Chapter 11
Eene groote gedruktheid volgde op de buitensporige vroolijkheid der laatste dagen. De eerste uren bracht ik slapende in een hoek van den wagen door; bij de eerste uitspanning verfrischte ik mij en nam mijne plaats weder in. Toen wij verder reden, had ik meer tijd en was ook mijne gemoedsstemming gunstiger om na te denken over al het gebeurde, sedert ik mijn schip te Gibraltar verlaten had. Zooals gewoonlijk, leverde mijn zelfonderzoek geen voldoenden uitslag op. Ik moest erkennen, dat het voorbeeld van slecht gezelschap alle sporen had uitgewischt van de goede voornemens, die ik had opgevat na het bericht van den dood mijner moeder. Ik zag met schaamte, dat ik op mijzelf niet kon rekenen; ik had al mijn goede plannen en de ernstige geloften van beterschap, die ik mijzelf had opgelegd, vergeten en was bezweken voor de allereerste verleiding, die mij in den weg was gekomen.
Toen dacht ik aan de treurigheid, waarmede mijn weder te huis komen gepaard ging--aan de smartelijke leegte aldaar door den dood mijner moeder achtergelaten--aan het verdriet van mijn vader--aan den diepen rouw van mijn broeder en mijne zusters; opnieuw stond mijn eerste vertrek in al zijne bijzonderheden mij voor den geest, toen zij doodsbedroefd in zwijm in mijns vaders armen viel, terwijl ik gevoelloos mijn hoofd afwendde om hare droefheid niet te zien. Opnieuw deed ik geloften van beterschap en vond daarin eenige troost.
Toen ik aan mijn ouderlijk huis aangeklopt had, wenschte de bediende die mij inliet, mij luid en hartelijk welkom. Ik liep door naar het salon, waar mijn broeder en zusters een groote partij kinderen bij zich hadden. Zij dansten op de muziek eener piano, door mijne tante bespeeld, terwijl mijn vader blijkbaar in vroolijke stemming daarnaar, in een gemakkelijken stoel gezeten, keek.
Dit was een heel ander schouwspel, dan ik mij had voorgesteld. Ik was bereid op eene ernstig gestemde, hartelijke doch aandoenlijke ontmoeting en in eene daartoe geschikte gemoedsstemming verkeerde ik geheel en al. Oordeel dus over den plotselingen omkeer in mijn gevoel, toen ik dartele vroolijkheid aantrof, waar ik tranen en klaagliederen verwacht had. Ik had niet bedacht, dat de dood van mijne moeder, die mij nog pas korten tijd bekend was, inderdaad hier reeds zes maanden geleden was voorgevallen; en dat door den tijd ook de smart over dat verlies was verzacht. Ik stond verbaasd over hunne schijnbare gevoelloosheid; en zij zagen met evenveel verwondering naar mijn bedrukt gelaat en naar de teekens van rouw aan mijne kleederen.
Met eenige verrassing heette mijn vader mij welkom, vroeg waar mijn schip was, en om welke reden het terug was gekomen. Ik had namelijk bij mijn plotseling opgekomen besluit om naar Engeland terug te keeren, verzuimd om daarvan kennis te geven; en zelfs al had ik dit gedaan, dan zou ik in persoon even spoedig aangekomen zijn als mijn brief, tenzij ik (wat eigenlijk mijn plicht was geweest) bij aankomst te Portsmouth had geschreven, in plaats van dáár mijn tijd te verbrassen en te verknoeien. Aangezien ik, in tegenwoordigheid van zooveel getuigen, het geheele geval niet zoo dadelijk kon vertellen, maakte ik daardoor op mijn vader reeds een slechten indruk. Natuurlijk dacht hij, dat eene of andere laakbare handeling, door mij gepleegd, aanleiding tot mijne onverwachte opzending had gegeven. Zijn voorhoofd rimpelde zich met saamgetrokken wenkbrauwen en hij scheen diep in gedachten verzonken.
Deze houding van mijn vader, te gelijk met het ergerlijke rumoer, dat mijn broeder en zusters maakten, hinderden mij zeer. Ik gevoelde haast, dat ik mij het treurige nieuws van den dood mijner moeder te zwaar had aangetrokken, en besefte de opoffering van mijn verlaten van het schip. Toen ik later, met mijn vader alleen zijnde, hem de beweegredenen voor mijn gedrag verklaarde, was ik daarin ook niet gelukkig. Hij kon niet aannemen, dat de dood mijner moeder de eenige reden voor mijne terugkomst naar Engeland was. Ik moest een weinig zachtzinnig verhoor ondergaan omtrent het nut, dat zou kunnen voortvloeien uit mijn ontslag van het schip. Bij het lezen van het, door mij medegebrachte, schoone getuigschrift maakte hij zich nog meer boos. Tevergeefs voerde ik mijne groote droefheid aan. Hij antwoordde daarop met eene opmerking,--die ik erkennen moet als onwederlegbaar--dat ik mijn schip verlaten had, toen ik daar in blakende gunst was en op den weg tot fortuin. »En wat", vroeg hij, »moet er van den zeedienst en van het vaderland terechtkomen, als ieder officier maar dadelijk naar huis komt, bij het eerste bericht, dat er een van zijne familiebetrekkingen dood is?"
Naarmate mijns vaders bewijsgronden meer overtuigend werden, vernietigden zij tegelijkertijd den goeden indruk, dien de laatste aanbevelingen mijner moeders op mij hadden gemaakt. Was inderdaad haar dood zoo'n gewone zaak, dan waren ook hare laatste woorden van weinig gewicht; en van dat oogenblik af, dacht ik minder en minder aan haar. Mijn vader behandelde mij geheel anders dan gedurende moeders leven. Wat ik verzocht, werd mij gewoonlijk op een onaangenamen toon geweigerd, en ik werd eigenlijk behandeld als een kind en geenszins als een jongeling van achttien jaren, die reeds zooveel van de wereld gezien had. Koelheid van zijnen kant, bevorderde verzet van den mijnen. Daarbij kwam mijn oude trots weer boven. Eens kregen wij een ernstig verschil van meening, aan het eind waarvan ik hem te verstaan gaf, dat, als ik niet rustig onder zijn dak kon leven, ik naar elders zou gaan. Koeltjes gaf hij mij den raad dit maar te doen. Weinig vermoedende, dat ik daaraan gevolg zou geven, zag hij mij de kamer verlaten, waarvan ik hard de deur achter mij dichtsloeg. Ik pakte een kleinen voorraad linnengoed bijeen en vertrok onbemerkt met mijn pakje over den schouder en ongeveer zestien shillings in den zak.
Dit was eene verkeerde handelwijze van mijn vader maar een nog veel verkeerder van mijnen kant. Hij verlangde mij weer te zien varen, en ik wilde niets liever dan dat; maar zijn ongeduld en mijne trotschheid bedierven alles. Wel kwam ik spoedig tot nadenken, maar toen was het reeds te laat. De duisternis viel in, ik had geen dak boven bet hoofd, en mijne financiën waren in een treurigen toestand. Ongeveer zes mijlen had ik te voet afgelegd en ik begon vermoeid te worden. Terwijl het geheel donker werd, had ik nog geen plan beraamd. Een rijtuig kwam mij voorbij, ik sprong er achterop en had ongeveer nog vier mijlen zóó afgelegd, toen, daar het langzaam eene hoogte opging, de personen die in het rijtuig zaten, mij ontdekten en den inmiddels afgestegen postiljon hiervan kennis gaven. Deze haalde een paar malen de zweep over mij heen, bewerende dat ik niet alleen nutteloos was, maar buitengewoon erg hinderlijk in den weg zat en best gemist kon worden.
De lezers hebben reeds uit mijne vroegere levensgeschiedenis kunnen opmaken, dat ik nooit wraakneming verzuimde; ik wachtte nu geduldig af tot de drijver weer opgestegen was en de top van den heuvel bereikt had, waarop ik hem behendig een steen naar het hoofd slingerde, waardoor hij van zijn paard tuimelde en dit en de andere te gelijk aan het hollen sloegen, den heuvel af. De postiljon sukkelde weer overeind en paarden en wagen achterna, geen tijd kunnende missen om den dader te zoeken. Ik stapte haastig den anderen kant uit, maar gunde mij ook volstrekt geen tijd, om eens na te denken over het lot der reizigers, wiens zweepslagen ik nog gevoelde.
»Dwazen en vlegels," mompelde ik, toen ik hen achter den heuvel zag verdwijnen in een schrikwekkende vaart, »gij hebt uw verdiende loon. Ik had mij tegenover u een vrijheid veroorloofd, dat is waar, maar een beleefd verzoek van uwe zijde zou voldoende zijn geweest, om mij te doen afstijgen; maar mij te slaan....!" Het bloed kookte mij opnieuw bij de herinnering en haastig liep ik voort.
In korten tijd bereikte ik het kleine stadje X, waarvan ik de lichten reeds bespeurd had, toen de paarden aan den hol gingen. De eerste de beste herberg binnentredende, vond ik het groote benedenvertrek bezet door een troep rondreizende tooneelspelers, die juist binnengekomen waren van eene goedgeslaagde voorstelling van de »Romeo en Julia." Uit hunne opgewonden stemming kon ik opmaken, dat zij vooraf ook wel op de toejuichingen hadden gerekend. Zij waren veertien in getal, en zetten zich om een tafel, waarop een keurig souper was aangericht; daar zij hunne tooneelkleeding nog niet verwisseld hadden en de wijnflesch rustig de ronde deed, had het geheel een zeer romantisch aanzien, bijzonder geschikt om op het gemoed te werken van een gedachteloozen adelborst.
Door mijn tocht zeer hongering geworden, besloot ik mede te soupeeren, waartegen geen bezwaar bestond, omdat de tafel publiek was. Eene van de actrices, een aardig lief persoontje, met groote, gitzwarte oogen, werd, zonder dat zij dit op prijs scheen te stellen, door een aantal boersche jonge pachters uit de buurt het hof gemaakt. Zij trok vooral mijne aandacht, doordien zij eenigszins zwaarmoedig vóór zich uitkeek, hoogst zeldzaam glimlachte, doch dan een bekoorlijk mondje met hagelwitte tanden liet zien. Het kwam mij voor, dat zij tot een beteren stand behoorde, en ondanks haarzelve in dit gezelschap verkeerde. Degeen, die zich naast haar had neergezet, ging heen, toen hij zag, dat zijne oplettendheden niet in den smaak vielen. Ik nam dadelijk die plaats in en begon op zeer eerbiedigen toon een gesprek met de jonge dame.
Het scheen, dat zij zich daardoor gevleid en meer op haar gemak gevoelde. Misschien wel omdat zij in mijn praten meer behagen schepte, dan in de wijze, waarop men gewoonlijk met haar omging, begon zij hoe langer hoe vertrouwelijker in hare antwoorden te worden en toonde zeer beschaafd te zijn. Ons gesprek had reeds een tijdlang geduurd, toen het verstoord werd door een voor de deur stilhoudenden wagen en het geroep van »help! help!" Ik vloog onmiddellijk naar buiten.
Het was een heer, die eene jonge dame, die bewusteloos scheen, in zijne armen uit een rijtuig droeg. Met mijne hulp werd zij binnen en naar eene slaapkamer gebracht. Er werd om een chirurgijn gezonden, doch de eenige, die in de stad gepatenteerd was, scheen ongelukkig naar buiten geroepen te zijn en werd niet zoo gauw terugverwacht. Maar er was geen tijd te verliezen; ik begreep, dat er dadelijk eene aderlating noodig was. De paarden waren namelijk op hol geraakt en het rijtuig was bij een draai van den weg omgeslagen; toen was de jonge dame van den schrik bezwijmd. In den dienst, door aan boord veeltijds de operatiën van den dokter bij te wonen en dikwijls een kijkje in den ziekenboeg te nemen, was ik aan het zien van bloed gewoon geraakt en had ik wel eenige heelkundige kennis opgedaan. Ik gaf dus aan wat ik meende dat noodig was, en bood mijne hulp aan; dankbaar werd deze door den vader van het meisje (zooals hij bleek te zijn) aangenomen. Met een scherp pennemes opende ik een ader in den schoonen blanken arm en had de voldoening spoedig bloed te zien, kort daarop een krachtiger polsslag te voelen en eindelijk de patiënte hare groote blauwe oogen te zien openen, die mij de grootste bewondering afdwongen.
Toen de zieke weer tot volledig bewustzijn was teruggekeerd, raadde ik nog eenige koppen thee aan en verder een spoedige rust in een warm bed. Eenigen tijd later kwam de werkelijke geneesheer, die dadelijk naar de ongesteldheid onderzoek deed en uit de ziekenkamer terugkeerende, zijne bijzondere goedkeuring over de behandeling gaf, er bij opmerkende, dat deze hoogstwaarschijnlijk het leven van de lijderes had gered. »Maar veroorloof mij te vragen," zeide de dokter zich tot den vader wendende, »hoe het geval zich heeft toegedragen?" De toedracht van het gebeurde werd nu naar waarheid medegedeeld. Voor mij was er geen nieuws bij, omdat ik de aanleiding tot het op hol gaan van de paarden was geweest, in welke hoedanigheid ik mij wijselijk niet kenbaar maakte. Ik moest dus, zonder dat ik er iets tegen in kon brengen, vernemen, dat ik een grooten »schurkenstreek" had uitgehaald, en toen ik er over nadacht, moest ik de waarheid van die beschuldiging erkennen. Ik schaamde mij nu halfdood over mijne handeling, waardoor bijna zoo'n kostbaar menschenleven was verloren gegaan. Doch daar alles nog goed terecht was gekomen en niemand de minste achterdocht op mij had gekregen, troostte ik mij spoedig en nam de loftuitingen, die mij zoowel door den vader als door den geneeskundige toegezwaaid waren, met gepasten ernst in ontvangst.
Toen ik mij 's avonds ter rust begaf, begon mijn geweten opnieuw zijne stem te doen hooren: »dit dan mijnheer, is de weg van berouw en beterschap die gij zijt ingeslagen. Gij beleedigt uw vader; verlaat zijn huis; springt als een landlooper achter op een rijtuig; wordt er afgeranseld, breekt een armen man, die eerlijk voor vrouw en kinderen de kost verdient, de ribben, veroorzaakte het omslaan van den wagen en daardoor bijna den dood van een beminnelijk meisje! En al dit kwaad weet gij binnen den tijd van zes uren ten uitvoer te brengen! Waar moet dit heen?"
Het antwoord, dat ik zelf op die gewetensvraag moest geven, was weinig bevredigend, te meer daar mij op dat oogenblik mijn ledige geldbeurs in het oog viel: »de galg, want tenzij er een wonder met mij gebeurt, zal ik nog een straatroover moeten worden ook." Onder dergelijke overdenkingen, raakte ik in slaap. Reeds vroeg in den morgen ontwaakte ik door het vroolijke vogelgetjilp bij mijn venster, en was mijne eerste gedachte dadelijk aan een nieuw bezwaar, dat zich op deed. Wat moest ik wel van mijzelf zeggen, wanneer, wat hoogst waarschijnlijk gebeuren zou, de vader van de jonge dame nader kennis met mij verlangde te maken. Zou ik de waarheid spreken of er om liegen? Uit kracht der gewoonte, helde ik tot het laatste over; doch nam geene beslissing hierin, vertrouwende dat de loop van het gesprek mij wel raad zou geven. Mijne overdenkingen werden gestoord door de kamermeid die klopte en namens »den heer van die jonge dame van gisteren," kwam zeggen, dat hij mij aan het ontbijt zoude wachten, als ik hem die eer wilde aandoen.
Toen ik aan die uitnoodiging voldeed, maakte reeds spoedig na mijn binnentreden, mijn gastheer zich kenbaar als: Sommerville van----
Ik herinnerde mij flauw dien naam meer te hebben gehoord, en wel door mijn vader, en deed moeite mij te binnen te brengen bij welke gelegenheid dit was geweest, toen de heer Sommerville mij zeide, dat hij thans ook hoopte de eer te zullen hebben den naam te vernemen van den redder zijner dochter. Daar ik thans geene gelegenheid had zoo spoedig een andere te verzinnen, antwoordde ik: Mildmay te heeten.
»Toch niet Mildmay van ----?" vroeg hij, »en een zoon van mijn ouden vriend? Dat kan haast niet, want die had twee zoons, een die studeerde en een ander, die bij de marine diende en een aardige jongen moet zijn, die nu bij het eskader in de Middellandsche zee is; doch gij behoort zeker tot zijne familie?"
Vóór ik deze rechtstreeksche vraag kon beantwoorden, werd de deur van een aangrenzend vertrek geopend en trad miss Sommerville binnen. Geheel van den schrik van gisteren hersteld, had zij thans den blos van gezondheid op hare wangen, was, in zijn geheel genomen, eene allerliefelijkste verschijning, vooral door den vriendelijke glimlach die uit hare oogen straalde, toen zij mij minzaam de hand toestak en ook haren dank betuigde voor het aandeel dat ik in hare zoo spoedige beterschap had gehad.
Ik verloor bij die aanspraak het hoofd, wist van verlegenheid niets te zeggen, stamelde een paar woorden, die ik mij niet meer weet te binnen te brengen of zij in het Engelsch of in het Fransch waren, en gaf daardoor--zeer ten onrecht--den indruk van een zeer zedig jong mensch te zijn.
Daar het mij in mijne schooljaren zoo dikwijls overkomen was om gestraft te worden voor misdaden, die ik niet had gepleegd, had ik mij toen reeds aangewend om, toevallig in mijne richting gedwaalde, loftuitingen, belooningen of goedkeuringen, zelfs wanneer zij het allerminst verdiend waren, als eerlijk mij toekomende, in ontvangst te nemen. Zoo deed ik ook thans met de gunstige beoordeeling die mij ten deel viel, zette mij tusschen vader en dochter neder, en deed alle eer aan het zeer gezellige ontbijt. Miss Sommerville zou een paar uren later met haren vader de reis voortzetten.
Toen de tafel afgeloopen was, verwijderde zich de heer Sommerville om daartoe de noodige toebereidselen te maken, en bleef ik eenige oogenblikken met de jonge dame alleen. In dien tusschentijd vernam ik, dat zij de eenige dochter en hare moeder overleden was; zij sprak ook weer over mijne familienaam, en ik hoorde, dat, vóór mevrouw Sommerville's dood, mijn vader zeer intiem met hare ouders was geweest. Ik was op de vraag van den heer Sommerville het antwoord schuldig gebleven. Zij vroeg mij hetzelfde en nam mij zoo scherp in het verhoor, dat ik niet in staat was een leugen te vertellen. Het zou eene schandelijke vergrooting van mijn misdrijf zijn geweest, en daarom bekende ik eerlijk de zoon te zijn van haars vaders vriend, den heer Mildmay.
»Wel, goede hemel!" zeide zij, »waarom hebt gij dit niet aan mijn vader verteld?"
»Omdat ik er dan eene heele verklaring bij had moeten geven," vervolgde ik, haar in mijn vertrouwen nemende; »ik ben de adelborst, die mijnheer Sommerville meent, dat in de Middellandsche Zee is, en ik ben gisterenavond uit mijns vaders huis weggeloopen."
Hoewel ik zoo kort mogelijk in mijn verhaal was, had ik nog niet geheel uitgesproken, toen mijnheer Sommerville weer in de kamer kwam.
»O, papa!" riep zijne dochter uit, »mijnheer is toch Frank Mildmay."
Ik wierp haar een zacht verwijtenden blik toe, omdat zij mij verraden had; haar vader keek verbaasd op. Er bleef mij nu niets over dan eene gulle, volledige bekentenis; ik zorgde daarbij echter van het werpen van den steen niet te reppen. Mr. Sommerville laakte mijn gedrag ten zeerste, wat ik eene wel wat groote vrijpostigheid vond, doch verzachtte dit weer door er bij te voegen: »Als gij wist, hoe na de belangen uwer familie mij ter harte gaan, zoudt gij niet verwonderd zijn, mij als een eigen bloedverwant van u te hooren spreken." Ik zag Emilia aan en slikte het standje.
»En Frank," ging hij voort, »wanneer ik u vertel, dat ik steeds met het meeste genoegen uwe carrière ter zee gevolgd heb, dan zult gij wel een goeden raad van mij willen aannemen en naar huis terugkeeren. Bespaar mij het leed te moeten ondervinden, dat iemand, aan wien ik zulke verplichtingen heb, te trotsch zou zijn om schuld te bekennen. Ik eerbiedig fiere zelfstandigheid in eene goede zaak; maar tegenover zijne ouders behoort men die niet zoo spoedig te toonen. Misschien ziet gij er tegen op, maar ik wil het u gemakkelijker maken door aan uwen vader te schrijven; blijf gij dan hier, tot ge eerst van mij gehoord hebt. Gaarne zou ik u eenigen tijd te ..... Hall te logeeren willen hebben, maar eerst moet gij naar uw vader terug. Nu, denk eens na over hetgeen ik u gezegd heb. En laat ik u dit geven" (hierbij overhandigde hij mij een bankje van 10 £) »want ik vrees, dat gij schraal bij kas zult zijn." Dit had hij zeer goed geraden; zijne gift werd dus met meer dankbaarheid aangenomen dan zijn goede raad.
Hij verliet de kamer, onder voorwendsel van de rekening te gaan betalen, maar, ik geloof, eigenlijk om mij eenige oogenblikken met zijne dochter alleen te laten en te beproeven, wat deze op mijne hardnekkigheid kon uitwerken. Die korte tijd met haar had meer effect, dan wanneer ik met ons beider vaders was opgesloten geweest. Het denkbeeld, dat ik haar niet kon terugzien, vóór ik weer in mijn eigen huis was geweest, was voldoende om de belofte af te leggen, dat ik mij onderwerpen zou aan billijke, mij van mijns vaders kant op te geven voorwaarden.
Toen dit overeengekomen was, bracht de heer S. bericht, dat het rijtuig vóór was; na een hartelijken handdruk voerde hij zijne bekoorlijke dochter weg, wier laatste, vriendelijk mij toegeworpen blik mij bevestigde in mijne goede voornemens.
Lezer! wat uw gevoelen ook moge zijn over de verschillende kleine voorvallen van den laatsten dag, gij zult opmerken dat zij voor mijn verder leven van zeer grooten invloed waren. Trots verleidde mij tot verlaten van mijns vaders huis; wraakzucht bracht mij voor het eerst in kennis met de heldin van dit verhaal. Maar van achteren gezien, hoe onverstandig was het van den heer Sommerville, mij mijn eigen meester te laten in de herberg, in het bezit van tien pond, in plaats van mij naar zijn eigen huis mede te nemen, tot er bericht van mijn vader zou gekomen zijn! De wijste menschen dwalen dikwijls in kleinigheden, die daardoor soms ver reikende gevolgen hebben.
Aan mijzelven overgelaten, dacht ik eenigen tijd over al het gebeurde na; toen verduisterde langzamerhand het beeld van de schoone Emilia Sommerville in mijnen geest en werden mijne herinneringen aan het vroolijke tooneelgezelschap meer en meer levendig. Wat bleef mij over, dan juist bij hen mijn troost en eenige tijdpasseering te gaan zoeken?
Na drie dagen ontving ik een brief van den heer Sommerville, met een van mijnen vader ingesloten. Deze verzocht mij eenvoudig om naar huis terug te keeren en hem te ontmoeten, alsof er niets onaangenaams was voorgevallen. Hier had ik wel ooren na, doch het behaagde mij in mijne nieuwe omgeving te goed om er reeds dadelijk gevolg aan te geven.
TIENDE HOOFDSTUK.
In die drie dagen had ik van het meerendeel der acteurs en actrices de levensgeschiedenis gehoord, en nog honderden bijzondere voorvallen uit hunne omzwervingen door geheel Engeland, die mij in de hoogste mate geboeid hadden en allerlei overdreven denkbeelden van het genot van hun aan afwisseling rijk leven bij mij hadden opgewekt. Op eerbiedigen toon beantwoordde ik mijns vaders brief. Hij deelde mij daarop mede, dat hij er weder ingeslaagd was mijn naam in de rol van het wachtschip ter reede van Spithead te doen inschrijven, waarop ik hem, alleen om tijd te winnen, dien ik bij mijne nieuwe vrienden zou kunnen doorbrengen, vergunning vroeg om rechtstreeks naar boord te mogen gaan, te meer, schreef ik, omdat het voor mij ook veel aangenamer was om eerst later, als het gebeurde geheel vergeten zou zijn, weer onder zijne oogen te komen. In zijn antwoord keurde hij dit goed en sloot eene goede som geld er bij in. Dezelfde post bracht mij eene dringende uitnoodiging van Mr. Sommerville om thans naar ..... Hall te komen.
Daar het tooneelgezelschap nu na twee dagen de plaats verlaten zou, met bestemming naar eene plaats dicht bij Portsmouth, en zij de reis derwaarts niet binnen de veertien dagen zouden volbrengen om onder weg eenige voorstellingen te kunnen geven, besloot ik van de ontvangene uitnoodiging gebruik te maken.
Ik bracht bij de familie Sommerville, waar ik door vader en dochter met de meeste hartelijkheid ontvangen werd, eenige zeer aangename dagen door. In dien tijd werd ik het met Emilia eens, dat wij elkaar wederkeerig liefhadden. Bij mijn vertrek schonk zij mij een lok haar, die ik met heiligen eerbied bewaarde.