Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif")
Part 6
De stemming was wat vreemd geweest. Kwam de bankdirecteur al vandaag, in dit weer! En dan midden in zijn spanning over den uitslag van de groote gebeurtenis boven bij de jongelui.
"Goeden morgen--Mijnheer Christensen!--Gaat u uit in dien storm?"
"Ik loop altijd met den wind in den rug, zooals Randolf zaliger placht te zeggen."
De bankdirecteur nam een stoel en ging heel bij den lessenaar zitten, en scheen lang te willen blijven; hij was tot schertsen geneigd; dat stond den professor ook niet aan.
"Ik kom om met u te spreken over enkele dingen, de fabriek betreffende, die ik--ten minste voorloopig--niet op een bestuursvergadering wil aanroeren."
"Ja, dat dacht ik wel;--Mijnheer Christensen schrikt gauw."
"Ja zeker, al te gauw," antwoordde Christensen goedig; "maar ik ben om zoo te zeggen opgegroeid tusschen wissels en papieren, en op die manier wordt men niet, wat de professor een moedig man zou noemen."
"Ik meen, dat men niet zoo maar zijn ervaringen aan een bank kan overbrengen op een produktieve zaak als een fabriek."
"Daar hebt u gelijk in--Professor, dat kan men niet," antwoordde de bankdirecteur toestemmend; hij leunde achterover in zijn stoel en streek zich over 't gezicht, ernstig en waardig met al de zelfbewustheid, die hem eigen was, wanneer hij zich meester van den toestand voelde.
De professor voelde dat en hield zich even stijf en imponeerend in zijn breeden leunstoel voor Fortuna, die hem half zwevende haar krans reikte.
Een oogenblik stilte--dat de storm vulde door zich met een waanzinnigen wervelwind van de daken te storten en de naakte lindentakken te zweepen zoodat dor loof, water en zand tegen de ruiten stoven.
"'t Is geen uitlokkend reisweer," zuchtte de bankdirecteur.
"Moet u op reis?"
"Ik moet immers naar Carlsbad, zooals gewoonlijk."
"Maar dat doet u toch nog vooreerst niet."
"'t Zal niet zoo lang duren; want van 't jaar wil ik 't eerste seizoen nemen, dat is niet zoo duur en ik denk wel, dat de meesten van ons--groot en klein--zich voorloopig wat zullen moeten bekrimpen."
"Dat geloof ik volstrekt niet," riep de professor levendig. "Lieve hemel! wat moeten de menschen in deze vochtigen uithoek zich nog verder ontzeggen. Hier zijn immers geen andere amusementen dan zich een stuk in den kraag te drinken,--geen muziek, geen theater, geen openbare vermakelijkheden. Neen, neen, laat ons toch niet meenen, dat 't leven hier nog grijzer en treuriger worden zal; ik wil liever hopen, dat de tegenwoordige opkomst van de stad zal leiden tot een lichter, vroolijker leven voor groot en klein."
"Ja, laat ons dat hopen--Professor. 't Doet goed u zoo vol vertrouwen te hooren spreken; God geve, dat u gelijk hebt."
"Maar zie u dan toch maar eens om u heen, Mijnheer Christensen, hoe de eene onderneming na de andere op touw wordt gezet."
"Die gaan nu niet allen even goed."
"U bedoelt...?"
"Ik bedoel b.v. dat onze fabriek in den loop van dit jaar bedrijfskapitaal te kort komen zal."
"Er is geen reden voor bezorgdheid. We hebben een zeer grooten voorraad, waarvan de verkoop..."
"waarvan de verkoop ons schade geven zal," viel de bankdirecteur hem kalm in de rede; "en behalve dat hebt u aan de fabriek een aanzienlijk voorschot gegeven; en al is u nu ook nog zoo'n geduldig crediteur--dat geld moet toch vroeg of laat terugbetaald worden."
"Mijn vertrouwen op Fortuna is onbeperkt," antwoordde de professor met een handbeweging.
"Dat is het zeker wel; maar als de fabriek haar schuld aan u had afbetaald, was er zeker geen winst geweest verleden jaar."
De professor maakte een ongeduldige beweging. 't Had hem moeite genoeg gekost om met behulp van Marcussen een voordeelige balans voor de fabriek in orde te maken; maar hij wilde liever zijn eigen geld wagen dan bekennen, dat de fabriek onder zijn leiding slecht ging.
"Ik denk wel, dat we op de eerstvolgende algemeene vergadering genoodzaakt zullen zijn een vrij groote bijbetaling op de aandeelen te vragen en dat zal zonder twijfel voor velen een moeilijkheid zijn. Ik heb niet minder dan 15 aandeelen voor mijn rekening," zuchtte de bankdirecteur.
"Neen--nu moet ik werkelijk lachen!--vindt u, dat u te veel aandeelen in Fortuna hebt?"
"Wilt u er misschien vijf van koopen?"
"Koopen?--nu, goed dan!--Ik koop vijf van uw aandeelen."
"Wat geeft u er voor?"
"Ik wil ze nemen voor wat u er voor betaald hebt, à pari."
"Goed," zei de bankdirecteur. "Duizend gulden per aandeel. Wilt u er soms meer hebben?"
"U hebt zeker slecht geslapen, Mijnheer Christensen," lachte de professor wat gedwongen.
"Ik slaap nooit goed in 't voorjaar," antwoordde de andere droog en stond op; 't scheen, dat hij zijn doel met dit bezoek bereikt had.
Aan de deur zei de professor nog eens schertsend: "U moogt uw aandeelen terugnemen als we a.s. jaar 10% winst uitbetalen."
"Dank u zeer," antwoordde de bankdirecteur glimlachend en ging heen door 't bijkantoor. Achter zijn hand keek hij ter sluiks over alle lessenaars en tafels en snuffelde even, alsof hij met den neus onderzocht of de lucht wel de echte onvervalschte goudgeur had. Maar professor Lövdahl bleef in zijn leuningstoel achter en zag rond in het kantoor, alsof hier binnen iets veranderd was. Alles stond op zijn plaats. De klokwijzer was een kwartier verder gegaan,--dat was alles. En toch scheen 't hem alsof er iets was bijgekomen, dat er vroeger niet geweest was--of iets weggenomen.
Dat was de eerste schaduw, die over zijn nieuwe leven trok; tot nu toe was alles goed gegaan, allen hadden hem bewonderd met 't volste vertrouwen; en nooit had hij zelf zich iets anders voorgesteld, dan dat, als hij--Carsten Lövdahl--eerst zich verwaardigde koopman te willen worden, dan moest hij--dat sprak van zelf--in alle opzichten boven die halfbeschaafde groothandelaars staan, waar hij tusschen leefde.
Maar in dit oogenblik liepen zijn gedachten onwillekeurig en zonder dat hij ze terughouden kon, over de meest wilde mogelijkheden van verliezen... geruïneerd zijn... failliet gaan!
Hij dacht opeens aan groote huizen, die plotseling in elkaar gestort waren, fortuinen, die waren versmolten, rijke menschen met leege handen--een zee van ongelukken, val, vernedering doken op als herinneringen, die op een rij gingen staan en vooruitwezen als waren ze profetieën.
Hij rukte zich uit die gedachten los, veegde zijn voorhoofd af, ging naar 't middenste venster en staarde naar beneden in den kalen, ingesloten tuin, waar de storm huishield.
Hij hoorde niet, dat iemand op het deurtje in de lambriseering klopte, dat in den corridor uit kwam, waar een kleine wenteltrap naar de tweede verdieping liep en een uitgang aan de achterzijde van 't huis was.
Langs dien weg kwamen alleen schuwe smeekelingen en de intiemste huisvrienden; en toen de professor eindelijk merkte, dat de deur kraakte, terwijl die voorzichtig geopend werd, keerde hij zich snel om en dacht in eens weer aan den toestand boven.
Maar 't was geen boodschap van de jongelui. Maarten Kruse's dik lichaam kwam voor den dag,--waardig, maar wat verlegen--in de lage deur.
"Pardon, Professor!--ik maak gebruik van mijn kennis van uw huis, die ik nog uit mijn jongensjaren heb; ik wilde niet graag de kantoren doorgaan. Dr. Bentzen vertelde 't me; en toen meende ik, dat een bezoek van den predikant misschien de familie eenigszins goed kon doen; dit is immers een oogenblik--een gebeurtenis zoo verblijdend in 't einde--dat willen we ten minste bidden en hopen."
"Ik dank u, dominé,--dat is heel vriendelijk van u."
"Hoe staat het er nu meê?"
"Alles wijst er op, dat het normaal en goed verloopen zal;--maar 't is toch altijd..."
"Natuurlijk. Het is juist een oogenblik om te bidden en den Heer aan te roepen."
De kapelaan ging zitten in den stoel, waarvan de bankdirecteur zooeven was opgestaan, en zat uit te blazen; hij was wat kortademig geworden door tegen den storm in te loopen.
De professor trok zijn gezicht in de rechte plooi voor een stichtelijk, godsdienstig gesprek. Eigenlijk mocht hij dien dominé niet lijden; er was iets dubbels, of iets halfs in hem; hij wist nooit hoe hem aan te pakken.
En de predikant scheen even erg in de war. 't Ging weer juist als de laatste keer, toen hij hier kwam om over de aandeelen in Fortuna te spreken. Vandaag was 't nu iets anders; maar de pauze werd lang en de professor wilde even graag als toen een half godsdienstig gesprek met dezen jongen theoloog vermijden. Hij legde 't eene been over 't andere, zag van de godin van 't geluk naar den kapelaan en zei--zoo in 't voorbijgaan:
"Interesseert u zich nog voor onze fabriek, Mijnheer Kruse?"
"Ja, Professor!--dat doe ik. Ik interesseer me zeer voor Fortuna."
"Die is ook een zegen voor veel kleine burgers hier in de stad."
"Zeker, zeker!"
"En de aandeelhouders hebben zich waarlijk ook niet te beklagen."
"Dat hoor ik! Er was verleden jaar een mooie winst."
"En die wordt van 't jaar niet minder."
Opeens kwam er een echte schachergeest over den professor. Hij begon te vertellen en de zaken van de fabriek op te hemelen, tot de predikant al levendiger en belangstellender werd en als in een roes kwam door die groote getallen. En beiden schenen heelemaal de arme Mevrouw Clara te vergeten, die daarboven lag.
Eindelijk zei de predikant, terwijl hij een beweging naar zijn borstzak maakte:
"U hebt me verleden beloofd me te helpen met het plaatsen van geld, als ik een beetje over had."
Op datzelfde oogenblik kwam Marcussen binnen. De beide heeren aan den lessenaar dachten dadelijk, dat hij een boodschap van boven brengen kwam en hun gezicht veranderde van uitdrukking; maar het was enkel een pak van den bankdirecteur Christensen.
De professor maakte het open; 't waren de vijf aandeelen voorzien van de formeele overschrijving.
"Hij heeft haast," mompelde de professor geërgerd.
"De bode wacht," zei Marcussen.
"Waar wacht de bode op?"
Marcussen fluisterde: "Ik geloof dat hij iets van contant geld zei."
De professor week achteruit: "Nu dadelijk! na banktijd?--wat zijn dat voor praatjes!--Maar wacht Marcussen, laat de bode even gaan zitten."
Marcussen ging heen, en de professor wierp de aandeelbewijzen nonchalant voor zich neer en leunde achterover om het gesprek voort te zetten. De oogen van den predikant weken niet van de mooi geïllustreerde papieren, waarop een geluksgodin met een krans stond, die precies op 't beeldje op den inktkoker leek.
De professor liet hem den tijd; en eindelijk zei de andere:
"Zijn dat aandeelen in de fabriek?"
"Ja, dat zijn een paar aandeelen, die mijn vriend Christensen mij gelaten heeft."
"Verkoopt hij ze dan?" vroeg Kruse voorzichtig.
"Neen, verre van daar! 't was een oude afrekening, een liquidatie, eigenlijk een soort vriendelijkheid."
"Voor welken prijs heeft de professor ze overgenomen?"
"Ik weet het waarlijk op 't oogenblik niet. We zullen 't Marcussen vragen."
Maar de predikant hield zijn hand terug, die reeds bij de schel was: "'t Komt er niet zoo veel op aan; zij staan wel een heel eind boven pari."
"Ja, natuurlijk," antwoordde de professor en boog zich ver achter den lessenaar, alsof hij iets van den grond opnam; hij voelde het bloed naar de wangen stijgen; 't was voor 't eerst, dat hij een zaak als deze probeerde.
De predikant had de aandeelbewijzen open geslagen en streek ze glad met zijn dikke hand.
"Mooie papieren," zei hij glimlachend. "Was het niet 7 procent verleden jaar?"
"Ja, voorzoover ik me herinneren kan; maar... een idee! dominé!" riep de professor vroolijk, "neem u ze! 't zijn juist stukken voor u; hebt u er lust in--als 't u belieft!... vijf stuks."
"Wilt u ze verkoopen, Professor!"
"Ik wil mijn belofte houden: u te helpen."
"O dank u, dank u; als ze niet te duur zijn."
"Och, daar worden we 't wel over eens," meende de professor. Hij keek aldoor voor zich neer in de la, die hij half uitgetrokken had en deed alsof hij ergens naar zocht. Maar in werkelijkheid klopten zijn polsen en slapen; hij aarzelde en was onzeker. 't Was voor 't eerst, dat hij koopman in 't klein zou zijn; hij voelde hoe de grenzen tusschen goed en kwaad in elkaar liepen--de grenzen, tusschen dat wat voluit eerlijk en wat een beetje schurkachtig was.
Maar hoe kort die aanval van schrik en bange voorgevoelens na het bezoek van den bankdirecteur Christensen ook geduurd had, toch had die iets achtergelaten, een herinnering--een richting aan zijn gedachten gevend, die zij te voren nog niet gevolgd hadden.
Nu hij eenmaal koopman was, moest hij 't ook heelemaal zijn. 't Ging niet aan de fijngevoelige man van wetenschap te spelen, als men tegen Christensen en consorten op wou werken. In die dubbelheid lag juist het gevaar; dáár vooral moest hij zich voor wachten. En bovendien--op deze zaak was niets te zeggen. Hij voor zich twijfelde niet aan Fortuna, en kon hij 't eene oogenblik een waar koopen en die in 't volgende wat duurder verkoopen--dat was immers 't principe van den handel,--volkomen "fair play". Hij zei daarom eindelijk op een kalmen, welwillenden toon:
"Ik wil u deze vijf aandeelen laten voor een duizend en vijftig gulden per aandeel; dat is vijf procent boven 't betaalde bedrag."
"Staan ze niet hooger?"
De professor voelde dadelijk, dat hij dom geweest was; hij had veel meer kunnen vragen; maar hij antwoordde:
"Ik geloof wel, dat als men de aandeelen van Fortuna aan de markt bracht, het blijken zou, dat ze hooger staan; maar..."
"Dank u wel!--ik begrijp u; dat is heel vriendelijk van u." Op 't gezicht van Maarten Kruse kwam bijna een glimlach, terwijl hij in zijn borstzak greep en zijn portefeuille voor den dag haalde.
"Wel, dat mag ik graag zien," riep de professor, "een contante post."
En terwijl hij met officieele langzaamheid ieder aandeelbewijs van zijn handteekening voor overschrijving voorzag, telde Maarten de vijfduizend gulden even langzaam op in groote bankbiljetten, daarna het overige in kleine biljetten te samen f 5250.
De professor kon zien, dat er nog meer in de portefeuille was en toen hij het geld onder een presse-papier had gelegd en den ander de aandeelbewijzen overhandigd had, zei hij:
"U hebt zeker een groot gedeelte van 't vermogen van uw vrouw in de zaak van Mijnheer uw vader gestoken?"
"Neen,--Vader zegt, dat dit niet voor zijn zaken past."
"Dat kan ik me wel begrijpen," lachte de professor, "Jörgen Kruse heeft zeker geld genoeg."
"Denkt u dat?"
"Uw vader is zeker heel rijk; maar hij moest eigenlijk twee maal zooveel hebben."
"Hoe dat?"
"Hij kon immers door zijn geld in nieuwe ondernemingen te steken en met ondernemende menschen samen te werken, zonder twijfel zijn inkomen verdubbelen."
"Meent u dat werkelijk?"
Maarten herkauwde deze woorden van den professor nog terwijl hij zijn jas toeknoopte en afscheid nam.
Maar toen zij de kleine deur, die op de trap uitkwam, open deden, klonk een scherpe, snijdende gil door het huis.
Beide heeren bleven staan en keken elkaar verlegen aan, heel beschaamd toen ze aan dit gesprek dachten, dat zoo vroom begon en met geld en procenten eindigde,--vooral de predikant. Hij begon te kuchen en te stotteren zonder iets te kunnen uitbrengen.
Maar de professor als de oudste, kreeg het eerst zijn plechtige stem weer terug: "Nu er nog geen boodschap van boven gekomen is, willen we maar hopen, dat alles goed gaat: we moeten wachten en hopen."
"Juist wat ik dacht; we moeten hopen--hopen en bidden," zei de predikant en stak zijn hand uit; en 't was hun beiden, terwijl ze elkaar in de oogen zagen een zekere voldoening te zien, dat ze wederkeerig elkaar deze kleine menschelijke zwakheid vergaven.
Zoodra hij weg was, stak de professor de vijfduizend gulden in een couvert, verzegelde het met zijn particulier signet en drukte op den knop voor de electrische bel.
"Marcussen--geef dezen brief aan de bode van Christensen."
Daarop nam hij de tweehonderdvijftig gulden, telde ze en borg ze zorgvuldig in zijn eigen portemonnaie. Hij glimlachte, ja hij lachte bij de gedachte aan dien voorzichtigen Christensen; die zijn aandeelen à pari had gekocht; hier had hij in een half uur tweehonderdvijftig gulden op diezelfde papieren verdiend.
Och ja! Carsten Lövdahl kon wel tegen hen allen op, als hij maar wilde. Rustig en tevreden liet hij zijn oogen door de kamer gaan, begon bij de vensters, waar de regen in den verwaaiden tuin neerstriemde, en eindigde bij de godin van 't geluk, die hem half zwevend haar krans toereikte.
Op 't zelfde oogenblik hoorde hij snelle voetstappen den wenteltrap afstormen; hij stond op in angst en spanning; Abraham kwam binnenstuiven--bleek, met 't gezicht van aandoening vertrokken. De tranen liepen hem over de wangen, zonder dat hij 't zelf wist. Hij wierp zich in de armen van zijn vader:
"Een zoon--Vader! alles gelukkig afgeloopen, een heerlijke, flinke jongen!"
"Ik feliciteer je, mijn jongen, ik feliciteer ons allen. God zij geloofd!"
VIII.
De lente kwam vroeg, maar langzaam; 't was nog vrij koud 's morgens als Abraham naar de fabriek ging.
Maar de lucht was frisch en licht en 't was een gelukkige tijd voor hem. Terwijl Clara ziek was,--en dat duurde lang,--woonde hij in zijn zoogenaamd kantoor, waar zijn vaders boeken stonden; hij at beneden bij den professor of ergens anders en had het vrije leven van een ongetrouwd man, wat hij zeer aangenaam vond.
Zijn vrouw zag hij daarentegen weinig; ze vond het niet prettig als hij kwam. Clara was veranderd, ze was nadenkend geworden en lag liefst heel stil.
Ze had vreeselijk geleden; haar fijn, weinig ontwikkeld lichaam was zoo mishandeld geworden en ze dacht, dat ze nooit weer geheel herstellen zou.
En dàt was het, waar ze aan lag te denken. Als ze zich herinnerde wat ze doorgemaakt had, voelde ze een rilling langs haar rug gaan tot in de punten van de teenen toe, en als ze in een onrustigen slaap viel, richtte ze zich met een schok op en meende, dat het weer van voren af aan beginnen zou. Verscheiden keer per dag vroeg ze of het zeker was, dat ze weer als vroeger worden zou--heelemaal? Alle mogelijke maatregelen en de grootste voorzichtigheid paste ze gehoorzaam en geduldig toe en dacht er aan als de dokter of de baker wat vergaten. Over haar gezicht was ze gerust, als ze vermoeid den handspiegel neêrlegde: de huid was zelfs blanker geworden.
In de eerste dagen bekommerde Mevrouw Clara zich niet zooveel om haar kind.
"Ze is te jong; wacht maar," zei de baker.
Maar zij kon bijna niet verdragen den vader te zien. Als hij zijn gezicht vertoonde, achter het gordijn, glimlachend en overgelukkig, maakte zij een ongeduldige beweging en verzocht hem heen te gaan. Ze was zoo moe.
En hij ging zingende heen naar zijn fabriek, nadat hij zijn oogen had verlustigd met dat kleine geelachtig gerimpelde propje, dat in de wieg lag. Daar buiten onder 't volk was hij 't best op zijn plaats.
Marcussen was onontbeerlijk op het kantoor in de stad, zoodat het dagelijksch toezicht op het bedrijf op Abraham rustte; dat deed hij ook het liefst. Kantoorwerk was hem nog altijd vreemd gebleven.
Maar van 't eene werk naar het andere te gaan, met 't volk te praten, naar vrouw en kinderen te vragen, en vooral een beetje dokter te spelen--dat was juist een werkje voor Abraham. Hij was zoo blij als hij hen mocht helpen in ziekte en bij ongelukken. Maar het moest een beetje in 't verborgen gaan, want Dr. Bentzen was de dokter van de onderneming. Intusschen begrepen de arbeiders spoedig, dat het de ambitie van den jongen Lövdahl was een even goed dokter te zijn als Bentzen, en ze vonden gauw uit, dat hij beter was. In dezen tijd, toen de vadervreugde hem zoo licht om het hart maakte en zijn gedachten zoozeer innam, voelde hij minder behoefte om Greta te bezoeken; en zij miste hem ook minder, nadat men haar verteld had, dat Mevrouw Lövdahl een zoon gekregen had. Abraham sprak er niet over, want hij had een gevoel alsof het haar hinderen zou; maar hij merkte duidelijk, dat zij het wist.
Greta was ook niet ontwikkeld als andere jonge meisjes; het onvaste en overdrevene in haar vaders karakter had ook haar kennis van 't leven onvast en grillig gemaakt; maar nu was ze zelf volwassen; ze wist ongeveer wat er met Mevrouw Clara gebeurd was en daarna voelde ze minder vreugde als Abraham kwam.
Greta Steffensen had van haar vader geleerd, dat het leven een bloedige onrechtvaardigheid is; dat eenigen mogen genieten en millioenen lijden. Als hij goed aan den gang was kon ze gloeien van ergernis of stroomden de tranen uit haar oogen.
Maar zij had het goed wat haarzelf betrof. Met al zijn gebulder was Steffensen in den grond teer voor haar; alle menschen hadden haar altijd zacht gestreeld en "arme Grete," gezegd, op een manier, die haar goed deed.
Zij kon niet zien--dat was waar; 't moest iets wonderlijks zijn, dat licht, dat 's morgens kwam, en dat ze aan haar open oogen voelen kon. Maar lieve hemel! zij had het zoo goed in andere opzichten.
Zoo was het leven tot nu toe voor haar voorbij gegaan: geregeld werk en een opgeruimd gemoed hadden er haar boven op gehouden; nu was ze bijna negentien jaar en begon sterker te worden.
Maar nu was 't alsof alles stil stond. Dat kind, dat die vreemde dame ter wereld gebracht had, en dat Abrahams stem van vreugde deed trillen hoewel hij er nooit over sprak,--dat kind veranderde heel het leven voor Greta Steffensen.
Wat haar vader haar had uitgelegd, dat zij, die blind was, geen kind kon verzorgen, klonk haar nu als dom gepraat. Zou zij haar kind niet kunnen verzorgen--zijn kind! Ach--dat zou ze geen oogenblik alleen laten; zij zou het zoo vast--zoo vast houden!--en ze drukte haar hoofdkussen tegen haar warme borst in slapelooze nachten, die vol tranen en halfbewuste ellende waren over die jeugd, die verdorren moest--die liefde, die verwelken zou, zonder iemand tot vreugde te zijn.
De onrust in zijn huis had ook dit gevolg voor Abraham, dat hij meer tijd kreeg om zijn vrienden onder de ongetrouwde jongelui te bezoeken. Hij bracht vooral vaak zijn avonden bij Peter Kruse door. Wel was er een groot verschil in leeftijd tusschen hen; maar Kruse was een gemoedelijke kerel; je dacht nooit aan zijn ouderdom.
"Dat is toch niet waar!" riep daarom Abraham op een dag uit, "je bent toch nog geen veertig!"
"Ik ben waarempel al vijf en veertig," antwoordde Kruse kalm en streek over zijn dun haar.
"Dat zou ik nooit gedacht hebben. Je moeder is toch nog zoo oud niet."
"Ja, zie je... ik kwam ook tamelijk vroeg op de wereld," antwoordde Kruse glimlachend. "En vrouwen houden zich ook langer goed."
"Och welneen! Vrouwen worden veel gauwer oud."
"Ja, enkelen; maar kijk nu b.v. eens naar Mevrouw Gottwald."
"Mevrouw Gottwald!" riep Abraham, "zij ziet er toch even oud uit als jij."
"Och--onzin, kinderpraat!" stoof Kruse plotseling op. "Mevrouw Gottwald ziet er waarachtig even jong uit als je vrouw."
Abraham wou grappig zijn, liet de pijp uit den mond vallen, sperde de oogen wijd open en riep:
"Brand!--brand in een oud huis!"
Maar toen werd de goede Peter Kruse heelemaal wanhopend; hij knorde en vloekte een paar maal geweldig.
Hij was inwoner geworden bij Mevrouw Gottwald en woonde boven in de drie kleine kamers. Waarom hij van huis was weggegaan, waar zijn moeder hem zoo graag had willen houden wist niemand met zekerheid; maar Abraham leidde uit enkele woorden af, dat Maarten op een of andere manier schuld aan deze verhuizing had.
Over zijn broeder Maarten sprak Peter Kruse niet graag; daarentegen had hij 't druk over zijn gastvrouw, en Abraham had ieder oogenblik aanleiding om: "Brand!" te roepen.
"Och, schei nu uit," zei Kruse uit de hoogte. "Je ben heelemaal niet grappig."
"Ja, maar je vindt dus--in ernst, dat ze jong, mooi en rijk is--ja, want ze is wel rijk ook."
"Neen, rijk geloof ik toch niet, dat ze is," zei Kruse goedig, "maar ze heeft wel een spaarbankboekje met een paar honderd kronen."
"Hoe weet je dat?"
"Ik heb het boekje gezien."
"Kijk eens hier!--dus jelui ben al aan de geldquæstie toegekomen."
"Ja, zooals je ziet; maar weet je wat ze met dat geld doen wil?"
"Vermoedelijk voor jou een nieuwe pruik koopen."