Frank Mildmay, De zeeofficier

Chapter 13

Chapter 133,871 wordsPublic domain

Opmerkelijk was de bijzonderheid, die den dood van den commandant van een der vernielde Fransche schepen vergezelde. Deze hoofdofficier was van boord afgehaald door een der sloepen van ons fregat, doch zich herinnerende, dat hij op zijn schip zee-instrumenten van groote waarde had achtergelaten, verzocht hij onzen bevelhebber met hem in de giek te gaan, om ze weg te halen vóór het vaartuig geheel uitbrandde. Dit gebeurde; daar de giek in gewone omstandigheden, slechts voor één persoon plaats aanbood, zaten de beide officieren, dicht tegen elkaar aan op een plankje van twee voet lang, dat over het achterboord voor hen was neergelegd. Toen zij een van de in brand staande Fransche schepen voorbijvoeren, gingen daar aan boord, achtereenvolgens naarmate zij door het vuur bereikt werden, de kanonnen af; door een groot toeval nam een dier kogels de plank onder de beide kapiteins weg; de Engelsche kreeg geen letsel, doch de Franschman werd door de splinters, die hem in 't lijf drongen, gedood. Later op den avond werden de op het strand zittende Fransche linieschepen mede in brand gestoken en gaven een schitterende, doch zeer kostbare verlichting. Wij lagen er dicht genoeg bij, om de splinters, die er van af vlogen, op ons dek te krijgen.

Onder onze gesneuvelden was een Hollander, bootsmansmaat van beroep, wien vergund was zijne vrouw bij zich aan boord te hebben; met die wederhelft had hij nog al dikwijls overhoop gelegen, zoodat zij een eigenaardig soort van eerbied had gekregen voor den stok, dien haar man in zijne kwaliteit verplicht was altijd te dragen; met allen eerbied voor de schoone sekse, moet ik verklaren, dat de meeste kastijdingen, die zij op die wijze ontving, wel verdiend waren. Toen een kanonskogel haren wettigen beschermer het leven had benomen, zat zij diep bedroefd naast zijne verminkte overblijfselen en deed zeer vele totaal vruchtelooze pogingen om te weenen; een traan uit het eene oog biggelde langs hare wang en verloor zich weder in den mond, een traan uit het andere oog nam tegelijkertijd eene evenwijdige route, doch was niet lijvig genoeg om het zoover te brengen, stopte halverwege, vermengde zich met den rook en kruitdamp, die ons omringde, vormde een klein zwart eiland op haar gelaat en schonk daardoor haar heldhaftige smart een echten rouwtraan. Van dit bewijs harer echtelijke genegenheid wilde zij zich eerst den volgenden dag ontdoen, toen de laatste treurige eer aan haar getrouwen Achilles was bewezen geworden; toen waschte zij zich het gelaat en vond hare oude glimlachjes weder.

Wij kregen in last met brieven naar Spithead te zeilen, en lang vóór wij aldaar aankwamen, had zij reeds den sergeant der mariniers tot den gelukkigsten aller stervelingen gemaakt door de belofte met hem te zullen trouwen vóór wij op onzen volgenden kruistocht naar zee zouden gaan, een belofte die eerlijk vervuld werd.

Er was aan boord eene plaats voor adelborst opengekomen, die de commandant mij aanbood. Vol blijdschap nam ik die aan, te meer daar ik vernomen had, dat ons fregat deel zoude uitmaken van de op handen zijnde Schelde-expeditie.

ELFDE HOOFDSTUK.

Voor dezen nieuwen tocht was in Portsmouth en in Spithead alles druk in de weer. Het krioelde aan den wal van soldaten en in de havens van transportvaartuigen. Ons fregat zou vooruitzeilen; doch onze dappere en beminde commandant werd tot ons leedwezen door een ander vervangen. In het laatst van Juli zeilden wij uit, met twee kanonneerbooten op sleeptouw, die wijzelf moesten bemannen. Van eene daarvan vroeg en verkreeg ik het commando, ten volle zeker dat ik op die wijze meer te doen en een vroolijker leven zou hebben, dan indien ik aan boord van het fregat bleef. Wij konvooieerden een veertig of vijftig transportbooten, die de cavalerie aan boord hadden en brachten deze veilig ter hoogte van Cadzand ten anker.

Het weer was prachtig en de zee kalm; geen oogenblik liet men verloren gaan voor het ontschepen van troepen en paarden; het was een aardig gezicht. Eerst werden de ruiters den wal opgebracht met hunne zadels en tuigen; toen gingen de paarden overboord, geheschen in matten, die men dadelijk kon laten slippen, als zij te water waren; als zij zich vrij gevoelden, zwommen zij naar het strand, waar zij luid hinnekende aankwamen. Over den afstand van eene kwart mijl hadden wij te gelijk drie à vier honderd paarden, naar den wal zwemmmende, alwaar hunne ruiters hen ongeduldig stonden op te wachten. Nooit zag ik iets zoo schilderachtigs.

De dienst op de kanonneerboot viel mij niet erg mede. Wij moesten, onder voortdurend alarm, bij Bath station houden. Toen later Vlissingen zich overgaf, kregen wij de handen wat ruimer en besteedden toen onzen tijd aan de zorg voor onze tafel, welke reeds lang aan verschillende voorname zaken gebrek had gehad. Ons meeste geld hadden wij belegd in champagne en rooden wijn, waarmede wij niet zuinig omsprongen; wij konden bij gevolg maar weinige guldens missen voor den aankoop van hoenders en rundvleesch. Bovendien waren deze artikelen voor geld niet eens te krijgen; wij konden er alleen aan komen langs denzelfden weg, waardoor het geheele eiland Walcheren in ons bezit was geraakt, n.l. door kruit en lood. Het boerenvolk was zeer ruw en vrekkig en niet eens tot ruilhandel genegen; daar wij trouwens ook niets in ruil te geven hadden, bespaarden wij ons de moeite van te onderhandelen. Door eene ongelukkige kortzichtigheid, die ons overviel, zagen wij dikwijls kalkoenen voor fazanten, kippen en hanen voor patrijzen, eenden en ganzen voor hunne wilde stamverwanten aan. Ons geweten had ons verzoend met de vergunning, die wij namen om op dat wild te jagen; onze weitasschen waren ruim als ons geweten,--de nauwkeurigheid van ons schot geëvenredigd aan onzen eetlust.

De boeren gingen er spoedig toe over hun pluimgedierte in de hokken te houden en ons in verschillende talen te verwenschen. Het werd nu zeer moeielijk en soms gevaarlijk om uit fourageeren te gaan. Eens met een troepje aan den wal zijnde, had ik bij ongeluk een kogel op mijn jachtroer geladen en schoot evenzeer bij ongeluk een kalf van vier maanden, dat ik voor een hert had aangezien. Dit was eene vergissing, die den beste had kunnen overkomen. Het beest was te zwaar om het zoo mede naar boord te nemen; ergo hakten wij het door midden, niet in de lengte van voren naar achteren, zooals onze stomme slagers doen, maar dwars over de ribben, wat wel zoo gemakkelijk is en het dragen vereenvoudigt. De voorste helft, met kop en al, stopten wij onder den grond voor den volgenden avond, de achterhelft namen wij mede.

Onze handeling werd gezien en zoo goed mogelijk nagegaan op eene andere kanonneerboot, waarvan de bemanning alle reden had om even hongerig te zijn als wij; zij wisten een mijner matrozen te pakken te krijgen, die dwaas genoeg was, om ter wille van een pint grog de kat uit den zak te laten. De kerel vertelde waar wij de andere helft gestopt hadden, en die oneerlijke schavuiten gingen er op uit met bedoeling om deze voor zichzelf in te rekenen; maar zij waren niet slim genoeg en liepen er, zeer verdiend voor hunne inhaligheid, leelijk in. De boer, aan wien het kalf toebehoorde, was gewaarschuwd geworden. Hij begreep, dat wij het begraven halve beest zouden komen weghalen en had op die hoogte eenige soldaten in hinderlaag gelegd; dientengevolge werd het volk van de andere boot, die na donker er op uitgingen om den buit te halen, bij het opgraven overvallen, in arrest genomen en met achterlating van het kalfsvleesch, naar het Engelsche hoofdkwartier overgebracht.

Terwijl de gevangengenomenen onder beschuldiging van rooverij, waarvan later de waarheid bewezen werd, naar boord van het vlaggeschip werden gezonden, namen wij ons halve kalf zonder stoornis in bezit. Toen bij het onderzoek aan het licht kwam, dat wij eigenlijk de hoofdschuldigen waren, baatte hun dit slechts weinig. Alleen werd toen ook onze boot geïnspecteerd, wat wij voorzien hadden. Tijdig hadden wij het vleesch in een zeildoekschen zak met een lijn er aan overboord in drie vademen water laten zinken; daar bleef het liggen tot het nazoeken was afgeloopen, werd toen opgevischt en maakte, smakelijk toebereid, den hoofdschotel van een flink middagmaal uit, waarbij wij op den voorspoed van 's konings wapenen te land en ter zee menig glas ledigden.

Niet lang daarna werd ik door de Zeeuwsche koortsen aangetast en met een der linieschepen naar huis teruggezonden. Misschien was die ontknooping maar de gelukkigste voor mij, want daar ik mijne oude streken niet zoo gemakkelijk kon afwennen, zou ik mogelijk tot groot verdriet van mijne vrienden en tot teleurstelling van den lezer dezer gedenkschriften, nog vóórdat het tweede meer boeiende gedeelte daarvan beginnen kon, een plotseling einde aan mijn schitterende loopbaan hebben zien maken, door een krijgsraadsvonnis, dat mij naar de galg verwees voor het stroopen op het erf van een Walcherschen boer. Bovendien bleken die Hollanders de vrijheid niet waardig te zijn,--daar zij ons zelfs eenige kippen en een stuk kalfsvleesch misgunden! aan ons, die speciaal waren overgekomen om hen van het juk van den overweldiger vrij te maken! Van Zeeland nam ik niet vele schoone indrukken met mij mede: laag moerassig land, onmogelijk drinkwater, zware mist en nattigheid, alles misschien zeer geschikt voor het volk, dat er woont, maar minder bruikbaar voor een Engelsch gentleman, als er geene Franschen dood te schieten waren, of de vrije jacht gesloten was, wat spoedig plaats vond na de overgave van Vlissingen.

Ik keerde thans weer naar mijns vaders huis terug, ten einde door mijne zuster opgepast te worden en de buren verbaasd te doen staan bij het verhaal onzer verwonderlijke heldendaden.

Mijn verblijf aldaar duurde echter niet langer dan noodig was om weer op krachten te komen van den ernstigen koortsaanval, waarmede ik aangekomen was. Hoewel mijn vader mij vriendelijk ontving, bleek het mij toch, dat hij het vroeger gebeurde niet geheel en al had kunnen vergeten. Er bleef altijd een soort van wantrouwen bij hem bestaan, dat de innigheid, die onzen omgang had behooren te kenmerken, voortdurend verstoorde.

Toen dan ook de dag naderde, waarop ik weer geplaatst was aan boord van een fregat, dat in de Noord-Amerikaansche wateren gestationneerd zou worden, waren beide partijen tevreden.

Mijn nieuwe schip werd gecommandeerd door een edelman; en daar te dier tijde de hoogere standen in den zeedienst slecht vertegenwoordigd waren, werd mijne benoeming als een buitenkansje beschouwd. Naar mijne nieuwe bestemming verkreeg ik, met nog een dertigtal andere adelborsten, passage aan boord van een naar de Bermudas bestemd linieschip. Aan ons, die in de bovenrol geplaatst waren, werd de konstabelskamer tot verblijf aangewezen, terwijl de adelborsten van het schip hun eigene voorlongroom met twee aangrenzende hutten behielden.

Onder zooveel jongelieden, uiteenloopend van afkomst en bestemming en op verschillende tijdstippen aan boord gekomen, bleek het hoogst moeielijk een goed geordende tafel samen te houden. Spoedig na mijn aankomst vertrokken wij, en zoolang de reis duurde, moesten wij meerendeels van het scheepsrantsoen leven. Het heeft mij altijd verwonderd, hoe aan een bak van tien, twaalf matrozen of mariniers het rantsoen voldoende werd bevonden voor den tijd, dien het duren moest. Met adelborsten, in gelijken getale, kwam dit nooit behoorlijk uit, en hoe talrijker hun tafel was, des te meer was er te kort. Nooit hadden zij genoeg, nooit waren zij tevreden, en had de administrateur er niet een stopper opgezet, dan zouden zij bij den bottelier altijd voor meel, vleesch, spek en drank in het krijt gestaan hebben. Zoo iets is alleen aan groote zorgeloosheid en wanbeheer van de tafel toe te schrijven en bij ons bestond dit in zeer hooge mate. Onze huiselijke regeering was zeer democratisch; doch somtijds had de gamelle-chef weer de grootste macht, die hij òf misbruikte, òf vermoed werd te misbruiken, waarna hij afgezet werd, of wel met tegenzin zijne betrekking zelf nederlegde, als hij die pas een paar dagen had bekleed.

De meeste mijner kameraden waren jongelieden, ouder dan ik in dienst, die hun examen reeds achter den rug hadden en naar Amerika medegingen om, aldaar aangekomen, promotie te maken. Hoe het komt, weet ik niet,--misschien omdat de meesten er tengerder dan ik uitzagen, of dat het bleek, dat ik een beter dienstdoener was,--maar de eerste officier maakte mij, met voorbijgang van anderen, den tweeden persoon op eene wacht, waardoor zij onder mijne bevelen kwamen.

In de konstabelskamer werd dikwijls de vrede verstoord, en dit voornamelijk omdat er eten tekort kwam. Soms werden hierover hevige gevechten gehouden, waarin ik mij nooit mengde, doch die mij de overtuiging schonken dat, als het op boksen moest uitdraaien, ik voor geen hunner zou behoeven onder te doen.

Het baantje van gamelle-chef was onbezoldigd en volstrekt toch geen eerepost, het werd vrijwillig aanvaard en met onverschilligheid weder neergelegd bij de minste kleinigheid. Met het scheepsrantsoen toe te komen, dat zou de beste niet hebben kunnen ten uitvoer brengen. De verdeeling van het vleesch en spek naar het aantal monden liep altijd vast uit op aanmerkingen, standjes en slagen. Ik, die daar geene ruzie voor overhad, nam altijd genoegen met mijn aandeel; maar ik begon nu ook te bemerken dat men misbruik ging maken van mijne inschikkelijkheid en mijne portie dagelijks kleiner werd. Toen nu reeds de dertiende chef zijne betrekking had neergelegd, bood ik mij daartoe aan en werd met blijdschap aangenomen.

De gevaren en moeielijkheden van het baantje kennende, was ik er op voorbereid. Op den eersten dag, dat ik de provisiën verdeelde, droeg ik uitstekende zorg voor no. 1, en werd, zooals te verwachten was, door twee of drie anderen aangevallen over het leeuwenaandeel, dat ik van den buit had genomen. Hierop hield ik eene korte aanspraak, bewerende dat, als zij meenden, dat ik de moeite van het gamelle-chefschap voor niets op mij genomen had, zij het geheel mis hadden; dat het kleine verschil, dat er bestond tusschen mijn aandeel en dat van elk hunner, over den geheelen troep verdeeld, niet eens voldoende zou zijn om er eene holle kies mede te vullen; en dat ik, nadat het mijne er afgenomen was, al de rest zoude verdeelen met de striktste onpartijdigheid en billijkheid.

Deze zeer redelijke toespraak was niet voldoende. Ik werd uitgedaagd om het geschil door een bokspartij te doen uitmaken; twee liefhebbers deden zich op. Ik stelde voor om er om op te gooien, wie de eerste zou zijn; spoedig den winner verslagen hebbende, gaf ik hem in overweging naar zijne plaats terug te keeren. De tweede stapte nu vooruit, er op rekenende, dat hij, nu ik reeds een gevecht achter den rug had, gemakkelijk met mij klaar zou komen; maar dat was mis; hij kreeg nog beter pak dan zijn voorganger. Den volgenden dag nam ik zitting, geheel klaar voor den strijd met jas, vest en halsdoek af. Ik merkte op, dat ik van plan was om evenzoo te doen als vroeger; maar er werd niet meer geklaagd, en ik bleef gamelle-chef tot op den dag dat ik van boord ging, en wel op tweederlei grond: ten eerste bij keuze, en ten tweede volgens het recht van den sterkste.

Nog niet lang waren wij in zee, toen wij ontdekten, dat onze eerste officier een vreeselijke tiran, een ruwe kerel, een dronkaard en veelvraat was met een langen rooden neus en een ontzagwekkenden buik; hij zag er niets in om de groote adelborsten bij het half dozijn te gelijk naar de bramzaling te zenden. Ik nam mij voor dien man uit het schip te werken, deelde dit plan mijne kameraden mede en verzekerde hen van den goeden uitslag, indien zij trouw met mij medewerkten. Zij lachten mij uit; doch ik hield vol en beloofde het hem te zullen leveren, als zij maar zorgden elken dag eene lichte bestraffing of vermaning van »Neusje" op te loopen. Dit beloofden zij, en zoo ging er dan ook geen dag voorbij, of zij werden trouw het tuig ingezonden of op strafwacht gezet.

Zij brachten verslag hiervan uit en vroegen mij, wat nu verder te doen viel. »Beklaag u bij den commandant," zeide ik. Dit deden zij, doch kregen ten antwoord, dat de eerste officier overeenkomstig zijn plicht had gehandeld. Dezelfde aanleiding gaf dagelijks dezelfde gevolgen; wanneer de adelborsten hun beklag indienden, werden zij in het ongelijk gesteld. Ten laatste merkten zij op mijne aanwijzing bij den commandant op: »Het helpt ons toch niet, als wij klagen, kolonel; u trekt toch altijd partij voor Mr. Clewline." Inderdaad gaf de commandant, uit een gevoel van behoorlijkheid, steeds, wanneer zulks mogelijk was, de superieuren gelijk, wetende dat negen van de tien keeren de jonkers de schuld hadden.

De zaak marcheerde naar wensch; de adelborsten gingen voort zich te misdragen,--beklaagden zich en verklaarden, dat de eerste officier onwaarheid vertelde. Een tijdlang geraakten eenigen hunner uit de gunst van den commandant; maar ik moedigde hen aan dit te verdragen, evenzeer als de toenemende gramschap van »Neusje." Eens begonnen twee adelborsten, volgens afspraak, op de lijloopplank te vechten. In die dagen was dit al haast een misdrijf om voor gehangen te worden; zij werden drie uren lang met zitten op de bramzaling gestraft. Omlaaggekomen, vroegen zij mij weder wat nu te doen. »Ga u weer beklagen," zeide ik. »Als de eerste officier er bij komt om te zeggen, dat ge aan 't vechten waart, zeg dan aan den commandant, dat gij alleen toonen wildet, hoe de eerste officier gisteren bij het ophijschen der marszeilen, het volk liet mishandelen, en hoe hij dien marinier bij het afloopen van de kuiltrap op zijn hoofd sloeg." Woordelijk werd dit opgevolgd. De adelborsten kregen eene nieuwe vermaning; maar de commandant begon toch te denken, dat er van die herhaalde en met den dag sterker wordende klachten wel een en ander waar kon zijn.

Eindelijk waren wij in de gelegenheid hem den coup de grace te geven. Een ongeluk van een jongen aan boord, die voor zijne vuilheid al dikwijls slaag, over een kanon vastgebonden, had gekregen, was zoo verhard, dat hij niets meer gaf om de slagen, die de eerste officier hem met het eind touw door den bootsman liet toedienen. »Ik zal het je bij dit en dat laten voelen!" riep de eerste officier in zijn woede; daarop liet hij eene puts met zeewater brengen en, na elken slag, den jongen op de geraakte plek daarmede besprenkelen. Deze verfijnde wreedheid, het karakter van een officier en gentleman zoo onwaardig, hinderde ons allen, en gezamelijk naar de konstabelkamer gaande, gaven wij in koor drie luide jammerkreten. Dit klonk hoogst zonderling; het werd in de longroom gehoord, en de eerste officier zond eene boodschap om te verzoeken, dat wij stil zouden zijn. Tot antwoord gaven wij drie nieuwe schreeuwen, zoodat hij in groote woede naar het halfdek vloog, waar wij allen verschijnen moesten en de reden van het leven, dat wij maakten, moesten opgeven. Tot op dat oogenblik had ik mij steeds op den achtergrond gehouden, zeer tevreden de poppen zoo goed aan het dansen gebracht te hebben. Ik had altijd juist bijzonder goed mijn dienst gedaan en geene aanleiding tot klachten gegeven; toen ik dus bij deze gelegenheid vooruittrad, maakte dit een schoon tooneeleffect en was van groote beteekenis.

Ik vertelde den eersten officier, dat wij jammerden over den armen jongen, die bepekeld en mishandeld was geworden. Dit vermeerderde niet weinig zijne woede en hij gelastte mij om naar de bramzaling te gaan. Ik weigerde hieraan te voldoen, vóór ik den commandant gesproken had, die juist op dat oogenblik aan dek verscheen. Onmiddellijk liep ik op dezen toe, vertelde de geheele geschiedenis, niet verzuimende daarbij de herhaalde tirannieke handelingen van den eersten officier tegen ons in het helderst daglicht te stellen. Ik zag dadelijk, dat wij ons doel bereikt hadden. De commandant had de strengste bevelen gegeven, dat er, zonder zijn uitdrukkelijken last, geene lijfstraffen mochten uitgedeeld worden. Dit bevel had de eerste officier niet opgevolgd; hierom en doordien hij algemeen gehaat werd, was zijn lot beslist. De commandant ging de kajuit weder in en vertelde des anderen daags aan den eersten officier, dat hij bij aankomst in de eerste haven te kiezen had tusschen van boord gaan of voor een krijgsraad getrokken worden, wel wetende, dat hij zich aan het laatste niet zou durven wagen.

Ik heb verzuimd mijnen lezers mede te deelen, dat onze instructie luidde: het Oost-Indische konvooi tot op tien graden Noorderbreedte te geleiden en eerst dán naar de Bermudas te stevenen. Dit was op zichzelf een aangename kruistocht en leverde kans op met den vijand samen te treffen of den een of anderen prijs te hernemen. Schepen, die niet voornemens zijn de linie te passeeren, geven gewoonlijk een feest aan de bemanning bij het voorbijgaan van den Noorderkeerkring; het is de bedoeling, daarmede den goeden geest levendig te houden en eenige afwisseling te geven in de eentonigheid van kruistocht of reis, waar anders de dagen elkander zoo volkomen gelijk opvolgen, dat men den tijd uit het oog zou verliezen. Onze commandant, nog jong en vroolijk van aard, die graag zijn volk genoegen gunde, voor zooverre dit met de tucht en de veiligheid van het schip bestaanbaar was, stond toe, dat het Neptunusfeest gevierd zou worden, omdat wij veilig in het hartje van den passaatwind voeren en er geen kans op weersverandering of buien bestond.

Reeds dikwijls is de plechtigheid van het passeeren van de linie beschreven; maar er is verschil in de wijze, waarop het gevierd en verteld wordt; ons feest had zijne eigenaardigheden en eindigde, het spijt mij het te moeten zeggen, in een treurspel, dat ik nimmer kan vergeten.

Des avonds vóór het feest hoorde men door eene vreemde stem, die als van buiten het schip scheen te komen, praaien: »Schip O hoy!" De officier van de wacht liet den commandant met deftigen ernst van die omstandigheid kennis geven. Deze kwam met den scheepsroeper gewapend naar boven en antwoordde, als gold het een vreemd vaartuig: »Ai Ai."--»Wat schip is dat?" klonk het weder van uit de fokkerust, en nu had van voren naar achteren een samenspraak plaats, waarvan het gevolg was, dat Neptunus, die het schip had aangeroepen, vergunning kreeg des anderen daags aan boord te komen, ten einde de »baren" op zijn gebied in te wijden. Neptunus nam voorloopig weer afscheid en verdween in de groote schelp, waarin hij bij het schip was gekomen, voorgesteld door een brandende teerton, die nog lang daarna in het kielwater zichtbaar bleef.

De volgende morgen brak, zooals te verwachten was, met het schoonste weder aan. Het dagelijksch morgenwerk werd met spoed afgedaan en de bemanning kleedde zich in het wit en zoo luchtig mogelijk. Toen alles gereed was, terwijl een groot zeil, dwars over het dek gespannen, allerlei geheimzinnigheden bleef verbergen, werd de plechtigheid van het aanpraaien van het schip nog even herhaald, om Neptunus aan boord te doen komen. De onderzeilen werden daarvoor geborgen en het groottuig tegengebrast, om de vaart van het schip te verminderen.

Zoodra wij bijgedraaid lagen, trad een in zwarten rok gekleed jongmensch (een der matrozen) met gepoederde pruik en driekanten hoed op het hoofd, het halfdek op en maakte een zeer beleefde buiging voor den commandant, mededeelende dat hij de opperste lijf-geheimsecretaris van Zijne Majesteit Neptunus was, zijnen meester vooruitging en voor dezen vergunning verzocht zich met zijnen staf te vertoonen.

Het zeil opende zich en de volgende zonderlinge stoet kwam in optocht het halfdek op: