Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif")

Part 7

Chapter 74,138 wordsPublic domain

"Neen--wees nu eens even ernstig! Stel je voor: ze heeft 't vaste plan een mooi monument op te richten op het kerkhof voor haar zoon;--je weet immers, dat ze een zoon had?--hm! je kent die geschiedenis wel?"

Ja, Abraham wist het wel; hij voelde een steek in het hart, zooals altijd als hij aan den kleinen trouwen Marius dacht en de bouquet, die hij eens gekregen had. Hij werd opeens ernstig genoeg en luisterde maar half naar Kruse, die doorging met het bespreken van Mevrouw Gottwalds aangelegenheden, die hem blijkbaar in hooge mate interesseerden.

Abraham stond op om heen te gaan; 't was nog vroeg in den avond. De zon stond laag in 't westen en scheen onder de laatste zware wolken door, die na een regendag naar 't zuiden dreven. Hij kreeg lust naar Greta te gaan; ze zag zoo bleek toen hij 't laatste bij haar was.

Peter Kruse ging meê om wat frissche lucht te scheppen en terwijl ze voortliepen, zei hij:

"Ik begrijp niet, Lövdahl, dat je dien Steffensen kunt uitstaan."

"Hij is vermakelijk; er zijn werkelijk veel wonderlijke ideeën in zijn hoofd."

"Een fraseur, een oude gek!"

"Voor een eenvoudige arbeider, vind ik toch..."

"Een arbeider! zeg je. Verbeeldt je je misschien, dat een arbeider in dezen tijd met zulke holle praatjes aankomt? Neen, zie je, Steffensen kan wel goed genoeg geweest zijn in zijn jeugd, tien à twintig jaar geleden; toen waren menschen als hij noodig om de arbeiders wakker te schudden met groote woorden en goed klinkende zinwendingen. Maar de arbeiders van heden zijn wakker en vrij wat meer ontwikkeld; daarom loopt Steffensen rond als een oude schreeuwer. Je ziet zelf wel, dat hij niet den minsten invloed onder 't volk heeft."

"Ze begrijpen hem niet."

"Ja, òf ze. Ze doorzien hem en lachen om hem. Er zijn vrij wat meer solide eigenschappen noodig om vertrouwen en invloed onder onze arbeiders te winnen; zij zijn waarachtig verder gekomen dan de meesten van ons weten."

"Hoor eens Kruse!" zei Abraham en lachte. "Nu zijn we onder vier oogen en je weet, dat ik 't over 't geheel met je eens ben wat de meeste van je nieuwe ideeën betreft. Maar zeg me nu eens eerlijk: Geloof je niet, dat je in je haat tegen de steunpilaren van de maatschappij geneigd ben je lieve kleine burgers wat te veel in de hoogte te steken?"

"Ik geloof alleen wat ik weet. En dat is, dat in dit land de bovenste lagen van de maatschappij een paar geslachten stil gestaan hebben, terwijl een heel nieuwe levensbeschouwing de kamers van de denkers en boekengeleerden heeft verlaten, om in de maatschappij van onder op door te dringen als een levende stroom van bruikbare kennis van 't leven, zooals het in werkelijkheid is."

"Waarom alleen van onder op?"

"Omdat de tijd de steunpilaren van de maatschappij angstig maakt. Hun pers heeft hun zoolang de ooren vol gepraat over anarchie en de heerschappij van 't gepeupel, dat als je maar komt met een klein voorstel van politieke vrijheid of invloed van 't volk, ze dadelijk meenen, dat er sprake is van hun geld te deelen en hun vrouwen en kinderen prijs te geven. Maar op die manier, dat begrijp je wel, leeren die menschen niets ter wereld."

Abraham lachte.

"Maar je kleine burgers dan! Wat leeren die?"

"Ten eerste lezen ze niet de couranten van de steunpilaren der maatschappij, waarin de heele wereld op den kop gezet wordt in usum Delphini, doode gedachten met versche scheldwoorden opgedischt; een wegdoezelen van de werkelijke trekken van den tijd en een dagelijksch herhalen van de oude oer-waarheden, dat er schurken in Amerika wonen en "communards" in Parijs, de wijsheid in Christiania en de deugd in Stockholm;--dàt lezen ze niet."

"Dat is altijd iets," meende Abraham.

"Ja zeker--dat is nog niet zoo weinig!--Maar zij lezen, waar bijna niemand van ons aan denkt,--zij lezen en herlezen duizende brieven, die ons elk jaar toestroomen van de Noren in Amerika. Zie je, dat is een bron van ontwikkeling beter dan alle couranten en boeken. Want daar leert het volk voor 't eerst van zijn eigen familie, in zijn eigen taal, uit zijn eigen gedachtenkring--het eenigste wat een mensch door en door begrijpen kan. En denk eens aan al die kritiek, die in die brieven ligt over al onze toestanden van onder tot boven, heldere, gemakkelijk te begrijpen oordeelvellingen en vergelijkingen van neven en nichten of van Oom Lars, die zoo geloofwaardig was en die allen kennen."

Abraham liet hem uitspreken en antwoordde maar met enkele woorden; hij was in zekeren zin welsprekend--Kruse, als hij aan den gang kwam; en er was veel in wat hij zei, wat Abraham bewonderde.

Maar zich geheel bij hem en zijn opvattingen aansluiten, dat kon Abraham niet. Hij vond als 't ware geen waarborg in die kleine, radicale rechtsgeleerde, die hij al van zijn jongensjaren af had leeren beschouwen als een gevaarlijk, half verachtelijk mensch.

Toen ze afscheid namen voor het huis van Steffensen spraken ze af elkaar te ontmoeten in de arbeidersvereeniging, waar Abraham na het feest veel vertrouwen en de plaats als vice-president verworven had.

Terwijl Kruse verder ging en zijn toespraak in zich zelf voortzette, trad Abraham het kamertje binnen, waar hij Greta op haar gewone plaats midden in haar werk vond.

"Je ziet zoo bleek, Grete! voel je je niet beter?"

"Ja, dank je, veel beter; je medicijn smaakt niet lekker, maar ik vind, dat ik er sterker van word."

"'t Is zeker wat bitter."

"Och dat hindert niet; kom, ga zitten."

"Je ben niet wel--Grete."

"Ja zeker, hoor je. Scheid nu maar uit."

"Ach, ik wou..."

"Wat wou je?"

"Als ik je alles zou vertellen, wat ik graag wou--Grete! dan werd 't een lang verhaal."

"Vertel maar en laat het maar goed lang worden."

"Allereerst zou ik zoo'n vaste hand willen hebben als Vader had in zijn allerbesten tijd; en dan wou ik voorspoed en moed hebben--voorspoed vooral..."

"En dan?"

"Ja--dat kan ik niet vertellen."

"Neen, nu moet ik wel lachen!--dat zijn de domste wenschen, die ik ooit gehoord heb; maar meer--nog meer domme wenschen!"

"Dan wou ik, dat ik op een stoomschip was."

"Och ja! wie moest er meegaan."

"Veel, heel veel menschen! Alle arbeiders op Fortuna."

"Wie nog meer?"

"Jij moest meegaan."

"Wie nog meer?"

"Je vader."

"Wie nog meer?"

"Mijn vader."

"Wie nog meer?"

"Wil je nog meer meêhebben, Grete?"

"Wil je niet nog iemand meêhebben, Abraham?"

"Ik weet het niet."

"Nu zeg je de waarheid niet."

"Welnu, nog één dan."

"Maar één?"

"Maar één!"

"Een heel kleintje?"

"Ja zeker, en dan moesten we..."

"Niemand meer, wel?"

"Neen, kind! nu zijn we dan aan boord; 't is niet zoo'n vreeselijk groot schip; maar dan moesten we ver weg reizen."

"Maar dan vielen alle anderen in 't water behalve wij beiden, neen--wij tweeën, neen wij drieën, niet waar, Abraham."

"Ja, als jij 't beter kunt dan ik, dan is 't maar beter, dat jij wenscht."

Zoo liep hun gesprek, maar plotseling hoorden zij geraas; dat was Steffensen, die thuis kwam. De deur vloog open door een schop en een pak met olie bevlekte linnen kleeren vloog naar binnen, daarop een kist met werktuigen en eindelijk Steffensen zelf,--vuurrood, de handen diep in de zak, met uitpuilende oogen, maar stil,--stil als een kanon, vóór het afgaat.

Greta liet haar werk los en greep Abrahams arm.

"Vader!--u is ontslagen."

"Ja!"--'t eerste schot bulderde los, "ik ben ontslagen binnentijds, op een verachtelijke manier. Steffensen, die uitdrukkelijk van uit Christiania hierheen geroepen is om met die lorrige machines te werken, waar niemand hier begrip van had--mij hebben ze er uit gesmeten! Maar dat alles was nog zoo erg niet. Ik weet immers wel wat het lot van een gewoon arbeider is, en ik ken de bloedzuigers wel;--er was niets beters te verwachten; maar één ding brandt me in mijn ziel! Weet je waarom ik ontslagen ben--Greta!"

Hij ging vlak voor hen beide staan. En eerst toen drong het tot hem door--hevig bewogen als hij was, wie Abraham was.

"Ja kijk! daar heb je nou een van de hooge heeren. Wat zegt u er van? Hij kan 't je vertellen. Vraag 't hem maar, Greta!--dan kun je hooren wat er aan je vader mankeert."

"Ik weet hier niets van, Steffensen! en ik kan eigenlijk niet gelooven, dat het mogelijk is," antwoordde Abraham. Hij zelf was bleek geworden en hij voelde zijn drift opkomen, omdat de directie, of zijn vader dit toch gedaan had zonder er hem over te raadplegen.

"Nu als u dan niets weet, dan zult u en de anderen 't hooren, voor den duivel! Ik ben weggejaagd zonder behoorlijke opzegging van te voren en zonder dat ze zich de moeite geven, een voorwendsel te zoeken, ze hebben me ronduit gezegd, dat 't was om oneerbiedig optreden--hoor jelui!--wat zegt u daarvan?"

De man werd vuurrood en 't was alsof hem de oogen uit 't hoofd zouden springen: "Stel je voor! eerst moet je verdragen, dat ze alles bezitten, de aarde hier en de hemel hiernamaals--tot die vervloekte machines toe, waar je op loopt te passen zoo zorgvuldig alsof 't je eigen vleesch en bloed was en dan willen ze nog, dat je ze eerbiedigen zult!--En wie--Marcussen--dat zwijn--Lövdahl!..."

"Stil, Vader!"

"Hoor eens Steffensen!" zei Abraham en stond op. "Ik ben 't met je eens. Dit is absoluut onverantwoordelijk van de directie en ik geef er je mijn woord op, dat je volkomen in je eer hersteld zult worden."

Die woorden brachten Steffensen in de war; maar Greta riep blij:

"Ziet u wel, Vader! kom nu bij ons en wees kalm, u hoort, dat de directeur alles in orde brengen zal."

Steffensen scheen 't meest geneigd er weer op los te bulderen; maar hij kwam onder den indruk van de vastheid, die over de houding van den jongen directeur gekomen was, en toen Abraham was heengegaan, bromde de oude:

"Misschien zit er toch wel wat in dien jongen."

"Ziet u wel!" riep Greta zegevierend. "U, die altijd gezegd hebt, dat hij precies als de anderen was."

Steffensen zag haar aan en zei: "Als je nu toch eens teleurgesteld werd, Greta."

"Ja, dan moest ik maar sterven," zei ze zacht.

Maar Abraham liep met stormpas de stad in. Nu zou hij met allen afrekenen. De directie moest bijeenkomen. Hij was niet bang. Hij wilde vrijuit spreken. Ze zouden niet zeggen van de fabriek waar hij directeur was, dat bekwame menschen werden weggejaagd, omdat ze op een feest woorden spraken, die de groote lui niet aanstonden.

Maar eerst zou de slag geleverd worden tusschen zijn vader en hem. Er was toch een grens aan den kinderlijken eerbied; hij wilde zijn recht als volwassene eischen. Hoe uitstekend zijn vader in alle opzichten ook was--'t viel toch niet te ontkennen, dat hij door dit leven tusschen al die geldmenschen niet weinig was veranderd.

Ook dat wilde Abraham hem zeggen--open en eerlijk, zonder heftigheid, en overigens er op staan, dat Steffensen zijn plaats behield en in zijn eer hersteld werd.

Hij liep zijn toespraak aan zijn vader in te studeeren en toen hij in de stad kwam, had hij die klaar; hij zou zóó beginnen: "Vader! ik kom mijn recht eischen als volwassene."

De professor was niet thuis en dadelijk kwam bij Abraham de verdenking op, dat zijn vader op zijn komst was voorbereid en zich aan zijn eerste heftigheid wilde onttrekken; want zij hadden zoo vaak over Steffensen gesproken, dat de professor weten moest, dat dit Abraham krenken zou.

't Dienstmeisje zei, dat de professor boven was. Abraham ging de trap op: nu werd het erger: hij moest de verklaring uitlokken in zijn eigen kamer, waar het stil moest gehouden worden voor de zieke, en waar de feestelijke rust om den jong-geborene heen 't moeielijker maakte harde en scherpe woorden te gebruiken.

Maar dat hielp niet; nu moest het gebeuren; hij zou ze nu eens toonen, dat hij moed en wilskracht had als 't er op aan kwam.

In de voorkamer lag een vreemde hoed en stok, maar hij dacht er niet over na en ging met vaste schreden de huiskamer binnen.

Hier kwam zijn vader hem te gemoet uit de slaapkamer. De professor hief de hand op en wilde iets zeggen; maar Abraham begon dadelijk, met gedempte stem, maar ernstig:

"Vader, ik kom om mijn recht..."

"Stil, stil, in Gods naam--mijn jongen. Praat zoo hard niet," fluisterde de professor en duwde hem de kamer weer uit in de voorkamer.

"Ik zal kalm zijn, Vader en zacht spreken; maar nu moet u me aanhooren."

"Ja, ja lieve Abraham, maar op dit oogenblik..."

"Ik kan niet langer wachten, Vader."

"Maar Bentzen is daar alleen."

"De dokter!"--Abraham herinnerde zich opeens dien vreemden hoed. "Wat doet hij hier?"

"Ik had je een boodschap willen sturen, maar ik wist niet waar je was."

"Maar mijn God!" riep Abraham; "wat is er dan? Is Clara ziek?"

"Neen, neen. Clara neemt het kalmer op dan ik dacht."

"Maar wat is er dan, Vader? Zeg het dan!"

"Ik dacht, dat 't meisje het je gezegd had. 't Begon zoo, dat hij..."

"Hij!--kleine Carsten? Vader!--Vader, 't zijn toch geen stuipen?"

"Neen, mijn jongen. Stuipen zijn 't niet; dat wil zeggen..."

"U is er niet zeker van!--o Vader, laat me bij hem!"

"Neen, neen.--Wees nu kalm!--Ik zal naar binnen gaan. Mogelijk is 't alleen maar wat koorts."

"Ja, ga u naar binnen, Vader.--Gauw! en vertel u me wat het is. Groote God! Als we hem moesten verliezen!"

Hij stond voor het venster, terwijl zijn vader in de slaapkamer was. Hij stond in de oude ingesloten tuin te kijken, waar hij als kind had gespeeld; 't grasveld werd groen en de knoppen van de lindeboomen zwollen op.

Maar geen herinnering, geen gedachte kon plaats vinden in zijn hoofd--behalve dat ééne verschrikkelijke, wat in zijn licht bewogen fantaisie van een akelig voorgevoel aangroeide tot een halve zekerheid: 't zou zoo moeten zijn: hij zou hem verliezen. Niets was waarschijnlijker; zwak en buitengewoon klein was de jongen, en met moeite was hij ter wereld gekomen. Stierven niet gezonde en normale kinderen bij massa's op dien leeftijd? Neen--er was geen hoop. Hij voelde 't zoo duidelijk.

't Dienstmeisje kwam uit de keuken om te zeggen dat 't water nu warm was en de professor kwam uit de slaapkamer om 't bad in orde te maken. Terwijl hij Abraham voorbijging zei hij geruststellend:

"'t Wordt beter."

Maar Abraham geloofde 't niet; en de tijd ging voorbij. In de keuken hoorde hij water in de badkuip schenken; maar binnen bij kleine Carsten was alles stil. Geen enkel geluid, dat hoop gaf. Dr. Bentzen kwam de kamer uit.

"Nu, dokter?"--Abraham dacht, dat alles voorbij was.

"O, 't gaat goed, heel goed," antwoordde de dokter; en toen 't dienstmeisje en de professor op 't zelfde oogenblik met de kleine badkuip van 't kind kwamen aandragen, zei hij: "Ik geloof niet, dat het bad noodig is--Lövdahl. De pols is nu vrij normaal; wat zwak; maar verder is 't kind volkomen rustig."

Beide doktoren gingen naar binnen, en Abraham bleef voor de dampende badkuip staan en luisterde. Hij durfde nog niet hopen:--de pols was zwak, had de dokter gezegd.

Na een lange, lange poos kwamen de twee heeren terug; zij slopen zacht voort en hielden de deurknop vast; Abraham keerde zich naar hen toe met een vraag in elken trek van zijn angstig vertrokken gezicht.

"Hij slaapt; alle gevaar is voorbij," fluisterde de professor.

Abraham wierp zich in zijn armen en barstte in schreien uit, zoodat ze hem verder weg moesten brengen.

Toen hij weer eenigszins in evenwicht gekomen was, zei Dr. Bentzen, die zich verkwikte met een glas portwijn:

"Ik zal je wat in vertrouwen zeggen,--mijn beste Abraham! Als we grootvader worden, dan worden we heel angstig; vooral als het een kleinzoontje geldt, dat onzen hooggeachten naam dragen zal."

"Ja, achterna kun je wel moedig zijn," meende de professor.

"Ach! je hadt me waarachtig wel met rust kunnen laten op de club, Professor! 't Heele geval was niets anders dan een beetje koorts en dan misschien een beetje maagpijn." Daarop dronk hij zijn glas uit en nam afscheid.

Zij gingen met hem meê naar beneden en bleven een oogenblik op de stoep staan. 't Was laat geworden. De straat was leeg en stil, de avond mooi en zacht na den regen, en allen voelden zich min of meer verlicht na al die gemoedsbewegingen.

Maar eindelijk zei de professor:

"Nu, goeden nacht! nu wil ik graag naar bed. Ik ben zoo moe als na een langen dag praktijk in den ouden tijd."

Bentzen ging heen en trok de huisdeur dicht.

Maar toen zij in 't donker achterbleven zei de professor: "Ja, 't is waar ook! Nu denk ik er aan: er was iets, waar je me over spreken wou, Abraham."

"Nu is u moe, Vader."

"Maar 't kwam me voor, alsof 't iets heel gewichtigs was."

"Ja, dat was 't ook. Maar nu ben ik ook moe, om u de waarheid te zeggen. We laten dat rusten tot morgen. Goeden nacht Vader;--ik dank u."

Steffensen?--Steffensen! hoe oneindig ver weg was hij niet van Abrahams gedachten; en hoe in de wereld had hij er aan kunnen denken zich om zooiets tegen zijn vader te verzetten--tegen zulk een vader!--Natuurlijk zou hij die zaak in orde brengen--morgen; maar dat kon immers wel in alle kalmte gebeuren.

Op de teenen sloop hij de slaapkamer binnen. Clara lag--bleek en mooi--in dat groote bed; en kleine Carsten sliep met zachte snikken in zijn heel klein neusje, en rimpeltjes in de fijne vingertjes, die op gepelde garnaaltjes leken, van de allerkleinste soort.

Toen ging ook Abraham ter ruste en sliep als een Patriarch tot aan den helderen morgen.

Iets onaangenaams hinderde hem dadelijk, vóór hij nog goed wakker was; dat was Steffensen. Maar hij zette dat op zij, belde en vroeg aan 't dienstmeisje hoe het gegaan was.

O, goed! Mevrouw en de kleine hadden een rustigen nacht gehad.

Dat was het voornaamste; de rest zou wel in orde komen. Nadat hij Clara goeden morgen gezegd en er zich persoonlijk van overtuigd had, dat de kleine met de garnaalvingertjes wel bewaard was, ging hij naar beneden om te ontbijten.

Aan tafel begon de professor dadelijk:

"Ik dacht er gisteren avond laat nog over, wat het toch zou zijn, waar je me over spreken wou, en ik kwam eindelijk op Steffensen."

Abraham gaf toe, dat het zoo was; en nu begon de professor, steeds onder 't eten, de zaak uit te leggen. De directie had eenstemmig zijn ontslag geëischt; de man was niet onontbeerlijk; hij was ook niet zoo arm als hij zich voordeed; men zei, dat hij gespaard had; daar kwam bij, dat hij een uiterst moeilijk heer was, slecht gezind en ontevreden. Er waren veel klachten van de andere arbeiders ingekomen; één had zelfs er op gewezen, maar alleen mondeling, dat er machineolie verdwenen was uit de machinekamer.

Abraham verdedigde Steffensen heel kalm en bezonnen; en de professor was bereid veel toe te geven. Vooral was hij 't met Abraham eens, dat 't dwaas was over een oneerbiedig optreden te spreken, dat moest iets zijn wat Marcussen verzonnen had.

Maar aan den anderen kant moest Abraham ook zijn vader hierin gelijk geven, dat hij tenminste niet anders had kunnen handelen. Wilde Abraham zich tot de directie wenden, dan stond hem dat natuurlijk vrij; maar de professor zou 't hem om verschillende redenen afraden.

Abraham zou zich bedenken. En daarbij bleef het.

IX.

De onversaagde Juffrouw Kruse begon te tobben, iets, wat ze nooit te voren had gedaan.

Maar in den loop der jaren en nu de goede tijd gekomen was kreeg ze steeds minder te doen en steeds langer kousebeenen te breien; en dàn, als ze kousebeenen zitten te breien, gaan de oude vrouwtjes tobben.

Wat vooral in Juffrouw Kruse's verstandig kopje spookte, was een voortdurend toenemende verbazing over de tegenwoordige jeugd; maar ze verwonderde zich niet, als andere oude vrouwen over de dwaasheid en lichtzinnigheid van de jonge menschen, integendeel, ze kon niet begrijpen waarom de jonge menschen zoo zwaar op de hand geworden waren en zich 't leven zoo zuur maakten.

Ze dacht 't meest aan haar eigen kring; van anderen wist ze niet veel.

Peter was haar oogappel. Als hij getrouwd was zou hij zonder vlek of rimpel geweest zijn; maar iets jongs en frisch was er nooit aan hem geweest! dat moest ze toegeven.

En dan Maarten en nog erger--Frederika!

Juffrouw Kruse liet de breikous zinken en langen tijd op den schoot rusten, terwijl ze in gedachten voor zich uit staarde, zonder iets te zien. Dat waren de wonderlijkste jonge menschen, die men zich kon voorstellen. Hadden zij ooit een of ander vermaak? Hoorde men ooit, dat ze ergens blij mee waren? Nooit een schertsend woord!--nooit een frisch jong lachen.

Maarten was dominé,--nu ja. Goeie hemel! Ze had toch heel wat dominés gekend, die even goed waren als hij en die toch niet bang waren voor wat scherts en vroolijkheid. En dan Frederika! Wie zou kunnen gelooven dat ze een jonggetrouwde vrouw van 24 à 25 jaar was. Juffrouw Kruse dacht aan haar eigen jeugd, hoe ze toen pleizier hadden, hoe ze lachten--lachten en werkten! want dat deden ze ook. En hun vermaken waren niet duur; zij zouden niemand ruïneeren. 't Grootste genoegen was--dat ze jong waren. En dat hadden ze gratis. Verder was alles eenvoudig. Ze wisten ook wat sparen was;--hier nam juffrouw Kruse vlijtig de kous weer ter hand om de gedachten, die nu opkwamen, weg te breien.

Toen de welstand in huis steeds toenam en bijna rijkdom werd, had juffrouw Kruse op een Zondag in de kerk de proost Sparre hooren preeken over de tekst: "Geen goud, geen zilver, geen koper zult ge in uw gordelen hebben."

't Was midden in den zomer en nog ver van den dag, dat de gemeenteleden hun offer [2] moesten betalen, zoodat de proost den rijkdom en de rijken ernstig onder handen nam; en alsof hij opeens met deze zaak voor 't heele jaar wou afrekenen, nam hij in zijn preek alles samen, wat er over rijkdom geschreven staat; de beide mantels en de rijke jongeling, de rijke man en Lazarus, de kameel en 't naaldeoog--'t kwam alles in die preek voor. Zij, die de proost kenden en met hem omgingen wisten wel, dat die preek meer als troost voor de armen, dan als bestraffing voor de rijken dienen moest; maar de eerlijke ziel van Juffrouw Kruse kon die woorden maar niet vergeten. Zij sprak er met haar man over, toen zij uit de kerk kwamen; maar Jörgen had juist niet aan zich zelf gedacht, omdat hij heelemaal nog niet vond, dat hij zoo rijk was. Maar nu legde zij hem uit, dat zij al lang geleden rijk genoeg waren om aan de verzoekingen van den rijkdom te zijn blootgesteld; en daar Jörgen altijd te kort schoot in het debat, moest hij vrede hebben met wat meer uitgaven en wat minder schraperigheid.

Sinds dien tijd was Juffrouw Kruse op haar post in haar eigen hart, en ze paste ook op haar man, zoo goed zij kon. Maar hij had nu zijn veiligen schuilhoek in den donkeren ouden winkel, waar hij zijn vermogen verdiende bij stuivers door krap te meten en te wegen en daar bleef het ongeveer gaan als vroeger. De voornaamste verbetering met Jörgen kwam wel hierop neer, dat hij--als het jaar eens heel goed geweest was,--'t met de kerstgeschenken en 't offer voor den predikant wat ruimer nam.

Maar wat haar zelf betreft overwon zijn vrouw de verzoeking tot gierigheid, die anders voor de hand lag, voor haar, die zelf zoo meê gezwoegd had om alles bij elkaar te houden. En toen Juffrouw Kruse tijd en geld over kreeg om allerlei nood om zich heen te lenigen, deed ze ook uit haar huis en haar huishouden al 't pijnlijke weg, wat uit den tijd van armoede overgebleven was; en Jörgen, die altijd dik geweest was, hij kreeg nog meer omvang in nieuwe kleeren en schoone boordjes, en hij glom door goed voedsel en goede verpleging.

Hij durfde niet te knorren over de uitgaven; hij had er eigenlijk ook geen lust in, want hij voelde zich behagelijk. En behalve dat--hij had ook van oudsher zulk een vertrouwen in Amalia Catherine, dat--al had zij de huisdeur verguld--hij alleen gezegd zou hebben: "Ja Moeder,--daar zul je wel een bedoeling meê hebben."

Ze vergulde de huisdeur niet, maar ze versierde en knapte op, bij kleine beetjes te gelijk, ieder jaar wat, tot de kale, saaie kamers leven kregen door gordijnen en muurbloemen, tapijten en gemakkelijke stoelen, terwijl de stijve, ouderwetsche houten stoelen naar de eetkamer of naar boven verhuisden.