Frank Mildmay, De zeeofficier

Chapter 19

Chapter 194,071 wordsPublic domain

Mijne benoeming werd toen voorgelezen, met alle hoeden af tot eerbewijs aan den Vorst, in wiens naam het geschiedde. Toen ik hiermede volkomen geïnstalleerd werd, was ik de tweede luitenant van het vaartuig, en de commandant, die zich niet verwaardigde mij een woord toe te spreken of met een blik te vereeren, beval zijne giek klaar te maken, om naar den wal te gaan. Ik was door hem aan niemand der officieren voorgesteld, wat hij beleefdheidshalve had dienen te doen. Dit verzuim werd echter door den eersten officier goedgemaakt, die mij verzocht met hem naar de longroom te gaan, om kennis te maken met mijne nieuwe kameraden. Wij lieten den tijger, het dek op en neer stappende, achter.

De eerste officier was van gemiddelde lengte, juist goed voor eene brik, mager en ongeveer veertig jaren oud; hij had slechts één oog, maar dat was even vreemd als die van den commandant. Er sprak echter, in tegenstelling met die van laatstgenoemden, zeer veel geest uit, en wanneer hij er mede knipte, wat hij telkens deed, dan sprak het als 't ware mede. Nooit zag ik drie zulke oogen in twee zulke hoofden. Een eigenaardige glimlach deed het gelaat van den eersten officier betrekken, toen ik hem vertelde, dat de commandant verlangd had, dat ik aan boord zou komen om geïnstalleerd te worden en dat ik daarna een paar dagen voor mijzelf kon krijgen, om mij voor de zeereis voor te bereiden.

»Nu," zeide hij, »het is het beste, dat ge nu nog naar hem toegaat en het hem vraagt; maar ik denk, dat gij een vreemd antwoord zult krijgen."

Ik ging dus naar hem toe: »Hebt u er iets tegen, dat ik naar den wal ga, mijnheer?"

»Naar den wal, mijnheer!" schreeuwde hij. »En wie duivel zal voor den dienst opkomen, als gij naar den wal gaat? Naar den wal? Ik wenschte wel, dat er geen wal bestond en de duivel elk haalde, die niet zwemmen kon! Neen, mijnheer, gij zijt genoeg aan den wal geweest. De dienst gaat naar de maan, mijnheer! Een paar knapen met den rang van luitenant, vóór zij nog uit de kinderkamer behoorden te komen! Neen mijnheer, blijf aan boord, of verd.... ik zal u klein krijgen als eene eierschil, vóór de glans van die mooie nieuwe epaulet af is! Neen, neen, G... d... geen katten hier, of zij moeten muizen vangen. Gij blijft aan boord en doet uwen dienst; iedereen doet hier zijn dienst: en laat mij voor den dit en dat eens zien, wie daarin kort komt!"

Gedeeltelijk was ik op deze verhevene aanspraak voorbereid; doch mijn brein was ruim genoeg om tevens eene groote hoeveelheid verwondering te kunnen bevatten over deze plotselinge weersverandering. Ik antwoordde, dat hij mij gisteren verlof beloofd had, en dat ik op grond van die belofte het grootste gedeelte van mijn goed aan den wal had laten staan en daardoor zóó niet naar zee zou kunnen.

»Zoo beloofde ik u verlof? Dat is wel mogelijk; maar dat was alleen om u aan boord te krijgen. Ik ken die streken van jelui jongelieden: eens aan den wal, zijt ge er niet meer vandaan te krijgen. Neen, neen, dat is maar malligheid. Als ik je losliet, zou ik je in geen drie dagen weerzien! Nu ik je heb, houd ik je, voor den d....!"

Ik herhaalde mijn verzoek om naar den wal te gaan; maar, zonder zich te vermoeien met mij verdere bezwaren daartegen op te geven, antwoordde hij:

»Gij kunt naar de w....l... loopen, sir! En onthoud voorts, dat ik nooit tegenspraak kan dulden. Met het meeste genoegen van de wereld verplicht ik mijne officieren in al wat redelijk is, maar ik verwacht nooit een antwoord."

Ik dacht bij mijzelven: »Ongetwijfeld zou Domitianus u admiraal en uwen bootsman kapitein op zijne vloot hebben gemaakt!"

Met deze overdenking liep ik een paar malen het dek op en neer, overwegende wat ik nu doen zou, wetende dat ik hier voor de hoogste macht stond, toen de officier, dien ik vervangen had, de achtertrap opkwam en, eerbiedig den commandant groetende, hem vergunning vroeg om van boord te gaan.

»Gij kunt naar de hel gaan, mijnheer!" zeide de commandant (die niet met ruwe taal ophad); »gij zijt het zout niet waard, dat gij eet; en hoe eerder gij weg zijt, des te schooner zal het schip er om wezen! Sta mij niet zoo aan te gapen, als een os over het slaghek! Ga omlaag, pak uw boeltje in, of ik zal er een handje bij helpen!" Te gelijk lichtte hij den voet op, alsof hij daarmede een schop wilde geven.

De jonge officier, een zacht, fatsoenlijk mensch deed wat hem bevolen was. Ik stond werkelijk verstomd: tot nog toe had ik steeds met beschaafde menschen gevaren. Ik had dikwijls genoeg van allerlei soort van commandanten gehoord, van strenge, van kleingeestige, van ruwe; maar deze overtrof al mijn begrip en verreweg wat ik dacht, dat ooit door een flink officier zou geduld worden. Zeer verontwaardigd en vast besloten mij niet op die wijze te laten behandelen, ging ik nogmaals naar hem toe en verzocht vergunning om naar wal te gaan.

»Ik heb u daarop reeds antwoord gegeven, mijnheer."

»Ja, dat hebt gij ook, commandant," zeide ik, »en dat wel in eene taal, zooals ik nog nooit op het halfdek van een van Zr. Ms. schepen heb hooren spreken. Ik kwam hier aan boord als officier en als gentleman, en verlang als zoodanig behandeld te worden."

»Muiterij!" brulde de commandant. »Al zooveel praats in uwen nieuwen rang, nog vóórdat de inkt droog is!"'

»Zooals gij wilt, sir," antwoordde ik; »maar ik zal een brief aan den haven-admiraal schrijven en daarin, onder mededeeling der omstandigheden, verlof aanvragen; dat schrijven zal ik u geven, met verzoek tot doorzending."

»Ik zal verd.... zijn, als ik dat doe!" zeide hij.

»Dan, mijnheer," zeide ik hierop, »wanneer door u in tegenwoordigheid der overige officieren de doorzending geweigerd wordt, zal de brief buiten u omgaan."

Mijn laatste gezegde maakte den noodigen indruk; hij wist niet veel te antwoorden, en ging in zichzelf mompelende de kajuitstrap af.

Nu kwam de eerste officier op mij toe en wenschte mij geluk met de behaalde overwinning. »Gij hebt den beer volkomen gemuilband," zeide hij; »lang heb ik naar zoo'n helper uitgezien, als gij zijt; Wilson, die nu weggaat, is een dood-goede, beste jongen, dapper als een leeuw tegenover den vijand,--maar voor dezen vleeschelijken duivel zit hij er in."

Ons gesprek werd gestoord door eene boodschap van den commandant, dat hij mij in de kajuit wenschte te spreken. Ik ging omlaag en werd daar ontvangen met den vriendelijken glimlach onzer eerste ontmoeting.

»Mijnheer Mildmay," zeide hij, »ik ben altijd een weinig barsch tegen mijne officieren, wanneer zij pas aan boord komen" (en ook als zij van boord weggaan, dacht ik), »niet alleen om hen te toonen, dat ik kapitein ben op mijn eigen schip, maar ook als voorbeeld voor het volk, dat als het ziet, dat de officieren ondergeschikt zijn, eerder met zijn lot tevreden is en beter gehoorzaamt; maar, zooals ik u reeds te voren gezegd heb, het comfort mijner officieren is mijne eerste zorg: gij kunt naar den wal gaan en hebt vierentwintig uren verlof om uwe zaken te regelen."

Ik vond het onnoodig hierop nog te antwoorden en verliet met eene buiging de kajuit. Voor dien man gevoelde ik zulk eene diepe minachting, dat ik bang was te spreken en daarbij mijzelf te vergeten.

Kort daarop ging de commandant van boord en deelde den eersten officier mede, dat ik vergunning had om naar den wal te gaan. Ik had nu nadere gelegenheid om met mijn makkers in het ongeluk kennis te maken; niets toch brengt de menschen spoediger tot elkaar dan gemeenschap van lijden. Mijn verzet tegen de onbeschoftheid van onzen gezamenlijken kwelgeest droeg de algemeene goedkeuring weg; tallooze staaltjes van zijne tirannie werden mij verteld, hoe hij een schande voor den dienst was, hoe betreurenswaardig het was, dat aan hem het bevel over zoo'n mooi vaartuig was toevertrouwd. Wij kwamen overeen dat, zoo hij ergens had moeten commandeeren, het dan op een boevenschip moest wezen. De verhalen, die ik hoorde, waren bijna niet te gelooven, en het was alleen te danken geweest aan de al te zeer gegronde vrees, dat een officier zijnen commandant voor den krijgsraad dagende, daarvan voor zijne verdere carrière zeer schadelijke gevolgen ondervindt, dat hij tot nu toe daarvan zoo vrij had kunnen loopen; geen officier had het ooit langer dan drie weken in het schip kunnen uithouden, en zij maakten er allen werk van om er af te komen.

In mijn verslag van hetgeen op dit vaartuig voorviel gedurende den tijd, dat ik er op diende, moet ik, ter rechtvaardiging van alle in de marine dienende commandeerende officieren, er bijvoegen, dat het hier een op zichzelf staand geval gold; zulk eene persoonlijkheid als de overste G---- werd reeds toen ter tijd hoogst zeldzaam in den zeedienst aangetroffen en zal later nog minder voorkomen. De eerste officier vond, dat ik zeer verstandig gedaan had, mij zoo dadelijk al te verzetten tegen dergelijke onbehoorlijke machtsuitoefening en vertelde, dat hij zoowel een tiran en een schreeuwer als een lafaard was en in 't vervolg wel omzichtig zou zijn in de wijze om mij aan te pakken. »Maar wees op uwe hoede," zeide hij; »vergeven doet hij het u nooit, en juist dan, als hij zich het aangenaamste voordoet, heeft hij het meeste kwaad in den zin. Hij zal u in slaap sussen, en het minste dat hij vat op u heeft, maakt hij er eene krijgsraadzaak van. Ik zou nu maar aan wal gaan en daar uwe zaken afdoen, om zoo mogelijk nog vóór het verstrijken van uw verlof terug te wezen. Die vergunning hebt gij alleen te danken aan uwe bedreiging met den haven-admiraal. Gij zijt er hem volstrekt geen dank voor schuldig; als hij gedurfd had, zou hij u aan boord hebben gehouden. Zoolang ik hier geplaatst ben, heb ik geen voet van het schip gezet, en er is geen enkele dag gepasseerd zonder ten minste eene scène als gij van morgen hebt bijgewoond. En toch," vervolgde hij, »als het niet was om zijne wreedheid tegenover het volk, dan zou hij de aardigste leugenaar zijn, dien ik ooit gehoord heb. Dikwijls ben ik meer geneigd om te lachen, dan om boos op hem te zijn. In zekeren zin is hij altijd luimig. Zelfs zijn kwaadaardigheid is koddig, en mochten wij soms niet van hem af kunnen komen, dan zullen wij er ons maar op moeten toeleggen hem zoo goed mogelijk te verdragen."

Ik ging naar den wal, pakte mijne kleederen en andere zaken die ik noodig had, bijeen en was den volgenden morgen vóór acht uren weer aan boord terug.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Toen de commandant te voorschijn kwam, was hij in de meest beminnelijke stemming. Nauwelijks zag hij mij, of hij zeide: »Zóó mag ik het zien; kom nooit over uw tijd, zelfs geen vijf minuten. Nu ik zien kan, dat gij vertrouwen verdient, kunt gij, zoodra gij wilt, weer van boord gaan."

Dit gezegde zou goed en wel geweest zijn voor iemand van vóór den mast; maar tot een officier gericht, vond ik het aanmatigend en onfatsoenlijk.

De hofmeester had in de longroom het ontbijt klaargezet, bestaande in biefstuk en gebraden zwezeriken met gebakken uien; en de geur daarvan steeg door den koekoek naar boven en streelde het reukorgaan van onzen commandant. Aan vriendschappelijke praatjes geen gebrek; hij leunde op de kap en zeide, naar beneden ziende:

»Het ziet er daar lang niet slecht uit, omlaag!" De wenk werd begrepen en de eerste officier noodigde hem uit om mede te doen.

»Och zou ik het doen; ik heb niet veel trek."

Zoo zeggende was hij in een oogwenk de trap af, daar hij vreesde, dat de lekkerste beetjes weg zouden zijn, vóór hij aan den slag kwam. Wij volgden hem, en zoodra hij gezeten was, zeide hij:

»Ik vertrouw, mijne heeren, dat dit niet de laatste keer is, dat ik in de longroom zal zitten en dat ook gij van uwen kant mijne kajuit als uwe eigene zult willen beschouwen. Ik maak het mijne officieren gaarne naar den zin; niets is aangenamer dan een schip, waar eene goede geest heerscht, en waar ieder matroos en jongen gereed is om voor zijne officieren de hel in te gaan. Dat noem ik goede kameraadschap,--geven en nemen. Ziet elkaars gebreken door de vingers, en het zal iedereen leed doen, als de tijd van scheiden daar is. Ik vrees echter, dat ik niet lang bij u zal zijn; want ofschoon ik bijzonder op de brik gesteld ben, hebben de hertog van N---- en lord George ---- den eersten lord een afgedrieduiveld standje gemaakt, dat ik niet eerder bevorderd ben; en, onder ons gezegd en gebleven,--mijne bevordering wacht mij te Barbados.

De eerste officier knipoogde; maar dit ging niet zoo spoedig in zijn werk, of de commandant had er een glimp van opgevangen, vóór het weer middenin, op de biefstuk en uien gericht was. Maar het ging zonder opmerking voorbij.

»Een prachtig stukje vleesch, dit! Mag ik u even lastig vallen om de saus en wat mosterd. Wij zullen eens een pretje hebben, als wij in zee zijn; maar wij moeten eerst het blauwe water hebben; dan is het rustiger met de bezigheden. Van biefstuk bakken gesproken,--toen ik in Egypte was, plachten wij onzen biefstuk op de rotsen te bakken: geen kwestie van vuur, de thermometer op 200°, heet als de hel! Ik heb eens vier duizend man te gelijk voor het heele leger, zooveel als twintig à dertig duizend pond vleesch zien braden, alles siste en knapperde te gelijk: juist op het middaguur, dat spreekt vanzelf, en geen vonkje vuur! Enkele van de soldaten, die voor glasblazer te Leith waren grootgebracht, zwoeren dat zij nog nooit zoo'n hitte hadden bijgewoond. Ik ging gewoonlijk eens onder de lij staan, om mijn neus te goed te doen en aan Oud-Engeland te denken! O, dat is toch maar je landje, waar iedereen mag zeggen en denken wat hij wil!--Maar dit soort werk kon niet lang duren, dat begrijpt ge; zij braadden zich allemaal, binnen drie of vier weken, de oogen uit het hoofd! Ik had ziek te bed gelegen, want ik behoorde tot het 72ste regiment, zeventien honderd man sterk (ik had een partij matrozen bij mij); maar de oogziekte maakte zulke verwoestingen, dat het heele regiment, de kolonel niet uitgezonderd, stekeblind werd, op één korporaal na! Gij moogt vreemd opkijken, heeren, maar het is echt waar. Nu, die korporaal was goed af; het was zijn dienst het gansche regiment naar het drinkwater te geleiden: hij ging voorop, en twee of drie hielden aan weerskanten de slippen van zijn mouwvest vast; dezen werden weer door even zooveel anderen vastgehouden, en zoo marcheerden zij achter elkaar aan, om aan de bron hunnen dorst te gaan lesschen. Zoo liet deze korporaal zijn regiment drinken, als een staljongen zijne paarden, in eene marschorde uitgespreid als de staart van een pauw."

»Waarvan de korporaal het lichaam was," viel de dokter hem in de rede.

De commandant keek een beetje strak.

»Vondt u het warm in dat land?" vroeg de dokter.

»Warm!" riep de commandant uit. »Ik zal u wat zeggen, dokter: als gij gaat, waar gij zoo menigen patiënt hebt heengezonden, en om die reden zeker zelf belanden zult, dan hoop ik voor u en voor uw beroep in het algemeen, dat gij het er niet zoo heet hebben zult, als wij het in Egypte vonden. Hoe vindt gij het, dat negentien van mijn manschappen gedood zijn, doordien een bundel lichtstralen op de pannen van de blinkende geweren der schildwachten viel en het kruit deed ontvlammen? Ik commandeerde bij Acre eene mortier-batterij en ik poederde de Franschen, altijd als zij achter hun middagmaal zaten, met een regen van granaten; maar wat denkt ge dat de beesten er op 't laatst op uitgevonden hadden? Zij dresseerden een hoop poedelhonden om op de granaten te passen, die neervielen, dan er op toe te vliegen en met hunne tanden de brandende lont er uit te trekken. Hebt gij ooit van zoo iets gehoord? Hierdoor redden zij honderden manschappen en verloren slechts een half dozijn honden,--het is een feit, waarachtig; vraag het maar aan sir Sidney Smith; die zal het u net precies zóó vertellen, en een bl.......... boel er bij."

De stroom zijner welbespraaktheid werd alleen geëvenaard door zijne vlugheid van vinding en zijn kauwvermogen; want zoolang dit onderhoudende monodrama duurde, deden zijne tanden druk dienst als de zuigerstang op eene stoomboot; en daar hij zoowel onze commandant als onze gast was, genoot hij het leeuwenaandeel van ons maal.

»Maar, iets anders, Soudings," zeide hij zich gemeenzaam wendende tot den master, die nog pas kort aan boord was, »laat eens zien wat gij in het voorruim hebt gestuwd. Gij weet, ik ben een waterdrinker; geef mij maar van dien zuiveren kost, en ik ben door een kind te leiden. Zelden zal ik sterken drank nemen, als het water goed is." Zoo zeggende, schonk hij zich een glas vol en hield het onder den neus. »Het stinkt! Zeg master, zijt gij er zeker van, dat de sponsen op de vaten zitten? De katten zijn er bij geweest. Hierin moet voorzien worden." En de helft van het water weggegooid hebbende, vulde hij het glas met rum aan. Toen proefde hij weer, zeggende: »Kom, juffrouw poes, dat zal u in allen gevalle onschadelijk maken."--Het water was inderdaad onberispelijk.

Hij wachtte een oogenblik, terwijl hij het glas voor de oogen hield, en toen ging het naar binnen, geene andere uitwerking hebbende dan een diepen zucht. »Komaan, dat is goed bedacht: wij willen geen katten meer in het schip hebben (behalve natuurlijk die (de cat), welke de verdorven menschelijke aard voor den bootsman onmisbaar maakt). Mr. Skysail wees zoo goed en zorg daar eens voor. Zij moeten allen overboord."

Zijn hoed opvattende, stond hij van tafel op, en op weg naar boven, zeide hij: »Bij nader inzien is het toch maar beter om de katten niet overboord te gooien; de zeilen hebben een dwaas bijgeloof ten opzichte van die beesten,--het is verd.... ongelukkig. Neen, laat ze maar levend in een broodzak doen en met de ververschingssloep naar den wal brengen."

Mij herinnerende, dat het afgesproken diner met mijne vrienden vandaag moest plaats hebben, en indachtig aan de toezegging van den commandant, dat ik aan den wal kon gaan, wanneer ik wilde, meende ik dat het voldoende was om te zeggen, dat ik ging,--om daardoor de noodige beleefdheid tegen mijnen meerdere in acht te nemen. Met eene bescheiden zekerheid ging ik daarom naar hem toe en gaf hem kennis van mijne afspraak en mijn voornemen.

»Op mijne eer, sir," riep hij hard uit, de armen in de zijde zettende en mij vierkant in 't gezicht ziende, »gij houdt er geen klein beetje assurantie op na; nauwelijks aan boord of gij vraagt om weer naar den wal te gaan en te gelijk hebt gij de onbeschaamdheid mij, terwijl gij weet, dat ik die ondeugd zoo verfoei, mede te deelen, dat gij voornemens zijt met eene partij uwe promotie te vieren, dus beestachtig dronken te worden en anderen even slecht te maken als gijzelf zijt. Neen, mijnheer; ik wil hebben, dat gij eens vooral weet dat ik, als kapitein van mijn schip en zoolang ik de eer zal hebben dat te commandeeren, de magister morum ben."

»Ik was juist op weg om daarop te komen, commandant," zeide ik, »toen u mij in de rede vielt. Wetende hoe moeielijk het is om jongelui bedaard te houden, zonder de tegenwoordigheid van iemand, voor wien zij respect gevoelen en tegen wien zij als een voorbeeld opzien, was het mijn plan u te vragen om ons met uw gezelschap te vereeren. Niets, zou volgens mijn inzien, zoo zeker elke neiging tot onbehoorlijke uitspatting tegengaan!"

»Wel, daar spreekt gij als een kind dat ikzelf groot gebracht heb," antwoordde overste G----; »ik had niet gedacht, dat gij zoo verstandig waart. Het is verre van mij af om iets tegen gepaste vroolijkheid te hebben. Een mensch is altijd een mensch; geef hem alleen het strikt noodzakelijke voor zijn bestaan, en hij staat gelijk met een hond. Een beetje pret bij zoo'n gelegenheid is niet alleen billijk, maar zelfs aan te bevelen. De gezondheid van een goeden koning als de onze,--God zegene hem!--behoort altijd met een glas goeden wijn gedronken te worden, en daar gij zegt, dat het een uitgezocht gezelschap is, en de aanleiding: het vieren van uwe benoeming, zoo zal ik geen bezwaar hebben te komen en mede te doen; maar denk er om, niet zwaar drinken--alles in den vorm--en ik zal niet alleen mijn best doen, om de jonge heethoofden bedaard te houden, maar tevens naar mijn beste vermogen tot de vroolijkheid van den avond bij te dragen."

Ik dankte hem voor zijne welwillendheid. Hij gaf toen eenige orders aan Skysail, den eersten officier, en verzoekende om voor hem de giek te doen gereedmaken, bood hij mij aan, met hem naar den wal te gaan.

Dit was inderdaad een gunstbetoon, dat nog nooit aan boord aan een der officieren was bewezen, en iedereen kwam dan ook boven, om het te zien. De eerste officier knipoogde, alsof hij daarmede zeggen wilde: »Dat loopt te hard van stal,--dat kan nooit duren." Hoe het zij, wij roeiden met de giek weg, naar den wal toe. Daar de stroom de haven uitliep, passeerden wij rakelings de ton van de Boyne.

»O, hoe goed herinner ik mij dat oude schip! Ik was er adelborst op, toen het in de lucht vloog. Ik was met de seinen belast en juist bezig om het noodsein aan te slaan, toen ik opvloog. Hemel en hel! ik dacht, dat ik nooit weer beneden zou komen."

»Zoo, commandant!" zeide ik, »ik heb altijd gedacht, dat er op dat oogenblik niemand aan boord was."

»Niemand aan boord!" herhaalde de overste, mij met opgetrokken bovenlip aanziende. »Hoe komt gij daaraan?"

»Ik heb het gehoord van een commandant, onder wien ik in Amerika gediend heb."

»Zeg dan aan dien ouden commandant van je, met mijne groeten, dat hij er niets van weet. Niemand aan boord! Wel, verd.... mijnheer, de bak stond vol menschen, als schapen op een hoop gedrongen, en allen tegen mij om hulp schreeuwende. Ik riep ze toe, dat zij naar de hel konden gaan,--en juist op dat moment gingen wij zoo stellig als iets. Ik werd bewusteloos opgepikt, zooals ik later vernam, ergens in Stokesbaai, en naar het Haslar-hospitaal vervoerd, waar ik drie maanden voor zoo goed als dood gehouden werd--en er geen woord bij mij uitkwam. Eindelijk werd ik beter; en het eerste, wat ik deed, was eene sloep te nemen, naar de plaats van de ramp te varen, het voorruim van mijn oude schip in te duiken en achter naar de broodkamer te zwemmen."

»En wat zaagt gij daar, commandant?"

»O, niets dan hoopen menschelijke geraamten en overvloed van wijtings, die hen tusschen de ribben door zwommen. Ik bracht mijn oud quadrant mede uit de stuurboordsdekhut, waar ik bezig was het schoon te maken, toen het alarmsein gegeven werd. Ik vond het op tafel liggen op dezelfde plaats, waar ik het achterliet. Ik zal nooit vergeten wat een d.....schen bons wij tegen de oude Queen Charlotte gaven met onze bakboordsbatterij; zij kreeg elk schot binnen en de stukken waren met dubbel schroot geladen. Wat bl..... ik geloof, dat wij minstens honderd man buiten gevecht stelden."

»Wel, overste," zeide ik, »ik heb altijd gemeend, dat zij bij die gelegenheid maar twee man verloor."

»Wie heeft u dat nu weer wijsgemaakt?" zeide overste G..... »Zeker uw oude commandant?"

»Ja, overste," zeide ik; »hij was er adelborst aan boord."

»Hij kan opd...." zeide de commandant; »ik weet zeker, dat er drie barkasladingen met lijken uitgehaald zijn en naar het hospitaal gebracht, om begraven te worden."

Daar de giek intusschen de landingsplaats bereikte, kreeg deze volleerde leugenaar tijd om adem te scheppen; werkelijk begon ik ongerust te worden, dat hij zijn voorraad leugens vóór het diner zou uitgeput hebben, zoodat er aan het dessert niets meer zou zijn. Toen wij uitstapten, ging hij naar zijn oude kwartier in de Star and Garter, en ik naar de George. Bij het scheiden herinnerde ik hem, dat zes uren het klokje was.

»Maak u niet bezorgd," zeide hij.