Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif")

Part 9

Chapter 94,088 wordsPublic domain

Hij sprak ook met niemand over de verdenking, die Christensen in zijn ziel gezaaid had. En hoewel de naam van Carsten Lövdahl straalde in den glans van steeds toenemende macht, waren er toch op dit oogenblik eenige van die fijne, onzichtbare miasmen geboren geworden, die in de lucht zweven en zich verdichten tot een stil, zacht gesuis in 't riet, een fluisteren in de hoeken, een zweem van een gerucht, geheimzinnige toespelingen, een vragen, dat 't gerucht versterkt, algemeene spanning, tot de laster opeens opvlamt om een nieuwen naam die bedorven is, verteerd, versleten, gekauwd en weer uitgespuwd.

Maar in de zaak van Lövdahl kwam van dezen dag af nog meer leven en omzet. Marcussen was er de man voor om zijn crediet te gebruiken, en de professor, die juist in dat jaar veel geld op koren verdiende, werkte met lust en vlijt en vond in Marcussen een medewerker, die hem kon volgen èn zijn plannen uitvoeren, en die--dit was 't voornaamste--nooit verlegen was om middelen of met vervelende bezwaren aankwam.

De lange blonde knevel van Marcussen glansde en naarmate zijn positie als de eerste man op 't eerste kantoor van de stad den kring van zijn kennissen uitbreidde, strekte hij zijn werk onder de dienstmeisjes uit tot hoogere kringen en was spoedig de ridder onder de dames. Dat verbeterde zijn naam niet, die even slecht bleef, maar wel zijn manieren; en zijn onbeschrijfelijke brutaliteit tegenover vrouwen maakte hem eenvoudig onweerstaanbaar. Onder mannen was hij vroolijk en ruw, vol van de ergste histories; een heerlijke kameraad--tot alles bereid--tot drinken en betalen; dat laatste deed hij uit een dikke portefeuille, waar de muntjes en de bonte bladen uit het boek der liefde door elkaar lagen.

Tegenover Abraham was hij altijd eerbiedig en nam nauwkeurig den afstand tusschen hen in acht. Maar juist daarom was Abraham, die daar niet van hield, dubbel vriendelijk en kameraadschappelijk. En daar het steeds meer bleek, dat Abraham het best op de fabriek thuis was, nam Marcussen langzamerhand de plaats op het kantoor in, die oorspronkelijk aan den zoon van den chef was toegedacht.

Maar Abraham had de handen vol,--allereerst in zijn dubbele positie als de officiëele leider en de geheime dokter van de fabriek; bovendien had hij heel wat werk van allerlei aard als vicepresident van de arbeidersvereeniging.

't Was intusschen zijn lust en zijn leven bezig te zijn voor zulke dingen als het spaargeld van de arbeiders, hun ziekenfonds en dergelijke zaken; 't was dan ook door zijn positie aan de vereeniging, dat hij in staat werd gesteld de zaak van Steffensen in orde te brengen.

Toen hij namentlijk een paar dagen er over had loopen denken wat hij doen moest naar aanleiding van Steffensens onrechtvaardig ontslag, werd de heele zaak hem ten slotte uiterst onaangenaam om over te denken. En hij zou er zich misschien geheel van hebben teruggetrokken, als niet altijd het beeld van Greta weer teruggekomen was,--zooals ze daar zat met haar riet en wilgentakjes en op hem wachtte met dat sterke vertrouwen, dat hij niet meer kon ontberen.

't Hinderde hem zóó, dat hij bijna niet tot zijn dagelijkschen gang naar de fabriek kon komen, omdat hij haar deur voorbij moest en wist, dat de oude in de kamer zat en haar telkens vertelde, dat hij haar deur voorbij ging.

Eindelijk nam hij zijn vriend Kruse in vertrouwen en vertelde hem de heele geschiedenis.

Kruse begreep alles. Hij zat zooals gewoonlijk, wat in elkaar gedoken en sloot de oogen half in een wolk van tabaksrook. In alle stilte zag hij dien sterken, knappen man aan, die geen raad wist met die kleine moeilijkheid en met een vlugge beweging sloeg hij de asch van zijn sigaar.

"Ik vind niet, dat je hier herrie over moet maken."

"Neen, niet waar? Wat voor den drommel geeft dat ook--om iets wat eigenlijk zoo onbeduidend is; ging 't om iets, dat de moeite waard was, dan zouden de hooge heeren 't wel voelen..."

"Maar ik raad je aan om de zaak heen te gaan," ging Kruse droog voort. "We maken Steffensen tot chef in den winkel."

"In de verbruiksvereeniging?"

"Ja, dat is toch ook een baantje, en nog niet zoo'n verkeerd baantje, als de handel blijft toenemen zooals tot nu toe."

"Maar denk je, dat ze hem willen hebben? Je weet, hij is niet gezien onder de arbeiders."

"We moeten onzen invloed gebruiken, zooals Christensen zou zeggen. Ik kan Steffensen niet uitstaan--dat weet je; maar ik geloof, dat hij geschikt is om den winkel te besturen; en ik denk ook, dat jij dien uitweg wel goed zult vinden."

"Natuurlijk! Ik zou heel blij zijn..."

--"en nu nog iets," viel Kruse hem in de rede en zag den ander met een fijn glimlachje aan: "'t Is voor die brave heeren van de directie heel goed te zien, dat de arbeiders zich zelf helpen; den man, dien zij zonder reden hebben uitgestooten, helpen de arbeiders zelf aan brood."

"Ja, ja, ja! Daar heb je ook gelijk aan. 't Is een prachtig idee! Dank je wel, Kruse! Ik dank je hartelijk."

En Abraham sloeg het kleine mannetje krachtig op den schouder. Hij was verrukt, vol lust en ijver om aan den gang te gaan--direct!

Maar toen hij weg was stond Peter Kruse lang met dat bittere glimlachje op de lippen in gedachten verzonken en eindelijk zei hij in zich zelf: "Ja zie eens, zóó worden ze--zij, die de besten en moedigsten van ons allen zouden kunnen zijn!"

Abraham liep langzamer, naarmate hij dichter bij 't huis van Steffensen kwam; hij bereidde het tooneel voor, maakte het plan en wist, toen hij de hand aan de deurknop bracht, precies hoe hij het zeggen zou en wat indruk het op die twee menschen maken zou.

"Goedenavond Steffensen, goedenavond Grete! 't is een heel poosje geleden, dat we elkaar zagen," zoo begon hij met een zachte stem, alsof hij wat moe was.

"Ja, ik kan me wel voorstellen, dat u het druk gehad hebt," bromde Steffensen.

Greta zeide niets, maar luisterde met hoopvolle verwachting.

"Ja, ik heb 't druk gehad, met mijn eigen zaken en met die van anderen."

Steffensen, die in 't begin dwars en stug was blijven zitten, werd nu onrustig. Die dagen van wachten hadden hem gedrukt. 't Was ook geen gekheid: een oud man met een blinde dochter en dan zonder werk! Wel was 't waar wat men zei, dat hij wat geld op de spaarbank had, maar dat had hij altijd gehoopt Greta te kunnen nalaten. Als hij nu dat geld moest gebruiken dan was er voor haar geen ander vooruitzicht dan de armenzorg, als hij er niet meer was. Hij probeerde nog zich goed te houden, maar in werkelijkheid zat hij bevend zijn vonnis af te wachten.

"Nu," zei hij zoo barsch als hij maar kon, "zal ik nu stoker blijven of niet?"

"Neen, je zult geen stoker blijven," antwoordde Abraham kalm.

Hij voelde, hoe Greta, die naast hem zat, ineen kromp, maar Steffensen sprong op en begon te vloeken en te razen, zooals hij gewoonlijk deed. Abraham bleef heel kalm en had er pleizier in hoe het heele tooneel zich precies afspeelde zooals hij 't zich had voorgesteld. Nu vond hij het oogenblik gekomen het beslissende woord te spreken.

"Herinner je je wel, dat ik beloofde de zaak in orde te maken?"

"Jawel! En de oude Steffensen was dom genoeg het te gelooven."

"Och, dat was nog zoo dom niet," antwoordde Abraham lachend--"en toen ik eenmaal op me genomen had te helpen, meende ik, dat het 't beste was 't afdoende te doen. 't Is een vrij hard werk met die machines, en in den winter voor de gezondheid gevaarlijk, zóó van de warmte in de open schuren--niet waar?"

"'t Is een ellendig werk, maar je hebt er toch je brood door."

"Ja, je brood!--Er zijn verschillende manieren om je brood te verdienen, maar als je oud wordt dan komt 't er op aan een manier te vinden, die voor je krachten past en je niet vóór je tijd om hals helpt."

Steffensen voelde zich weer onzeker. Hij deed een paar stappen vooruit en keek Abraham met zijn strakke oogen vlak in 't gezicht.

"Ik wilde je daarom de betrekking aanbieden van chef in den winkel van de arbeidersvereeniging."

Steffensen was verbaasd. 't Eerste wat in hem opkwam was de lust om op de knieën te danken voor die redding uit armoede en ellende.

Maar dat duurde maar een oogwenk; zijn lange haat tegen 't kapitaal, zijn ingewortelde gewoonte om onverzoenlijk en misnoegd te zijn zat hem te diep in 't bloed. Hij bromde maar wat van "dat je maar nemen moest wat zich voordeed als je eerst uit je werk getrapt was."

Maar in werkelijkheid was hij zóó bewogen, dat hij naar de keuken ging, waar hij gedachteloos kopjes en emmers ging verzetten. 't Was algemeen bekend, dat de vrouw, die tot nu toe den verkoop in den winkel bestuurd had, geld had overgelegd en nu trouwen ging, ofschoon ze een weduwe over de vijftig jaar was.

Eerst toen de oude was heengegaan, keerde Abraham zich naar Greta om van zijn triomf te genieten, maar hij werd teleurgesteld door de uitdrukking op haar gezicht.

"Nu Grete?--ben je niet over me tevreden?"

"Jawel! Ik dank je wel! Vader is zoo bang geweest, maar ik wist wel, dat je zou helpen en voor hem opkomen. Dat heb je toch gedaan?"

"Ja, natuurlijk, dat kun je toch wel begrijpen," antwoordde Abraham wat verlegen.

Greta werd dadelijk belangstellend, zoodat hij er haastig bijvoegde:

"Je kunt er van op aan, dat ik hen voelen liet..."

"Wat zei je? Toe vertel dat! wat zei je tegen hen? Was je vader er bij?"

Dat interesseerde haar klaarblijkelijk 't meeste. Ze had haars vader bloed! En niets kwam haar zoo groot en heerlijk voor, als dat iemand zich tegen de machtigen verzette en hun de waarheid in het gezicht zei.

Nadat het ontwaakt bewustzijn van den geheelen omvang van haar ongeluk haar liefde zoo teer, zoo pijnlijk gemaakt had, was ze tegenover Abraham niet zoo gelijkmatig als vroeger; en terwijl ze nu haar gezicht naar hem toekeerde--zoo gespannen, zoo vol liefde, zoo begeerig hem nog meer te mogen bewonderen--ja toen had Abraham de kracht niet dit eenige menschenhart los te laten, dat hem heel zijn geloof--heel zijn vertrouwen gaf. En hij begon te liegen.--Opgewonden en door haar vragen geleid werd hij vindingrijk; hij had zoo vaak met haar de reis gemaakt door fantastische sprookjes. Deze keer waren 't nu rondweg leugens; maar 't leek er toch wat op.

En hij gaf een referaat van zijn heele toespraak die hij had willen houden, en die zoo begon: "Ik kom om mijn recht te eischen."--Ja, toen hij eenmaal aan den gang was gaf hij nergens meer om en beschreef hoe de heele directie gesmeekt had om Steffensen als stoker te mogen behouden; maar hij had het afgeslagen; hij--Abraham Lövdahl--zou de hooge heeren toonen, dat de arbeiders zich zelf kunnen helpen.

Maar te gelijkertijd voelde hij, dat hij vuurrood werd, toen hij haar liet beloven niets van dit alles aan iemand te zeggen, zelfs niet aan Steffensen.

Greta straalde en merkte niets en Abraham trachtte zijn slecht geweten gerust te stellen en nam haar bewondering aan. Nu was 't maar goed, dat ze hem niet zien kon. 't Zou hem onmogelijk geweest zijn zoo te doen tegenover een paar oogen, een paar niet te ontwijken oogen!

"Wat scheelt je? Abraham! Waarom loop je van me weg? Waar ben je? Kom weer hier en ga zitten."

"Neen Grete! ik moet weg. 't Is al laat. Goeie nacht!--ik kom gauw terug."

Abraham keerde van zijn triomftocht terug met gebogen rug, schuw en zoo wonderlijk slap in de beenen. Niets van alles wat hij probeerde, hielp. 't Was waarlijk geen kleinigheid wat er gebeurd was; want 't waren leugens, echte, zonneklare leugens! Hij had wel vroeger al gelogen zoo in 't klein; maar nooit zóó laf, zóó met opzet.

En een paar groote, diepe oogen hadden als 't ware plaats genomen in dat blinde gezicht en een oogenblik voor hem gestaan. En hij kon ze niet ontwijken, wat hij ook deed en hoe hij zich wendde en keerde; hij moest aan zijn moeder denken, met pijn en tegenzin, maar hij moest!

Naarmate de tijd voorbij ging en hij in 't werk in kwam kreeg ook de kapelaan Maarten Kruse veel te doen. Zijn priesterlijk ambt nam hij waar door Zondags te preeken op zijn beurt en een of ander bijbellezing te houden, zoodat de leekenpredikanten geen voorwendsel tot aanmerkingen zouden hebben. Maar overigens werd zijn tijd eigenlijk gezegd--door zeer wereldsche zaken in beslag genomen, en hij werd een trouw bezoeker van Lövdahls kantoor--altijd door de achterdeur.

't Nieuwe principe van Marcussen, dat het crediet gebruikt moest worden, maakte het wenschelijk voor de zaak van den professor meer en solide endossanten te hebben. Tot nu toe had men bijna geen andere namen noodig gehad dan Consul With, maar nu zou 't goed zijn er meer te hebben; en Marcussen stelde de oude Jörgen Kruse voor.

De professor legde toen den kapelaan uit hoe 't eenvoudig dwaas was in tijden als deze geld te laten liggen voor nauwelijks vier procent en 't gevolg werd spoedig, dat er voorzichtig handelsbetrekkingen werden aangeknoopt tusschen Jörgen Kruse en Carsten Lövdahl.

De oude Jörgen moest de geschiktheid voor zaken doen van zijn zoon bewonderen, al was hij 't niet altijd eens met de jongelui als ze geld opnamen. Maar hij kon toch over 't geheel niet tegen Maarten op, want zoodra er oneenigheid kwam werd de zoon opeens predikant en dan wist de oude Jörgen niet hoe hij zich houden moest. Zoo kwam heel wat van Kruses goed bewaard geld voor den dag--"om in de zaak van Lövdahl gestoken te worden,"--zooals Maarten 't noemde en de rente was een aardig sommetje bij de eerste half jaarlijksche afrekening, dat moest de oude Jörgen zelf toegeven. En langzamerhand werd het gewoonte onder de menschen om hun spaarpenningen naar Carsten Lövdahl te brengen; de hoogere rente, die hij gaf maakte, dat de sierlijke "rekening-couranten" van Marcussen verre boven 't spaarbankboekje te verkiezen waren.

En toen de oude Jörgen eerst den smaak beet kreeg van deze inkomsten, verkregen zonder moeite en bijna zonder risico, gaf hij zijn dwaze kleingeestige voorzichtigheid op en werd bijna nog begeeriger dan zijn zoon om met die schitterende zaak van Lövdahl aan den gang te gaan, waar zooveel goud uit vloeide.

Toen Maarten Kruse zijn vrouw voor 't eerst de renten van 't geld bracht, dat langzamerhand bij Carsten Lövdahl geplaatst was, legde Mevrouw Frederika haar magere armen om den hals van haar man en fluisterde:

"Dat is zeker bijna zeven procent, Maarten."

"Dat weet ik niet; ik heb 't niet nagerekend," antwoordde Maarten met waardigheid; "maar 't schijnt wel alsof een rijke zegen dien man begeleidt."

"Maar dit geld--zullen we dat niet in de bank zetten? Dat is toch zekerder."

"Zooals je wilt, Frederika."

En toen werd dit geld in de bank gezet.

Maar acht dagen later zei Mevrouw Kruse:

"Weet je Maarten, hoeveel we in deze week verloren hebben?"

"Hebben we wat verloren?"

"Door die rente--je weet wel--in de bank te zetten in plaats van bij Lövdahl hebben we meer dan drie gulden in één week verloren.--Ik heb het uitgerekend."

"Zoo!" antwoordde haar man teleurgesteld, en er ontstond een pauze.

De predikant zat in zijn vaders couranten te lezen--zij werden 't eerst bij de jongelui gebracht;--en Mevrouw Frederika was bezig een hoed te maken van een zwarte das, die Maarten niet langer gebruiken kon, omdat hij altijd met een witte das liep.

"Zeg eens," zei eindelijk Mevrouw Frederika, "vind je niet, dat er iets verkeerds in is om zoo 't geld te verspillen. Denk eens aan deze drie gulden. Wat hadden we daar niet voor kunnen koopen!"

"Of ze weggeven, Frederika."

"Ja zeker, denk eens aan hoeveel armen hadden we niet met dat geld kunnen voeden, die nu niemand ten goede komen?--Ik geloof wezenlijk dat je naar den professor moet gaan--ja, want je ben toch wel zeker van hem?" en alsof die vraag alleen haar al ontzette, richtte zij haar scherpe vogel-oogen op haar man.

Maarten antwoordde door van uit de hoogte de schouders even op te halen.

"Wil je, dat ik dat geld ook naar Lövdahl breng?" vroeg hij.

"Ja, je moet maar doen wat je wilt; maar ik vind wel,... ja, je weet dat ik van zulke dingen geen verstand heb; maar 't komt me voor, dat het eenvoudig verkeerd--zonde--is iets verloren te laten gaan."

Toen Marcussen den volgenden dag in het kantoor van den chef geroepen werd door de electrische bel, riep de professor hem opgeruimd toe:

"Je hadt gelijk, Marcussen! De dominé is hier geweest met het geld."

XI.

De baker had gelijk, toen ze de eerste dagen na de geboorte van kleine Carsten steeds herhaalde, dat Mevrouw te jong was om dadelijk het heele geluk te voelen van een kind te hebben;--dat zou wel komen.

Want toen Clara er zich van overtuigd had, dat haar schoonheid niets geleden had, omringde ze den kleine met een liefde zoo begeerig en jaloersch, dat ze zich bijna op voet van oorlog voelde met allen, die haar omgaven en zich een beetje eigendomsrecht op het kind wilden toeëigenen.

Ze knorde op verpleegsters en kindermeisjes, omdat ze er geen verstand van hadden hoe 't kind behandeld moest worden. Zoolang de kleine gezond was kwam het door dat Clara hem behandelde volgens een boek of volgens lange brieven van haar moeder. Maar kwam er wat maagpijn of zooiets, dan was 't altijd doordat de verpleegster of 't dienstmeisje--of iemand anders--iets doms of verkeerds gedaan had.

Dat kind was een stuk van haar eigen schoonheid, van haar eigen volkomenheid; daarom moest het zijn--en opgroeien als--een manlijk evenbeeld van haar; het moest zich eenmaal vertoonen in de stad en aan de familie en vrienden, aan de versmaadde balcavaliers, ja voor de heele hoofdstad tot op het Koninklijk Paleis toe, als het meesterstuk van Clara Meinhardt.

"'t Schijnt, dat je kleine Carsten als jouw uitsluitend eigendom beschouwt," zei Abraham goedig, als ze hem niet wilde toestaan bij het kind te komen.

"Ja, dat doe ik;--dat spreekt!"

"Maar ik dan!" riep Abraham lachend, "je behandelt me heelemaal als oud kruit."

"Wat is dat nu voor onzin?"

"Der Mohr hat seine schuldigkeit getan, der Mohr kann gehen."

"Ja, dat kan hij ook," antwoordde Clara zonder een spoor van een glimlach.

Maar Abraham lachte; hij wilde dit niet in ernst opnemen; hij wilde gelukkig zijn. Hij had een zoon, die van hem was; en hij zou den jongen wel naderen, later! 't Was zoo natuurlijk, dat de moeder den eersten tijd heelemaal voor hem zorgde.

Alleen met één kon en wilde Clara het kind deelen. De professor had ten allen tijde toegang; en hij werd ontelbare malen de wenteltrap opgeroepen voor een consult of soms ook alleen, omdat Grootvader zien moest hoe lief hij was--kleine Carsten in 't bad.

En Moeder en Grootvader konden uren bij de wieg zitten te lachen en iederen trek te bewonderen in dat kleine gezicht, waarin ze allerlei glimlachen, familiegelijkenissen en sporen van intelligentie ontdekten, terwijl 't kind--oprecht gesproken--'t meest op een zieken aap geleek.

De professor was zóó vol van dat kind, dat hij 't stof van een paar geneeskundige geschriften afborstelde en de kinderziekten weer ging "repeteeren." 't Was zijn lust en zijn vreugd, dat kleine wezen, dat zijn naam dragen zou. En als hij in de diepe stilte midden in zijn groot kantoor van verre 't geluid van 't schreien van een kind hoorde, dan leunde hij achterover in zijn stoel en glimlachte tegen de geluksgodin, die half zwevend hem haar krans reikte en ook tegen hem glimlachte.

Ook aan haar vriendin, Mevrouw Frederika, vertoonde Clara soms haar kind, want zij had er geen en 't scheen ook niet, dat ze kinderen krijgen zou; en Clara was er trotsch op dit boven haar voor te hebben.

Want wat zuinig huishouden betreft moest zij erkennen, dat Mevrouw Frederika verre haar meerdere was. Wel behoefde Clara niet zuinig te zijn, en dat was ze ook eigenlijk niet; maar ze had toch van haar moeder de liefhebberij geërfd om zuinig met de boter te zijn en de suiker voor de dienstmeisjes weg te sluiten.

Mevrouw Frederika leerde haar een menigte kunstjes met het vet in 't eten, met aanmaken met meel, stroop en chicorei en--Liebig niet te vergeten; en Mevrouw Clara maakte er zich een gewetenszaak van haar man en haar dienstboden te onthalen op sommige mystieke zaken, die zij moesten eten.

Op andere oogenblikken,--b.v. bij partijen, deinsde ze niet voor uitgaven terug. Royaal te zijn en veel geld uit te geven, als de menschen het zagen, lag eigenlijk in haar aard--vooral met een verfijnde manier van uitpingelen; op 't oogenblik, dat ze de kookvrouw vrij liet rondtasten in truffels en oesters, verzuimde ze nooit de pruimen te tellen voor de zoete soep van de dienstboden.

Voor Mevrouw Frederika was een bezoek en vooral een partij in dat huis, waar zooveel omging, werkelijk aangrijpend. Haar valken-oogen rustten op alles wat er verbruikt werd en taxeerden alles wat er werd verspild. En daarna voelde ze zich alsof ze had meêgedaan aan een waanzinnige overdaad, die ze zelf moest herstellen door nog zuiniger op 't allerzuinigste uit te zuinigen.

Ze benijdde waarlijk haar vriendin niet; 't moest vreeselijk zijn aan 't hoofd van zulk een huis te staan. Want Mevrouw Frederika begeerde eigenlijk niet rijk te zijn; veel te bezitten; evenmin had ze een bepaalde vrees voor de ontberingen en de bekrompenheid van de armoede,--ze had in werkelijkheid zoo weinig noodig.

Haar hartstocht was de bewustheid, dat alle penningen, die maar op een of de andere manier tot haar konden komen--ook werkelijk kwamen; dat geen enkele cent van haar wegkwam, die op een of andere manier uitgespaard had kunnen worden. Ze was een goudmijn voor haar man en werd zeer bewonderd.

Neen--als ze Clara Lövdahl iets benijdde, dan zou 't haar man zijn;--hij was met zoo weinig tevreden,--dàt moest ze bewonderen.

Als ze hoorde met wat voor middageten de rijke, verwende Abraham Lövdahl genoegen nam moest ze wel eens aan haar man denken;--hem kon ze waarlijk niet makkelijk foppen met opgewarmde restjes en dergelijke zaken.

Maar dat kwam ook doordat Maarten niet sterk was,--en behalve dat had hij aan goed, krachtig voedsel behoefte in zijn moeilijke betrekking. En in 't huis van den kapelaan was 't daardoor langzamerhand gewoonte geworden, dat de huisvader uit een afzonderlijken schotel at; terwijl de huisvrouw, die trouwens bijna geen voedsel noodig had, iets anders kreeg, dat men eigenlijk niet den naam van een of ander bepaalde spijze geven kon.

--Zoodra Clara Lövdahl zich weer geheel hersteld voelde, wilde zij vergoeding hebben voor den langen, vervelenden en pijnlijken tijd, dien ze had doorgemaakt; ze bracht leven en beweging in 't oude huis--ja in de geheele stad. Ze gaf den stoot aan een druk converseeren en een feeststemming, die naar alle kanten uitsloeg en ieder meêsleepte en den geheelen winter opvroolijkte door schitterende bals, fakkeloptochten op 't ijs, champagne en raketten.

't Was wel Clara Lövdahl niet alleen, die de bedaarde stad op stelten bracht; maar zij sloeg op het rechte oogenblik den rechten toon aan; en ze vond weerklank in de blijdschap en 't gejubel van alle kanten. Niet alleen bij de grooten, zooals de Lövdahls, de Withs, de Garmans--maar ook onder de kleine burgerij was men uitgelaten in dezen winter. Er was niet één bekommerd gezicht te zien--behalve dat van den bankdirecteur Christensen; en dat verhoogde de vroolijkheid.

Er gaat soms zulk een geest van uitgelatenheid door kleine afgelegen groepen menschen, als ze lang geslapen hebben. Een prins of een landbouwtentoonstelling brengt de machine aan den gang en dan gaat het door, slag op slag met feesten en partijen.

Zij, die geld over hebben, halen 't voor den dag en zij, die 't niet hebben kunnen 't met alle genoegen te leen krijgen; en er ontstaat een royaliteit en een overdaad, zóó dat de verraste kooplieden champagne en zware zijden stoffen uit Hamburg laten komen.

Maar die champagne wordt nooit betaald en als een vreemde klant vele jaren later verbaasd wordt door 't vinden van een prachtige zijden stof in een stoffigen, halfleegen winkel, dan antwoordde de koopman: "Ja, ziet u, dat goed is nog uit den prinsentijd," en hij schudt weemoedig zijn gefailleerd hoofd.