Chapter 21
Het pressen en het groot gebrek, dat er bestond aan officieren bij het uitbreken van den oorlog, hadden hem in de gelegenheid gesteld om luitenant ter zee te worden; door den admiraal in zijn zwak aan te tasten, maakte hij bevordering, door de admiraliteit plat te loopen en op zijne lange dienstjaren te wijzen, gelukte het hem het bevel over een brik te krijgen. De dienst werd zeer benadeeld door mannen, die vóór de mast waren opgeleid, onder den état-major op te nemen; daardoor verkreeg men tweeërlei soort van officieren in de marine,--namelijk die van goede afkomst en familie, die daardoor eene goede opvoeding hadden genoten, en die, welke om zoo te zeggen door de kluisgaten aan boord waren gestapt. De eersten waren in hunne jeugd door gunstbetoon zoover gekomen en leerden nooit behoorlijk hunne plichten kennen, de laatsten bewezen, op weinige uitzonderingen na, naarmate zij in rang verhoogd werden, hunne ongeschiktheid voor hunnen stand door gebrek aan opvoeding. Beide deze verkeerdheden zijn thans weggenomen; en daar alle jongelieden, om in dienst te komen, een geregelde opleiding moeten hebben en dus van een fatsoenlijke afkomst zijn, is er eene scheidsmuur gevormd, die tot eenen zekeren graad gunstbetoon buitensluit, maar zeker de toelating verhindert van menschen van het gehalte van overste G----.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Zoodra de brik de haven van Nassau uitzeilde, zeilde ik mijn bed uit, en zoodra hij vrij van de havenhoofden was en zijne bramzeilen heesch, zette ik mijn hoed op en wandelde de deur uit. De officieren van het regiment, dat ter plaatse in garnizoen lag, waren zoo beleefd mij uit te noodigen aan hunne tafel deel te nemen, en de kolonel was nog bovendien zoo voorkomend, om mij goede vertrekken in het kampement aan te bieden. Zoodra het mij mogelijk was, verhuisde ik daarheen. Zeer spoedig kwam ik weer op krachten en was ik in staat aan de tafel te zitten met de vijfendertig meestal jonge officieren, die een vrolijk leven leidden, zonder zorgen voor den dag van morgen, en zich voor het overige de wereldsche zaken weinig aantrokken.
Ofschoon ik lang niet onverschillig was voor de genoegens, die eene goede tafel aanbiedt, ging ik niet in alle opzichten mede in de zeer losbandige levenswijze mijner dischgenooten. Ik had eene betere opvoeding genoten dan het meerendeel der officieren en sloot mij, op grond van onze geestverwantschap, uitsluitend aan bij een zekeren Charles, een jeugdig luitenant van het garnizoen. Onze vriendschap nam door de nadere kennismaking toe en werd inniger, naarmate wij reden vonden om ons te ergeren aan de dwaasheden en verregaande onwetendheid der anderen. Gewoonlijk brachten wij onze morgens te zamen door met het lezen der classieken, het declameeren van Latijnsche verzen, afgewisseld met schermen of biljartspelen. Wanneer de hitte van den dag voorbij was, wandelden wij, legden bezoeken af bij de inwoners of doorzochten het eiland; ons streven daarbij was, zoover mogelijk de barakken te mijden en het aldaar wonende personeel, wier wijze van zich te vermaken zoo weinig in onzen smaak viel. Gewoonlijk toch begon voor de officieren de dag eerst tegen het middaguur, met een ontbijt; na hieraan gezamenlijk te hebben deelgenomen, zocht elk zijn kwartier weer op om de laatste romans te lezen, die in massa uit Engeland en Frankrijk werden uitgezonden en doorgaans van eene slechte strekking waren. Met deze lectuur zoo lui mogelijk achterover liggende, of daarbij indommelende, wisten zij het warmste deel van den dag door te brengen; het overige gedeelte, totdat de bel voor het middagmaal luidde, werd klein gekregen met bij elkaar in te loopen en onbeduidende buurpraatjes te maken, of een ritje te paard om den noodigen eetlust op te doen. Tot vier uren in den morgen was het aanhoudend rooken en drinken; nooit werd het bed opgezocht, vóór men heel of half beschonken was; de parade, te negen uren des morgens, verplichtte hen op te staan met een brandend hoofd en eene dikke tong; zóó sprongen zij in zee, om door het verfrisschende bad wakker te worden, dat hen althans zoover bracht, dat zij zich voor het front van den troep konden overeind houden; na afloop van dit stuk gedwongen dienst zochten zij het bed weer op, om uit te slapen tot aan het ontbijt toe, op het middaguur.
Zóó gingen onder hen de dagen voorbij. Is het nog te verwonderen, dat deze eilanden voor een Europeesch gestel noodlottig zijn, waar het klimaat elke buitensporigheid, die begaan wordt, steeds bestraft? De mindere manschappen volgden al te spoedig het voorbeeld, hun door de officieren gegeven, en ook onder hen heerschte eene evenredig groote sterfte; tot den geregelden morgendienst behoorde het delven van graven voor de slachtoffers, welke dien nacht waren opgeëischt. De zorgelooze onverschilligheid bij de officieren was zoo groot, dat de nadering, ja zelfs de zekerheid van den dood, hen niet eens tot ernstig nadenken opwekte.
Steeds was ik des morgens vroeg op, eene gewoonte waaraan ik stellig mijne goede gezondheid te danken had. Een tropische ochtend, wanneer de lucht nog zoo aangenaam koel is, lokte mij altijd naar de marktplaats, waar de groote verscheidenheid van koopers en verkoopers al even belangwekkend was als de keur van prachtige vruchten en groenten die er sierlijk was uitgestald.
De Babylonische spraakverwarring zou in het niet zijn verzonken bij het drukke gepraat en getwist op eene West-Indische markt. Men zag er zwarte vrouwen luid en zonder ophouden kakelen (want die dames zijn daarin volstrekt niet achterlijk bij hunne blanke zusters); hun stemgeluid vermengde zich met het geschreeuw van kinderen, parkieten en apen; overal krioelde het van zwarte jongens en meisjes, met vroolijke, levendige gezichten, ivoor witte tanden, sterk sprekende oogen en roode lippen. De koopsters daarentegen trof men er van alle nuances van kleur aan, van bruin, door geel tot bleek wit toe, allen de duidelijke bewijsstukken der vermenging van het Kaukasische met het Ethiopische ras, ten gevolge waarvan zich misschien de slechtste karaktertrekken, doch zeker ook de lichamelijke bekoorlijkheden der beide, zoo uiteenloopende rassen in deze vrouwen vereenigden.
Het buitengewoon genotvolle baden is in deze streken volstrekt niet zonder gevaar. Op de zandbanken heeft men den steek te duchten van een soort van rog, die op het midden van den staart een scherpen haak heeft, en eene zoo ernstige wonde geeft, dat ik het heb bijgewoond dat iemand daarvan bijna twee dagen lang hevig ijlende was. In dieper water zijn de haaien niet alleen zeer talrijk, doch ook zeer vraatzuchtig; soms ging ik met een klein bootje op de jacht dezer monsters, gewapend met een harpoen en tot lokaas een groot stuk vleesch, aan eene lijn achteraan slepende. Eens echter had ik eene meer ernstige ontmoeting met een dezer ondieren.
Op eenen schoonen achtermiddag zwierf ik in gezelschap van Charles over de rotsen en klippen aan den buitenkant van het eiland, en kwamen wij aan eene plek waar het stille en helder doorschijnende water ons tot baden verlokte. De diepte was onbeduidend. Als wij op de vooruitstekende punt stonden, konden wij overal den bodem zien. Onder den kleinen uithoek, die de overzijde van den inham vormde, was eene grot, die, daar de rots zeer steil opliep, alleen zwemmende kon bereikt worden, en deze werd nu ons doel. Spoedig kwamen wij aan den ingang, waar wij verrukt werden door de woeste schoonheid van dit natuurtafereel. De grot liep met verschillende inhammen diep het land in; elke dieper liggende kleine baai was eene badgelegenheid, weder koeler dan de vorige. Dit lokte ons dieper en dieper. Het bleek, dat het tij geregeld in en uitliep en het water elke twaalf uren ververschte. Zeer onvoorzichtig waagden wij ons zoo ver mogelijk, vonden eene rustplaats en haalden, aldaar neergevlijd, op van de op deze omgeving toepasselijke vertellingen van Acis en Galathea en van Diana en hare nimfen.
Eindelijk waarschuwde de ter kimme nijgende zon ons, dat het tijd werd aan den terugtocht te denken, toen wij op betrekkelijk korten afstand de rugvin boven water zagen van een monsterachtig grooten haai, wiens lichaam in het heldere vocht zich duidelijk liet waarnemen. Beurtelings zagen wij met ontsteltenis elkander en het beest aan en hoopten, dat hij spoedig ruim baan voor ons maken zou en liever een andere prooi mocht gaan zoeken; maar de onverlaat zwom voor de grot op en neer als een fregat, dat eene vijandelijke haven blokkeert, en wij kregen een zoo eng gevoel over ons, zooals ik veronderstel dat in den laatsten oorlog door de Franschen en Hollanders ondervonden werd in Brest en in Tessel.
De schildwacht bleef trouw op zijn post en scheen op een onzer, misschien op ons beiden, te wachten om ons met hetzelfde gemak te verslinden, waarmede wij dit een garnaal of oester zouden doen. Het was echter ons voornemen niet, ons op zijne genade of ongenade te verlaten. Tevergeefs zagen wij voor eenige hulp om ons heen; de rots boven ons was onbeklimbaar, het water rees en de zon raakte bijna aan den gezichteinder.
Als aanvoerder beweerde ik de natuurlijke historie van den visch eenigszins te kennen en deelde mijnen kameraad mede, dat de haaien een zeer scherp gehoor hadden en het daarom zaak was, ons zoo stil mogelijk te houden; en daarbij hoe eerder wij ons wegmaakten, hoe beter het zou zijn, want spoedig zou het water voldoende gerezen wezen, dat het onder in de grot kon komen, waarvan de localiteit hem stellig niet vreemd was. Daar er slechts een weg voor onzen aftocht bestond, waren onze kansen om te ontkomen, al zeer min. Nog ging er naar onze gedachten een geruime tijd voorbij, vóór wij de gelegenheid om te ontsnappen eenigszins schoon zagen: onze onverbiddelijke bewaker was niet van zijn post af te krijgen. De tijd viel ons lang, zwaar drukte ons de angst; wij waren als ter dood veroordeelden, die, tenzij er spoedige verlossing kwam, gevaar liepen hunne eigene executie, binnenskamers, bij te wonen. Eindelijk kwam er een oogenblik, dat wij de rugvin niet meer zagen; toen gaf ik Charles het teeken dat wij coute que coute uitzwemmen moesten. Wij drukten elkaar stilzwijgend de hand en lieten ons weer in het water glijden; toen ons in de gunst der Voorzienigheid aanbevelende, sloegen wij haastig voorwaarts. Ik moet bekennen, dat ik nog nooit zoo het gevaar inzag als ditmaal, zelfs niet toen ik zwom in het bloedbad van dien armen matroos, dien ik had willen redden; toen hadden de haaien ten minste iets wat hun bezighield, nu had het beest volstrekt geene afleiding en hadden wij het voorrecht van zijne onverdeelde aandacht.
Mijn gevoel is onmogelijk weer te geven. Ik mag nu al luchthartig vertellen of schrijven van hetgeen toen voorviel, maar toch, als ik er nogmaals aan terugdenk, overvalt mij eene huivering over ons toenmalig vooruitzicht. Mijn kameraad was niet zoo'n volleerd zwemmer als ik, zoodat hij eenige voeten achter mij aankwam, toen ik hem een zwakken kreet hoorden slaken. Vreezende, dat de haai hem gepakt had, keerde ik om, doch zag gelukkig, dat dit het geval niet was; hij was alleen bang geworden, doordien hij zoo achter geraakte en daarom wilde hij mij toeroepen. Ik bleef nu dichter bij, hield hem op en bemoedigde hem. Zonder deze hulp ware hij stellig gezonken; nu herkreeg hij zijne krachten, en veilig bereikten wij het strand, ten spijt van onzen vijand, dien wij op eene wonderbaarlijke wijze hadden verschalkt. Het scheen dat hij door ons stilzwijgen in de grot bijtijds afgetrokken was.
Toen wij eens op het droge waren, bleven wij eenige minuten ademloos liggen. Hoe mijn metgezel er over dacht, vertelde hij niet: maar ik gevoelde een innige dankbaarheid en hernieuwde mijne geloften tot beterschap: ik heb alle reden om aan te nemen dat Charles, die zeker niet zooveel op zijn geweten had als ik, wel met gelijksoortige gedachten vervuld was. Nooit herhaalden wij later een zoo gevaarlijk amusement, ofschoon wij dikwijls nog over onze uitredding spraken en over onzen angst lachten; doch een dergelijk gesprek stemde ons altijd ernstig; en in 't geheel genomen was het avontuur ons heilzaam.
Na een verblijf van zes maanden op deze eilanden, was mijn gezondheid weer volkomen hersteld, en begon ik naar bezigheid te verlangen. Het schitterend geluk van onzen schout-bij-nacht te Washington, deed mij verlangen naar een aandeel in de eer en roem, die mijne wapenbroeders op de kust van Noord-Amerika verwierven; doch het noodlot had anders voor mij beslist.
Een der fregatten bezocht het eiland om schildpadden in te nemen; en toen ik mijne omstandigheden aan den commandant had verteld, bood hij mij logies aan boord aan, mij te gelijk mededeelende, dat hij zuidwaarts ging om eenen anderen kruiser te vervangen, die dan naar Engeland zou terugkeeren, van welke gelegenheid om mede te gaan, ik ongetwijfeld zou kunnen gebruik maken. Ik maakte mij dus tot een spoedig vertrek gereed, nam afscheid van mijne goedhartige vrienden in het kampement en van de vele familiën op het eiland, waar aan huis ik de meeste gastvrijheid had ondervonden.
Wij vertrokken; met matige koelte en schoon weder namen wij binnen eenige dagen een groot Amerikaansch schip, dat, in de hoop onze kruisers mis te loopen, langs een grooten omweg van de Fransche kust kwam; het was vierhonderd ton groot, diep en kostbaar geladen en bestemd naar Laguayra. De commandant ontbood mij bij zich, en vroeg of ik, als prijsmeester, het schip naar Engeland wilde overbrengen. Dit voorstel bekoorde mij, en ik stemde toe, onder voorwaarde dat ik een bootsmansmaat, Thomson genaamd, mede zoude krijgen; dit was een oud scheepsgezel van mij, samen hadden wij bij de geschiedenis van Rochefort in de giek gezeten; hij was een flinke, stevige, kalme, gespierde Schot, van Aberdeen afkomstig, en een man, op wien ik in tijd van nood volkomen staat zou kunnen maken. Hij werd aangewezen, om met mij mede te gaan, en de noodige voorraad eetwaren en drank werd nog overgescheept. Ik ontving mijne zeilorders en nam afscheid van mijnen nieuwen commandant, dien ik in dien korten tijd als een goed zeeman en bekwaam officier had leeren hoogschatten.
Toen ik op den prijs aan boord stapte, vond ik de gansche bemanning druk in de weer met het inpakken van hun goed en viel het mij op, dat zij zoo'n bijzonderen voortgang maakten met het inladen daarvan in de sloep, die hen als gevangenen naar het fregat zou overbrengen. Zoodra hun vergund was daarin te stappen, deden zij dit met een overhaasting, die mij later eerst verklaarbaar werd. Mijne lastgeving hield in den kapitein en een der matrozen aan boord te houden, ten behoeve der prijsverklaring voor het admiraliteitshof.
In de drukte, die mij het spoedig voortzetten der reis gaf, had ik dit gedeelte van mijne orders over het hoofd gezien en verzuimde ik de sloep weg te zenden, tot de jonge adelborst, die er inzat, mij vroeg of hij met de gevangenen kon afsteken. Ik kwam daarop aan dek, en ze allen met hunne kisten en kooien in de sloep ziende zitten, viel het mij te binnen, dat de kapitein blijven moest, en liet ik dus hem en een van zijn volk met hunne kleederen terugkomen. Met blijkbaren tegenzin werd aan dien last, door den adelborst nog eens herhaald, voldaan; het goed werd hun nagemand op dek, en toen het sein van het fregat, daar het reeds donker was bestaande in eene van den gaffel geheschen lantaarn, herhaald werd, stak men haastig af en zag ik weldra niets meer van hen.
»Houd de sloep aan!--In 's hemels naam, houd de sloep aan!" riep de kapitein.
»Waarvoor zou ik de sloep aanhouden?" vroeg ik. »Mijne bevelen zijn duidelijk; gij moet bij mij blijven."
Daarop ging ik een paar minuten naar omlaag en werd door den kapitein gevolgd.
»Als gij uw leven lief hebt, mijnheer," zeide hij, »laat dan de sloep terugkomen."
»Waarom toch?" vroeg ik dringend.
»Omdat, sir," zeide hij, »het schip door het volk lek is gemaakt, en binnen weinige uren zal zinken: gij kunt het niet voorkomen, want het kan onmogelijk gestopt worden."
Thans zag ik duidelijk in, hoe noodig het was om eene sloep bij ons te hebben; maar nu was het te laat, de onze was buiten bereik. De lantaren, die gediend had tot sein om haar terug te roepen, was neer, ten bewijze dat zij aan boord was aangekomen. Ik heesch twee lichten aan den bezaanstop en gaf bevel een geweer af te schieten; maar ongelukkig waren er met de sloep, die mij overgevoerd had, geene patronen medegegaan, of wel men had die bij vergissing weer teruggevoerd. Een van de lichten woei uit en het andere werd door het fregat niet opgemerkt. Wij heschen een ander licht, doch ook dit trok de aandacht niet: blijkbaar was het fregat reeds verre. Wij zeilden zoo snel mogelijk er achter aan, in de hoop nog gedurende den nacht gezien te worden, of althans, indien wij den volgenden morgen nog drijvende waren, opgevischt te zullen worden.
Maar mijn schip, dat reeds diep geladen was, begon hoe langer hoe meer water te maken en liep daardoor niet meer dan eene vier-mijls vaart. Alle hoop, het fregat in te halen, vervloog dus. Toen trachtte ik van den kapitein te weten te komen, waar zich de lekken bevonden, opdat wij die nog zouden kunnen stoppen; maar hij had zich zoozeer aan den drank te buiten gegaan, dat er niets dan onsamenhangende woorden uit hem te krijgen waren. Toen werd de arme zwarte, die te zamen met den kapitein aangehouden was, in verhoor genomen. Wij vernamen daarop alleen, dat, toen het schip te Bordeaux lag, de kapitein zoo laag mogelijk in den bodem, gaten had laten boren, zoodat hij op een gegeven oogenblik de stoppen er uit kon trekken, daarbij een duren eed doende, dat het nooit een Engelsche haven zou binnenloopen. Hij wist de juiste plaats van de lekken niet, schoon het voor mij nu duidelijk was, dat zij zoowel in het achter- als in het voorschip waren, zeer laag en nu reeds diep onder water, zoo van binnen als van buiten. De zwarte voegde er bij, dat de kapitein zelf het water had ingelaten, maar meer wist hij niet.
Nogmaals beproefde ik den kapitein tot de eene of andere handeling in ons belang aan te sporen, maar hij was veel te ver weg, om hem iets aan 't verstand te kunnen brengen; hij had zich in het vooruitzicht van den dood bedronken, omdat hij vreesde nuchter de eeuwigheid in te gaan, iets waar zeer veel zeelieden wat tegen schijnen te hebben.
»Och loop rondom; verd....! wie zit er in de knoei om dood te gaan? Ik niet. Ik heb gezworen, dat hij nooit eene Britsche haven zou binnenloopen, en dat zal hij nu wel niet doen."
Toen begon hij te vloeken en te razen en viel op het laatst stomdronken op dek neer.
Daarop riep ik al mijne manschappen bijeen, en nadat ik hun het hachelijke van onzen toestand had blootgelegd, oordeelden wij dat het noodig was met den meesten spoed de groote boot, die nog op het dek stond, uit te zetten en voor eene reis van eenigen duur van alles te voorzien. Onze kleeren, hard brood, gezouten vleesch en drinkwater werden er in gestuwd, en ik verzuimde niet mijn sextant en kijker er in te doen leggen. Den sterken drank, die in de kajuit was, vertrouwde ik toe aan de zorg van den adelborst, die met mij medegekomen was; geheel gereed en voorzien van haar emmerzeil, maakten wij de boot aan twee zware sleepers vast en lieten haar achteraan zakken, met vier man er in, terwijl wij nog steeds in het vermoedelijk vaarwater van het fregat, tot het aanbreken van den dag, bleven doorzeilen.
Die lang gewenschte tijd brak aan, maar er was, zelfs van top, geen fregat meer te zien. Ons schip zakte dieper en dieper, en wij maakten ons gereed om in de boot te gaan. Ik berekende, dat de naaste kust van Zuid-Amerika zevenhonderd Engelsche mijlen van ons af was, en dat wij nog ééns zoover van Rio Janeiro waren verwijderd. Ik liet daarom geenszins den moed zakken, want betrekkelijk waren wij voor alle omstandigheden, die zich konden voordoen, vrij wel gewapend; en mijn moed wist ik aan mijne manschappen zoo volkomen mede te deelen, dat zij vol vertrouwen in mij stelden en mij in alles met de grootste gewilligheid en voortvarendheid gehoorzaamden, behalve op een enkel punt.
Naar alle waarschijnlijkheid zou het schip het niet langer dan hoogstens nog twee uren drijvende kunnen houden; ik besloot daarom tot het verlaten over te gaan en liet de boot langs zijde ophalen. De bemanning ging er in, zette den mast op, haakte de ra van het emmerzeil in, op mijn bevel wachtende om dit op te hijschen; en zonder dat ik daaromtrent orders had gegeven, hadden zij mijn mantel op de hoekplaats achterin gemakkelijk voor mij uitgespreid. Ook de kapitein wilde zich in de sloep laten afzakken, maar de matrozen weerden hem terug met slagen en stompen en uitjouwingen, heftig zwerende, dat hij overboord zou geworpen worden, indien hij het waagde om er in te komen. Ofschoon ik, in zeker opzicht, hunne verbittering deelen moest, kon ik het toch niet over mij verkrijgen een medeschepsel op zoodanige wijze aan zijn vreeselijk noodlot over te laten, zelfs al werd dit zóó het graf dat hij voor anderen gedolven had.
»Hij verdient te sterven; het is alles zijn werk," riepen zij. »Mijnheer! komt uzelf in de boot, of wij zouden zonder u moeten afsteken."
De arme kapitein,--die in de vier uren slaap, die hij genomen had, weer tot bezinning was gekomen en thans al het afgrijselijke van zijnen toestand besefte,--weende, jammerde, trok zich de haren uit het hoofd en klemde zich aan mij vast, zoodat hij met geweld moest losgescheurd worden. Hij hechtte aan het leven met eene kracht, die ik nooit bij een ter dood veroordeelden misdadiger zoo aangetroffen heb; hij knielde voor mij neder en beriep zich bij allen te zamen, en dan weer bij ieder afzonderlijk, op hunne betere gevoelens; hij bad ons te denken om zijne te Baltimore wonende vrouw en ongelukkige kinderen, zooals wij wel om de onzen zouden denken.
Ik was tot tranen toe bewogen; maar mijne manschappen hoorden hem met onverstoorbare onverschilligheid aan. Twee hunner duwden hem naar het andere boord toe; en vóór hij van den smak, dien hij maakte, bekomen was, drongen zij mij in de boot en staken daarmede af. De ongelukkige was intusschen weer aan onze zijde van het schip gekropen, en op zijne knieën in den valreep liggende, weeklaagde hij: »O, hulp, medelijden, genade!--Om Gods wil, hebt medelijden met mij, zooals gij dit zelf verwacht!--O God! mijne vrouw en kindertjes!"
Het spijt mij te moeten verklaren, dat zijne smeekingen geen indruk maakten op de verbitterde matrozen. Toen verviel hij in vloeken en verwenschingen, klaarblijkelijk van zijne zinnen beroofd; en in dien toestand bleef hij eenigen tijd, terwijl de boot nog op zijde lag, alleen door den voorsten man met den haak vastgehouden. Heimelijk had ik mij voorgenomen hem niet aan zijn lot over te laten, ofschoon ik voorzag, dat dit in de boot een oproer zou teweegbrengen. Ten laatste gaf ik bevel om af te zetten. De rampzalige kapitein, die tot op dat oogenblik nog eenige zwakke hoop kon overgehouden hebben, op grond van het stille medelijden, dat hij begreep dat ik voor hem gevoelde, gaf zich nu aan de vreeselijkste wanhoop over. Hij ging in den valreep zitten en staarde ons met doffe oogen na. Nooit zag ik treffender schouwspel van menschelijke ellende.
Terwijl ik naar hem keek, sprong de zwarte, die tot het schip behoord had, Mungo geheeten, uit de boot te water en zwom naar het zinkende vaartuig terug. Een eind touw grijpende, dat buiten boord te water hing, klom hij daarmede op en ging naar zijnen ouden meester toe. Wij riepen hem toe terug te keeren, daar hij anders ook achtergelaten zou worden.
»Neen, massa," riep het trouwe schepsel terug, »ik wil niet weg: niet nemen master Green, niet nemen mij! Mungo veel jaren samen met massa kaptein; Mungo sterven met massa, en terug naar Guinea!"