Frank Mildmay, De zeeofficier

Chapter 18

Chapter 183,956 wordsPublic domain

Zeker was er een zeer groot verschil tusschen dit examen en het mijne; doch toen het eenmaal over was, verheugde ik mij juist over de gestrengheid, die ik ondervonden had. Mijne eerzucht was gestreeld door de zege mijner bekwaamheden; en toen ik mij het zweet van het voorhoofd had afgewischt, verhaalde ik mijne moeielijkheden, mijne beproevingen en den gunstigen uitslag op een toon van zelfbehagen, die mij van een ander als onuitstaanbare ijdelheid zou geklonken hebben. Het grootste voordeel van mijn lang examen, dat anderhalf uur geduurd had, trokken de overige adelborsten, die daardoor slechts weinig vragen kregen. De commissie was van haar werk vermoeid; en dus waren het alleen de arme ongeluksvogels, die de eerste kracht van haren vroegtijdigen morgenijver gevoeld hadden, die de lijdende partij waren, en onder de »gezakten" waren meer bekende knappe jongens dan onder degenen, die er met vlag en wimpel doorgerold waren.

Eene bijzonderheid verschafte mij veel genoegen. Toen de kolonels op dek kwamen, riep »Zuursponsje" mij bij zich en vroeg, of ik ook familie was van Mr.---- Ik vertelde, dat dit mijn oom was.

»Wel, mijnheer! dat is mijn beste vriend. Waarom hebt ge niet gezegd, dat gij zijn neef waart?"

Ik antwoordde met nagebootste nederigheid, die zeer na geparenteerd was aan onbeschaamdheid, dat ik niet aan zijn gezicht had kunnen zien, dat hij mijn oom kende, maar dat, als ik het geweten had, ik te kiesch zou zijn geweest er bij deze gelegenheid melding van te maken; daar het òf gebrek aan vertrouwen in mijne eigene kennis zou verraden hebben, òf den schijn zou gegeven hebben, dat hij door die mededeeling verzocht werd, mij eenigszins genadig te behandelen, wat veel van eene beleediging zou gehad hebben.

»Dat is allemaal mooi, en allemaal waar," zeide de oude heer, »maar als gij eerst eens wat ouder zijt en wat meer van den dienst hebt gezien, dan zult gij minstens evenveel op uwe vrienden, als op uwe verdiensten rekenen; en maak daar staat op, dat gij er te beter bij varen zoudt, als ge bewijzen kondt een broers kind van den ouden kater aan de Admiraliteit te zijn. Maar enfin, alles is nu voorbij en afgeloopen; maar breng mijne groeten aan uwen oom over en zeg hem, dat gij uw examen op eene alleszins bevredigende wijze hebt afgelegd."

Dit zeggende, groette hij de wacht, die in het geweer stond, en ging den valreep af naar de giek, die hem wachtte. Toen hij de trap afsteeg, mompelde ik in mijzelven: »De duivel hale uw apengezicht, koffiekleurige, kleine krates! Het is uwe schuld niet, dat ik er door ben. Ik houd het er voor, dat uw vader broeken-lapper was van den bottelier van den eersten lord (van de Admiraliteit), of misschien waart gij zoogbroeder van een anderen toekomstigen lord, en daaraan hebt gij het commandement te danken van de ----."

Verrukt over den gunstigen uitslag van dezen dag, sprong ik dien avond in den postwagen en bereikte spoedig daarop mijns vaders huis. De ontvangst aldaar was zeer hartelijk; doch de dood had gedurende mijn afzijn groote offers van mijne familie geëischt. Mijn oudste broeder en twee mijner zusters waren achtereenvolgens gestorven, en mijn vader bezat nu nog slechts eene jongere zuster en mijzelven. Ik moet bekennen dat mijn vader mij zeer getroffen ontving; zijne bittere droefheid over het verlies zijner kinderen, de gevaren die ik had doorstaan, de stellige bewijzen van mijn goed gedrag, die hem onder de oogen waren gekomen, dat alles bracht er toe bij hem al mijne dwalingen te doen vergeten; en hij scheen, en was in werkelijkheid, meer dan vroeger met mij ingenomen en trotsch op mij.

Ik wil geene pogingen doen mijne eigene gevoelens bij deze gelegenheid te verbergen. Zeker was ik bedroefd over den dood mijner naaste verwanten, maar het bericht daarvan had ik ontvangen te midden van de afleiding van eenen zeer drukken dienst. De dood was voor mij niets buitengewoons; en destijds maakte mijn verlies op mij een zoo geringen indruk, dat ik niet eens den draad van mijn verhaal heb afgebroken om er toen melding van te maken. In werkelijken zin was ik verhard geraakt door mijne omgeving en mijne levenswijze. Het fijne gevoel was bij mij verstompt door de ruwe school der ondervinding, die ik doorloopen had. In het verlies van mijn ouderen broeder troostte ik mij gemakkelijk. Mijne ouders hadden hem steeds voorgetrokken en mij aanleiding gegeven hem vaak te benijden. Thomas was altijd een geschikte, brave jongen geweest, ik daarentegen een rumoerige wildzang. Groote sympathie had er tusschen ons nooit bestaan.

Mijn beide zusters had ik eigenlijk slechts zeer weinig gekend. Nooit had ik mij veel aan haar laten gelegen liggen. Nu ik ze verloren had, gevoelde ik eerst wat eene bron voor broederlijke genegenheid weder voor mij verstopt was geraakt. Onwillekeurig bracht ik thans alle liefde op mijne overgebleven zuster over. Ons beider verlies had ons nader tot elkaar gebracht.

Daar mijn vader nog al eenigen invloed had en ik thans op goede getuigschriften kon wijzen, ontving ik mijne benoeming tot luitenant bij Zr. Ms. zeedienst ongeveer veertien dagen na mijne aankomst in Londen; maar aangezien ik nog geene plaatsing had gekregen, besloot ik een korten tijd eenige vergoeding te nemen voor de harde dagen op de Amerikaansche kust doorgebracht. Het streelde mij thans werkelijk iets te zijn en, zoo noodig, onafhankelijk van mijnen vader te kunnen leven; deze bevordering verschafte mij meer genoegen dan de twee, die hier op gevolgd zijn.

Nauwelijks was de vreugde over mijne benoeming uit, of ik dacht aan Emilia; en toen ik twee dagen in het bezit van dien rang was, gaf ik mijn vader mijn voornemen te kennen om een bezoek op ... Hall te brengen.

Mijn vader was op dat oogenblik in zeer opgeruimde stemming; wij zaten, na een goed middagmaal, samen onder genot van een flesch wijn te praten. Ik was de woordvoerder en deed hem schudden van het lachen over mijne grappen te Quebec en Prins Edwards Eiland en aan boord. Toen ik van miss Sommerville sprak, zeide mijn vader niet te twijfelen, of zij zou zeer verheugd zijn mij weer te zien, en dat zij thans het mooiste en liefste meisje uit den ganschen omtrek was.

Den lof van Emilia hoorde ik met schijnbare kalmte en onverschilligheid aan, en alsof zij mij volstrekt niet na aan het hart lag, beweerde ik dat zij altijd aanleg gehad had een mooi meisje te worden, »maar," zeide ik, »aan mooie meisjes is tegenwoordig geen gebrek."

Dit gezegde maakte op mijnen vader een zeer verkoelenden indruk en gaf hem aanleiding aan den heer Sommerville, nog vóór ik naar ... Hall vertrok, mede te deelen, dat een plan dat zij zamen voor de toekomst hunner kinderen op het oog hadden gehad, wel geen groote kans op vervulling meer had. Dit bericht had men voor Emilia niet geheel kunnen verbergen.

Wat mij nu eigenlijk bewogen had met mijnen vader, die mij zoo vriendelijk te gemoet was gekomen, zoo onoprecht om te gaan, weet ik niet te verklaren; het was weer die oude lust tot bedriegen, die in mij opkwam. Sedert er zooveel betere berichten van mij waren thuis gekomen en mijne vooruitzichten waren verbeterd, hadden de beide oude heeren eens de mogelijkheid besproken en elkaar den wederkeerigen wensch verraden, dat Emilia, die niet had kunnen verzwijgen, dat zij mij genegen was, en ik een paar zouden worden, zoodra ik den kapiteinsrang in den zeedienst zou hebben verkregen. Vandaar dat mijn vader zich gehaast had mijne veranderde zienswijze aan zijnen vriend mede te deelen.

Emilia was over mijne gebleken onverschilligheid natuurlijk zeer ontstemd; langzamerhand won bij haar de overtuiging veld, dat zij hare genegenheid aan eenen onwaardige had geschonken. Toen verkreeg hare jonkvrouwelijke fierheid weder de overhand en schonk haar althans de noodige kalmte en troost om zich bij ons spoedig daarop gevolgd wederzien met gepaste terughoudendheid te gedragen.

Ik werd te ... Hall dus beleefd, maar overigens vrij koel ontvangen. Ik zag dadelijk in, dat het mij groote moeite zoude kosten den hoogst ongunstigen indruk weg te nemen, die mijne onverschilligheid, te huis aan den dag gelegd en door den brief van mijnen vader bekend geworden, had teweeggebracht. In den grond mijns harten was ik echter Emilia blijven liefhebben; ik had slechts den schijn aangenomen, dat zulks niet langer het geval was, en Emilia zelve werd door mijne vernieuwde betuigingen hiervan langzamerhand ook overtuigd. Toen ons bijeen zijn dan ook nog slechts kort geduurd had, werden wij volkomen verzoend.

Het gebeurde kon wederom niet anders dan een diepen indruk op mijn gemoed teweegbrengen. Opnieuw kwamen de beste voornemens, om eens eindelijk een meer eerlijk, braaf, oprecht en degelijk mensch te worden, bij mij boven.

In het bijzijn van Emilia vlood weder de tijd met snelheid voort, en te vroeg naar ons beider verlangen was weder de ure der scheiding aangebroken.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Door de zorg van mijnen vader ontving ik thans spoedig eene plaatsing als luitenant aan boord van de brik van achttien stukken, de D---- te Portsmouth liggende, onder bepaling dat ik zoodra mogelijk mijne betrekking zou aanvaarden. Na een aandoenlijk afscheid van de familie Sommerville te hebben genomen, ging ik derwaarts op reis.

Ik nam mijn intrek in een der best aangeschreven hotels, dat toevallig juist tegenover de woning van den admiraal gelegen was, en daar dit in den regel gebruikt werd door de fatsoenlijke zeeofficieren, deed ik dadelijk onderzoek naar mijnen nieuwen kapitein. Vóór ik achter zijn adres was gekomen, had ik verscheidene logementen van den tweeden rang moeten afloopen en was eindelijk beland in de Star and Garter, het gewone verblijf voor minder uitgezocht publiek en ook veel door adelborsten, zelfs door onderofficieren bezocht. Slechts nu en dan was mijn waardige bevelhebber hier aan te treffen, daar hij gewoonlijk aan boord logeerde. Dit vond ik zeer vreemd; ik houd niet van commandanten, die in de haven op hun schip blijven; geen schip kan dan aangenaam wezen, niemand kan doen wat hem behaagt, wat juist het uitsluitend voorrecht behoort te zijn van een binnenslands liggend oorlogsschip.

Ik vond toevallig mijn bevelhebber thuis, zond mijn kaartje en werd toegelaten. Hij zat in een klein vertrek met een glas cognacgrog vóór zich; zijne voeten rustten op het haardijzer, en de tafel lag bedekt met officiëele papieren, die hij pas ontvangen en doorgelezen had. Bij mijn binnentreden stond hij op, zich voordoende als een kort, vierkant gebouwd man, met aanleg tot corpulentie en op een paar stevige beenen. Zijn gelaat was niet onknap, hij had regelmatige trekken, een aangenamen glimlach om de lippen en een kuiltje in de kin. Het vreemdste was echter zijn oog; klein maar scherp en bewegelijk, alsof hiermede het perpetuum mobile opgelost was, daar het onmogelijk scheen dat het één oogenblik op hetzelfde punt gevestigd bleef. Bovendien was er eene arglistige uitdrukking in, die ik met al mijne gelaatskennis niet goed wist te huis te brengen.

»Mr. Mildmay," zeide mijn kapitein, »het is mij bijzonder aangenaam u te zien, en nog meer dat gij aan boord van mijn schip geplaatst zijt. Ga zitten!"

Toen ik hieraan gevolg had gegeven, wendde hij zich om, en zijne handen over elkaar strijkende, alsof hij zoo pas de zeep had neergelegd, vervolgde hij: »Het is bij mij een regel om, als ik een nieuw officier aan boord krijg bij mijne collega's informatiën in te winnen; het is een voorzichtigheidsmaatregel, omdat naar mijn oordeel het spreekwoord van: één schurftig schaap enz. bijzonder op onzen dienst toepasselijk is. Ik heb gaarne goede officieren en beschaafde menschen om mij heen; ongetwijfeld bestaan er tal van officieren, die goed hunnen dienst doen en op welke ik niets zou weten aan te merken; maar er is eene wijze, waarop men die doen kan, waartoe alleen een gentleman in staat is; ruwe manieren, vloeken en onbeschoftheden verbitteren het volk, onteeren den dienst en zijn daarom zeer wijselijk bij no. 2 van de krijgsartikelen verboden. Onder zulke officieren werkt het volk met tegenzin. Ik ben zoo vrij geweest naar u eenig onderzoek te doen, en ik moet u zeggen, dat ik niets ten uwen nadeele heb vernomen. Ik twijfel niet, of wij zullen het wel samen kunnen vinden; wees verzekerd, dat het mijn streven zal zijn het u zooveel mogelijk naar den zin te maken."

Op deze verstandige en beleefde toespraak gaf ik een passend antwoord. Hij verhaalde daarop, dat wij binnen weinige dagen naar zee zouden gaan; dat de officier, in wiens plaats ik was gekomen, weinig met hem overeengestemd had, hoewel hij aannemen moest, dat het een zeer waardig jong mensch was, die noodzakelijk zoodra mogelijk naar zijn nieuwe schip moest, doch eerst door mij diende vervangen te zijn. »Daarvoor," zeide hij, »komt het 't beste uit, dat gij morgenochtend te negen uren aan boord komt: dan zal ik u voorstellen; daarna kunt gij u eenige dagen als meester van uwen tijd beschouwen, omdat ik begrijp, dat gij een en ander voor onzen kruistocht in orde te maken zult hebben. Ik weet," vervolgde hij met een minzamen glimlach, »dat er zoo allerlei kleinigheden zijn, waarvoor de heeren graag zorgen; zooals het opsieren van de hut, de aankoopen voor de tafel, en allerlei zaken niet bij name te noemen, die dienen voor tijdpasseering en voor het verdrijven van de eentonigheid aan boord. Veertig jaren aan een stuk heb ik aan boord van onze vloot gediend, als knaap en als man, en zooals gij kunt nagaan uit den rang, dien ik bekleed en de levenswijze, die ik leid, zonder bijzonder geluk; want hier zit ik onder een nederig glas grog, in plaats van in het gezelschap mijner mede-commandanten in het Hotel De Kroon onder genot van een flesch wijn; maar ik heb twee zusters te onderhouden, en het is voor mij een grooter zelfvoldoening om mijn broederplicht te vervullen, dan aan mijne lusten toe te geven; hoewel ik bekennen moet niets tegen een glas rooden wijn te hebben, als ik er gemakkelijk bij kan komen,--dat is, als ik er niet voor behoef te betalen, wat niet best lijden kan. Maar laat ik u niet langer ophouden. Gij hebt hier zeker verscheidene kennissen, die gij wel graag ontmoeten wilt, en wat ik te zeggen heb, dat is later goed om er op zee de wacht mede klein te krijgen, als er geen aangenamer bezigheid is." Zoo sprekende stak hij mij de hand toe en schudde de mijne zeer hartelijk. »Dus morgen om negen uren," herhaalde hij; en ik verliet hem, zeer ingenomen met ons onderhoud.

Ik ging terug naar mijn hotel, overdenkende hoe gelukkig ik het getroffen had, op het eerste schip, waar ik als officier zou dienen, zoo'n eerlijken, rechtschapen, flinken commandant aan te treffen. Ik bestelde mijn middagmaal en ging er toen weer op uit, om allerlei aankoopen te doen. Verscheidene oude scheepsmakkers ontmoette ik, die mij met mijne bevordering gelukwenschten en niet ophielden vóór ik hun een diner beloofde, om daarmede mijn promotie in te zegenen, waartoe ik mij liet overhalen. De dag werd overeengekomen en het eten besteld.

Na ditmaal zonder gezelschap gemiddagmaald te hebben, verdreef ik den tijd met een langen brief aan mijne dierbare Emilia te schrijven; met behulp van een flesch wijn, gelukte het mij een tamelijk vurig en opgewonden stuk op te stellen, dat ik verzegelde en op de post deed; daarna ging ik luchtkasteelen bouwen, en geen was daaronder, waarvan niet mijne schoone de meesteres was. Ik begaf mij te bed en sliep weldra vast in; den volgenden morgen kleedde ik mij in mijn nieuwe uniform, natuurlijk met een groote epaulet op den rechterschouder. Na het ontbijt zeilde ik de deur uit, in eigen oogen een verbazend knappe jongen zijnde. Met een lichten, veerkrachtigen pas zweefde ik de Hoogstraat af.

»Een bootje, mijnheer?" riepen een dozijn stemmen mij toe, toen ik de havenpoort bereikt had. Maar ik vond, dat Point-straat evenveel recht als de Hoogstraat had, om mij te zien te krijgen; ik bewaarde dus op die aanbiedingen een diep en geheimzinnig stilzwijgen en liet mij door de bootroeiers naar de Point volgen, als zoovele zuigvisschen, die een haai nazwemmen.

»Een boot naar Spithead, mijnheer?" vroeg een grijze, oude varensgast.

»Ja, dat is goed," zeide ik, sprong in zijn vaartuig, en wij staken af.

»Naar welk schip moeten wij gaan?" zeide de man.

»Naar de brik de D----."

»Zoo, moet u daar naar toe? Behoort u daar aan boord, als ik vragen mag?"

»Ja," antwoordde ik.

De roeier liet een zucht en sprak geen woord meer, tot wij op zijde van het schip kwamen. Het speet mij niets, dat hij zoo weinig spraakzaam was, want ik hield mij liever met mijn eigen gedachten bezig, dan met de redeneeringen van onbeschaafd volk.

De brik was een prachtig vaartuig. Zij voerde achttien kanonnen en lag als een meeuw op het water. Ik zag, dat de vlag, ten teeken van afstraffing, geheschen was, en vond dit een ongewoon verschijnsel voor de reede van Spithead en maakte daaruit op, dat er een buitengewoon misdrijf, oproer--of minstens diefstal,--moest hebben plaats gevonden. Toen men zag, dat ik officier was, werd mijne boot bij den valreep toegelaten; ik betaalde mijn roeier en zond hem weg. De valreep opgeklommen zijnde, zag ik een armen kerel met de armen uitgespreid, volgens scheepsgebruik, aan den rooster gebonden, terwijl de commandant, de officieren en de geheele bemanning er omheen stonden, als getuigen van de krachtige behendigheid van den bootsmansmaat, die, te oordeelen naar de even diepe en evenwijdige striemen, die op rug en schouders van den gestrafte zichtbaar waren, een meester in zijn vak scheen. Dit alles verwonderde mij niets,--ik was daaraan lang gewend; maar na de toespraak, die ik den vorigen dag van den commandant gehad had, bevreemdde het mij zeer eene taal te hooren, die lijnrecht indruischte tegen het tweede der krijgsartikelen.

Vloeken en verwenschingen stroomden uit zijn mond met een gemak, dat hem het brutaalste vischwijf benijd zou hebben.

»Bootsmansmaat!" bulderde de commandant, »doe uw plicht, of bij hier en ginder! laat ik u voorbinden en zelf vier dozijn toedienen. Men zou voor den dit en dat denken dat gij bezig waart van eene slapende Venus de vliegen af te jagen, in plaats van een schurk te raken, met een huid zoo dik als die van een buffel. Doe uw plicht, sir, of de d.... zal u halen."

Gedurende deze nette alleenspraak had de ongelukkige kerel vier dozijn zware geeselslagen ontvangen, die de provoost, dicht bij den commandant staande, hardop nageteld had.

»Een andere bootsmansmaat," riep deze. De ongelukkige wendde met smeekenden blik het hoofd om, maar vergeefs. Ik sloeg aandachtig het gelaat van den commandant gade, en de eigenaardige uitdrukking, die ik bij onze kennismaking niet had weten thuis te brengen, begreep ik nu volkomen: het was helsche wreedheid en genot in het kwellen van zijnen medemensch; hij scheen een duivelsch genoegen te vinden in het schouwspel, dat wij gedwongen waren bij te wonen. De tweede bootsmansmaat begon met een versch martelwerktuig en gaf daarmede een slag over den rug van den gevangene, die mij deed opspringen.

»Een," riep de provoost, die weer begon te tellen.

»Één!" schreeuwde de commandant »Noem je dat één? Het is nog geen kwart van één. Die vent is alleen geschikt voor vliegenslager in een spekwinkel! Ik zal je degradeeren, gij bl.... weekeling; is dat eene manier, om met de cat om te springen? Gij klopt hem alleen het stof van den rug. Waar is de bootsman?"

»Hier," riep een ruwe, reusachtige, linksche kerel, vooruittredende, met een hooge, blauwe uniformjas, en een anker op de mouw geborduurd, zijn hoed in de linkerhand houdende en met de rechter het haar uit de oogen strijkende. Ik nam dien man eens goed op, toen hij zich half omdraaide, en maakte de gevolgtrekking, dat hij zeker zijn kleermaker gedreigd had hem een staaltje van zijne handigheid te toonen, indien hij hem met het laken te kort deed; want de panden van zijn jas waren zeer wijd, eindigende in een gebogen vlak, met hoeken, die van voren veel lager hingen dan het middengedeelte van achteren; de knoopen op de heup stonden wel een pistoolschotsafstand uit elkaar.

»Geef dien man een dozijn, sir," zeide commandant G----; »en als gij genade betoont, zend ik u in arrest en houd uw oorlam in."

Het laatste deel der bedreiging maakte op Mr. Pipes meer indruk dan het eerste. Hij begon zich »te pellen", zooals de boksers dat noemen; eerst ging zijn ruime jas uit; toen werd een rood vest--voor de taille van een paaschos--er bij gedeponeerd; toen maakte hij een zwartzijden halsdoek los en liet een keel zien, als een geit met lang bruin haar begroeid, zoo dik als pakgaren. Daarna stroopte hij de hemdsmouwen op tot boven den elleboog en toonde een arm als de Hercules van Farnese.

Deze hoopvolle uitvoerder der krijgswetten greep zijne cat. Het handvat daarvan was twee voet lang, een en drie kwart duim dik en met rood laken bekleed. De staarten van dit vreeselijk wapen, negen in getal, waren drie voet lang, en elk hunner van de dikte van een vinger. Mr. Pipes, wiens bekwaamheid in deze kunst ongetwijfeld aanleiding gegeven had voor zijne bevordering tot bootsman, in welke qualiteit hij nu als de wreker van 's lands wetten optrad, hanteerde zijne cat alsof hij er de uitvinder van was, bekeek het ding van alle zijden, klaarde de staarten, door er zijne fijne vingertjes tusschenin te brengen, strekte zijn linkerbeen uit,--want hij was aan de beenen evenzeer links als aan de handen,--en met den nauwkeurigen oogopslag van een ingenieur zijn afstand metende, hief hij met zijne linkerhand de cat hoog in de lucht, met de andere de punten der staarten nog vasthoudende, alsof hij hun ongeduld om neer te komen wilde bedwingen; toen met arm en bovenlijf een vollen zwaai makende, waarbij driekwart van den cirkel beschreven werd, liet hij een ontzettenden slag op den rug van den ongelukkigen lijder nedervallen. Dit soort van slagen scheen onzen kapitein te bevallen, ten minste hij beantwoordde den vragenden blik van den bootsman met den goedkeurenden knik van een liefhebber. De arme patiënt was buiten adem van de kracht van den slag, en de staarten van de cat, uit de tegenovergestelde richting van de eerste vier dozijn nederkomende, kruisten de oude striemen, dat het bloed telkens te voorschijn sprong.

Ik wil mijne lezers niet langer pijnigen met eene beschrijving van den toestand van den armen kerel. Zelfs nog nadat er zooveel jaren overheen gegaan zijn, huiver ik er van en betreur ik bitter de droevige noodzakelijkheid, waarin ik dikwijls gebracht ben eene dergelijke bestraffing toe te passen; maar ik hoop en vertrouw er nooit zonder goede, ernstige reden toe overgegaan te zijn, of er eene baldadige vertooning van willekeur en macht van gemaakt te hebben.

Toen het laatste dozijn compleet was, meldde de provoost het eindcijfer »vijf dozijn."

»Vijf dozijn!" herhaalde kapitein G----, »dat kan; bindt hem los. En nu, man," zeide hij tegen den flauwvallenden ongelukkige, »ik hoop, dat dit u eene waarschuwing zal zijn, om de eerste maal dat gij weer pruimt, niet op mijn halfdek te spuwen."

»Genadige hemel!" dacht ik, »is dit alles alleen geweest voor het spuwen op het halfdek? En dat van dien zedemeester van gisteren, die vloeken noch verwenschingen kon dulden, en die in de laatste tien minuten meer godslasteringen heeft uitgebraakt, dan ik de laatste tien weken gehoord heb!"

De commandant had mij nog niet opgemerkt: hij had het te druk met zijn vermaak gehad. Zoodra de gevangene ontslagen was, gaf hij last om »af" te fluiten, of in andere woorden, het volk weer aan hun gewone werk te zetten, toen ik op hem toetrad en de hand aan den hoed bracht.

»O ja, dat is waar ook. Zijt gij gekomen? Vast fluiten, laat alle hens op het halfdek voor den boeg komen!"