zij behield, in weerwil van de uiterste krachtinspanning van den wind en de golven van den grooten Oceaan.

Een ander vreemd verschijnsel deed zich voor aan den anderen kant van de baai. Hier was de lava naar zee gestroomd en had aldaar eene laag gevormd; een tweede stroom van gesmolten rots was over de eerste heengegaan, doch zoo snel afgekoeld, dat geene vereeniging meer kon plaats vinden en de tusschengelegen ruimte met water volliep. Met geweld stoof telkens de zee tusschen de twee lagen door en spatte prachtig, door allerlei openingen, die zich in de bovenste bevonden, tot eene hoogte van soms wel zestig voet op, als waren het de waterstralen van eene school walvisschen, maar met een geluid en eene kracht, die oneindig grooter waren. Het geraas was in werkelijkheid vreeselijk, hol en ontzagwekkend. Ik kon niet nalaten om zwijgend dit tooneel te bewonderen, en mijn hart gevoelde zich klein bij het bedenken van mijne eigene onbeduidendheid, dwaasheid en verdorvenheid.

Terwijl wij nu voortgingen de kust te houden, op den uitkijk naar onze landingsplaats, klaar om het zeil te strijken, scheen de Amerikaansche kapitein, die naast den man aan het roer zat, aandachtig op een punt te staren aan bakboordszijde buiten de boot. Eensklaps riep hij: »Bakboord het roer, kerel, bakboord, aan boord!" Deze woorden deed hij samengaan met een duw aan den helmstok, welke den ander bijna overboord deed slaan. Te gelijk lichtte eene hooge zee de boot op, en eenige ellen rechts voorbij eene puntige rots, die gelijk met de waterlijn kwam en onze aandacht ontgaan was, en waarvan het bestaan slechts door den Amerikaanschen kapitein vermoed was (omdat op sommige dergelijke steenen de zee slechts zeer zeldzaam breekt). Hierop zouden wij stellig en zeker verbrijzeld zijn, als het gevaar niet gezien en vermeden was geworden door de vlugge en handige overlegging van het roer; een oogenblik later, en een voet dichter bij, en reddeloos zouden wij weg geweest zijn.

»Genadige Hemel!" riep ik uit, »wat heeft het lot toch met mij voor? Hoe kan ik dankbaar genoeg zijn voor zooveel goedheid!" Ik dankte den Amerikaan voor zijn opletten en vertelde mijnen manschappen, hoeveel zij hem verschuldigd waren en hoe hij thans ruim terugbetaald had, wat hij ons verplicht was voor zijne redding van het wrak.

»Ach, luitenant!" zeide de arme man, »het is maar een kleine wederdienst, dien ik bewees voor de goedheid, mij door u betoond."

Het water was nu weer zeer diep, daar de rotsen steil opliepen; daarom streken wij het zeil, legden de riemen toe en roeiden nader, om een goed plekje te vinden. Diep de baai in ontdekten wij het wrak van een schip, dat op het droge zat. Het was middendoor gebroken en scheen gekoperd te zijn. Dit vermeerderde het verlangen mijner matrozen om aan land te komen; wij kwamen met de boot nader-bij, doch bevonden, dat deze stukgeslagen zou worden, als wij er den wal mede oploopen wilden. Onze jonker stelde voor, dat een onzer naar het strand zou zwemmen en dan van eene of andere hoogte af een plaatsje zou uitzoeken en aanwijzen, waar de boot in kon komen. Dit keurde ik goed, en de kwartiermeester ontkleedde zich voor zoover noodig. Ik bond hem eene loodlijn onder de armen vast, zoodat wij hem daaraan zouden kunnen terughalen, in geval hij uitgeput mocht raken. Met het grootste gemak ging hij door het eerste gedeelte van de branding, doch in de brekers gekomen, kon hij niet verder; wanneer hij voor een oogenblik den grond met zijne voeten raakte, werd hij door de terugloopende zee, of wat de matrozen noemden den onderstroom, met groote vaart achterwaarts geworpen, tot hij weer in den laatsten roller terechtkwam.

Driemaal werd het door den onversaagden man beproefd, steeds met denzelfden uitslag. Ten laatste zagen wij hem zinken en hadden veel moeite hem aan de lijn nog levend in de boot terug te trekken. Thans stelde de adelborst voor om het zelf te beproeven, zonder de lijn, omdat deze den eersten zwemmer zeer in zijne bewegingen belemmerd had; dit was werkelijk het geval geweest, doch ik wilde hem niet aan dit gevaar blootstellen, en wij bleven nu langs den wal doorroeien, tot wij aan een rots kwamen, waarop de branding bijzonder hoog stond, en die wij bij gevolg niet te na kwamen. Wij ontdekten, dat deze rots vroeger aan het eiland moest vastgezeten hebben en op eene of andere wijze daarvan losgeraakt was; daarachter zagen wij, tot onze groote vreugde, kalm water; wij roeiden binnen, en het kostte ons thans weinig moeite om te landen. Na de boot voor dreg gelegd en twee man voor de bewaking er in gelaten te hebben, ging ik met de overigen op het onderzoeken van den omtrek uit. Natuurlijk werd het eerst onze aandacht bepaald bij het wrak, waar wij langs waren gekomen, en na een kwartier lang geklauterd te hebben over allerlei vormelooze, hoekige, losse steenen of rotsblokken, die van de naaste hoogte afgebroken waren en over het strand verspreid lagen, bereikten wij die plaats.

Het wrak was dat van een mooien, gekoperden schoener, van omtrent honderdentachtig tonnen inhoud. Met geweldige kracht was hij op den wal gesmeten, en zat daar eenige ellen boven hoogwaterpeil. De masten en rondhouten, zoomede een groot deel der lading lagen in alle richtingen over het naaste strand verspreid. Deze laatste bestond uit snuisterijen, aardewerk en muziekinstrumenten, violen, klarinetten, fluiten enz. Enkele overblijfsels van boeken, die ik vond en opraapte, bleken Fransche romans te zijn. Dicht bij het wrak, op eene kleine verhevenheid, vonden wij een viertal hutten, zeer ruw samengesteld uit aangespoelde planken van het scheepje; iets verder, zagen wij eenige graven naast elkander, ieder door een kruis aangewezen. Ik onderzocht de hutten, die ruwe overblijfsels van menschelijke bewoning bevatten: een paar banken en tafels, hoogst eenvoudig bekapt en in elkaar geslagen, beenderen van geiten en wilde varkens met de sporen van uitgebrand vuur. Niets echter konden wij te weten komen van den naam van schip of eigenaar, noch waren er namen op de begraafplaats vermeld, of eenig teeken of nummer op den spiegel van het scheepje geverfd of ingesneden, waaruit wij iets hadden kunnen opmaken.

Dit met opzet verbergen van alles wat inlichting zou geven, gaf ons bij nadenken nu juist volkomen aan wat wij verlangden te weten: de haven van vertrek, de bestemming en den aard der lading. Daar de schoener op de zuidwestzijde van het eiland zat, met den kop om de noord-oost, was hij buiten twijfel op weg van Rio Janeiro naar de kust van Afrika, gedurende den nacht, verongelukt. Dat hij voornemens was eene lading slaven te halen, was even zeker, niet alleen om de prullen, die hij nu aan boord had, maar ook om de inwendige verdeeling van het vaartuig en het groot aantal hand- en voetboeien, die wij overal zagen liggen, en die wij wisten, dat alleen gebezigd worden voor het vatten en in bedwang houden van de ongelukkige slachtoffers van dezen handel.

Wij bleven in de hutten overnachten en verdeelden ons met het aanbreken van den morgen in drie partijen, ten einde in verschillende richtingen het eiland te gaan doorzoeken. Reeds eerder heb ik medegedeeld, dat wij wel in het bezit van geweren waren, doch geen kruit hadden; de kans om eenige geiten of varkens, waarvan het eiland wemelde, te schieten, was dus zeer gering. Eene partij zocht een weg om naar het hoogste punt van het eiland te komen; eene andere trok westwaarts de kust langs, terwijl ikzelf met twee anderen oostwaarts ging. Met veel moeite kwamen wij over verscheidene ravijnen heen, tot wij eene lange vlakte bereikten, die het eiland scheen middendoor te deelen.

Hier werd onze aandacht getrokken door een wonderlijk en bedroevend verschijnsel. In het dal stonden duizenden boomen, van gemiddeld dertig voet hoogte; maar zij waren alle dood, en elke stam strekte zijne bladerlooze takken naar eene andere uit--het was een woud der verlatenheid, alsof de natuur op een gegeven oogenblik daaraan de groeikracht had onthouden! Noch lage struiken, noch gras vond men er. Op de laagste, doode takken hadden tal van zeevogels hunne nesten gebouwd. Zij waren bijzonder mak en schenen den mensch zoo weinig gewend te zijn, dat de wijfjes, die op de eieren zaten te broeden, alleen dreigend hunne bekken omhoog staken, toen wij voorbijgingen.

Zich rekenschap te geven van de gelijktijdige verwoesting in dit uitgestrekte bosch was niet gemakkelijk, daar er volstrekt geene vette aardlaag ontbrak, om de wortels te voeden. Het kwam mij het meest waarschijnlijk voor, dat er in eens een aanhoudende stroom van zwaveldampen uit een krater was neergedaald; of anders dat met een ongewoon hevige storm het zeewater in groote massa den wal opgejaagd had en er veel zout bij de wortels was achtergebleven. Aan welke dezer beide oorzaken de schuld moest gegeven worden, laat ik ter beslissing aan den natuurkundige.

Voor ons was het althans een troost te ervaren, dat wij geen gebrek aan voedsel zouden krijgen, daar de vogelnesten ons ruim van eieren en jongen van verschillenden leeftijd konden voorzien; met een goeden voorraad daarvan keerden wij naar ons punt van uitgang terug.

De troep, die westwaarts getrokken was, meldde, dat zij vele varkens gezien hadden, doch geene kans zagen er een van te vangen; en zij die beproefd hadden, het hoogste punt te beklimmen, kwamen zeer vermoeid terug, terwijl een hunner vermist werd. Zij verklaarden den top van den berg bereikt te hebben; aldaar hadden zij eene groote vlakte ontdekt, omzoomd met varens van twaalf tot achttien voet hoogte. Ook hadden zij op die vlakte eene kudde geiten gezien, en daaronder een bok van bijzondere grootte, die de leider wel scheen; hij was wel zoo groot als een hit. Ook hier waren alle pogingen mislukt om er een te vatten. De matroos, die nu vermist werd, had de geiten verder vervolgd dan de overigen. Een tijdlang hadden zij op zijn terugkeer gewacht, doch hem niet weer ziende opdagen, meenden zij, dat hij wel een anderen weg naar de baai gevonden zou hebben. Dit verhaal stond mij niets aan; vreezende, dat den armen man een of ander ernstig ongeluk overkomen was, hielden wij gedurende den nacht, dien wij even als den vorigen in de hutten doorbrachten, de wacht en een goed vuur brandende. Van de wrakstukken hadden wij ruimen voorraad brandhout, en langs ons kleine dorp stroomde een beekje van helder water.

Den volgenden morgen werd een troep uitgezonden om den vermiste te gaan zoeken, en eenige anderen gingen er op uit om jonge vogels voor ons middagmaal te vangen. De laatsten brachten daarvan een voorraad mede, voldoende voor twee of drie dagen; maar van de drie man, die hun verloren makker zouden zoeken, keerden er slechts twee bij ons weder. Zij verklaarden niets gevonden te hebben, maar dat hun derde man zeker het onderzoek nog voortgezet had, want zij waren hem kwijtgeraakt.

Dit nieuws maakte ons weder zeer angstig en gaf aanleiding tot allerlei nieuwe onderstellingen, waarvan er eene de meeste aanhangers vond, namelijk dat er verscheurend gedierte op het eiland zou zijn, waarvan onze arme vrienden de prooi waren geworden. Ik besloot nu den volgenden morgen, zelf er op uit te gaan en een paar vertrouwde matrozen met mij te nemen. Ik heb verzuimd mede te deelen, dat wij bij het verlaten van het zinkende schip ook een aan boord zijnden poedel hadden medegenomen, ten eerste omdat ik niet over mij kon verkrijgen het arme beest te laten verdrinken, en ten tweede omdat wij in geval van nood, het dier nog voor ons zouden kunnen slachten. Hiertoe hadden wij het recht, en wel overeenkomstig het spreekwoord: »Dat het hemd nader is dan de rok."

Deze trouwe hond had zich bijzonder gehecht aan mij, die hem zijn dagelijksch voedsel gaf. Nooit liet hij mij alleen en volgde niemand anders; en ook op dezen tocht was hij mijn compagnon.

Wij bereikten den top van den eersten berg, van waar wij de geiten zagen grazen op de vlakte, werwaarts wij ons nu ook wilden begeven, tot opsporing onzer vermiste makkers. Ik was mijne manschappen eenige passen vooruit, en kort vóór mij liep de hond langs een afgescheurd rotsblok, naast een afgrond. Het vak, dat ik oversteken moest, was ongeveer zes of zeven voet wijd, en tien of twaalf lang, met eene zoo flauwe glooiing naar het ravijn toe, dat ik mij volkomen veilig achtte. Een kleine waterstroom druppelde van de rots, die daar boven was, en viel, zich in het mos en de kruipplanten verliezende, over den afgrond naar beneden in een ontzettende diepte.

Deze weg scheen volstrekt niet gevaarlijk, vergeleken bij andere gedeelten, die wij reeds voorbij waren, en juist zou ik er den voet op zetten, toen mijn hond vóór mij op de noodlottige plek sprong: ik zag de pooten uitglippen,--hij viel en verdween in de diepte! Ik vloog terug, hoorde een zwaren plof en een kort gehuil; daarop volgde nog een zachte kreet, en toen bleef alles stil. Met de grootste behoedzaamheid en op den buik voortkruipende, naderde ik nu den rand van het ravijn, alwaar ik opmerkte, dat het waterstroompje oorzaak was dat er eene dunne laag mos groeide, zóó dicht in een en zacht als fluweel, maar zóó glibberig dat de lichtste voetstap er onmogelijk op kon staande blijven; dit verklaarde het plotseling verdwijnen, en zooals ik nu wel denken moest, de onvermijdelijke dood van mijn hond.