Chapter 17
»Dat is ook zoo," zeide de argelooze Yankee. »Dertig duizend dollars in de kajuit, behalve de olie en het andere goed, heeft ook nog al wat te beduiden."
»Ik ben blijde, dat ik van die dollars hoor," zeide ik.
»Wat zal u dat uitmaken," zeide de kapitein; »een mager klein aandeeltje zult gij krijgen, als wij aan het deelen gaan."
»Dat denkt gij; maar," zeide ik, »hebt gij onder weg het nieuws gehoord?"
Op het woord »nieuws" kreeg de arme kerel een kleur, alsof hem de geelzucht overviel. »Wat nieuws?" vroeg hij in een staat van onrust, die hem bijna het spreken niet toeliet.
»Wel, anders niet, dan dat uw president Madison goedgevonden heeft Engeland den oorlog te verklaren."
»Kom, gij schertst!" zeide de kapitein.
»Ik geef u mijn woord van eer, dat het waar is," zeide ik; »en uw vaartuig wordt bij deze goeden prijs verklaard door Zijner Britsche Majesteits schip de ----."
De arme man loosde een zucht, die als uit zijne broekspijpen scheen op te komen. »Dan ben ik geruïneerd," zeide hij. »Het spijt mij, dat ik van dien oorlog niet wat vroeger heb afgeweten; ik heb hier op den bak zoo'n paar aardige, kleine kanonnetjes staan; gij zoudt mij niet zoo gemakkelijk gekregen hebben."
Ik glimlachte op dit denkbeeld van wederstand tegen een goed bezeild fregat van vijftig stukken; maar stoorde hem niet in het genot zijner zelfbewuste kracht, en over iets anders beginnende, vroeg ik, of hij wat voor ons te drinken had; het weder was zoo warm.
»Neen, ik heb niets," antwoordde hij nijdig, »en als ik had...."
»Kom, kom, mijn waarde," zeide ik, »gij vergeet, dat gij prijs gemaakt zijt; beleefdheid is goedkoop en brengt hare rente wel op."
»Dat is waar," zeide Jonathan, getroffen op het gevoelige punt, »dat is waar, gij doet slechts uw plicht. Hier jongen, breng die groote kruik madera,--ik denk dat deze den jongen officier wel zal aanstaan; en te gelijk eenige glazen en een van die flesschen rooden wijn, uit het achterste kastje aan stuurboord."
De jongen gehoorzaamde, het gevraagde kwam spoedig boven. Terwijl wij aan het praten waren, was het fregat blijven doorjagen, deed de noodige losse schoten, liet de verschillende schepen, die het voorbijkwam, bijdraaien, stuurde eene sloep op het eene af, vervolgde het andere. Onze brik zeilde achter hem aan, met alle lappen er op.
»Zeg eens," zeide de kapitein, »mag ik u soms wat te eten aanbieden? Ik gis, dat gij nog niet gedineerd hebt, daar de zon nog vóór den meridiaan staat."
Onder dankbetuiging nam ik zijn aanbod aan; hij liet zich dadelijk naar de kajuit zakken, zoo het heette om wat klaar te zetten; maar ik geloof eer, dat het hem te doen was, om een en ander uit het gezicht te bergen, en dit kwam later ook uit: hij verduisterde een zak dollars uit de lading. Spoedig werd ik verzocht beneden te komen. Een stuk ham en een gebraden kip lieten zich den hongerigen jonker goed smaken; en toen er eenige glazen madera bij verwerkt werden, rees de barometer van mijne stemming even hard, als de zijne daalde.
»Kom, kapitein," zeide ik, een vol glas omhooghoudende, »op een langen en bloedigen oorlog!"
»Schande op hem, die daar geen amen toe zegt," zeide de schipper. »Maar waar zijt gij voornemens mij heen te brengen? Ik gis naar Halifax. Mijne kleeren en ander particulier eigendom mag ik toch houden?"
»Al uw particulier eigendom," zeide ik, »is heilig; maar schip en lading zijn ons."
»Wel zoo," zeide de man, »dat weet ik; maar als ge mij goed behandelt, zult ge zien, dat ik geen ondankbare ben. Laat mij mijne zaakjes maar houden, en dan zal ik u een nieuwtje vertellen waar ge wat aan hebben zult."
Hij vertelde mij toen, op mijne belofte van zijn goed te zullen eerbiedigen, dat wij geen oogenblik te verzuimen hadden, om een vaartuig te pakken, dat met eene rijke lading uit Smyrna kwam, en dat hij mij nu aanwees als nog slechts een stipje aan de kim; de kapitein daarvan was een stadgenoot van hem, en hun beider bestemming was dezelfde. Ik wendde mij minachtend van hem af en heesch te gelijk een sein op om het fregat te praaien. Daar aan boord teruggekeerd, vertelde ik den commandant, wat ik van den kapitein van den prijs gehoord had, en wat ik dezen had toegezegd. Hij keurde dit laatste goed, zond het noodige volk naar de brik in ruil voor de gevangen bemanning, terwijl het fregat zeil maakte voor het aangewezen vaartuig, dat 's avonds te negen uren in onze handen viel.
Ik wil niet aannemen, dat zulke verraderlijke handelingen bij de Amerikanen eene gewone zaak zijn. Afscheid nemende van den schipper van mijne brik, had ik nog het volgende stekelige gesprek.
»Ik gis, dat ik een kaperschip ga uitrusten en daarmede eenige van jelui koopvaarders zal pakken."
»Pas maar op, dat gijzelf niet gepakt wordt en verder uw tijd moet zoek maken aan boord van een onzer gevangenisschepen. Maar bedenk altijd, wat er ook gebeuren moge, dat alles uw eigen schuld is; gij hebt ruzie met ons gezocht om Boney [1] te behagen, en hij zal u alleen in 't gezicht spuwen, wanneer gij uw best voor hem hebt gedaan. Uw wijze president heeft den oorlog verklaard aan het moederland."
»Wat kan ons het moederland schelen!" mompelde de Yankee; »ik gis, dat gij meent het stiefmoederland. Voor mijn part moge het te gronde gaan!!!"
Wij gingen met het vervolgen van schepen door, en tegen den nacht had het fregat acht prijzen genomen; op een daarvan, een brik die slechts ballast inhad, werden alle gevangenen overgebracht, mijn Yankee vriend niet uitgezonderd, en het vaartuig daarop losgelaten, vrij om den weg naar huis te volgen. Wij droegen zorg, dat allen hun kleederen en hun bijzonder eigendom medekregen. Ik had hoop met mijn prijs naar Halifax te worden opgezonden, maar daarvan kwam niets in, zeker omdat mijn commandant in de peiling had, dat ik er niet veel goeds zou uitvoeren; ik bleef bij hem aan boord. Wij kruisten nog twee maanden en namen verscheidene kapers, sommige groote en sommige kleine; eenige werden door ons verbrand, andere in den grond geboord.
Eens lag dergelijk vaartuig bij ons op zijde; alles wat de moeite waard was er uitgenomen hebbende, staken wij, hoogst onvoorzichtig, den brand er in vóór hij geheel vrij van ons was, en daar hij windwaarts van ons lag, duurde dit eenige minuten vóór wij hem kwijt waren. Intusschen begonnen de vlammen onrustbarend uit te breken en wel heel dicht bij onze bezaansrust, terwijl er veel gevaar bestond, dat het over zoude slaan, daar de twee drijvende massa's naar elkander toe bleven zuigen; wij legden het roer op, en kregen de schuit met een krachtigen zet van ons af, en toen wij eens vóór den wind lagen, dreef hij achter langs, weldra geheel een vuurzee gelijk. Wij hadden den brand aangestoken, om tijd uit te sparen, daar van top een nieuw schip gepraaid was, dat wij nog vervolgen moesten, en het strijken eener sloep om hem daarmede te vernielen ons te veel zou opgehouden hebben.
Vóór het einde van den kruistocht jaagden wij nog eens een schoener, die zich op den wal liet loopen en daar uit elkander stootte; wij namen toch het vaartuig in bezit, omdat het eene rijke lading inhad. De schoener kwam van Bordeaux en moest naar Philadelphia. Na vele kostbare zaken er uitgenomen te hebben, zag ik in het ruim, dat reeds vol water stond, eenige kisten drijven. Toen wij hiernaar gedoken hadden in het ijskoude water, bleek het fijne Bordeauxwijn te zijn, waaraan wij ons duchtig te goed deden. Zoolang wij in de koude waren, bemerkten wij hiervan niet de gevolgen, doch spoedig na onze komst aan boord, begonnen wij te ontdooien, even als die jagershoorn van den beroemden Münchhausen, waardoor het geheim uitkwam, dat wij allen dronken waren. De commandant deed den volgenden dag onderzoek naar den reden hiervan, en ik vertelde hem openhartig de geheele geschiedenis. Hij was verstandig genoeg er om te lachen; bij andere commandanten zou het volk er de noodige slaag voor gekregen hebben en de officier, die er bij was, zijn weggejaagd geworden.
In de haven teruggekomen, verzocht ik vergunning om naar Engeland terug te keeren, ten einde mijn examen voor luitenant te doen, daar ik mijne jaren voor adelborst had uitgediend. Men gaf mij in overweging om buitenslands te blijven en mijne kans op bevordering op het vlaggeschip af te wachten; maar om meer redenen, dan ik verkoos op te geven, bleef ik het examen in eene Engelsche zeehaven verkiezen, kreeg diensvolgens mijn ontslag en kwam te huis.
Ik had brieven van mijn vader ontvangen, waarin ook deze mij te huis riep, omdat hij mij met verschillende hooggeplaatste personen in kennis wilde brengen en mij daardoor de hoogere rangen in den zeedienst toegankelijk wilde maken. Die raad was goed, en aangezien hij met mijn verlangen overeenstemde, volgde ik hem op. Ik scheidde van mijn commandant op den besten voet en nam een hartelijk afscheid van mijne kameraden en van de officieren.
Na een overtocht van zes weken kwam ik te Plymouth binnen, juist toen mijne zes jaren dienst, die gevorderd werden, vol waren.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Spoedig na mijne aankomst in Plymouth, werd bij circulaire van het vlaggeschip kenbaar gemaakt, dat den zooveelsten aan boord van de Salvador del Mundo gelegenheid gegeven zou worden tot het afleggen van het examen voor den rang van Luitenant ter zee. Ten spoedigste maakte ik mijn vader hiermede bekend, hem mededeelende, dat ik er mij gereed toe gevoelde en voornemens was de aanvraag daartoe in te dienen. Ik kwam dienovereenkomstig op den aangewezen dag, met nog veertien of vijftien andere hoopvolle adspiranten, op het vlaggeschip bijeen. Wij waren allen gekleed in onze groot-tenue-rok, zoo onberispelijk mogelijk, met een bundel journalen en aanteekeningboeken onder den arm. Als zoovele schapen, die ter slachtbank worden geleid, werden wij voorloopig afgezonderd in eene van zeildoek opgeslagen hut.
Tegen elf uren kwamen de hoofdofficieren, die ons onder handen zouden nemen, aan boord aan. Toen wij een glimp van hun aanschijn te zien kregen, kwamen wij overeen, dat de »snit van hunne kluivers" niet erg in onzen smaak viel. Te twaalf uren werd de eerste naam afgeroepen. Het »slachtoffer" verzamelde al zijn moed, ruimde zijn keel, trok zijn boordje recht, verstrikte zijn das, en zijn steek en boeken grijpende, volgde hij met stouten pas den bode naar de kajuit, alwaar drie ernstig voor zich uit ziende heeren, in klein uniform gekleed, hem wachtten. Zij waren aan eene ronde tafel gezeten; half achter den president zat een schrijver; Moore's »zeevaartkunde" lag voor hem, met een zeemansalmanak, lei, griffel, papier en inkt. De bevende jonker kwam nader, en toen hij zeer eerbiedig zijne boeken en getuigschriften van matigheid en goed gedrag aangeboden had, werd hij verzocht te gaan zitten. De eerste vragen hadden alleen op de theorie betrekking; en ofschoon hij die in de longroom en in elk ander gezelschap met het meeste gemak zou hebben weten te beantwoorden, was hij zoo bedwelmd en verlegen, dat hij zijn kop kwijtraakte, bij de eerste vraag zenuwachtig trilde, bij de tweede bedenkelijk naar boven keek en bij de derde nog minder wist te zeggen wat iets op een antwoord geleek. Hij werd teruggezonden met aanbeveling om »nog eerst een zes maanden te gaan varen."
Hij kwam bij ons in eene zeer ontroerde stemming; nooit zag ik iemand meer verdriet hebben. Niet wetende, hoe spoedig ik in hetzelfde geval zou kunnen verkeeren, had ik des te meer met hem te doen. Een ander werd opgeroepen en kwam weldra niet gelukkiger terug; en de beschrijving, die hij gaf van het bulderend uitvaren van den jongsten kolonel, drukte ons in de hoogste mate terneder en was voldoende om ons allen moed te benemen. Het was mij echter zeer nuttig dit te weten. Bij onderzoek bleek mij, dat zij steeds over de theorie waren gestruikeld, en ik was vol zelfvertrouwen wat dit onderdeel van mijn vak aangaat, en vast besloten mij door dat bulderen van dien kolonel niet van streek te laten brengen. Toen dit besluit bij mij rijpte, kwam een derde candidaat onverrichter zake bij ons terug; en dit was nog wel een jongmensch, op wiens bekwaamheid ik vol vertrouwen had gehad; onwillekeurig deed mij dit in mijn zelfschatting nadeel. Toen de vierde met een vroolijk gezicht kwam aanzetten en ons vertelde, dat hij er door was, schepte ik weder adem; maar ook deze gerustheid was van korten duur, daar hij er bij vertelde, dat een van de heeren examinatoren een vriend van zijn vader was. Hierdoor werd het raadsel opgelost; want gedurende den korten tijd, dien ik hem gekend had, had ik dezen laatste voor allesbehalve een feniks aangezien.
Toen mijn eigen naam werd afgeroepen, kreeg ik een koud gevoel om het hart, zooals ik nooit te voren ondervonden had, noch bij eenig gevecht, noch gedurende den orkaan, noch toen ik ter reede van Spithead klaar was om te water te gaan en naar den wal te zwemmen. »O macht der onbeschaamdheid, o geest van de algebra," zeide ik, »sta mij bij, of ik ben verloren." Nog al te spoedig naar mijn zin vloog de kajuitsdeur voor mij open, werd door den schildwacht achter mij gesloten, en bevond ik mij in tegenwoordigheid van het gevreesde driemanschap. Ik had het gevoel van Daniël, toen hij den leeuwenkuil intrad. Ik werd uitgenoodigd om te gaan zitten, en daarop staken mijne rechters de hoofden bijeen tot eene korte beraadslaging, die ik niet verstaan kon of wilde; terwijl ik in den tusschentijd gelegenheid vond mijne tegenpartij van top tot teen op te nemen. Ik sprak mij zelf moed in door te denken, dat ik één wel zou kunnen staan en, als ik dien nu onzijdig wist te houden, de twee overigen ook wel klein zou krijgen.
Een van deze heeren had een gelaat als een beschilderde meloen, en zijne hand die op de tafel lag deed aan de vin van een schildpad denken; de nagels daarvan waren zoo kort afgebeten, dat het scheen alsof de overblijfselen zich in het vleesch teruggetrokken hadden uit vrees van verdere mishandeling, die de andere hand op dit oogenblik had te lijden. »Nu," dacht ik in mijzelven, »als ik ooit ergens ongemeubileerde bovenkamers te huur heb zien staan, dan is het in die kokosnoot of pompoen van UEd."
De hoofdofficier, die naast hem zat, was een klein, mager, donker, uitgedroogd gerimpeld mannetje met levendige oogjes en een vooruitspringenden neus. Bij de adelborsten had hij den bijnaam van »oude Chili-azijn" of »oude zuurspons". Hij was wat men een »ijzeren Hein" noemt. Hij kon een matroos twee maanden lang op de zwarte lijst houden en gaf hem het bodemstuk van een kanon om te poetsen en blank te houden, zonder hem tijd te gunnen tot het heel houden zijner kleeren of het schoonhouden van zichzelf, terwijl hij nu schoon en schitterend moest houden, wat voor zijn eigenlijke bestemming beter zwart en dof was. Zelden liet hij een man slaan; maar hij kon hem »negeren", zoodat hij zichzelf niet meer was, door wat hij noemde »den duivel uit te drijven." Spoedig bemerkte ik, dat deze kleine krates, die er als een droog palingvel uitzag, het meeste had in te brengen. De derde kolonel was een lang, knap, deftig man (de jongste van het drietal), met een bevelende en strakke uitdrukking op het gelaat. Om de grootste aardigheid zou geen spier daarvan tot lachen vertrokken zijn geworden.
Juist was ik met mijne opname gereed en had mij een oppervlakkig oordeel gevormd over de eigenaardigheden mijner examinatoren, toen mijn verhoor een aanvang nam en de president mij aldus aansprak:
»Ik houd het er voor, dat gij volmaakt op de hoogte zijt van de theorie der stuurmanskunst; anders zoudt gij zeker niet hier gekomen zijn."
Ik antwoordde, dat ik hoopte dat dit blijken zou, als de heeren mij geliefden te ondervragen.
»Hij is met zijn antwoord vlug genoeg," zeide de lange kolonel; »ik denk, dat dit heerschap het meeste praats in de voorlongroom heeft. Onder wien hebt gij gediend, jonker?"
Ik noemde de verschillende commandanten op, die ik gehad had, en vooral lord Edward.
»O, zoo, dat is voldoende; als gij onder lord Edward gediend hebt, dan moet gij wel op de hoogte zijn."
Ik begreep de afgunstige en schimpende wijze, waarop dit gezegd werd, en bereidde mij daarom voor op een zwaren strijd, overtuigd, dat deze man, die volstrekt geen zeeman was, het hoogst aangenaam zou vinden, een van lord Edward's adelborsten te kunnen afwijzen. Verscheidene vraagstukken werden mij voorgelegd, die ik goed wist te beantwoorden. De heeren keken zeer nauwkeurig mijne medegebrachte werkboeken en ook mijne getuigschriften na, en deden mij toen eene vraag uit de hoogere wiskunde. Ook deze loste ik op; maar toen bespeurde ik, dat het niet juist knapheid was, waar zij naar zochten. De kleine gerimpelde kolonel scheen eigenlijk teleurgesteld, dat hij mij nergens op vatten kon. Een moeielijk vraagstuk uit de bolvormige driehoeksmeting lag voor hen, zorgvuldig uitgewerkt en met de uitkomst duidelijk onderaan geschreven; maar deze mocht ik natuurlijk niet zien. Zoodra ik die vraag opgelost had, werd mijn werk met het hunne vergeleken; en daar het niet volkomen overeenstemde, werd mij gezegd, dat ik het fout had. Ik werd daardoor niet van mijn stuk gebracht, doch na mijn werk nog eens overgezien te hebben, zeide ik, dat ik nergens eene vergissing kon ontdekken en de uitkomst, uit de figuur, kon bewijzen.
»Ik geloof, dat gij uzelf al voor heel knap houdt," zeide de kleine, dikke kolonel.
»Een tweede Euclides!" vulde de lange kolonel aan. »Vertel eens, jonker de beteekenis van Pons asinorum?"
»Ezelsbrug, sir," zeide ik, hem vierkant in het gezicht ziende.
Nu bleek het mij klaar en duidelijk, dat de kleine, dikke kolonel nooit van eene »brug voor ezels" had gehoord en daarom veronderstelde, dat ik spotte met den langen kolonel, die zijn heele leven »binnenslands gevaren" hebbende, wel van den Pons asinorum afwist, doch niet zeggen kon welk probleem van Euclides het was, noch hoe het bij de stuurmanskunst toepassing vond. De dikke kolonel proestte het daarom van het lachen uit, zeggende: »Nu, hij heeft u goed beet; laat hem stil loopen: straks zal hij het u nog benauwd maken."
Geraakt over deze opmerking, werd de lange kolonel driftig en herinnerde, dat de laatst gestelde vraag niet naar behooren was opgelost, en hij zwoer bij hoog en laag, dat hij mijn certificaat niet teekenen zou, vóór de oplossing goed was ingediend. Ik bleef volhouden, dat mijn werk goed was; beide oplossingen werden naast elkaar gelegd en vergeleken: men dreigde mij weg te zenden, toen tot groote ontsteltenis van de partij de fout in hun eigen werk werd ontdekt. De dikke kolonel, die een goedaardig man was, lachte recht hartelijk; de beide anderen keken ontstemd en boos.
»Dit deel zullen wij dan hierbij laten," zeide de ijzeren Hein: »sta nu eens op en laat zien, wat gij met een schip weet te doen." De veronderstelling was, dat het schip op de helling stond; het liep te water; ik werd er als eerste officier op geplaatst en moest het verder zeeklaar maken. Ik haalde het in het droge dok en liet het koperen; verhaalde het onder den mastbok en zette de masten in; bracht het over naar de ballastkade, nam over en stuwde den ballast en de waterkisten; verhaalde naar de overzijde bij den tuigzolder, tuigde het schip van a tot z op, sneed de zeilen, nam de batterij over, en de benoodigdheden en de victualie; rapporteerde gereed te zijn; deed sein voor een loods; ging er mede uit de haven; kreeg order er elders mede binnen te loopen, en de ondiepten en klippen op te noemen op den weg naar Portsmouth, Plymouth, Falmouth, Duins, Yarmouth, ja tot de Shetlands-eilanden toe.
Maar de kleine »ijzeren" en de lange kolonel konden maar niet vergeven, dat ik in het trigonometrische vraagstuk gelijk had gehad, en de ondervragingen gingen voort. Zij brachten mijn schip in alle mogelijke omstandigheden, die bij de vele gevallen, welke op zee kunnen voorkomen, in zulke eindelooze verscheidenheid bestaan. Ik moest elk zeil bijzetten en bergen van een bovenbramzeil af tot een gaffeltopzeil toe. Mijne masten werden weggeschoten, en ik zette noodmasten op: ik had de zeilen daarbij pas gemaakt en zou juist eene haven inloopen, toen »oude zuurspons" wreedaardig mijn schip over zij wierp, op bot lagerwal, met donkeren nacht, onder een orkaan, en mij toen opdroeg, mij daar eens uit te redden. Ik antwoordde, dat als er ankergrond was, ik al mijne ankers zou laten vallen en afwachten wat er gebeurde; maar dat, als er geene ankergrond was, noch hijzelf, noch iemand anders het schip zou kunnen afbrengen, zonder verandering van den wind of eene bijzondere tusschenkomst van de Voorzienigheid. Hiermede was »ijzeren Hein" niet tevreden. Ik zag nu den toeleg om mij te laten »zakken", en dat de uitkomst mijne hoop zou beschamen: dit maakte mij onverschillig; dat eindelooze vragen begon mij tegen te staan, en ik maakte toen, gelukkig voor mijzelf, eene vergissing, althans in de oogen van den langen kolonel. De mij gedane vraag was juist eene, die aan boord der schepen tot velerlei uiteenloopende opvattingen aanleiding gaf: n.l. of wanneer de wind zeer achterlijk inkwam, het roer midscheeps kon varen, dan wel een paar spaken òp moest leggen? Ik meende het eerste; maar de lange kolonel beweerde het laatste en gaf daarvoor zijne gronden aan. Op twijfelachtig terrein staande, gaf ik toe en dankte hem voor den raad, dien ik verklaarde stellig te zullen opvolgen, als ik in het geval kwam; toch was ik er zoo zeker niet van, dat hij gelijk had, en sedert dien tijd heb ik dat ook ondervonden; maar mijne meegaandheid vleide zijne eigenliefde, en van dat oogenblik af stond hij mij vóór. Op zijn gelaat vertoonde zich een barsche glimlach, hij wendde zich tot zijne collega's, en vroeg hun of zij voldaan waren.
Deze vraag maakt, evenals de hamer bij eene publieke verkooping, een eind aan alle quaestie; want bij dergelijke gelegenheden zullen de hoofdofficieren elkander niet tegenspreken; ik ontving de kennisgeving, dat ik zeer voldoende geslaagd was. Ik maakte eene sierlijke buiging en ging heen, op weg naar de schaapskooi overdenkende, dat ik bijna mijne bevordering verspeeld had, door hunne ijdelheid te kwetsen, doch dat alles nog goed terecht was gekomen, door die te streelen. Zoo gaat het in de wereld; van mijn vroegste jeugd af werden steeds al mijne ondeugden vergroot door het slechte voorbeeld, dat mijne meerderen mij gaven.
Buitenslands zou mijn examen veel gemakkelijker zijn afgeloopen. Ik herinner mij eens in de West-Indiën, terwijl wij op zee waren, dat er eene sloep gestreken werd en daarmede een adelborst (die niet eens den vollen diensttijd had, en wiens leeftijd en voorkomen aan alles behalve zeevaartkundige kennis deden denken) naar een ander met ons zeilend schip werd gezonden; na een kwartier was hij al terug met een certificaat van goed afgelegd examen. Wij waren ten zeerste verwonderd en vroegen, wat men hem toch wel in dien tijd gevraagd had. Hij antwoordde: »Alleen naar de gezondheid van papa en mama; en of ik port of witten wijn met water wilde drinken. Bij mijn heengaan," vervolgde de knaap, »zeide een der officieren, dat als ik naar huis schreef, ik zijne eerbiedige groeten moest overbrengen aan lord en lady G..... Hij had een kalkoen voor mij in de sloep laten brengen en wenschte mij veel geluk."
Dit jongmensch werd spoedig bevorderd; doch overleed, gelukkig misschien voor den dienst, op zijnen overtocht naar Engeland.