Chapter 10
Tegen drie uren in den namiddag ontving ik een verzoek van een der op dien morgen bij ons veroordeelden om bij hem te komen, daar hij mij wenschte te spreken. Ik volgde den korporaal naar het vertrek, waarin de beide mannen, met ijzeren boeistangen aan de voeten, waren opgesloten. Zij waren op ledige granaatkisten gezeten, en hun middagmaal stond nog onaangeroerd voor hen; een van beiden weende bitterlijk; de ander, Strange geheeten, was zichzelf meer meester, ofschoon zeker niet minder aangedaan. Deze man scheen in zijn jeugd eene zeer goede opvoeding genoten te hebben, doch, daar hij nog al onstuimig van aard was, had hij eene verkeerde richting ingeslagen, en was, om van eene ernstige bestraffing vrij te komen, zijnen vrienden ontloopen en later op een oorlogsschip verdwaald. In dezen toestand had hij aan boord nog veel tijd kunnen vinden om na te denken en boeken te lezen; dit had zijne stemming niet verbeterd, hij had zich van zijne makkers meer en meer teruggetrokken en zat, wanneer anderen vroolijk waren, alleen te mokken; niet onwaarschijnlijk had zijne ontevreden stemming hem medegesleept in het komplot van muiterij, waarvoor hij nu op het punt stond zijne straf te ondergaan.
Hij verontschuldigde zich over de vrijheid, die hij genomen had om mij bij zich te roepen, maar hij zoude mij niet lang ophouden. »Gij ziet, sir," zeide hij, »dat mijn arme vriend hier geheel ontdaan is door zijnen afgrijselijken toestand; dit kan u niet verwonderen. Hij staat toch lang niet gelijk met de verharde misdadigers, die aan den wal ter dood worden gebracht: wij zijn geen van beiden bevreesd om te sterven; maar een dood, zooals deze, Mr. Mildmay, om, ten voorbeeld van de vloot als honden opgehangen te worden en eene schande voor onze vrienden en betrekkingen te zijn,--dit verscheurt ons het hart! Het is op grond hiervan, en om het gevoel mijner arme moeder te sparen, dat ik om u heb gezonden. Ik zag u overboord springen om een armen kerel van verdrinken te redden: daarom rekende ik, dat uw goed hart ook voor een anderen ongelukkige in de bres zou willen springen. Ik heb mijn uitersten wil gemaakt, en u tot uitvoerder benoemd; en met deze volmacht zult gij al mijne achterstallige gage en mijne prijsgelden in ontvangst kunnen nemen. Gij zult, hoop ik, een en ander wel aan mijne dierbare moeder willen doen toekomen; het adres heb ik hier bij geschreven. Mijn hoofddrijfveer is, dat zij nooit de geschiedenis van mijnen dood moge vernemen. Gij kunt haar zeggen, dat ik in 's lands belang ben gestorven, en dat is waar, want ik erken de rechtvaardigheid van mijn vonnis en de noodzakelijkheid dat er een streng voorbeeld wordt gesteld. Ik ben nu elf jaren uit Engeland; dien geheelen tijd heb ik eerlijk en trouw gediend; slechts in dit ééne geval heb ik mij misdragen. Ik geloof, dat onze goede koning, als hij mijne treurige geschiedenis kende, wel gratie zou verleenen; maar Gods wil geschiede! Maar één wensch zoude ik graag vervuld zien, en die is, dat nog heden nacht 's vijands vloot naar buiten mocht komen en dat ik dan sterven mocht zooals ik geleefd heb, in de verdediging mijns vaderlands. Maar master Mildmay, nog eene gewichtige vraag ligt mij op de lippen:--gelooft gij, dat er een leven hier namaals bestaat?"
»Zeer zeker," zeide ik, »ofschoon velen leven alsof zoo iets niet bestond. Maar waarom twijfelt gij?"
»Omdat," antwoordde de arme kerel, »eens, toen ik nog officiersbediende was en achter tafel de wacht had, er gasten waren, onder welken de commandant van een korvet. Deze, ik weet niet hoe het te pas kwam, beweerde toen, dat dit alles nonsens was,--dat er geen leven na dit leven bestond en dat de Bijbel een samenraapsel van leugens was. Van dien tijd af heb ik mij nooit gelukkig gevoeld." Ik zeide hem, dat het mij zeer speet te hooren, dat ooit eenig officier dergelijke uitdrukkingen, en dan vooral in zijn bijzijn, had gebezigd; dat ik mijzelf niet in staat gevoelde, hem zijne gemoedsrust weer te geven; maar beloofde hem den geestelijke van boord toe te zenden, die hem wel zou weten op te wekken en te vertroosten. Hij bedankte mij hiervoor, en verklaarde nog in zijne laatste oogenblikken, dat hij hierdoor veel troost had gevonden.
»En nu mijnheer," zeide hij, »laat ik u nog een raad geven. Wanneer gij eens commandant zijt geworden, drijf dan niet, uit overdreven zorg voor een net en goed geoefend schip, uwe bemanning tot wanhoop,--tot muiterij. Zindelijkheid en goede orde worden door alle schepelingen op prijs gesteld; maar dat eeuwige schrobben, blank schrabben en poetsen van ijzeren nagels en ringbouten, staat op den duur een matroos meer tegen dan een dozijn slagen, hem op den bak toegediend. Als met het reven van de marszeilen uw schip eens eene enkele maal eene minuut achteraan komt, geef daar niet om, zoolang uwe zeilen goed gereefd zijn en een harden windstoot kunnen verdragen. Menig zeil scheurt, wanneer er slecht gereefd is, menig goed zeeman is het slachtoffer geworden van die laakbare overhaasting, die bij de marine zooveel kwaad heeft gedaan. Wat kan wreeder en onrechtvaardiger zijn dan dat de man, die het laatst van de ra inlegt, met slaag gestraft wordt? Hij toch is uit den aard der zaak de meest waakzame en kan gewoonlijk niet vlugger zijn, als hij zijn nek te lief heeft om die te breken; maar bovendien altijd toch moet er een de laatste zijn. Wees verzekerd mijnheer, »dat, wat haastig verricht wordt, zelden goed wordt gedaan." Maar ik heb u reeds te lang opgehouden. God zegene u, mijnheer, denk aan mijne arme moeder, en morgen ziet gij mij nog éénmaal vóór op den bak terug."
De noodlottige morgen brak aan. Het was acht uren. Het schot viel,--het sein van de strafoefening woei van top. De arme veroordeelden gaven een diepen zucht, en riepen uit: »De Heer zij ons genadig!--onze aardsche werkkring en zorgen zijn bijna ten eind!" De provoost kwam binnen, opende het slot van de boeistang, schoof de voetboeien af en gelastte aan de daarvoor gereedstaande mariniers de gevangenen op het halfdek te brengen.
Hier was een tooneel, waarvan ik het haast niet waag de plechtigheid te beschrijven. Het weer was helder, de lucht zonder wolken; aan boord van alle schepen waren de bramraas gekruist; de vlaggen waren geheschen; overal was de bemanning in het Zondagsch tenue gekleed en stond, aan de naar ons schip toegekeerde zijde, opeengepakt in het want; eene wacht, van mariniers onder de wapens, stond overal aan weerszijden op de loopplank; bij ons aan boord echter waren zij op het halfdek aangetreden. Van elk schip lagen langs onze zijde twee sloepen op de riemen, met eene luitenants- en korporaalswacht met de bajonetten op. De schrille fluitjes van den bootsman en zijne maats deden zich boven elk luik hooren en riepen »alle hens op" tot het bijwonen der executie.
Men hoorde het vlugge getrappel der voeten van het volk, dat zich naar boven spoedde, doch geen woord werd er gesproken. De veroordeelden stonden midden op het halfdek, terwijl de commandant het vonnis van den krijgsraad en het fiat tot de tenuitvoerlegging voorlas. Toen de toepasselijke gebeden en psalmen, met veel gevoel door den geestelijke waren voorgedragen, werd den armen gevangenen afgevraagd, of zij gereed waren; beiden antwoordden bevestigend, doch verzochten een glas wijn, dat hun onmiddellijk gebracht werd. Onder eene eerbiedige buiging voor den commandant en de officieren ledigden zij dit.
De admiraal kwam niet te voorschijn, daar dit zoo bepaald is; de gevangenen verzochten echter hem hunne dankbare en eerbiedige groeten over te brengen; daarna verzochten zij den commandant en de officieren de hand te mogen drukken en toen om de equipage eenige woorden toe te spreken. Op last van den commandant kwam daartoe de bemanning »voor den boeg." De grootste stilte heerschte en aller oogen waren vochtig.
William Strange, de man, die om mij gezonden had, sprak toen met eene duidelijke stem:--»Kameraden, luistert naar de laatste woorden van iemand, die gaat sterven. Wij zijn hier gebracht door het aanstoken van eenigen, die nu hier veilig onder de menigte staan. Zij hebben ons bedrogen, en wij zullen de slachtoffers zijn van de gerechte wraak der wet. Indien gij geslaagd waart in het schandelijke, door u gesmede complot, wat zouden dan wel de gevolgen zijn geweest? Ondergang voor uzelf en voor uwe familiebetrekkingen; eene schande voor uw vaderland; en de verachting van diezelfde vreemdelingen, aan wie gij voornemens waart het schip over te leveren. Dankt God! het is u niet gelukt. Laat ons lot u ter waarschuwing zijn, en tracht door uwe verdere daden uw berouw te toonen voor uwe vroegere handelingen. En nu, sir," voegde hij er, zich tot den commandant wendende, bij, »wij zijn gereed."
Deze schoone aanspraak, uit den mond van een gewoon matroos, zal ongetwijfeld den lezer evenzeer verwonderen, als hij dit destijds den commandant en de officieren van het schip deed. Maar Strange was, zooals ik hierboven reeds vermeldde, geen alledaagsche man; hij had alle voordeelen eener goede opvoeding genoten, en zooals verscheidenen der belhamels van de muiterij op de Nore, was hij gebracht tot de dwaling om gehoorzaamheid te weigeren, uit inbeelding van geboren te zijn tot bevelen.
Toen alles gereed was, gaf de commandant, door met een witten doek te wuiven, een sein en binnen weinige oogenblikken hadden de ongelukkigen opgehouden te leven. Na een uur werden hunne lijken gekist en aan den wal ter aarde besteld.
Bij mijne aankomst in Engeland, negen maanden later, vervulde ik mijne belofte en betaalde aan de moeder van William Strange meer dan vijftig pond aan gage en prijsgeld uit. Ik verhaalde aan de arme vrouw, dat haar zoon als een Christen gestorven was en voor het welzijn van zijn land het leven liet. Toen ik dit gezegd had, nam ik een haastig afscheid, bevreesd, dat zij mij uitvragen zou.
Maar laat mij nu tot een vroolijke tafreel overgaan. Ter eere van de Engelschen, werd op Minorca een groote carnaval-maskerade gegeven. Ik had een zotskap opgezet en mij verder onkenbaar gemaakt en ontmoette daar verscheidenen mijner medeofficieren. Het was een zonderling gezicht al die dwaas uitgedoste groepen zoo dooreen te zien dwalen. De admiraal, de schout-bij-nacht, de meeste hoofd- en andere officieren van de vloot waren aanwezig. De plaats van samenkomst was ongeveer eene mijl buiten de stad gelegen.
Daar ik eene zotskleeding gehuurd had, besteeg ik ook den daarbij passenden viervoeter--een ezel, en reed af onder het gejuich van wel duizend havelooze straatslijpers. Bij mijne aankomst maakte ik allerlei dwaze sprongen, die er zoo bij behooren en verzon allerlei grappen. De wijze, waarop ik mijne rol speelde, bezorgde mij spoedig eenige omstanders. Ik sprak nooit den admiraal of eenig hoofdofficier aan, dan wanneer hij het eerst iets tegen mij gezegd had, en dan verkocht ik eenige toepasselijke hatelijkheid, welke mij niet zeer moeielijk viel, omdat ik de meeste karakters kende en wist wat er alzoo op de verschillende schepen omging. Eén vroeg mij, of ik niet op zijn schip dienst wilde nemen. »Neen", antwoordde ik, »gij zoudt mij al te gauw drie dozijn laten toedienen, omdat ik mijn kooi niet behoorlijk gesjord had." »Ga maar met mij mede," zeide een ander. »Dank je," was mijn antwoord, »bij u is het schellekoord te kort;--gij kunt er niet bijkomen om nog een flesch wijn te bestellen, vóór al de officieren van tafel opgestaan zijn." Weer een ander beloofde mij eene minzame behandeling en overvloed van wijn. »Ik moet er niets van hebben," zeide ik. »Op uw schip zou ik zoo te veel zijn als de steenkolen bij Newcastle; bovendien is bij u de koffie te slap; uw hofmeester zet van één ons zes kopjes."
Al die zetten gaven veel vroolijkheid onder de omstanders, en zelfs de admiraal verwaardigde zich mij glimlachend toe te knikken. Ik boog eerbiedig voor zijne lordschap, die daarop zeide: »Wel zot, wat verlangt gij wel van mij?" »O niemendal, mylord," antwoordde ik; »ja, ik heb toch een kleine gunst van U te vragen." »Spreek op," zeide de admiraal. »Alleen maar om mij kolonel, commandant van een schip, te maken, mylord." »Neen, neen," was het antwoord, »wij maken nooit gekken tot commandant." »Niet!" zei ik weer, op eene onbeschaamde wijze mijne armen over de borst kruisende, »dat is dan zeker eene geheel nieuwe bepaling. Van wanneer dateert die?"
De goedaardige oude chef lachte hartelijk om dit staaltje van brutaliteit; maar de commandant van mijn vorig schip gevoelde zich er door beleedigd. Hij wist mij uit te vinden en klaagde mij bij mijn eigen bevelhebber aan; maar deze lachte hem uit, zeide, dat hij het een aardige grap vond, en noodigde mij bij zich te dineeren.
Ons schip kreeg last om naar Gibraltar te stevenen, dat wij spoedig bereikten; daar vonden wij een post van Engeland en ontving ik brieven van huis, waarvan een den dood mijner dierbare moeder behelsde. O, hoe kwam mij bij die tijding al het verdriet voor den geest, dat ik haar al zoo had aangedaan; welke gewetenswroegingen over al mijne slechte streken bestormden mij toen; hoe duidelijk stond mij het laatste oogenblik, dat ik haar gezien had, voor oogen! Nooit had ik kunnen denken, dat ik haar verlies zoo diep zou gevoelen. Mijn vader schreef, dat zij in hare laatste oogenblikken nog het grootste belang in mijn welvaren had gesteld. Zij had hare vrees te kennen gegeven, dat de betrekking mijner keus niet bevorderlijk kon wezen aan het heil mijner ziel, hoe veelbelovend die ook zijn mocht voor mijn tijdelijk voordeel. Hare laatste aanbeveling aan mij, op haar sterfbed geuit, was, nooit de zedelijke en godsdienstige beginselen, waarin zij mij opgevoed had, te vergeten; met hare laatste zegening smeekte zij mij trouw mijn Bijbel te lezen en dien als mijn richtsnoer door het leven te beschouwen.
Mijns vaders brief was ook een ernstig beroep op mij, waarin eene groote genegenheid doorstraalde; nooit in mijn verdere leven is zoo met gunstigen uitslag als toen op mijn gevoel gewerkt geworden. Ik zonderde mij af met een hoofd dat haast barstte, een hart dat bijkans gebroken was. Een terugblik op mijn voorbijgegaan leven gaf mij geene kalmte. De talrijke daden van slechtheid of trots, van wraakneming of misleiding, waaraan ik mij meermalen bezondigd had, ruischten door mijn gemoed, als de stormwind door het tuig, en wekten de droefgeestigste en ernstigste overdenkingen in mij op. Hoe menigmaal had ik reeds in het grootste levensgevaar verkeerd! Hoe zou het met mij gevaren zijn, als ik niet altijd goed daar doorheen was gekomen? Ik sidderde bij die gedachte, want sinds ik aan de moederlijke zorg onttrokken was, kon ik mij geen enkele deugdzame daad, uit een zuivere bron ontsproten, te binnen brengen.
Te twaalf uren dien nacht, vóór het mij gelukt was een oog te luiken, werd ik voor de hondenwacht (van twaalf tot vier uren) gewekt. Daags te voren hadden wij een kwartiermeester, Quid bijgenaamd, begraven. Quid had zich doodgedronken, wat in den zeedienst nog al eens voorvalt. Iemand die sterft, ten gevolge van onmatigheid, heeft gewoonlijk reeds een verwoest lichaam; zijn lijk gaat, vooral in een warm klimaat, snel tot ontbinding over. Kort na den dood van Quid bleek de noodzakelijkheid tot eene spoedige begrafenis. Zijn lichaam werd in een hangmat genaaid; en daar het schip in diep water ten anker lag en er een flinke stroom de baai rondliep, terwijl bovendien de meeste sloepen van boord naar de werf waren, liet de eerste officier een paar kogels aan het voeteneinde vastmaken en, na het voorlezen van den lijkdienst, het lijk bij den valreep overboord zetten.
Na het overnemen der wacht liep ik in een gedrukte gemoedsstemming het halfdek op en neer, ernstig nadenkende over allerlei teksten uit den Bijbel, dien ik zeker in geen twee jaren ingekeken had, toen mij in eens de dood van Quid te binnen schoot, en de schoonheid van den lijkdienst, dien ik over hem had hooren voorlezen--»ik ben de opstanding en het leven." De maan, die eenigen tijd geschuild had, brak eensklaps door de wolken en te gelijk hoorde ik een angstkreet van den uitkijk op stuurboordsloopplank. Ik ging naar de reden daarvan onderzoek doen on vond den man in zulk een staat van zenuwachtige ontroering, dat hij niet anders kon uitbrengen dan: »Quid! Quid!" daarbij overboord wijzende.
Ik keek in die richting en daar zag ik inderdaad het lichaam van Quid terug, in zijn kooi gepakt, rechtstandig, met hoofd en schouders er buiten, zachtkens in het water op en neer gaande, bewogen door een lichte uit zee opgekomen deining, die mede het hoofd scheen in beweging te brengen; het maanlicht bescheen zelfs het onder water stekende gedeelte van het lichaam. Eenige oogenblikken lang gevoelde ik mij onder den indruk van een onbeschrijfelijken afschuw en aanschouwde in angstig stilzwijgen het voorwerp; mijn bloed was ijskoud en ik verbeeldde mij, dat de schrik mijne haren overeind gejaagd had. Het verschijnsel had mij geheel verrast, en ik dacht een oogenblik, dat het lichaam weer opgestaan was als eene waarschuwing voor mij; spoedig kwam ik weer tot bezinning en werd mij de oorzaak van de wederverschijning van het lijk duidelijk. Ik liet de barkas op zijde komen en er in gaan, en ging onderwijl zelf omlaag om den eersten officier het gebeurde mede te deelen. Hij lachte en zeide: »Ik houd het er voor, dat de oude jongen het zoute water niet zoo smakelijk vindt als den grog. Maak nog wat meer ballast aan zijn voeten vast en laat hem naar zijn oude peilingen terugkeeren. Zeg hem, dat hij daar zijn anker maar laat vallen en niet meer tegen ons aanzwaait." Dit gezegd hebbende draaide hij zich om en viel weder in slaap.
Dit schijnbaar vreemde geval is gemakkelijk te verklaren. Lichamen in ontbinding geven aanleiding tot de vorming van gassen, waardoor zij in omvang belangrijk toenemen en in gisting geraken. Het lijk van dezen man was overboord gezet, toen het ontbindingsproces reeds begonnen was; voor het oogenblik was de ballast, dien men aan de voeten had vastgemaakt, voldoende geweest om het te doen zinken, doch enkele uren later was die niet zwaar genoeg meer om het beneden te doen blijven. Hierdoor kwam het in de door mij beschreven houding, rechtstandig weer naar boven. Daar de stroom in de helft van den tijd, sedert de plechtigheid verloopen, gekenterd en nu zeer zwak was, dreef het nagenoeg juist op de plek, waar het te water was gelaten.
De sloep stak van boord met nog een paar kogels, om voor meerderen ballast te dienen en op die wijze het lijk te laten zinken. Toen men beproefde er met den sloepshaak vat op te krijgen, week het af en draaide steeds rond, of dook onder water en kwam dan weer naar boven, alsof het een dartel spelletje was. Maar het toeval bespaarde hier verdere moeite; de man bij den haak, die door zijne makkers geplaagd werd, dat hij Quid zelfs na zijn dood nog niet aandurfde, werd boos en stak met den haak met zooveel kracht naar het lijk, dat hij eene opening in den buik maakte, waardoor het samengeperste gas met veel geluid ontsnapte, en het lichaam verder als een baksteen zonk. Over dit voorval werden nog al grappen verkocht, doch ik was niet in eene stemming om daarin mede te doen; en vóór de wacht om was, had ik het stellige plan opgevat om naar huis terug te gaan en den dienst vaarwel te zeggen, daar ik geene kans zag aan de laatste wenschen van mijne moeder te voldoen indien ik bleef, waar ik was.
Den volgenden morgen verzocht ik den commandant te mogen spreken en deelde hem mijn verlangen mede, niet om den dienst te verlaten, maar om voor dringende familiebelangen naar huis te gaan. Wat de noodzakelijkheid hiertoe betrof, had ik evengoed kunnen beweren, dat het dringend voor mij was om een pelgrimstocht naar Jeruzalem te maken. Het treurige nieuws, dat ik ontvangen had, was den commandant reeds ter oore gekomen, en na mij te hebben laten uitspreken, antwoordde hij, dat het hem voor mij het beste toescheen, om aan boord bij hem te blijven.
»Gij zijt nu hier," zoo sprak hij, »aan mij en aan den gang van zaken gewend geraakt; gij kent uwe plichten en gij zijt op de hoogte van uwen dienst; ik ben over u in alle opzichten tevreden en heb gunstig over u aan de admiraliteit gerapporteerd; maar--gij kent uwe eigene belangen het beste" (hier vergiste hij zich: hij had om de door mij aangevoerde redenen, mij niet moeten laten gaan),--»maar ik geef u in overweging om te blijven."
Ik bedankte hem voor zijne goedgunstigheid,--doch daar ik het er op gezet had om naar huis te gaan, stond hij mijn verzoek toe en gaf mij mijn ontslag onder toevoeging van een mooi getuigschrift van goed gedrag, geheel zelfs buiten den voorgeschreven vorm; hij deelde mij mede, dat, wanneer ik er nog tijdig toe overging om terug te komen, hij eene plaats voor mij zou openhouden. Van de officieren, van mijne kameraden en van de equipage nam ik met leedwezen afscheid. Ik was langer dan drie jaren aan boord geweest. Na de zoo stormachtige dagen in het begin, had ik mij eene behoorlijke plaats in de voorlongroom weten te verwerven; om enkele mijner eigenschappen was ik zelfs de algemeene gunsteling geworden en ik verliet het schip met de hartelijkste wenschen voor mijn welzijn van allen. Met de groote sloep werd ik aan boord van een linieschip gebracht, waarmede men voor mij passage naar Engeland aangevraagd had.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Genoegen en verdriet zijn in de jeugd meesttijds slechts vluchtige indrukken, hetzij ze hun bestaan ontleenen aan het bezit of aan het verlies van wereldsche genietingen, dan wel aan het gevoel van in ons leven goed of slecht gehandeld te hebben. De opwekking is, hoe sterk ook, zelden van langen duur: zoo ging het mij. Ik was nog geen vier dagen aan boord van het linieschip, waarmede ik naar Engeland terugging, of mijne neerslachtigheid was geheel geweken. De uren van ernstig nadenken werden eerst bekort en toen geheel afgeschaft. De algemeene vroolijkheid bij mijne nieuwe makkers bij de gedachte aan het spoedig weerzien van hun dierbaar vaderland, het vooruitzicht van de meer of minder passende vermaken, die hen aan wal wachtten, en dat het gewone onderwerp van gesprek onder de adelborsten was,--dit alles bracht er toe bij om de godsdienstige gemoedsstemming, waarin ik van mijn eersten commandant afscheid had genomen, genoegzaam geheel te verflauwen en het bewustzijn te doen ontwaken van de dwaasheid, die ik begaan had van een schip te verlaten, waar ik mij zoo op mijn plaats gevoelde en groote kans op spoedige bevordering had. Ik begon te meenen, dat ik heel onverstandig had gehandeld, en was in eene stemming om, in weerwil van de goede voornemens, die ik gehad had, opnieuw het pad van lichtzinnigheid en velerlei verkeerdheden in te slaan.
Wij kwamen na een overtocht van gemiddelden duur in Engeland aan. Ik stemde er in toe twee dagen in Portsmouth over te blijven, om met mijne nieuwe kameraden onze oude uitspanningsplaatsen terug te zien en ons aan allerlei buitensporigheden over te geven, die slechts hartzeer en verdriet in het gemoed achterlaten, wanneer het scheidingsuur geslagen is. Ik behield echter wilskracht genoeg over om tijdig mijn koffer te pakken, en na een overdadig souper geraakte ik dronken te bed en pakte mij, des anderen morgens met een van hoofdpijn barstend hoofd, in de koets naar Londen.