Frank Mildmay, De zeeofficier

Chapter 14

Chapter 143,868 wordsPublic domain

De kar van den Zeegod, bestaande in eene groote badkuip op het onderstel van een rolpaard geplaatst, getrokken door zes zwartgemaakte mannen, zeepaarden voorstellende, ging voorop. Het waren de flinkst gespierden uit onze matrozen; hun haar en de helft van het gelaat was onder zeewier verborgen; hunne kleeding bestond uit een zeer onkostbare korte katoenen broek; overigens waren zij volkomen naakt; hun huid was met roode en witte verf bespikkeld en aan de armen droegen zij zeeschelpen, die tegen elkander een zonderling kleppend geluid maakten. Neptunus zelf was met de meeste hoofdpersonen uit zijn gevolg gemaskerd. Geen van de officieren wist eigenlijk, wie van het volk voor den zeegod speelde, doch in die rol was deze bij uitnemendheid op zijne plaats. Hij droeg eene zeekroon (door den baas smid van scheepsblik vervaardigd), in de rechterhand hield hij een drietand, waarop een dolfijn was gestoken, volgens zijne bewering dien morgen gevangen; zijn hoofd was getooid met een groote pruik van geplozen werk en een zwaren baard, die hem tot op het middel hing, van dezelfde stof; zijn naakt lichaam was bedekt met een laag verf en poeder.

De god was omringd door een prachtige hofhouding: zijn staatssecretaris, met het hoofd volgestoken met de slagpennen van zeevogels; zijn lijfarts met lancet, pillendoos en ruikflesch; zijn barbier met een scheermes van wel drie voet lengte, uit een ijzeren hoepel van een spekvat gesneden; en de barbiersknecht, die eene kleine tobbe voor inzeepbak droeg. De soort van zeep kon ik niet zien, doch de geur, die er uit opsteeg, overtuigde mij, dat zij niet uit de fabriek van Rimmels voorgangers afkomstig was.

Amphitrite volgde nu in een kar, aan die van haren echtgenoot gelijk, getrokken door zes witte mannen, overeenkomstig het vorige zesspan uitgedost. Deze godin werd vertegenwoordigd door een zwaren, vierkanten kerel, die door de pokken geschonden was, doch vóór dien tijd al leelijk moet geweest zijn; hij was als vrouw gekleed, met eene groote floddermuts op het hoofd en versierd met knoppen van zeegras. De godin droeg een harpoen met een haring er op en had op haren schoot den kleinsten der scheepsjongens als zuigeling gekleed, met lange kleeren en een kindermuts op; deze hield een marlpriem in de hand, aan een eind lijn om den hals vastgemaakt;--dit diende als een hulpmiddel om het doorkomen van de tanden te bespoedigen, zooals men aan wal de kinderen op een stuk ivoor laat bijten. Zijne baker volgde hem met een pot vol brij, waaruit zij hem met den grooten kokslepel voeding aanbood. Twee of drie zware kerels waren als zeenimfen verkleed, behoorende tot de hofhouding der godin: zij droegen een toiletspiegel, eenige boenders voor haar- en tandenborstels, en een pot menie voor blanketsel.

Zoodra de optocht zich reeds van verre aankondigde, kwam de commandant, gevolgd door den hofmeester met een flesch madera en een blad met glazen, uit de kajuit en werden de karren der zeegoden op het halfdek uitgespannen. Neptunus boog zijn drietand voorover en bood zijn dolfijn den commandant ten geschenke aan, zooals Amphitrite haren haring deed, ten teeken van onderwerping en hulde aan den Vertegenwoordiger van den koning van Groot-Brittanje.

»Ik ben hier gekomen," zeide de god, »om u welkom te heeten in mijn gebied en u mijne vrouw en mijn kind voor te stellen." De commandant maakte eene buiging. »Vergun mij te vragen naar de gezondheid van mijnen broeder en wettigen souverein, den goeden, ouden Koning George."

»Hij is niet zoo wel," zeide de commandant, »als ik en al zijne onderdanen wel zouden wenschen."

»Dat is erg jammer," vervolgde Neptunus. »En hoe vaart de Prins van Wales?"

»De Prins is gezond," antwoordde de commandant, »en regeert op dit oogenblik als regent in naam van zijn koninklijken vader."

»En hoe maakt hij het met zijne vrouw?" vroeg de uitvorschende god.

»Dat mocht wel beter," zeide de commandant; »zij kunnen samen over weg, als een walvisch met een hooivork."

»Zoo! dat dacht ik wel half en half," sprak de god van de zee. »Zijne koninklijke hoogheid moest eens een kijkje bij mij nemen; dáár is het nooit twijfelachtig wie de commandeerende officier is."

»En wat is wel Uwer Majesteits huismiddel om een lastige vrouw mak te krijgen?" vroeg de commandant.

»Drie voet van de contra-bas elken morgen vóór het ontbijt, een kwartier lang, maar 's zondags een half uur."

»Hé, waarom 's zondags meer dan door de week?" zeide de commandant.

»Waarom?" herhaalde Neptunus. »Wel, omdat zij dan zeker zaterdagavond gehouden heeft, en ook omdat zij met den zondag minder te doen heeft, en dus meer tijd om over hare zonden na te denken en die te boeten."

»Maar gij zoudt toch niet verlangen, dat een Prins een dame sloeg?"

»Zou ik niet? Neen, niet als zij zich heel netjes gedroeg als een dame; maar als zij veel praats had en niet nuchter wilde blijven, dan zou ik haar dienen zooals ik Amphi doe.--Is 't niet waar, Amphi," vervolgde hij, de godin bij de kin vattende, »op den bodem der zee hebben wij geene boosaardige vrouwen?--En daarom, als gij ze ginds niet in orde weet te houden, zend ze dan maar hierheen."

»Maar Uwer Majesteits geneesmiddel is nog al kras; wij zouden in Engeland een opstand krijgen, als de koning zijn gemalin ging slaan."

»Laat de lords kamerheeren het dan doen," zeide de onvermurwbare god; »en als die te lui zijn, wat ik wel geloof dat het geval is, stuur dan om een bootsmansmaat van de Royal Billy. Ik verzeker u, die zou haar bedienen, en die zou voor een halve kan rum er bij de gardes op den koop toe er horlepijp bij leeren dansen."

»Ik zal niet verzuimen zijne koninklijk hoogheid uw advies mede te deelen, mijnheer Neptunus, doch ik durf niet verzekeren, dat het opgevolgd wordt. Wat zegt gij er van om eens te drinken op de gezondheid van zijne vorstelijke hoogheid?"

»Van ganscher harte, sir; ik ben altijd trouw aan mijn koning geweest, en steeds bereid op zijn welzijn te drinken, en voor hem te vechten."

De commandant bood daarop god en godin elk een glas madera aan.

»Op de gezondheid en het lange leven van onzen genadigen koning en de geheele koninklijke familie. De wegen zijn buitengewoon stoffig, en wij hebben droge lippen, sedert wij van morgen St. Thomas, onder de linie, verlaten hebben. Maar wij hebben geen tijd te verliezen, commandant," zei de zeegod; »ik zie hier een boel nieuwe gezichten, die alle gewasschen en geschoren moeten worden; en als wij ze wat laten bloeden en medecineeren, zullen zij er te beter om zijn."

De commandant knikte toestemmend; en Neptunus met zijn drietand op het dek stampende, beval attentie en sprak zijn gevolg aldus aan: »Luistert goed, mijne Tritons, gij zijt hier gekomen om te scheren, af te spoelen en te genezen, een ieder die zulks noodig heeft; maar ik verlang, dat gij daarbij zachtzinnig zult te werk gaan. Ik duld geene misbruiken; als wij een slechten naam krijgen, is het uit met de klandizie; en de eerste uwer, die aan mijne bevelen ongehoorzaam is, laat ik binden aan een 10-duims mortier en daarmede tienduizend vademen diep in den oceaan zakken, waar hij zich honderd jaren lang vetmesten mag met zeewater en zeegras. En nu aan het werk!" Twaalf politieagenten, met dikke stokken, posteerden zich onmiddellijk bij de luiken, joegen allen op, die nog niet gedoopt waren, en hielden strikt de wacht bij het één voor één aflezen der namen.

Voor het groote bad had men een onderlijzeil, dubbel genomen, gespannen tusschen eenige spieren aan den voorkant van den grooten mast. Eenmaal nat, liet dit zeil slechts weinig water door, werd volgemaakt met putsen en volgehouden door de brandspuit, die tevens diende om elk die uit de handen van den barbier in het bad kwam, met een krachtigen waterstraal te geeselen. De meeste officieren kochten zich vrij van scheren en innemen, door een flesch rum te offeren; maar niemand liep vrij van het nat gooien met zeewater, waarmede men dien dag zeer overvloedig omsprong; zelfs de commandant kreeg zijn aandeel, maar bleef er welgemutst onder en had veel genoegen in de aardigheid. Bij deze gelegenheid viel duidelijk in het oog, wie bij de equipage in gunst stonden, namelijk door den graad van gestrengheid, waarmede zij behandeld werden.

De nieuweling werd, los geblinddoekt, op eene spier van de doopvont geplaatst; de vraag werd hem gedaan, waar hij geboren was, en op het oogenblik, waarop hij den mond tot antwoorden opende, kreeg hij het zeepkwastje van den barbier, eene verfkwast der grootste soort, besmeerd met een onoogelijk mengsel van koolteer en uitschraapsel van de veehokken, in den mond, en langs wangen en kin; vrij onzacht werd dit met het bovenomschreven scheermes afgestreken. De dokter voelde daarop den pols en schreef eene pil voor, die in de wang werd gestopt; daarop werd de ruikflesch, waarvan de kurk met korte naaldenpunten was volgestoken, zoo stevig langs den neus gestreken, dat hij bloedige sporen achterliet. Als dit afgeloopen was, werd de baar, door een lichten duw van voren, achterover in het bad gegooid, waaruit hij maar trachten moest te ontsnappen door een kring van met stokken gewapende saters en de brandspuit, die hem waarnamen tot de komst van zijn opvolger.

De konstabelsmaat, een paar van de korporaals der mariniers en de bottelier werden ongenadig behandeld. De adelborsten, die hun beurt gehad hadden, lagen op de loer voor den eersten officier, doch deze hield zich zoo na aangesloten onder de vleugels van den commandant, dat hij moeielijk te genaken was. Eindelijk was er eenig rumoer in het benedenschip, waar hij op af moest; dit was eene geschikte gelegenheid; wij omringden hem, voorzien van den noodigen watervoorraad, en doopten hem zoo duchtig, dat hij met vaart langs een achtertrap ontsnapte, op weg naar de longroom. Vóór hij in het benedenportaal beland was, ontving hij nog eenige ledige brandemmers, die ons, bij ongeluk natuurlijk, uit de handen geglipt waren, op het hoofd.

De administrateur had zich in zijn hut opgesloten en deze gebarrikadeerd; met zijn degen en pistolen dreigde hij de indringers; doch de adelborsten lieten zich door zulk een kleinigheid niet afschrikken; zij wisten hem er toch uit te krijgen en een buitengewoon stortbad te geven, onder opmerking: dat dit de straf was, omdat hij nooit eens wat drank boven ons rantsoen had willen doen verstrekken. Hij werd daarop met statie naar het bovendek gebracht, het zwaard boven zijn hoofd gehouden en zijne pistolen, hoogst onschadelijk, in een puts met water voor hem uit gedragen; daar werd hij nog eens geschoren, kreeg eene behoorlijke pil in en onderging den reglementairen doop in het zeil, waarna hij als een druipend schoothondje mocht aftrekken.

De eerste luitenant van de mariniers stond te boek als een vervelend mensch; steeds hinderde hij ons door zijn fluitspelen. Zelf geen gehoor hebbende, had hij niet het minste medelijden met het onze; op zijn beurt werd hij naar het bad gebracht; boven alle andere uitspanningen van dien dag, had hij het voorrecht een halve kan zeewater te moeten uitdrinken, dat wij hem door zijn eigen fluit als een trechter ingaven.

Tot zoover ging alles prettig en vroolijk toe; maar spoedig veranderde dit. Een van de voortopsgasten viel overboord; dadelijk werd het alarmsein gegeven en het schip bijgedraaid. Ik vloog naar de kampanje, en ziende, dat de man niet kon zwemmen, sprong ik te water om hem te redden. Door de groote hoogte van mijnen sprong, ging ik er zeer diep in en zag, bovenkomende, een zijner handen. Ik zwom er heen; maar groote God! wat ontstelde ik, toen ik mij midden in een bloedplas zag. In een oogwenk begreep ik, dat wij hier met haaien te doen hadden, en het lot, dat ook mij boven het hoofd hing. Ik was zoo verstijfd van schrik, dat het mij verwondert toen niet dadelijk gezonken te zijn van den angst. Het schip, dat voor het opsteken zes à zeven mijl geloopen had, was nog een heel eind doorgedwaald en zoover af, dat ik mij verloren waande. Ik had bijna het denkvermogen verloren door de nabijheid van den dood in zijne vreeselijkste gedaante. Toch kreeg ik nog een helder oogenblik, waarin mijne daden in de laatste vijf jaren in ééne minuut mijne herinnering doorliepen. Vurig bad ik en beloofde beterschap, als God mij het leven mocht sparen. Mijn gebed werd verhoord. Ik was reeds eene mijl van het schip af, toen ik opgepikt werd; toen de sloep met mij op zijde van het schip kwam, zwommen er drie groote haaien onder den spiegel. Deze hadden den armen matroos verslonden en hadden, gelukkig voor mij, in de hoop van meer buit, het schip gevolgd en mij dus voorbij gezien.

Toen ik den valreep opkwam, werd ik door den commandant en de officieren op de meest vleiende wijze verwelkomd; de eerste dankte mij ten aanhoore van de geheele bemanning voor mijn prijzenswaardig gedrag, en ik werd door allen aangestaard als een voorwerp van belangstelling en bewondering; maar terwijl anderen mij zoo beoordeelden, was ik inwendig niet zóó voldaan. Ik ging naar omlaag, in een niet te beschrijven stemming van zelfverwijt en eigen minachting, en gevoelde mij de genade, die mij bewezen was, onwaardig. Mijne vroegere schandelijke levenswijze stond, met de zwartste kleuren geteekend, in alle duidelijkheid voor mijnen geest. Ik had de overtuiging een verhard en onverbeterlijk zondaar te zijn.

Van kleeding verwisseld hebbende, was ik blijde, toen de invallende nacht mij aan mijne overpeinzingen overliet. Deze werden er echter niet vroolijker om. Ik zag in, dat ik alleen deugdzaam was, zoolang de gelegenheid om te zondigen ontbrak. Nog jaren daarna stond mij het schrikbeeld van een grooten haai voor den geest, met wijdgeopenden bek, op het punt mij bij het been te vatten, en naar de diepte mee te sleuren.--Ware ik destijds onder die gunstige indrukken slechts in goede handen gevallen!

Onze genoegens in de konstabelskamer waren van een zeer ruwe soort en bestonden grootendeels uit aardigheden onder elkander, waartoe veel krachtsinspanning noodig was. Menigeen kreeg onder zulk spel een schop of klap; doch in de vroolijkheid werd daarop minder gelet. Eens werd ik bij zulk eene gelegenheid hevig aangevallen door een der oudste adelborsten, die zich bij den konstabel-majoor bedronken had, daarop bij ons binnenkwam en niet wist wat er gaande was. Daarop van mij een fikschen stomp tusschen de oogen ontvangende, was hij achterovergeslagen, midden tusschen het tafelservies, dat op dek stond in afwachting van weggeborgen te worden. Woedend om het daarop gevolgd gelach en de pijnlijkheid van den ontvangen slag, pakte hij eene vleeschvork op, en voordat iemand wist, wat hij in den zin had, stak hij mij daarmede vier malen. Ik vloog op om hem te straffen, maar zoodra ik overeind was, gevoelde ik mij te stijf om mij te bewegen en viel in de armen mijner kameraden.

De dokter onderzocht de wonden, die zeer ernstig waren; twee waren rakelings aan een slagader. Ik werd naar mijne kooi gebracht, die ik in geene drie weken kon verlaten. De dader had, toen hij nuchter was, diep leedwezen over het gebeurde en smeekte mij om vergeving. Uit mijn aard goedhartig, en ontwapend door zijne onderwerping, schonk ik hem vergiffenis. De dokter meldde mij ziek aan de koorts, wat op zichzelf waar was; had de commandant de ware toedracht van zaken gekend, dan zou onze jonker, wiens promotie al geteekend aan boord was, om bij onze aankomst op de Bermudas uitgereikt te worden, zeker niet benoemd zijn. Mijne goedheid wondde hem, geloof ik, meer dan mijne wraakzucht zou gedaan hebben; hij trok zich het gebeurde sterk aan, schafte den drank af en toonde zich later zeer aan mij gehecht. Ik beschouw dit als eene der goede daden van mijn leven en erken, dat ik er met groot genot aan terugdenk.

Na het konvooi op 10o Noorderbreedte aan zijn lot te hebben overgelaten, kwamen wij spoedig op de Bermudas aan. De bovenrols-adelborsten werden allen naar hunne eigen schepen gezonden; en vóór wij van elkander scheidden, hadden wij het genoegen den eersten officier met een naar Engeland bestemd schip te zien vertrekken. Met den goeden uitslag van onze krijgslist wenschten wij elkander geluk.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

De Bermudas hebben iets zoo bijzonder schoons, dat men die eilandengroep voor eene verblijfplaats van nimfen zou aanzien. Zij bestaan uit rotsen, door een koraalrif omgeven, en heeten in aantal overeen te komen met de dagen des jaars. Zij zijn bedekt met laag groen en donkere ceders, waartusschen lage witte huizen, met een vroolijk en bevallig aanzien; de ankerplaatsen zijn talrijk, doch hebben weinig diepte, en mogen er al veel vaarwaters tusschen de eilanden zijn, er is slechts een voor groote schepen dat naar de voornaamste haven leidt.

Talrijke grotten, waarvan het gewelf schittert van prachtig druipsteen, in allerlei grillige vormen neerhangende, zijn op vele van de eilanden aanwezig. Weer elders treft men fonteinen en bronnen aan van het helderste en koelste water. De zeelieden hebben het bijgeloof, dat deze eilanden op de zee drijven en dat de onderkorst zoo broos is, dat men weinig inspanning noodig heeft om er door te breken. Een matroos, die wegens wangedrag en dronkenschap in de wacht was gezet, stampte op den grond en schreeuwde de soldaten bij elkaar. »Laat mij er uit, of voor den d..... ik stoot een gat in den bodem, laat je eiland zinken en stuur jelui allemaal de hel in." Overal tusschen de eilanden vindt men klippen en riffen, doch het menigvuldigst komen zij voor aan de Noord- en Westzijde. Bij de inlandsche loodsen zijn ze alle bekend en doen dienst als een versperrend bolwerk tegen verrassing en nachtelijken overval.

Groot is de verscheidenheid aan visch in deze wateren, schoon voor het oog en heerlijk van smaak; de roode klipvisch is van deze het beste. Wanneer men op een kalmen, zonnigen dag, in een bootje tusschen deze bekoorlijke eilanden drijft, is het alsof men vaart boven een onderzeeschen tuin, vol bloemen van velerlei kleur; boomstammen, varens, struiken, reusachtige bloemkolen schijnen daar in rechte verwarring tusschen zandpaden ingeplant te zijn. Het is inderdaad eene prachtvolle schilderij, waarnaar men uren lang kan blijven staren.

Mijn voornaamste bezigheid was altijd op het water, en natuurlijk trok dit mij te meer aan, naarmate het gevaar er aan verbonden grooter was. Hierdoor zag ik dan ook met verlangen naar de walvischvangst uit, waarvoor de tijd thans naderde. De woestheid van dezen visch, op zulke zuidelijke breedte, schijnt vermeerderd te zijn door de warmte van het klimaat en de zorg voor de jongen; om deze redenen is zeker het gevaar bij de vangst grooter dan in de poolzeeën.

Naar hetgeen ik heb kunnen te weten komen van de natuurlijke historie van den walvisch, brengt deze zijne jongen, zelden meer dan een te gelijk, in de noordelijke streken ter wereld. Daarna zoekt de moeder, met het jong naast zich, een zachter klimaat op, om het groot te brengen. Gewoonlijk bereiken zij de Bermudas tegen medio Maart; blijven daar enkele weken, bezoeken dan de West-Indische eilanden om dan weder zuidwaarts te trekken en om Kaap Hoorn door de Beringstraat weer naar de Noordelijke IJszee, die zij den daaropvolgenden zomer bereiken, terug te keeren. De jonge walvisch, die in de warmte krachtig en groot is geworden, kan in het noorden zijne vijanden staan en paart daar weder. Uit eigen ervaring en onderzoek, ben ik vrij zeker, dat dit eene juiste omschrijving is van de zwerftochten van deze beesten en dat de wijfjes met hare jongen jaarlijks de reis maken rondom de beide grooten deelen van Amerika.

De moederlijke zorg van de walvisch maakt haar eene gevaarlijke tegenpartij, en ernstige ongelukken komen bij de vangst veelvuldig voor. Eens had ik het voldoen aan mijne nieuwsgierigheid bijna met mijn leven moeten boeten.

Ik maakte een tocht in een der walvischbooten mede. De boot werd geroeid door kleurlingen, inwoners van het eiland, die zeer ondernemend en bekwaam in de vangst zijn. Wij zagen een walvisch, die met haar jong rondom de koraalklippen speelde; het was werkelijk aandoenlijk om te zien, hoeveel oplettendheid zij haar jong schonk en hoe zij zorgde om het voor gevaren te waarschuwen. Zij geleidde het weg van de booten, zwom er omheen, deed soms als wilde zij het met de vinnen omvatten en rolde er mede rond in de golven. Wij slaagden er in eene gunstige standplaats in te nemen, door aan de zeezijde van haar te komen, en haar zoo tusschen de rotsen in ondiep water te drijven. Ten laatste kwamen wij zoo dicht bij het jong, dat de harpoenier zijn wapen reeds richtte, wetende dat als het kind eenmaal getroffen was, de moeder, die het nooit verlaten zou, in onze macht zou zijn. Het dreigende gevaar, waarin haar onervaren afstammeling verkeerde, bemerkende, zwom zij er snel rondom heen, in steeds kleiner kringen, daarbij den grootsten angst aan den dag leggende; doch de ouderlijke vermaningen waren vruchteloos, en het jonge dier ontging zijn noodlot niet.

De boot wist den kleinen visch nabij te komen en de harpoenier wierp hem zijn vreeselijk wapen tusschen de ribben, diep in het vleesch. Zich gewond voelende, ontvluchtte ons het arme dier, een honderd vadem lijn achter zich medetrekkende; doch een jonge visch, die eens goed geraakt is, legt het spoedig af. Dit bleek ook hier; niet zoodra was de lijn strak gekomen, of hij kwam op de oppervlakte van het water, draaide zich op den rug en bleek dood te zijn. De bedroefde moeder wilde het lijk niet verlaten, getrouw door een instinct dat sterker was dan de rede.

Wij haalden de lijn in en kwamen daarop dicht bij onze prooi, juist toen van eene andere boot de harpoen den grooten visch had getroffen. De staart van het woedende dier kwam met zulk eene onweerstaanbare kracht op het midden van onze boot terecht, dat deze door midden brak en twee man doodgeslagen werden; wij overigen zwommen naar alle richtingen om ons leven te redden. De walvisch zwom nu op de derde boot aan; doch werd in hare vaart gestuit door de lijn van den harpoen; zij sleepte daaraan de tweede boot met eene 10 mijls vaart door het water; en had zij zich in de diepte bevonden, dan zoude zij deze mede naar beneden getrokken hebben, tenzij men er tijdig de lijn afsneed.

Beide booten hadden het zoo druk met zichzelf, dat zij een tijdlang niet ter onzer hulp konden komen; wij waren dus langer, dan ik aangenaam vond, aan onze eigene krachten overgelaten. Ik was op het punt om naar den jongen walvisch te zwemmen, toen een der roeiers mij daartegen waarschuwde, zeggende dat er wel zooveel haaien in den omtrek zouden zwerven als men rechtsgeleerden om Westminster Hall telt, en dat ik er stellig bij zou zijn als ik ze te na kwam; tot mijne geruststelling voegde hij er bij: »Die duivels zullen zelden een mensch pakken, als zij iets anders kunnen krijgen". Hoe waar dit ook zijn mocht, moet ik erkennen dat mijne blijdschap groot was, toen ik eene der booten tot onze redding zag opdagen, terwijl de moeder-walvisch, verward geraakt in de lijn, nog steeds den harpoen in het lijf gevoelende, uitgeput door bloedverlies, dat als eene zwarte fontein opspoot, haar jong naderde en aan zijne zijde stierf, nog tot het laatste oogenblik toe méer om haar kind dan om zichzelf denkende.