Chapter 15
Zoodra zij zich op haren rug wentelde, zag ik, dat ik reden had om dankbaar te zijn voor de ontvangen raadgeving; de beide doode visschen waren omringd van wel dertig of veertig haaien, die trouw volgden, toen wij hen naar binnen sleepten. Toen wij hen in ondiep water, dicht bij het strand, zoover mogelijk opgetrokken hadden, werd het spek afgesneden; daarna werd het vleesch aan de inboorlingen overgelaten, die in grooten getale toegestroomd, met hunne messen daarvan groote reepen afhaalden. Met dezelfde vrijgevigheid hielpen zich de haaien met hunne tanden; maar het was opmerkelijk hoe straffeloos de zwarten dikwijls tusschen hen en de walvisch konden komen; nooit werden zij aangevallen. Vreemd was het schouwspel die zwarten, met het schitterend wit hunner oogen en hunne witte tanden, juichende, lachende, schreeuwende, te midden van tallooze haaien,--de meest verslindende der zeemonsters,--als 't ware levende in een soort van wapenstilstand, slechts noodzakelijk gedurende de tegenwoordigheid van een derde voorwerp.
Ziende dat er voor mij op den duur noch eer, noch voordeel te behalen was in dit soort van afwisseling, gaf ik de walvischvangst op en nam passage naar Halifax op een schoener. Dit soort van vaartuigen werd plaatselijk aangebouwd, naar het model van de Virginia loodsbooten; doch geleek, evenals de meeste onzer navolgingen, bijna evenveel op het oorspronkelijke vaartuig als een os op een haas gelijkt, ook dezelfde verhouding bewarende op het punt van snelzeilendheid. En alsof men nu opzettelijk de Engelsche vlag wilde onteeren, werd het bevel over dergelijke vaartuigen opgedragen aan officieren, die geen commandant meer konden krijgen om onder te dienen, door wangedrag overbekend geraakt, en die nu, zeer onverstandig, op kleine scheepjes werden gezet, waar zij hun eigen meester waren en zich veelvuldig en ongestraft aan den drank te buiten gingen. Ook mijn commandant bevond zich van ons vertrek af tot aan de komst te Halifax in voortdurenden staat van dronkenschap. Het voorbeeld van den luitenant werd gevolgd door zijn ranggenoot en door drie der adelborsten; de bemanning, uit vijf-en-twintig koppen bestaande, werd nuchter gehouden, door hen niet meer dan hun rantsoen te verstrekken; ik voor mij zag de toekomst vol vertrouwen(?) in.
Gelukkig behoorde drinken niet tot mijne ondeugden. Ik kon »wel eens een waar aanhebben" zooals wij dit noemen, wanneer ik in goed gezelschap was en opgewekt door geest en vroolijkheid; maar nooit kwam het tot »dronkenschap"; en naarmate ik ouder werd, maakten trotschheid en eigenbelang mij in dat opzicht nog omzichtiger. Ik zag het groote voordeel in, dat matigheid over een dronkaard geeft, en verzuimde niet om daarvan gebruik te maken.
Bijna al den tijd, dien onze overtocht duurde, 's nachts zoowel als over dag, bleef ik aan dek een oog houden over den gestuurden koers en den stand der zeilen, zonder ooit den commandeerenden officier, die steeds »buiten westen" in de kajuit lag, daaromtrent te raadplegen. 's Avonds liepen wij het licht van Sambro' (aan den ingang der haven van Halifax) in het zicht, en een der adelborsten, die slechts half dronken was, verklaarde dat hij goed met het vaarwater bekend was; zijn aanbod om het vaartuig binnen te loodsen, werd aangenomen. Aangezien ik hier nimmer te voren was geweest, kon ik niet van nut zijn; maar zeer sterk twijfelende aan de bekwaamheid van onzen loods, sloeg ik met achterdocht zijne handelingen gade.
Reeds binnen het half uur zaten wij vast op de kust van Cornwallis-Eiland, zooals ik later vernam dat het heette, en braken de zeeën geducht over ons heen. Dit ontnuchterde den commandant en zijne officieren; en daar het water zakkende was, kwamen wij spoedig hoog en droog te zitten. Het schip viel over zij, en ik wandelde het strand op, vast besloten mij nooit weder toe te vertrouwen aan zulk eene ordelooze bende. Toen de dag aanbrak, kwamen de noodige sloepen van de werf ter assistentie en brachten mij en eenige anderen, die mijn voorbeeld gevolgd hadden, met pak en zak naar het vlaggeschip. Na twee dagen hard werken, kreeg men den schoener vlot en binnen. De admiraal werd op de hoogte gebracht van de wijze, waarop wij gestrand waren, en een der hoofdofficieren raadde hem aan den luitenant voor den krijgsraad te trekken, of allerminst zijn bevel te ontnemen en naar huis te zenden. Ongelukkigerwijze volgde hij dien raad niet op, maar zond hem weer in zee om brieven over te brengen. Het werd bekend, dat thans iedereen, ook het volk, dronken was bij het verlaten van de haven; even buiten, werd het vaartuig op de Gezusters, een stel klippen, aangestuurd, stootte zwaar lek en zonk in de nabijheid, waarbij niemand gered werd. Den volgenden morgen zag men niets dan de toppen der masten boven water.
Spoedig na mijne aankomst te Halifax, kwam het fregat, waar ik aan boord hoorde, de haven in. Het speet mij wel, dat dit zoo spoedig gebeurde, want ik had het mij in de plaats zeer genoegelijk weten te maken. Ik had aanbevelingsbrieven voor de voornaamste familiën medegebracht. De stad is bekend om hare gastvrijheid; de jonge dames waren er allerliefst, en haar omgang werkte hoogst beschavend op mijne aan boord aangenomen ruwe en vrije manieren. Toen ik mij op mijn schip bij den commandant aanmeldde, die zooals ik hierboven reeds heb medegedeeld een edelman was, verwachtte ik een verwijfden jongen man te zullen aantreffen, veel te fijn van manieren om zijn vak te kennen; doch ik vond mij bedrogen. Lord Edward was op-en-top zeeman, hij kende een schip door en door, begreep de geaardheid van de matrozen en wist hun vertrouwen in te boezemen. Bovendien was hij een goed werktuigkundige--timmerman, touwslager, zeilmaker en kuiper. Hij wist al het matrozenwerk te verrichten, reven, sturen, looden, splitsen en knoopen; alleen was hij geen redenaar,--hij las weinig en sprak nog minder. Hij was een man van weinig uiterlijke vertooning, maar goed gehumeurd, eerlijk en recht door zee, voorzien van een grooten voorraad gezond verstand. Met de officieren ging hij vrij en zeer aangenaam om; als men hem boos maakte, kon hij heftig zijn, doch bedaarde weer spoedig; nooit kon men bemerken, dat hij zich iets op zijn adeldom liet voorstaan. Met mijne practische zeemanschap scheen hij zeer ingenomen te zijn, en reeds vóór wij de haven verlieten, was ik zeer bij hem in gunst gekomen. Ik deed mijn best op dien voet met hem te blijven, daar ik hem genegen was, zoowel om zijn persoon, als om zijne goede eigenschappen, afgescheiden nog van het voordeel bij zijn commandant gezien te zijn.
Niet lang was het ons vergund te vertoeven in dit zeemans eldorado; wij kregen last tot een spoedig vertrek naar Quebec.
Nog niet lang waren wij in zee, toen wij een Iersch vaartuig van Belfast praaiden, landverhuizers ten getale van zeventien families voor de Vereenigde Staten aan boord hebbende. In dien tijd stonden landverhuizers met contrabande gelijk; wij mochten hen hunne bestemming niet laten bereiken. Onze commandant bezat echter twintigduizend morgen land op St. John's, of zooals het later heette, Prins Edward's Eiland, eene gift, die een zijner voorouders gekregen had, nu op hem was overgegaan, maar die tot nog toe nog geene shilling aan rente had opgebracht, om de doodeenvoudige reden, dat er geene handen waren om het land te bebouwen. Het kwam onzen adellijken commandant voor, dat dit nu juist een kolfje naar zijne hand was en dat deze Ieren uitstekende bewerkers van zijne gronden zouden wezen en zijn landgoed productief zouden maken. Hij deed hun het voorstel, en daar zij nu toch geene kans zagen om de Vereenigde Staten te bereiken, het hen slechts te doen was om voor zich en hunne gezinnen het levensonderhoud te vinden en eigenlijk onverschillig waar zij zouden koloniseeren, werd het aangenomen. De commandant wist het met zijne zeilorders overeen te brengen hen naar het genoemde eiland over te voeren en aldaar onder dak en aan het werk te brengen. In zekeren zin kon niets voor beide partijen voordeeliger zijn: de schrale bevolking van onze eigene nederzetting werd er door aangevuld, in plaats dat het aantal onzer vijanden er door vermeerderde.
Wij kwamen, na eene voorspoedige reis, in eene kleine haven van het eiland ten anker, niet ver van de bezitting, alwaar wij het landhuis bewoond vonden door een man met zijne familie, die zich den opzichter noemde. Voor zoover ik kon opmerken bij mijn verblijf van drie weken, kwam hij mij voor schurkachtig genoeg te zijn voor de waarneming van elke mogelijke opzichters- of rentmeestersbetrekking op eenig adellijk landgoed in Engeland zelf.
De commandant trok naar den wal en nam mij, als zijn adjudant, mede. Voor zijn lordschap werd een bed in het huis van den opzichter gereedgemaakt, doch hij verkoos op het hooi in de schuur te slapen. Zooals ik reeds met een enkel woord gezegd heb, was de edele lord iemand, wiens gedachtengang slechts zelden zijn tong en lippen in beweging bracht; hij hoorde veel liever een ander spreken, dan dat hij het zelf deed; en wie ook bij hem was, deze moest altijd het gesprek gaande houden. Verder was de gewone manier van praten tegen hem niet voldoende om zich begrijpelijk te maken; men moest hetgeen men te zeggen had, op drie verschillende wijzen inkleeden, en voor elke daarvan had hij eene bijzonderen uitroep. Deze laatste waren: »Wat?" »he?" en »ah zoo." De eerste gaf aan, dat hij oplette, de tweede dat hij gedeeltelijk begreep, de derde dat hij geheel op de hoogte was of goedkeurde, waarbij tot meerdere duidelijkheid de laatste lettergreep sterk en lang werd uitgehaald en van een soort glimlach vergezeld ging.
Ik zal een voorbeeld geven van onze genoegelijke wijze van converseeren. Zijn lordschap ving het gesprek aan, toen wij onze nachtkwartieren op het zachte droge hooi betrokken hadden:
»Zeg eens,"--er volgde eene pauze.
»Mylord?"
»Wat zouden zij in Engeland wel zeggen, als zij ons hier zagen liggen?"
»Ik denk mylord, dat zij wat mij betreft er niets in vinden zouden, maar voor u zouden zij het eene al te eenvoudige slaapkamer voor een edelman vinden."
»Wat?"
Dit wist ik, dat het sein was om het op eene andere wijze nog eens over te zeggen. »Ik merkte op, mylord, dat het onder uwe vrienden in Engeland veel bevreemding zoude wekken, dat iemand van zoo hooge afkomst als u, zijn leger in eene schuur, ging opslaan.
»He?" zeide zijne lordschap.
Dat gaat niet, dacht ik bij mijzelf: òf uwe lordschap, òf ikzelf, een van beiden zijn wij erg onbegrijpelijk. Ik zal het nog eens beproeven, zoo dood van den slaap als ik ben. »Ik zeg, mylord, dat als het volk in Engeland wist, dat gij in uw hart zoo'n zeeman zijt, zij bij geene uwer handelingen gek zouden opkijken; maar die u nu niet zoo goed kennen, zullen het zeer vreemd vinden, dat gij met zulk een kwartier tevreden zijt."
»Ah, zoo... o... o!" riep zijn lordschap, zegevierend uit.
Welke verdere opmerkingen hij dien avond nog verkoos te maken, weet ik niet, want ik viel in een diepen slaap en ontwaakte niet vóór geheele hoenderbenden uit hare nesten opvlogen en een schrikbarend geweld om hun ontbijt begonnen te maken, toen zijn lordschap opstond, zichzelf eerst en toen mij, doch dit op eene heel andere wijze, wakker schudde; het beantwoordde evenwel aan de verwachting om mijn hoofd weer tot helderheid te brengen, dat door het kippengekakel alleen een weinig daartoe op weg was geraakt.
»Kom! er uit, gij luie drommel," riep mijn commandant. »Denkt gij den geheelen dag te blijven slapen? Wij hebben werk genoeg voor den boeg."
»Ja, ja, mylord," zeide ik, vloog overeind en maakte in denzelfden korten tijd en op dezelfde manier als een Newfoundlandsche hond mijn toilet, n.l. door mij eens hartelijk te schudden.
Eene groote partij van de equipage kwam onder geleide van den timmerman aan den wal, de noodige gereedschappen medebrengende voor het omhakken van boomen en bouwen van ruwe loodsen. Dit werk was noodig om onze arme landverhuizers onder dak te brengen. Het volk begon eene groote ruimte schoon te kappen, door tal van pijnboomen, waaruit hier het meerendeel der bosschen bestond, te vellen. Eene goede plek voor de woningen gevonden hebbende, plaatsten wij in langwerpig vierkant vier stammen in den grond, van boven van eene inkeping voorzien, waarop weer eene dwarspaal kwam te rusten. De ruimte hiertusschen werd weer door dunnere boomen, goed aaneengesloten, aangevuld, de deuren en vensters werden uitgespaard, de kleine openingen met klei en mos aangestampt, eindelijk het dak er op gebracht, bestaande uit de takken, de bladen en de bast van eene andere boomsoort. Door oefening werd ik langzamerhand een bekwaam bouwkundige, en zag kans met een dertig man, in eenen dag, een vrij goed huis samen te stellen.
Door omhakken, branden en ontwortelen maakten wij nu verder zooveel land schoon, als noodig was om de kleine kolonie een jaar lang te onderhouden; en na een stuk met koren bezaaid en een ander met aardappelen bepoot te hebben, lieten wij nog allerlei artikelen van dagelijks voorkomende behoefte in de nieuwe vestiging achter, waarna wij onze planters aan hun verder lot overlieten. Tot mijn groote genoegen keerden wij daarop, overeenkomstig onze instructie, naar Halifax terug. Bij het binnenloopen aldaar was ik zoo verdiept in het uitkijken naar de verschillende balcons en ramen, waaruit bij ons vertrek, witte zakdoeken ons tot vaarwel hadden toegewuifd, dat ik verzuimde naar de dienstseinen te zien en daarvoor eene ernstige berisping van den commandant ontving.
Het sein, dat ik niet had opgemerkt, woei van de Ceinturion, het admiraalsschip, en had een grooten invloed op onze naaste bestemming. De president van de Vereenigde Staten maakte aanstalten tot een oorlog tegen Engeland, wat eigenlijk door niemand verwacht was, en alle schepen in de haven van Halifax werden gereedgemaakt tot bevechten der Yankees. Het eskader zeilde in September uit, en na een kort wederzien nam ik nogmaals afscheid van mijne talrijke kennissen.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Halifax is werkelijk eene allerbekoorlijkste, gastvrije plaats: de naam was verbonden aan zoovele aangename herinneringen, dat hij altijd aanleiding gaf tot nog een glas uit de reeds gekurkte flesch, vóórdat zij voor goed werd weggesloten. Het woord »Halifax!" had dezelfde wonderdadige kracht als het »Sesame open u" uit de Arabische Nachtvertellingen.
In het vorige hoofdstuk vertelde ik onze ontmoeting met een Iersch emigrantenschip, waarvan mijn Hoog-Welgeboren commandant de lading tot zijn eigen voordeel en tevens tot dat van zijn land had weten te benutten. Een ander dergelijk vaartuig had een onzer kruisers ontmoet, Z. M. korvet Kolibri, en de commandant daarvan had dertig of veertig goed gebouwde Hiberniers uitgezocht om er zijne eigene onvoltallige bemanning mede te completeeren en de overigen aan het admiraalsschip af te geven. Kortzichtige stervelingen die wij allen zijn, zelfs gij commandanten van oorlogsschepen behoort daartoe! Hoeveel van hetgeen reeds zeer na aan de lippen was, komt dikwijls niet uit den beker in den mond! Aan boord van bedoelden koopvaarder bevonden zich twee alleraardigste Iersche jonge meisjes uit den fatsoenlijken stand, die op reis waren naar hunne familiebetrekkingen in Philadelphia; de eene heette Judy, de andere Maria. Toen aan de arme Ieren hunne veranderde bestemming was medegedeeld, ging daar aan boord een vreeselijk gejammer op, luid genoeg om de geschubde monsters uit de diepte naar hunne donkere holen te doen vluchten. De beide teederhartige meisjes werden er door tot in haar hart geroerd, en toen de zware stemmen in dit huilconcert begeleid werden door de sopranen en trillers van de vrouwen en kinderen, was het verschrikkelijk om aan te hooren.
»O, miss Judy! O, miss Maria! zoudt gij kunnen aanzien, dat wij arme schepsels naar een oorlogsschip gesleept werden, zonder dat gij een goed woordje voor ons spraakt? O, een verzoek uit uw lieve mondjes aan den commandant, zou ons wellicht kunnen doen vrij blijven!"
De jonge dames, hoewel zich niet zoo zeker gevoelende van de macht harer bekoorlijkheden, besloten toch het te beproeven; zij verzochten den officier van de korvet haar passage naar boord te verleenen, ten einde met zijnen commandant te kunnen spreken, verschikten en verstrikten eenige kleinigheden aan hare kleeding, sprongen als een paar dartele klipgeitjes in de sloep, zonder vrees voor de spatters van het zeewater, die, hoewel niet erg bevorderlijk voor den krul in hare lokken, den blos op hare wangen verhoogden, en daardoor wellicht aan het welslagen harer onderneming veel bij brachten.
Het gezicht eener vrouwenrok op zee heeft altijd op een welgeaarden man een grooten invloed. Het brengt dadelijk een ieder in eene vroolijke stemming. Bij hare aankomst aan boord werden zij door den commandant in eigen persoon ontvangen en in de kajuit geleid, waar dadelijk eenige morgendrank werd gereedgemaakt en elke beleefdheid haar werd bewezen, waarop hare sekse en schoonheid aanspraak konden maken. De commandant was een van de vroolijkste snaken, die er bestaan hebben, en had een paar kleine, fonkelende zwarte oogen in het hoofd die dadelijk voor hem innamen.
»En vertelt mij nu eens, jonge dames," zeide hij, »waaraan ik de eer van uw bezoek te danken heb."
»Het was om een groote gunst van Uw Edelheid te verzoeken," antwoordde Judy.
»En die Zijne Edelheid zeker wel toe zal staan," vulde Maria aan; »dat kan ik op zijn gezicht wel lezen."
Gevleid door die kleine aanhalerij van Maria, zeide de commandant dat niets ter wereld hem zoo aangenaam was dan de dames te kunnen verplichten; en dat, indien de gevraagde gunst slechts eenigszins met zijn plicht kon overeengebracht worden, hij die zoude toestaan.
»Nu dan," zeide Maria, »ik verzoek Uwe Edelheid mij Pat Flannagan, die pas door u geprest is geworden, af te staan."
De commandant schudde weigerend met het hoofd.
»Hij is geen zeeman, Uwe Edelheid; slechts een arme turftrapper, van wien gij nooit eenigen dienst zult hebben."
Nogmaals schudde de commandant het hoofd.
»Vraag mij liever iets anders," zeide hij, »en ik zal het u geven."
»Nu dan," zeide Maria, »geef ons Phelim O'Shaugnessy."
De commandant bleef onverbiddelijk.
»Kom, kom, Uwe Edelheid," zeide Judy, »wij zien niet op eene kleinigheid vandaag. Geef mij Flannagan, en ik zal u een kus geven."
»En ik een ander," riep Maria, »voor Phelim."
De commandant zat tusschen de twee verleidsters in; zijn hoofd draaide als een windvaan in een storm; hij wist niet met welke te beginnen; eene onbeschrijfelijke joligheid scheen uit zijn oogen, en de dames zagen dadelijk in, dat zij het pleit gewonnen hadden. Zoo machtig is de schoonheid, dat weer deze beheerscher van den oceaan voor haar moest bukken. Judy kuste hem op de linker-, Maria op de rechterwang; de kapitein gevoelde zich den gelukkigsten aller stervelingen.
»Nu dan," zeide hij, »gij hebt uwen wensch; neem in 's hemels naam uw twee man mede, want ik heb haast om verder te zeilen."
»Wilt gij verder zeilen en is het uwe bedoeling al die andere goede zielen, verreweg, met u mede te nemen? Neen waarlijk niet! Hier hebt gij een anderen kus voor een anderen man."
Ik kan onmogelijk vertellen met hoeveel kusjes die lieve meisjes deze benijdenswaardigen commandant begunstigden. Genoeg zij het te melden, dat zij al hare landslieden vrij kregen en opgetogen naar het schip terugkeerden. De geschiedenis werd in Halifax bekend, waar de goed gestemde admiraal alleen opmerkte, dat het hem speet geen commandant te zijn, en de geheele gemeente maakte er zich vroolijk over. De commandant, die even dapper als goed was, werd spoedig daarop bevorderd, maar niet voor deze daad, waarbij men bescheiden en vriendschappelijk zal moeten erkennen, dat hij eene nederlaag leed. De lord-kanselier placht te zeggen, dat hij in zijn langdurige rechterlijke loopbaan nog nooit een commandant van een oorlogsschip had gezien, die zich door twee Iersche meisjes veertig man uit zijne handen had laten kussen.
Wij kregen last om naar de Bermudas te zeilen en stuurden dadelijk, nadat wij de haven uit waren, met eene frissche noordwester koelte zuidwaarts. De wind liep langzaam naar het zuidoosten en wakkerde tot een hevigen storm aan; na een poos echter ging hij weer liggen tot volkomen stilte, een hooge zee achterlatende, waarin het schip geweldig slingerde. Tegen elf uren begon de lucht te betrekken en was vóór den middag onheilspellend zwart geworden; de zeemeeuwen vlogen wild en schreeuwend om ons heen, alsof zij ons wilden waarschuwen gereed te zijn voor den naderenden orkaan, in welks verschijnselen men zich onmogelijk kon vergissen. De waarschuwing werd niet in den wind geslagen, wij maakten klein zeil en hadden, naar wij meenden, alle maatregelen genomen om met gerustheid het slechtste weer te kunnen afwachten. Tegen den middag viel het in met eene hevigheid, die de oudste en meest bevaren zeelieden aan boord deed verbaasd staan; het geweld van den stormwind was verschrikkelijk, en de verwoesting, die hij aanrichtte, onbegrijpelijk.
De wind was weer naar het noordwesten teruggeloopen; het water, dat aan boord en over ons heen woei, was lauw als melk; de donkerheid en drukkende benauwdheid van de lucht waren in korten tijd over, doch de kracht van den windstoot was zoo hevig, dat bij het invallen het schip over zij helde met zijne lijbatterij te water. Al wat niet vastgesjord was, vloog met vaart naar den lijkant; de kogels rolden uit hun roosters en omlaag heerschte de grootst denkbare verwarring en ontsteltenis, terwijl het bovendeks er nog vrij wat ernstiger uitzag; de bezaansmast en de voor- en groote steng gingen overboord, doch de wind maakte zooveel leven, dat wij er niets van hoorden; evenmin had ik, die dicht bij den bezaansmast gestaan had, iets van het breken bemerkt, tot ik omkeek en den stomp zag, afgescheurd als ware het een wortel. Nog steeds vermeerderde het geraas van den wind; het geleek op een roffel van donderslagen; de huizenhooge golven werden in hunne opheffing geregeld onthoofd en glad afgeblazen, terwijl de koppen als kokend schuim de dalen vulden; de stormstagzeilen woeien uit de lijken; de commandant, de officieren en de gansche bemanning stonden versuft in afwachting van de vreeselijke dingen, die komen konden.
Het schip lag zoo zwaar over zijne bakboordszijde, dat de geschutpoorten eene sterke persing te doorstaan hadden en het er veel van had, alsof wij ingedrukt werden; groote watermassa's werden door den wind opgenomen en de lucht ingeslingerd, andere stroomden de luiken in, die wij geen tijd gehad hadden behoorlijk te schalmen, want vóór wij hiermede gereed waren gekomen, was er veel water in het schip en dreven omlaag alle kisten en kooien, tafels en banken in groote verwarring dooreen. De schapen, de koe, de varkens en het pluimvee spoelden overboord of verdronken in het schip; geen stem van commando kon verstaan worden, bevelen werden dus niet meer mondeling gegeven; de tucht was tijdelijk geschorst; commandant en lichtmatroos hielden zich aan hetzelfde touw vast voor behoud van hun leven.