Frank Mildmay, De zeeofficier

Chapter 12

Chapter 124,068 wordsPublic domain

Toch was ik verre van oprecht tegenover dat meisje geweest. Toen ik haar geschenk aannam, na zoovele plechtige betuigingen van mijnen kant, was eigenlijk mijn hart verdeeld tusschen haar en de bekoorlijke actrice, waarmede ik den eersten avond van mijn verblijf in de herberg had kennis gemaakt. Deze laatste toch was de groote aanleiding, dat ik mij bij dat gezelschap zoo te huis had gevoeld en daarvan noode was gescheiden, met het stellige voornemen de kennismaking te Portsmouth te hernieuwen. Doch van hoeveel valschheid eene dergelijke handeling ook getuigenis aflegt, tot mijne verontschuldiging kan ik aanvoeren, dat in alle daden van mijn volgend leven de gedachte aan Emilia steeds, als aan eene heilige, mij voor den geest zweefde, en mocht haar beeld al niet van voldoenden invloed geweest zijn om mij steeds tijdig van het kwade terug te houden, althans was het de herinnering aan haar, die mij voor geheelen ondergang beschut heeft.

Ik reisde naar Portsmouth, meldde mij pro forma aan boord en verzocht dadelijk aan den eersten officier een verlof, dat hij mij gereedelijk toestond, doordien hij een oude kennis van mij was, mij voor den dienst niet direct noodig had en mijn vertrek als eene opruiming beschouwde.

Van de verkregen vergunning gebruik makende, haastte ik mij om mijn tooneelgezelschap weer op te zoeken, waarin ik zeer spoedig slaagde.

De lezer vergunne mij hier om een kort tijdperk uit mijn leven, waarover ik mij thans, na zooveel jaren tijdsverloop, nog schamen en bedroeven moet, slechts met een paar woorden te vermelden, om daardoor aan den samenhang van mijn verhaal niet te schaden. Mijne levenswijze in gezelschap met de tooneelspelers was in de hoogste mate losbandig en strekte slechts tot bederf van mijn karakter, met den nasleep van berouw over mijne in dien tijd bedreven handelingen. Het viel zoozeer in mijnen smaak, dat ik mij reeds voorgenomen had den zeedienst te verlaten en acteur te worden, waartoe een groote aanleg bij mij bestond. Nu en dan vervulde ik reeds rollen in de verschillende opvoeringen, waarbij ik zeer veel toejuichingen inoogstte. Zooals ik tot nu toe steeds in mijne ondernemingen gelukkig geslaagd was, ging het mij ook op de planken. Op een avond zou ik als Apollo optreden en was er op de affiches bijzondere melding van mij, onder een anderen naam, gemaakt, toen de voorstelling door een hoogst bijzonder toeval door mijn vader werd bijgewoond. Deze, die niet anders dacht, dan dat ik aan boord was, bracht een bezoek bij een ouden vriend in de omstreken, en laatstbedoelde had hem naar den schouwburg medegenomen.

Juist op het oogenblik, dat ik een air zou gaan zingen, ontmoetten mijne oogen die van mijnen gevreesden bloedverwant. Ik was verstomd, vergat mijn rol, liep van het tooneel en liet aan den orchestmeester de zorg over om de zaak terecht te brengen. Mijn vader, die eerst zijne oogen niet gelooven kon, geraakte uit de onzekerheid, toen hij mijne verwarring zag. Ik was de kleedkamer ingeloopen, en voor ik nog tijd had gehad de kroon en tunica van Apollo af te leggen, werd ik door hem, in een staat van niet geringe gramschap, aangesproken.

Mijn vader vroeg mij kort af: hoe lang ik reeds in deze eervolle betrekking was. Dit was eene vraag, die ik had kunnen vooruitzien en daarom zeer gereedelijk beantwoordde. »Pas twee of drie dagen," zeide ik en voegde er bij, dat ik Portsmouth verlaten had voor wat wij noemden een »slipper" en dat ik het zeer jolig vond.

»Ja stellig zeer jolig," zeide mijn vader. »En zeg eens, als ik vragen mag zonder kans te loopen om een leugen tot antwoord te krijgen, hoe lang zal die »slipper", zooals gij dat noemt, nog duren?"

»O, morgen," zeide ik, »is mijn verlof om, en dan moet ik weer naar boord terug."

»Dan zal ik de eer hebben, u derwaarts gezelschap te houden," zeide mijn vader, »en zal ik tevens den commandant verzoeken eenige grenzen te stellen aan den duur en den afstand uwer uitstapjes."

Hierop zijne stem verheffende, vervolgde hij: »Ik schaam mij over u, mijnheer; de zoon van een gentleman heeft geen groote kans om veel nuttigs te leeren bij zoo'n gezelschap van rondreizende vagebonden. Ik had reden om volgens uw laatste brieven uit Portsmouth te verwachten, dat gij heel anders bezig zoudt zijn."

Op deze vaderlijke vermaning antwoordde ik door een hoogst onnoozel gezicht te zetten (want reeds spoedig had ik mijne tegenwoordigheid van geest teruggekregen) en te verklaren, dat ik niet wist dat er in mijne handeling eenig kwaad stak, daar de meeste zeeofficieren wel eens zoo deden, en dat het alleen diende om wat practijk op te doen, omdat wij aan boord zoo dikwijls comedie moesten spelen.

»Oefen u dan met uws gelijken," zeide mijn vader, »en niet in gezelschap van vagebonden en straatslijpers."

Daar de oude heer toch niet uit zijn kwade humeur te praten was en ik wist geheel in het ongelijk te zijn, liet ik hem maar doorvuren, zonder een schot terug te doen. Hij eindigde met mij last te geven, den volgenden morgen bij hem te verschijnen, en liet mij daarna tijd om van kleederen te verwisselen. Ik behoef hier niet bij te voegen, dat ik dien avond niet naar het tooneel terugkeerde en aan de directie de zorg overliet om het publiek met de plaats gevonden verstoring te verzoenen.

Mijn vader was verstandig genoeg den volgenden dag niet veel over het gebeurde meer te spreken. Toen ik daarover nog mijn leedwezen had te kennen gegeven, verbond hij zich, op mijn verzoek, om die laatste dwaasheid voor den heer Sommerville en zijne dochter te verzwijgen.

Te zamen gingen wij naar Portsmouth, waar mijn vader mij in een hotel liet, terwijl hij zijnen ouden kennis, den haven-admiraal, ging bezoeken. Met dezen onderhield hij zich een geruimen tijd, waarvan het gevolg was, dat hem voor mij eene spoedige plaatsing werd toegezegd op een naar zee bestemd schip, onder een strengen kapitein.

Er lag juist een schip gereed om naar de Golf van Biscaye te zeilen; en door toedoen van den admiraal, werd ik aldaar in de bovenrol geplaatst. Mijn vader, die mij nu zoo'n beetje had leeren kennen, bracht mij zelf aan boord; en zich toen vleiende mij in goede bewaking achter te laten, nam hij afscheid en keerde naar den wal terug. Spoedig bemerkte ik in een soort van arrest gehouden te worden, althans er was geene quaestie van, dat ik vergunning kon krijgen om naar den wal te gaan. In zekeren zin was ik daarop voorbereid, maar reeds zóó dikwijls had ik bezwaren te overwinnen gehad, dat deze kleinigheid mij al zeer weinig hinderlijk was.

Hoewel mijn vader een gewelddadig einde aan mijne tooneelcarrière had gemaakt, waren mijne betrekkingen met den troep van te innigen aard geweest, dan dat onze scheiding reeds voor goed kon zijn. Zoodra ik mij dus aan boord ingericht had, schreef ik een brief aan mijne vriendin, haar verzoekende in Portsmouth te komen en in een hotel, aan den waterkant, haar intrek te nemen, mij voorstellende haar zoo spoedig mogelijk te bezoeken.

De moeielijkheid was nu, hoe van boord te komen. Ik begreep, dat de grootste welsprekendheid bij den eersten officier, die als een Cerberus de wacht over mij hield, vruchteloos zou zijn. Ik nam echter de proef en smeekte dringend om vergunning om aan den wal te gaan, ten einde eenige zaken aan te koopen, die ik voor de aanstaande zeereis hoog noodig had.

»Neen, neen," zeide mr. Talbot, »ik ben een veel te oude rot om in die val te loopen. Ik heb strenge orders en zou mijn eigen vader aan boord houden, als de commandant mij dit gelast had; en ik zeg u met de meeste gemoedelijkheid, dat gij geen voet buiten dit schip zult zetten, tenzij gij het zwemmende mocht willen beproeven, wat ik niet licht gelooven zal dat gij durft doen. Hier," vervolgde hij, »is het briefje door den commandant geschreven; gij kunt daar uit zien, dat het niet voor mijne eigene liefhebberij is, dat ik u niet laat gaan."

De nota was kort, liefelijk en wat mij betrof complimenteus. Zij hield slechts in:

»Houd dien d.....schen schavuit van een Mildmay aan boord!"

»Vergun mij dan," vroeg ik onder het teruggeven van het briefje, »onder de hoede van den sergeant van de mariniers naar den wal te gaan."

»Daardoor," zeide hij, »zou ik evenzeer buiten mijn boekje gaan, als door u alleen vergunning te geven. Gij gaat niet naar den wal, mijnheer!"

Deze laatste woorden sprak hij zeer kortaf, en het dek verlatende, liet hij mij aan mijne eigene overdenkingen over.

Ik had afgesproken om 's avonds te negen uren aan den wal te komen. Het was nu zonsondergang; de sloepen waren alle geheschen; geen enkel bootje was er in den omtrek van het schip. Het eenige middel om den overtocht te maken was à la nage, een middel door mr. Talbot zelf aangegeven, doch alleen om er tevens bij op te merken, dat het onuitvoerbaar was; maar hij kende mij op dat oogenblik nog niet zooals hij dit later leerde.

Het schip lag twee mijlen van de strandlijn, de wind kwam van het Zuidwesten en het tij liep Oostwaarts; daar beide in mijn voordeel waren, rekende ik Southsea Castle te kunnen bereiken. Toen het donker was, verborg ik mij in de fokkerust. Het was den twintigsten Maart en zeer koud weder.

Ik ontkleedde mij, bond mijn goed in een pakje boven het hoofd en liet mij zachtkens te water om als een tweede Leander naar wal te zwemmen.

Nog geen twintig el was ik van het schip af, toen ik door den schildwacht werd opgemerkt, die mij voor een der gepreste matrozen aanziende, die deserteeren wilde, toeriep terug te keeren. Daar hieraan geen gevolg werd gegeven, kreeg hij van den officier der wacht last om te vuren. De kogel stoof mij over het hoofd en ging tusschen mijne handen door. Hij werd door een dozijn andere gevolgd, die alle vrij goed gemikt waren; maar ik zwom voort, en de vriendelijke nachtschaduw, geholpen door den toenemenden afstand van het schip, brachten mij spoedig buiten gevaar. Een vletroeier, die het vuur gezien en de schoten gehoord had, begreep dat daar wel wat te verdienen kon zijn. Hij roeide op mij af, en toen ik hem aanriep, stak hij mij de handen toe. Ik was op dat oogenblik nog geen achtste mijl ver gekomen.

»Het is zeer te bezien, of gij in die richting ooit den wal zoudt gehaald hebben, jong mensch," zeide de oude man. »Gij zijt twee uren te vroeg van boord gestoken; vóór de haven zoudt gij eene zware eb tegen gekregen hebben; en, aangenomen dat gij uw hoofd boven water hadt weten te houden, zoudt gij het eerst op de Owers zijn aangeland."

Terwijl de oude man onder het roeien zat door te praten, kleedde ik mij al rillende aan, zonder te antwoorden; maar verzocht hem mij af te zetten op het eerste punt, dat hij van Southsea Baai kon bereiken. Hieraan voldeed hij, en ik schonk hem een guinje, waarna ik zoo snel mogelijk het afgesproken rendez-vous opzocht. Bij een goed vuur kwam ik daar weer spoedig op mijn verhaal. Noodzakelijk was dit koude uitstapje geenszins geweest, doch ik werd tot het ondernemen van den tocht geprikkeld juist door de strenge maatregelen, die men genomen had om mij aan boord te houden. Het gevaar, dat ik daardoor geloopen had, werd dan ook geenszins opgewogen door de genoegens van den wal. Alleen smaakte ik het genot mij een korten tijd vrij te gevoelen.

Den volgenden morgen liet ik mij weer met een bootje aan boord zetten. Toen ik den valreep opkwam, liep de eerste officier aan dek.

»Ik geloof, dat wij van nacht op u geschoten hebben?" vroeg hij glimlachende.

»Ja, mijnheer, dat is zoo," zeide ik; »het was allerdringendst noodzakelijk voor mij om aan wal te zijn, en daarom ging ik op deze minder gebruikelijke wijze."

»O, wat dat betreft," zeide de eerste officier, »als ik geweten had, dat gij het waart, zou ik u stil hebben laten gaan; ik dacht, dat het een gewone deserteur was en daarom liet ik er door de mariniers op schieten."

»De deserteurs zullen u wel zeer verplicht zijn," dacht ik.

»Vondt gij het niet verduiveld koud?" vervolgde hij op vroolijken toon, door mijn antwoord daartoe aangemoedigd.

»O, zeker," antwoordde ik.

»En de soldaatjes schoten redelijk goed, is het niet?"

»Ja, dat deden zij, sir; jammer, dat zij geen voornamer schijf hadden."

»Ik vat uwe bedoeling," zeide de eerste officier, »maar daar gij uwe dienstjaren nog niet hebt, zoude de vacature u niets gegeven hebben. Ik moet den commandant er over rapporteeren, doch dit zal wel losloopen, want die is zelf zoo ondernemend, dat hij dit ook gaarne van anderen ziet. Wij hopen echter u spoedig ernstiger aan het werk te zullen kunnen zetten."

Kort daarop kwam de commandant van den wal terug en berustte geheel in mijn zonder verlof van boord gaan; hij maakte echter eene opmerking, terwijl hij van ter zijde een blik op mij sloeg, en deze was, zooals ik later bemerkt heb, nog al vleiend voor mij. Binnen enkele dagen gingen wij onder zeil en bereikten spoedig de Baai bij Rochefort. De Fransche schepen lagen in linie, dwars van Isle d'Aix; de Engelsche vloot was daar buiten geankerd. Het schip, waartoe ik behoorde, nam een werkzaam aandeel in hetgeen er plaats greep, en de meesten onzer zagen meer, dan wij durven vertellen; maar wijl er bij deze gelegenheid veel kwaad bloed werd gezet, en twee hoogst onaangename krijgsraden het gevolg er van waren, zal ik trachten mij tot het verhalen mijner eigene lotgevallen te bepalen en vermijden, wat aan anderen aanstoot zou kunnen geven. Eenigen tijd werd er gevorderd om de branders in gereedheid te brengen; en toen des nachts van den 11en April 1809 alles klaar was voor de poging om het vijandelijk eskader te vernielen, begon de aanval. Een stouter stuk werd nooit ondernomen; en, zoo de onderneming al voor een deel mislukte, was dit geenszins op rekening te stellen van de aanvoerders; zij deden al wat menschelijkerwijze mogelijk was.

De nacht was zeer donker en er woei een stijve bries recht op 's vijands vloot, vóór Isle d' Aix aan. Twee onzer fregatten waren vooraf zóó geplaatst, dat zij als bakens konden dienen in de koerslijn der branders. Elk had eene heldere lantaarn op; de branders moesten tusschen hen doorvaren; verder was tot aan de versperring, die de ankerplaats afsloot, de koers vrij en kon er geene vergissing zijn.

Ik vroeg en verkreeg vergunning om mede te gaan met een der ontploffingsvaartuigen, die vóór de branders uit moesten gaan. Zij waren volgestuwd met lagen van granaten en kruitzakken, op elkaar gestapeld; elk vaartuig had daarvan eene groote hoeveelheid in. Een van de officieren, nog drie matrozen en ik waren er alleen aan boord. Ten einde daarmede tijdig te kunnen ontsnappen; hadden wij ter onzer beschikking eene vier-riems giek, een lang, smal ding, door de matrozen gewoonlijk »doodkist" bijgenaamd.

Geheel en al gereed, staken wij af. Het was een ernstig oogenblik; de wind nam toe en floot door ons tuig en de nacht was zoo donker, dat wij onzen eigen boegspriet niet konden zien. Wij hadden alleen een vóórzeil bij; maar met een zwaren vloed en den wind van achteren, schoten wij als eene pijl uit den boog tusschen de buitenste fregatten door. Het was in mijne gedachte alsof de ruimte daartusschen de poort van de hel was, die wij binnengingen. Toen wij met snelheid voortvlogen, en onze schepen achter ons in de dikke duisternis uit 't zicht verloren, dacht ik aan Dante's beschrijving van het voorportaal:--»Die hier binnentreedt, late alle hoop varen!"

Onze lastgeving hield in, het vaartuig aan te brengen tegen de versperring, die de Franschen buiten de ankers hunner linieschepen hadden aangelegd. Weinige minuten, nadat wij de fregatten voorbij waren, kwamen wij er dicht bij; onze giek sleepten wij achteraan, met drie man er in--een bij de vanglijn, klaar om die los te gooien, een om te sturen, en de derde om het water uit te hoozen, dat er door de snelle vaart al te willig instroomde. De officier hield op het vaartuig den helmstok, en ik was belast met de lont. Met een zwaar gekraak kwamen wij tegen de versperring aan; ons roer werd aan boord gelegd, zoodat wij dwars kwamen. De kracht van het getij op den romp, en van den wind op het vóórzeil, gaven het zulk eene sterke helling, dat ik mij haast niet op de been kon houden; op dit oogenblik was de giek in groot gevaar van vol te loopen.

Zij hadden haar weer achteraan weten te krijgen, en dáár was zij bijna door het tij over de versperring heen geslagen; met groote moeite werd zij geklaard en lag »op de riemen," in een kokenden, korten golfslag, waarin zij het nauwelijks houden kon. Onze aanvoerder stapte er nu vast in en droeg mij op de lont aan te steken en hem dan ijlings te volgen.

Als ik ooit in angst gezeten heb, dan was dit na het aansteken van de lont, die uitgebrand zijnde, den kruitloop vuur moest doen vatten. Totdat ik goed en wel in de giek zat en buiten bereik van de ontploffing was, die niet kon uitblijven en plotseling had kunnen zijn, was het een vreeselijk gevoel. Ik stond letterlijk boven op eene mijn; een kleine fout in de lont, die wel eens voorkomt, enkele korrels buskruit, die op het dek konden gestort zijn, zouden de ontploffing hebben kunnen verhaasten; had mijne hand bij het aansteken gebeefd, wat ik met trotschheid zeggen kan dat niet het geval was, dan had hetzelfde kunnen gebeuren. De lont kon niet langer dan anderhalve minuut doorbranden; ik had derhalve geen oogenblik te verliezen. Zoodra zij aan was, legde ik haar doodbedaard neder en sprong de giek in met eene vlugheid, die bij de gelegenheid paste. Dadelijk staken wij daarmede af; ik roeide mede, en nooit van mijn leven met een ijver als toen. Nog geen twee honderd el waren wij ver, toen de ontploffing plaats vond.

Een schooner en vreeselijker schouwspel is niet te bedenken; wij konden het echter niet genoegzaam op ons gemak genieten. De granaten vlogen wonderlijk hoog de lucht in, sommige uiteenspringende onder het opstijgen, andere bij het neervallen; de stukken vlogen om ons heen, zonder iemand te raken. Met stroom en wind tegen gingen wij nu slechts langzaam door het water en hadden het genoegen tusschen al de branders door te moeten, die ontstoken waren en van achter tot voren in brand op ons kwamen aanzetten. Hun want hing vol Congrevische vuurpijlen, die bij het vlam vatten in alle richtingen losbarstten en onder een oorverdoovend leven aan vurige slangen deden denken.

Wij kwamen behouden aan boord en meldden ons bij den commandant, die boven op de verschansing de branders nakeek. Een daarvan was te spoedig aangestoken, het roer was niet behoorlijk vastgezet, en daardoor was hij uit zijn koers geraakt en dicht in onze nabijheid gekomen. Ik had, wat mij betrof, dien avond al avontuur genoeg gehad, maar toch was ik er nog niet af.

»Jonker Mildmay," zeide de commandant, »gij schijnt nog al van een buitenkansje te houden; spring nog eens even in de giek, neem vier versche matrozen mede (ik dacht, een versche jonker zou er ook geen kwaad bij doen!) en roei naar boord van dien brander, om hem weer in zijn koers te brengen."

Om de waarheid te bekennen, had ik er niet erg veel liefhebberij in: het vaartuig was van het kluifhout tot den gaffel één vuur al vuur, en liever was ik thans op mijn lauweren gaan rusten, dan weer op nieuwe, en vooral zulke onzekere, uit te gaan; doch niet gewoon om zwarigheden te maken, wilde ik dit ook dezen keer niet doen. Ik bracht de hand aan mijn hoed, riep vier vrijwilligers op en had dadelijk voor het kiezen uit een vijftigtal, dat zich aanbood. Met de vier besten stak ik in de giek van boord.

Bij den brander gekomen, bespeurde ik nergens een plekje, dat nog vrij van het vuur was, waarvan de hitte op twintig à dertig voet afstands, zelfs in dien kouden nacht, hoogst onaangenaam was. Aan den loefkant was het nog het beste om te naderen, hoewel ook dáár de vlammen met kracht de kajuitsramen uitsloegen. Met veel inspanning gelukte het mij op het dek te komen en werd ik door een der matrozen gevolgd. De groote mast brandde en de lappen verschroeid zeildoek van het brikzeil vlogen om ons heen, alsof het een sneeuwstorm moest voorstellen; het einde van den helmstok was reeds verkoold, doch nog juist kon ik om het middengedeelte een eind touw heen krijgen, en daarmede draaide ik door mijn man geholpen het roer om, zoodat het vaartuig weer vóór den wind kwam te liggen.

Onder deze werkzaamheid waren wij bijna van den vuurgloed en den rook gestikt. Haastig klommen wij weer overboord, en voort dreef de brander met den wind verder. »Ik maak de reis ditmaal niet met u mede," zeide ik. »J'y ai été" zooals de Franschman antwoordde bij eene uitnoodiging om nog eens een vossenjacht mede te maken.

Zwart als een neger en met een brandenden dorst, kwam ik aan boord terug. »Goed afgebracht, Mildmay," zeide de commandant. »Hebt ge het warm gehad?" Ik wees naar mijn mond, want die was zoo droog, dat ik geen woord kon uitbrengen, en liep naar den waterstander, dien ik half leegdronk. Mijne eerste woorden, toen ik weer spreken kon, waren: »Die verduivelde brander, en de stommeling, die hem aangestoken heeft!"

Den volgenden morgen zagen wij het Fransche eskader in een wanhopigen toestand; de schepen hadden hunne ankerkabels laten slippen en waren in allerlei richting het strand opgeloopen, met uitzondering van de vlaggeschepen van den admiraal en van den schout-bij-nacht, die te grooten diepgang hadden en tot hoog water ten anker moesten blijven liggen; het was toen pas 't begin van den vloed en zij hadden nog vijf uren den tijd. Voor het overige verwijs ik mijn lezers, die de geschiedenis naar waarheid verlangen te weten, naar het verslag van den krijgsraad, die later is gehouden geworden; het gebeurde is door verschillende schrijvers uit dien tijd van alle kanten beschreven. Alleen wil ik opmerken dat, als men de commandanten onzer schepen naar eigen goeddunken had laten handelen, nog veel meer uitgevoerd zou zijn geworden,--met welken uitslag moet ik echter in het midden laten.

Mijn commandant ging, zoodra het hem licht genoeg was, onder zeil naar binnen en kwam in een vuurgevecht met de batterijen aan den wal, terwijl hij tevens ook zijne stukken liet richten op 's vijands schepen, die omgeslagen op het strand zaten. Isle d'Aix gaf ons eene warme ontvangst. Ik stond op den bak, terwijl van een der ankergasten het hoofd door een kanonskogel glad afgeschoten werd; de commandant, die juist daar op aan kwam, zeide alleen: »Arme drommel! Zet hem maar overboord, wij hebben nu geen tijd om naar de oorzaak van zijn dood een onderzoek in te stellen." Geruimen tijd hadden wij het alleen vrij zwaar te verantwoorden met de batterijen en dicht daarbij zijnde schepen, vóór er van onzen kant eenige hulp kwam opdagen.

Enkele van de schepen, die ons in zulk een vuurgevecht gewikkeld zagen, kwamen zich bij ons voegen. Een onzer linieschepen mengde zich in den strijd zoo netjes in orde, dat het prachtig was om aan te zien. Het was een zeer mooi schip, in keurigen staat; het scheen een levend voorwerp, zichzelf bewust van zijn overmacht over zijne tegenstanders, waarvan het de schoten, die dicht in de rondte vielen, bleek te verachten, terwijl het langzaam een bewonderenswaardige stelling voor het gevecht innam. Nadat het de zeilen vastgemaakt en de raas vierkant gebrast had, alsof het juist ter reede van Spithead ankerde, kwam het volk uit het tuig af, begaf zich naar de stukken en opende zulk een hevig vuur op 's vijands schepen en versterkingen, dat de groote Nelson zelf, als hij er bij tegenwoordig had mogen wezen, in verrukking gebracht zou zijn. De gevolgen van deze expeditie zijn wel bekend en vorderen geene herhaling; het was een der gedenkwaardigste feiten uit den ganschen oorlog. De Franschen, traag in het erkennen hunner minderheid ter zee, onderwierpen zich thans stilzwijgend. Onze zeemacht had zijne taak volbracht; en van dit oogenblik af had voornamelijk het landleger alleen den oorlog voort te zetten.