Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif")

Part 5

Chapter 53,943 wordsPublic domain

Welnu, des te krachtiger moest hij zelf staan; aan de strenge eischen, die de nieuwe tijd stelde aan persoonlijke waarheid en verantwoording, zou hij wel weten te voldoen. In dit oogenblik dacht hij aan zijn moeder: zóó zou zij hem gaarne hebben gezien: als hij zulk een arbeidersfeest als humbug beschouwde, moest hij protesteeren en niet ter wille van zijn vader er zich aan medeplichtig maken.

Abraham bleef lang aan 't hoekvenster staan en keek neer op de straat. Er waren bijna geen menschen; want de halve stad was buiten bij het feest; en terwijl hij de enkele achterblijvers nazag, die haastig weg gingen, dacht hij er over, hoe mooi het weer was, en welk een genoegen het voor oud en jong wezen zou een wandeling buiten de stad te doen en frissche lucht te scheppen.

Vele brave burgers en eenvoudige lieden gingen met hun vrouwen daarheen; ze begrepen niet veel van de toespraken en dachten niet veel na over de diepere beteekenis van het feest. Voor hen was 't enkel een Zondag midden in de week, een halve vrije dag, die hun goed deed.

En hier liep hij in zijn mooie kamers te protesteeren! Was daar toch niet eigenlijk iets heel belachelijks in?

Opeens stond het duidelijk voor hem, dat als dat protesteeren wat beteekenen zou, dan had hij òf zich ernstig tegen zijn vader moeten verzetten, òf--beter nog, midden op 't feest moeten optreden en 't luide uitspreken, dat hij zoo'n vertooning, waar het kapitaal indirect de arbeiders tot vernederende eerbewijzen dwong--humbug vond, en erger!

Durfde hij geen van beiden dan kon hij waarachtig even goed als die onschuldige burgers meegaan naar 't feest; niets was toch zoo miserabel als dat protesteeren in zijn eigen kamers.

En weer kwam die stemming, die een enkele keer over hem was gekomen als een domper: 't gevoel hoe averechts en onzinnig 't leven was ingericht; hoe mislukt hij zelf was,--bedorven, een sukkel, die 't nooit verder zou brengen dan tot een paar belachelijke aanloopjes en groote schandelijke nederlagen.

Mismoedig en onverschillig nam hij zijn hoed en slenterde naar buiten, om een poosje naar Greta te gaan; maar hij vond het huis gesloten. Waarschijnlijk had Steffensen haar meê naar het feest genomen; ze vond het prettig onder menschen te zijn; allen kenden haar en hadden een vriendelijk woord voor haar en dan was er ook muziek. Abraham ging ook verder, de kant naar de fabriek uit. De muzikanten speelden: "die Wacht am Rhein" tusschen de verschillende toespraken in.

Toen hij op den top van den heuvel gekomen was bleef hij onwillekeurig staan, onder den indruk van dit wonderlijk tooneel. Hij was zoo gewoon hier iederen dag heen en weer te loopen, dat hij iedere plek om de fabriek kende; maar nu was het alsof vreemden hem alles afgenomen hadden en hij zelf heelemaal overcompleet was.

De groote tribune op den heuvel was vol elegant gekleede dames; champagneglazen fonkelden en bedienden liepen ijverig bezig rond. De vlaggen hingen onbewegelijk in rijke plooien neer over 't laatste groen uit de tuinen, goudgele bladen en roode bessen. Aan beide zijden stond de nieuwsgierige menigte uit de stad; maar beneden aan den heuvel hadden de arbeiders van Fortuna zich om een lange tafel geschaard, waar ze werden onthaald op bier en sigaren. Hun vrouwen en dochters stonden in groepjes daar omheen;--stil en ernstig.

Abraham was niet in de stemming om zijn vrouw en de anderen te ontmoeten; hij nam een omweg tusschen de gebouwen van de fabriek door en van daar kwam hij onder de arbeiders terecht en ging tusschen hen in staan.

De bankdirecteur had gesproken over dezen dag en het dubbele feest, en de professor had geantwoord; een deputatie had het zilver gebracht en Lövdahl had bedankt met een: "Leve de arbeiders!" Die toast was juist gedronken toen Abraham kwam en het feest was dus bijna voorbij.

Warm door 't bier drinken in de zon, en van 't hoera! roepen stonden de arbeiders vergenoegd met hun korte pijpjes of met de kostelijke sigaren diep in den mond gestoken en in een rookwolk zóó dicht, alsof die uit de schoorsteenen kwam. Zij ontvingen Abraham eerbiedig en vriendelijk en het werd dadelijk zoo uitgelegd, dat de jonge directeur geen champagne met de deftige lui wou drinken, maar dat hij zich niet te goed achtte om een glas bier te nemen onder 't volk.

Zonder veel van den indruk, dien hij maakte, te merken; zocht Abraham naar Greta en vond haar onder de vrouwen. Ze werd in 't minst niet verlegen, maar vuurrood van blijdschap, toen ze zijn stem hoorde.

De vrouwen en meisjes trokken zich een weinig van haar terug, maar bleven toch in een opeen gedrongen groepje staan, zoodat ze van uit de tribune niet gezien konden worden. Er was niemand onder hen, die aan iets kwaads dacht,--niet omdat ze meenden, dat de jonge Lövdahl een haar beter was dan deftige stadsmenschen over 't geheel waren; maar Greta Steffensen was blind, en niet als andere meisjes; het ongeluk beschermde haar tegen gevaar en tegen afgunst, zoodat ze bijna kon doen, wat ze wilde.

"Is je vader hier niet, Grete?"

"Ja,--hij was juist hier; zie je hem niet?"

"Neen--tenzij hij tusschen de menschenmassa daar ginds bij 't spreekgestoelte is, daar verdringen ze zich omheen."

"Ja, daar is hij zeker," meende Greta met een slim lachje.

Abraham merkte dat dadelijk op. Haar mimiek was zoo opvallend.

"Wat bedoel je?--wat is je vader van plan te doen?"

"Vader zal een toespraak houden," fluisterde Greta triomfeerend.

"Goeie hemel!--dat moet hij niet doen!" riep Abraham onwillekeurig; hij dacht er aan hoe moeilijk het nu al voor Steffensen was zijn werk te behouden. Als hij nu vandaag een onaangename toespraak hield--en die zou natuurlijk onaangenaam worden--dan maakte hij zichzelf heelemaal onmogelijk.

Maar Steffensen stond al op 't spreekgestoelte; met den hoed in de hand en kromme armen maakte hij een reeks eerbiedige buigingen voor het deftige publiek, terwijl de jongelui uit de stad begonnen te lachen en hem met allerlei grappen aanmoedigden.

Abraham merkte op hoe zijn vader den bankdirecteur iets toefluisterde; en 't heele gezelschap op de tribune trok zich zoo ver mogelijk van 't spreekgestoelte terug in een verwarde mengeling van gedwongen beleefdheid en vrees voor dien algemeen bekenden, slecht gezinden man. Maar Steffensen liet hun geen tijd; hij begon dadelijk:

"Dames en Heeren!--ik ben een arbeider--een van de slecht gezinden--zegt men;--een van de ergsten, zeggen sommigen. Maar wees u maar niet bang, hooggeëerde heeren en dames!--Ik wil u hier alleen maar danken, u innig danken, zóó aangedaan als een diep bewogen arbeider op uw fabriek Fortuna maar wezen kan."

Intusschen schenen de "Hooggeëerde heeren en dames" 't plotseling druk te krijgen met afscheid nemen en elkaar de hand te drukken.

"Ik wil u dank zeggen," riep Steffensen luid, "u dank zeggen, omdat u vandaag--dames en heeren!--de zon zoo heerlijk en gratis op ons, kleine luidjes, laat schijnen, omdat u niet meer van ons verlangt dan onze spaarduiten voor een zilveren servies, omdat u onze vrouwen en dochters zoowat met rust laat, ja u allen wil ik vooral danken, omdat u ons zoo mooi vergunt ons leven te slijten in gezegenden arbeid voor u."

Nu was er geen enkele van de hooggeëerde dames en heeren meer; de groote tribune was leeg; alleen enkele verblufte bedienden stonden bij de tafel met champagne. Maar Steffensen maakte toch een diepe buiging voor het gezelschap, dat zich bijeen groepeerde en heenging naar den weg waar de rijtuigen stonden; toen wendde hij zich luid lachend tot de arbeiders.

"Daar gaat de heele chique! Wat zeg je? Nu zal ik mijn toespraak voor jelui houden."

"Steffensen moet zijn bek houden," klonk een zware stem uit de arbeiders.

"Neen, neen! laat Steffensen spreken," riepen zij van andere zijden; maar er werd een stil gemor gehoord, dat toenam, tot een ernstig, kalm man zei: "Steffensen moet niet spreken."

't Was een van de oudste meesterknechts op de fabriek, en nu riepen verscheidenen: "Steffensen moet niet spreken," terwijl de beste arbeiders zich om Abraham schaarden.

Steffensen werd bleek; maar hij bedwong zich en riep: "Als hij 't is--de jonge Lövdahl, waar jelui bang voor ben, dan kun jullie je de moeite sparen; want hij is 't met ons eens;--hij is een van de onzen, niet waar, Mijnheer de directeur?"

Abraham voelde aller oogen op zich rusten; maar wist niet wat hij zeggen moest.

"Maar waarom antwoord je niet?" vroeg Greta verwonderd; "je ben 't immers met ons eens."

Steffensen greep de aanleiding aan om op een eenigszins behoorlijke manier van het spreekgestoelte af te komen en er ontstond een oogenblik van stilte en gespannen verwachting in den kring. Er stonden nu verscheiden rijen arbeiders dicht om Abraham heen.

Maar in zijn binnenste schoot plotseling een lang onderdrukte kiem op: een jeugdig besluit vol geestdrift. Hij voelde kracht in zijn ziel en een opbruisende moed als iemand, die zich plotseling bewust wordt zelf te kunnen handelen, met vaste hand in 't leven te kunnen ingrijpen en zijn man te staan.

"Ja, zeker ben ik een van de uwen," riep hij den arbeiders toe; "daarom blijf ik hier beneden bij u--en niet daar boven bij de aristocraten. Wij,--wij arbeiders--we zullen elkaar trouw blijven, hier is mijn hand!"

Die werd door honderden gegrepen--gedrukt en omklemd. En niemand had den directeur ooit te voren zóó gezien,--rank en stralend, zooals hij zich langzaam een weg baande door de schare heen.

Steffensen wilde weer van 't oogenblik gebruik maken en stelde luide voor onmiddellijk een vereeniging te stichten, een comité te vormen, enz. Maar zoodra Steffensen sprak, kwam er iets koels over de meesten; allen wisten, dat hij slecht aangeschreven stond: zijn dagen op de fabriek waren geteld, en hij kon zoo licht anderen meêsleepen in zijn val.

Naar zijn voorstel luisterde men niet en 't verloor zich geheel in een donderend "hoera!" voor den directeur; men wilde op zijn gezondheid drinken; maar er was niets meer; de bedienden hadden de tafel opgeruimd, het feest was voorbij en de volksmassa had zich verspreid.

De arbeiders trokken zich toen ook terug in kleine groepjes na eerst Abrahams hand stevig gedrukt te hebben.

Op weg naar de stad was Abraham in een vreemde, plechtige, strijdlustige stemming.

Flauwe beelden en herinneringen van wat hij in zijn jeugd gelezen had doken weer in hem op en hij zag een toekomst voor zich, waarin hij aan 't hoofd van de arbeidersbeweging stond. De omtrekken van dat beeld werden grooter: hij brak alle bruggen af, hij ruimde al die grove onrechtvaardigheid in de samenleving weg, en toen hij de stad naderde was hij juist zoover gekomen, dat Clara en zijn vader zich voor hem bogen en zeiden:

"Je hadt toch gelijk!"

Maar Steffensen ging stil en knorrig naar huis. Greta was ook niet blij. Ze ergerde zich ter wille van haar vader en was niet heelemaal tevreden over Abraham.

"Er zijn toch, God bewaar me, geen arbeiders in de wereld, die zoo laf zijn als jelui," zei Steffensen tegen een ouden timmerman, die lid was geweest van 't comité, dat het zilver had aangeboden.

"We hebben zoo weinig, waarmeê we ons verweren kunnen."

"Bah! als we ons maar bij elkaar aansloten."

"Ja, enkelen van ons hebben zich immers aangesloten--bij de directie," meende de timmerman.

"Ja, en wat heb jelui nu voor dat ellendige gekruip."

"Dat zal mettertijd wel blijken."

"Ja, dat zal 't wel," bromde Steffensen nijdig; hij begreep de toespeling.

De verjaardag van den professor was een feest voor de heeren van de stad, en vooral na den dood van zijn vrouw had het groote diner langzamerhand een eigenaardigen vorm aangenomen met traditioneele toasten en wonderlijke plechtigheden.

Abraham was nog voortdurend in een strijdlustige stemming; maar er was geen aanleiding tot een uitbarsting. Clara was vriendelijk en beminnelijk, zacht als een lam. Ze had namelijk een gesprek met haar schoonvader gehad, waarin zij het er over eens geworden waren, dat Abraham tegenwoordig zenuwachtig was en dat men maar wat met hem meêpraten moest om te voorkomen dat het erger werd.

Ook aan tafel viel er niets voor, dat hem aanleiding kon geven op een of andere wijze een uitval te doen; iedereen was even zacht gestemd en zat innig vergenoegd te knipoogen.

En naarmate hij de roes bij de anderen zag toenemen en zelf onbekommerd meêdronk, werden de strenge lijnen van den maatschappelijken strijd uitgewischt en de aanrukkende kolonne der arbeiders werd overstemd door het vroolijk gerinkel van glazen en vorken.

Hij stond op en ging naar het hoofd van de tafel om te klinken met zijn vader, zooals op dien dag de gewoonte was.

De professor stond dadelijk van zijn plaats aan tafel op en trok zijn zoon naar 't venster, waar ze samen konden spreken, zonder door het geraas van den feestdisch gestoord te worden.

"Ik wist wel, dat je komen zoudt--mijn beste jongen," zei de professor hartelijk en legde den linkerarm om zijn schouders.

Abraham werd bewogen en stotterde; maar zijn vader ging voort:

"Er kan wel allerlei humbug zijn bij velerlei dingen in deze wereld; maar je moet de beteekenis van een goede vriendschappelijke verhouding tusschen arbeiders en werkgevers niet te laag schatten; hoe nauwer ze aan elkaar verbonden worden..."

"Men verbindt zich niet nauwer aan de arbeiders met champagne en zilver," antwoordde Abraham dapper; nu was het hem ernst; hij had een idee, waar hij meê voor den dag wilde komen.

"Hoe meen je dat?" vroeg zijn vader en trok zijn arm terug.

"Ik was vandaag beneden bij de arbeiders, Vader."

"Ja, ik zag je daar."

"En ik heb me heelemaal bij hen aangesloten; ze schaarden zich allen om mij heen."

"Heb je een vereeniging gesticht?" vroeg zijn vader koel.

"Neen--geen vereeniging--geen bepaalde vereeniging; maar we hebben ons bij elkaar aangesloten--weet u.--Zoo'n heel hartelijke aaneensluiting--zooiets trouwhartigs, ziet u..." Abraham sprak onzeker en kreeg een kleur. Was 't toch niet eigenlijk iets heel belachelijks, wat hij gedaan had? Maar 't gezicht van den professor helderde op tot het straalde:

"Dat is goed--dat was uitstekend van je, Abraham. Zóó moet het juist zijn. Geen dwaze vereeniging die den enkele bindt."

"Dat bedoelde ik juist," viel Abraham hem in de rede. Hij kreeg nu al zijn moed terug.

"...en die alleen maar dient om kleine eerzuchtige wezens omhoog te helpen, zooals b.v...." de professor legde weer zijn arm om de schouders van zijn zoon en fluisterde hem vertrouwelijk in 't oor,--"zooals b.v. onze waardige vriend daar, de bankdirecteur Christensen."

Abraham lachte--gevleid als hij was doordat zijn vader zich met hem vroolijk wilde maken over den machtigsten man van de stad, die nog wel in al zijn waardigheid op drie pas afstand van hen zat.

"Weet u, waar hij van achteren op lijkt, Vader?--op een olifant," fluisterde Abraham.

"Ja, je hebt gelijk," lachte de professor; "maar het gaat niet aan, dat we hier onze waardige gasten staan uit te lachen. Ik dank je hartelijk, Abraham; je hadt me vandaag geen beter cadeau komen brengen; juist in die ongedwongen verhouding tusschen ondergeschikten en superieuren zie ik een gezegenden weerglans van den goeden ouden tijd en een hoop voor de toekomst. Groet je volk van mij."

Zij scheidden met een handdruk en gingen ieder naar zijn plaats aan tafel, waar de algemeene vroolijkheid hen spoedig weer meêsleepte.

Maar Abraham was dien geheelen avond als buiten zichzelf van blijdschap en hoop op de toekomst. En hij eindigde met in uitgelatenheid zijn vrouw alle trappen op te dragen, toen zij naar bed moest. Hij had in 't leven ingegrepen, zich in den strijd van den dag geworpen; maar hij had al half overwonnen. Zijn vader stond aan zijn zijde, zijn groote, bewonderde vader!

VII.

Carsten Lövdahl zat in zijn particulier bureau. Drie hooge vensters, die uitzagen op den tuin van het huis--een ouderwetsche, stille stadstuin met dichte lindeboomen, die de omliggende huizen verborg. 's Zomers viel een koele groene glans in de groote kamer, en 's winters lichtte de sneeuw wit van de knoestige stammen en van 't onbetreden grasveld, waar de katten van de buren voorzichtig in elkaars spoor stapten en de pooten schudden.

De massieve schrijftafel van donker oud eikenhout zonder versiering stond midden op den vloer; brieven en papieren in goed gerangschikte stapels bedekten de zijkanten, en op het groene laken, midden voor den chef stond een prachtig bronzen inktkoker--de godin van 't geluk op een bal staande, met een krans van eikenbladen in de hand; 't was een cadeau van de mededirecteuren van Fortuna en daar naast lag een pen in den vorm van een witte zwanenveer, door Mevrouw Clara met eigen handen met bloemen beschilderd.

In het rond stonden zware deftige stoelen op een rij, dan kwam een kast, een sofa en dan weer stoelen; en de wanden zelf waren behangen met modellen van schepen en kaarten, een paar zee-schilderstukken en teekeningen en fotografieën van Fortuna.

Het dikke donkergroene vloerkleed, dat zomer en winter bleef liggen, dempte de voetstappen en maakte de kamer nog plechtiger. Zware portières scheidden het bureau van den chef van de buitenkantoren af, waar de makelaars en agenten uit en in liepen; de man van vertrouwen, Marcussen, was de eenige, die onversaagd door de portière binnen kwam en berichten van en aan den principaal bracht.

Nergens was een spoor overgebleven van den geneesheer of den man van wetenschap; Carsten Lövdahl had geen halve maatregelen genomen: hij was met hart en ziel koopman geworden; zijn speculatiën interesseerden hem en namen hem geheel in beslag, en hij was er trotsch op, dat hij aan 't hoofd van den grootsten omzet in de stad stond.

't Was zoo met hem gegaan, dat hij bijna altijd de eerste werd in al wat hij ondernam. Als oogendokter had hij spoedig den grootsten naam gemaakt; en hij had zich teruggetrokken, nog vóór zijn roem begon af te nemen.

Later had hij zich wat eenzaam gevoeld met zijn belangstelling in literatuur en wetenschap onder louter geldmenschen. En vooral toen er een leegte in zijn gezellige conversatie kwam, na den dood van Mevrouw Wenche, voelde hij meer en meer behoefte zijn leven met iets te vullen. Toen kreeg hij smaak in 't financieele leven en liet er zich geheel door meesleepen.

Met een ijver, alsof hij een jonge man was, stelde Carsten Lövdahl zich aan 't hoofd van een menigte nieuwe ondernemingen, die als 't ware opgroeiden in zijn voetstappen--onder zijn handen, en die plaats en werk gaven aan grooten en kleinen, die verdiensten en welvaart in ruimen kring verspreidden. 't Groote vermogen van zijn vrouw, dat hoofdzakelijk bestond uit buitenlandsche effecten en geldswaardige papieren, deponeerde hij voor een groot gedeelte in binnen- en buitenlandsche banken, waardoor hij gemakkelijk wissels op anderen kon trekken, zonder al dadelijk in den beginne in ruime mate van wissels op zijn naam geëndosseerd gebruik te maken.

Als hoofddirecteur van de fabriek zond hij alle papieren uit, die op het bedrijf betrekking hadden en deze "Fortunawissels"--zooals zij in het kantoor genoemd werden--liepen met zijn eigene samen over al de met hem bevriende handelshuizen, zoodat Abraham al, bij zijn komst in de zaak, door het wisselboek een grootschen indruk van 't werken van 't huis kreeg. 't Was intusschen niet alleen door 't kantoor van Carsten Lövdahl, dat de wissels rijkelijk stroomden; men zei dat geld gemakkelijk te krijgen was, maar men zag eigenlijk niet waar het vandaan kwam. Wat men voor oogen zag was ook geen goud; maar een massa snel circuleerende papieren, die als een stroom zich vermeerderden en op hun smalle, driemaandelijksche coupons aller hoop op inwisseling met zich omdroegen. In plaats van ingewisseld te worden, werden ze telkens vernieuwd.

Alles tierde in de stad; allen wilden meedoen en voor aller plannen was er plaats. Wilde iemand naar Spitsbergen om zeldzame waterplanten te zoeken of kopermijnen exploiteeren ergens aan 't eind van de wereld in Dovrefjeld, stoombooten bouwen of bedehuizen, waterpompen of een circus oprichten, men ging maar het imposante kantoor van Lövdahl binnen, zette zijn plannen uiteen en noemde een paar namen, dan was de vennootschap gevormd, een crediet geopend en een nieuw wisselstroompje werd geboren, dat voortschuimde, zich met den grooten stroom vereenigde en in de bewegelijke massa verdween.

Mevrouw Christensen beleefde menig smartelijk uur; haar man ging achteruit, dat was zonneklaar. Lövdahl vóór en Lövdahl na! en dan achteraan kwam Christensen,--hij, die vroeger altijd de eerste was. Maar de bankdirecteur zelf scheen er vrede meê te hebben, dat hij de tweede in den kring geworden was; hij vormde geen oppositie. En in de schoonste eendracht besliste de kring over alle groote en kleine zaken in de stad, bestuurde alle vennootschappen en "interessentskaber," bezette alle posten, bestuurde de banken, en hielp zichzelf en zijn naaste betrekkingen en hield de menschen, die er buiten moesten blijven, er buiten; verder dronken zij toasten op elkaar en lieten hoera! voor zich roepen bij feestelijke gelegenheden.

Als sieraad waren ook de ambtenaren in den kring opgenomen--hoog geacht en gevleid; maar op hun manier versterkten zij ook het kapitaal in leven en sterven--allen: de tolbeambte, de rechter, de notaris, die de boedelscheiding behandelde en zelfs de predikant, die de lijkrede houden moest.

Verder was geld en niets anders dan geld de spil, waarom het heele leven draaide, waarom allen zich vrijwillig rangschikten,--het eenige wat iemand recht gaf zijn mond open te doen om een zelfstandige overtuiging uit te spreken.

Carsten Lövdahl leunde achterover in den breeden leunstoel en zag met welbehagen rond in zijn kantoor.

Nu kon hij met een glimlach terugdenken aan de tijden, dat hij in zijn wetenschappelijken trots den handelsstand verachtte. Nu had hij gevoeld hoe zoet het is macht over veel menschen te hebben. De knielende aanbidding, waarmeê zijn geld en invloed hem nu overal omringden, was een heel ander voedsel voor zijn ijdelheid dan de koele wetenschappelijke waardeering, die vroeger zijn loon was.

En dan was hij ook veel vrijer dan vroeger, hij behoefde niet voorzichtig te zijn of op zich zelf te letten; hij behoefde niet bang te zijn zich te verspreken; nergens lag er een nauwlettende critiek op den loer; alles wat hij deed werd goed bevonden en verhoogde de aanbidding.

Hij had spoedig bemerkt, dat hij kon doen wat hij wilde--ja, dat een zekere nonchalance tegenover kleinere collega's tot de voorrechten van den kring behoorde. Carsten Lövdahl werd daarom ook spoedig vrijgevig met beloften en wonderbaarlijk vergeetachtig; neerbuigend en behulpzaam tegenover hen, die kropen, koel en uit de hoogte als eigenmachtigheid zich op wilde werken.

Zoo zat hij op een morgen tegen het eind van den winter; een lentestorm uit het zuidwesten met stortregen ruischte door de stad en sloeg nu en dan met kracht tegen de lindeboomen in den tuin van den professor, waar de aarde zwart en zuur was van het sneeuwwater en waar de katten met groote sprongen over 't grasveld stoven met de staarten in de hoogte, om in huis te komen.

De professor was wat zenuwachtig--bijna plechtig gestemd; zijn zoon had hem juist laten zeggen, dat Clara zich onwel voelde. Dr. Bentzen, de huisdokter van de jongelui boven, was ook in 't kantoor geweest om den professor meê te deelen, dat de bevalling van de jonge mevrouw aanstaande was.

Lövdahl werkte verstrooid; keek op de klok boven den schoorsteenmantel, voor den grooten spiegel, of richtte zich een beetje in den stoel op en keek in den spiegel: hij zat graag zóó, dat hij zich zelf kon zien.

Marcussen kondigde den bankdirecteur Christensen aan.

De professor werd onaangenaam verrast. Wat wilde de bankdirecteur toch vandaag? Ze waren pas--eergisteren--bij elkaar geweest op de bestuursvergadering van de fabriek; 't ging niet heelemaal zoo goed daar, als men verwacht had.