Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif")
Part 4
Hij werd gestoord door dat iemand op de deur klopte; dat was Mevrouw Gottwald, die binnenkwam en groette. 't Was nog zoo licht in het westen, dat men elkaar kon zien in de kamer, en Abraham groette wat verlegen; 't was lang geleden, dat hij haar gezien had.
Mevrouw Gottwald gebruikte in hare modezaak veel manden van Greta Steffensen en kwam daarom dikwijls bij haar aan. Abraham had haar een paar maal ontmoet; maar vermeed dit liefst. Gedeeltelijk had hij een slecht geweten, omdat hij haar zoo zelden een bezoek bracht, gedeeltelijk vond hij het niet prettig menschen uit de stad te ontmoeten, als hij bij Greta was.
Maar dien avond kon hij niet ontsnappen. Mevrouw Gottwald verzocht hem ronduit te wachten, dan konden zij te samen naar huis gaan. Hij presenteerde haar den arm, en zij liepen een eindweegs voort, beiden wat verlegen. Eindelijk zeide zij: "U komt nooit meer bij mij, Mijnheer Lövdahl."
"Lieve Mevrouw Gottwald, noem u mij toch Abraham, zooals vroeger."
"Ik wil u zoo heel graag noemen als vroeger. Maar u is me in den laatsten tijd zoo vreemd geworden, ik kan u niet meer zien als de vriend en de afgod van kleine Marius, want dat was je. Herinner je hem nog?"
"Ja, zoo duidelijk," antwoordde Abraham; "vooral in die kleine grijze winterjas, met die ceinture in den rug."
"Ach, lieve hemel, ja!--die heb ik nog altijd. Het doet me zoo goed iemand te spreken, die hem gekend heeft. En je ben zoowat de eenigste."
Abraham nam zich voor haar vaker een bezoek te brengen; en intusschen waren zij aan het kerkhof gekomen, waar Mevrouw Gottwald heen wilde,--naar het graf van kleinen Marius.
't Was Abraham een paar maal voorgekomen alsof zij iets trachtte te zeggen, maar 't weer opgaf.
Maar toen ze afscheid van elkaar zouden nemen en elkaar bij de hand hielden, keerde zij 't mooie bedroefde gezicht naar hem toe met een angstige uitdrukking in de heldere, bruine oogen: "Je moet niet boos op me worden,--Abraham!--Er is iets wat ik je zeggen moet. Greta Steffensen..."
Hij maakte een ongeduldige beweging en wilde zijn hand terugtrekken.
"Neen, neen!... zóó meen ik het niet--lieve Abraham. Ik weet wel, dat je zoo niet ben. Maar toch--ja dat wilde ik maar zeggen, omdat... omdat ik altijd een gevoel heb, dat je ook een beetje van mij ben, ter wille van kleine Marius. Nu moet je niet boos wezen en niet denken, dat ik me met iets bemoei, wat me niet aangaat; mijn leven is zoo geweest, dat 't me is alsof alle weerlooze vrouwen mij aangaan. Goeden nacht!"
Abraham liep door in de richting van de stad, en dacht intusschen aan zijn moeder. Er was altijd iets in Mevrouw Gottwald, dat hem aan haar herinnerde.
Dat de menschen hem konden wantrouwen in zijn verhouding met Greta Steffensen, had hij wel gedacht. Maar het ergerde hem, dat Mevrouw Gottwald daarop gezinspeeld had. En door deze nieuwe indrukken raakte wat hij van Steffensen had gehoord wat op den achtergrond.
't Was donker in de kamer van den professor; maar boven in zijn eigen woning vond Abraham zijn vader in een vertrouwelijk gesprek met Mevrouw Clara.
"Goeden avond, mijn jongen! je ben den heelen middag uit geweest--zegt Clara. Kom nu eens bij ons zitten. Ik wil van avond jelui gast zijn."
't Gezicht van den professor straalde, terwijl hij het mooie jonge paar aanzag, de elegante kamers, al die weelde en al dat geluk, wat hij geschapen had voor die twee menschen, die hem zoo lief waren.
"Ja--ik zou ook wel eens willen weten, waar je al dien tijd geweest ben, Abraham?" begon Clara nu.
Maar de professor merkte, dat Abraham niet best gehumeurd was, en hij had al geleerd kleine scènes tusschen hen te voorkomen.
"Laat ons dat nu niet vragen, Clara! Er zitten zooveel geheimen en verrassingen in de lucht; je kunt er wel zeker van zijn, dat Abraham er ook een heeft."
"'t Is dus waar, wat men vertelt, dat er een arbeidersfeest op Fortuna wordt voorbereid?" vroeg Abraham.
"Heb je dat dan niet eerder gehoord?" vroeg Clara.
"Niemand heeft er me een woord van gezegd."
"Ja, mij ook niet; 't moet een plannetje van de jonge Mevrouw zijn," zei de professor; hij wilde er klaarblijkelijk schertsend over heen glijden.
"En die collecte, Vader..."
"St! st! Hoe kun je zoo indiscreet zijn?" riep de professor en hield de handen voor de ooren.
"Ja, dat moet ik ook zeggen," merkte Clara op.
"U weet het dus--Vader!--Dat had ik niet gedacht. U moet toch zoo'n collecte onder arme arbeiders uiterst pijnlijk vinden."
"Als we er nu juist over moeten praten," antwoordde de professor, "dan vind ik zoo'n idee, als het van de arbeiders zelf uitgaat, mooi en eervol voor beide partijen."
"Ja, als het van de arbeiders uitgaat."
"Daaromtrent bestaat in dat geval niet de minste reden tot twijfel," sprak de professor met heel zijn waardigheid, die altijd indruk op Abraham maakte.
"Je meende misschien, dat die collecte van Vader zelf was uitgegaan?" vroeg Clara honend, terwijl ze den professor een glas warme grog bracht, die ze zelf voor hem had klaargemaakt; hij kuste haar galant de hand, en ze nam dicht bij hem plaats met haar werk. Abraham liep de kamer op en neer met een sigaar.
Na een pauze zei hij:
"'t Kan zijn, dat 't oorspronkelijk plan van de arbeiders is uitgegaan; maar dit weten we toch allemaal, dat velen--misschien de meesten--meêdoen enkel omdat ze niet anders durven; ja ik weet zelfs, dat ze op de fabriek zeggen, dat hij, die niet met een bijdrage aankomt, niet zeker is dat hij in 't werk blijft."
"Wie heeft je dien onzin wijsgemaakt? Abraham! nu heb je zeker weer met je vriend Steffensen gepraat."
Abraham moest toegeven, dat het zoo was.
"Ja, wat hem betreft is 't vrijwel hetzelfde of hij al dan niet "met zijn bijdrage aankomt," zooals jij 't noemt. Zijn ontslag is al besloten, en hij krijgt het binnen kort."
"Dat kan toch niet, Vader?--Moet Steffensen weggejaagd worden? een bekwaam arbeider, die nooit drinkt."
"Weggejaagd!--wie zegt nu, dat hij zal worden weggejaagd?! De directie verlangt bezuinigingen en nu hebben we uitgezien naar goedkooper werkkracht. Die hebben we gevonden en nu moet Steffensen weg. Dat is toch zoo eenvoudig en klaar als de dag."
In den laatsten tijd was het een paar maal gebeurd, dat Abraham zijn vader in kleinigheden niet zoo groot en volmaakt gevonden had als hij hem anders toescheen; maar 't was nog nooit gebeurd, dat Abraham zich ronduit tegen zijn vader verzette. Maar op dit oogenblik werd hij driftig; 't bloed steeg hem naar het hoofd, en hij zei:
"Ik vind niet, dat ik volkomen royaal behandeld word: hier worden afspraken en schikkingen gemaakt, waar ik geen woord van weet;--òf ik ben directeur, en dan wil ik als directeur behandeld worden, òf ik kan heengaan. Ik wil niet als een nul voor spek en boonen er bij loopen!"
"Neen maar... wat bezielt je, Abraham!" riep Clara.
"Wees maar kalm, kind! Abraham is altijd wat driftig geweest, dat zit hem in 't bloed.--Je zult zelf wel inzien, lieve Abraham, als je even kalm nadenkt, dat je je vergist. Men geeft je alle eer, die je toekomt, als assistent van de directie; maar dat jij noch ik iets van deze geheime voorbereidselen voor 't feest gehoord hebben, zie je, dat is immers alleen uit kieschheid."
"Nu ja, dat kan wel zijn: maar ik vraag nu: zal Steffensen ontslagen worden, als ik uitdrukkelijk verlang, dat hij blijven zal?"
"Steffensen--die Steffensen?--je kent hem niet, Abraham."
Op dat oogenblik kwam het dienstmeisje binnen en zei, dat er een heer en dame in de vestibule waren, die vroegen of de familie thuis was. 't Bleek, dat het dominé Kruse en zijn vrouw was. Zij spraken allebei tegelijk, en maakten veel excuses, omdat ze zoo laat op den avond de familie nog kwamen storen. Maar ze kwamen juist van de bijbellezing en zagen, dat er nog licht op was, en toen kregen zij zoo'n lust om even binnen te komen.
Ze werden heel vriendelijk ontvangen, omdat ze zoo heel gelegen kwamen.
En dan ook--Clara hield veel van Mevrouw Frederika. Ze vond het prettig de dominé en zijn vrouw goed te onthalen,--liefst wat royaal--en tegelijk hoorde ze met belangstelling naar alle kunstjes, die Frederika haar leerde om zuinig te koken. En als Abraham dan den volgenden dag knorde over saus, die eigenlijk niet meer dan een dikke meelpap was, vond ze er een genoegen in hem voor te houden, hoe akelig en burgerlijk 't was overdadig met eten en drinken om te gaan, zelfs al kon men 't wel betalen.
De professor en de predikant kwamen spoedig in een gesprek, dat over de armen begon, toen op de fabrieksarbeiders kwam en eindelijk neerkwam op 't inwendig bedrijf van de fabriek.
Alleen Abraham voelde zich steeds onaangenaam gestemd; hij hield niet van dien pedanten Maarten de achterblijver, ook niet van zijn vrouw; en 't was hem zelfs onaangenaam, dat deze menschen zich in den laatsten tijd meer en meer in zijn kring drongen. Hij bleef op en neer loopen na tafel en nam maar weinig deel aan 't gesprek.
Dat was anders levendig genoeg; want de predikant had evenveel aan den professor te vragen als Clara aan Frederika; en toen ze afscheid namen, hadden de dames afgesproken den volgenden Maandag weer bij elkaar te komen, terwijl de predikant,--wat verlegen--vroeg wanneer hij den professor over zaken zou kunnen spreken.
VI.
Een paar dagen later bracht de kapelaan volgens afspraak aan Professor Lövdahl een bezoek in zijn particulier kantoor. De predikant was wat zenuwachtig en onrustig en moest gedurig het zweet van zijn voorhoofd vegen met zijn zakdoek, die hij in de gesloten vuist ineenkneep. De professor was kalm en welwillend, maar 't viel niet te ontkennen, dat hij wat nieuwsgierig was.
Omdat hij meende dat 't op een liefdadigheidscollecte of ander vereeniging zou neerkomen, begon hij, om den verlegen jongen man te hulp te komen, met een paar algemeene gezegden over de vele plichten en moeilijkheden, die een nauwgezet zieleherder konden drukken.
Maar hij begreep gauw, dat daar 't gesprek niet over loopen moest; en eindelijk was hij op het punt ronduit te vragen wat de predikant wilde, toen deze eindelijk heel onhandig de vraag er uit bracht of de professor zich tevreden voelde in zijn arbeid als administreerend directeur van de fabriek.
"Och ja, zoo tamelijk; er is immers altijd een groote verantwoordelijkheid verbonden aan het feit dat men zoowat een Voorzienigheid in 't klein moet wezen voor zooveel menschen. We probeeren zooveel we kunnen het lot van de arbeiders te verbeteren."
Maar dat was het ook niet.--Ook over de arbeiders wilde de kapelaan niet spreken. Hij hoestte en zei toen aarzelend:
"De aandeelen zijn zeker over verschillende personen verdeeld."
"De aandeelen!--wat blieft u?--nu ja. U vroeg naar de aandeelen,--ja, die zijn over veel personen verdeeld, dat wil zeggen--zoo heel veel zijn er niet. Het bedrag is groot. Elk aandeel is van 1000 kronen, en wij hebben geen halve of kleinere willen uitgeven."
De professor herwon zijn zelfbeheersching, die hij bijna verloren had, toen hij begreep, dat dit een gesprek over zaken zou worden.
Als hij met menschen uit zijn vroegeren kring sprak, was de professor altijd de man van wetenschap--klaar met spot van uit de hoogte met de "kooplui." Daarom kwam het hem al dadelijk wat ongewoon en als iets uit de verkeerde wereld voor, dat twee academieburgers over aandeelen en winst zouden zitten praten.
Maar Maarten Kruse nam de zaak heel verstandig op, toen hij maar eerst op het gewenschte onderwerp van gesprek gekomen was. En hij sprak er over met een kennis van zaken, die den professor ten hoogste verbaasde.
"Hoe hoog staan de aandeelen van Fortuna op dit oogenblik?" vroeg de predikant, toen zij een poosje gepraat hadden.
"Ja,--om u de waarheid te zeggen, dat weet ik niet. Toen ik er 't laatst van kocht..."
"Koopt u ze dan zelf?"
"Neen, dat doe ik eigenlijk niet," antwoordde de professor; "ik heb al zooveel aandeden; maar het is een paar maal gebeurd, dat een enkele aandeelhouder zich raar aanstelde op de algemeene ledenvergadering en dan wilde ik liever de aandeelen van den ontevredene koopen, dan onaangenaamheden hebben."
"En toen hebt u betaald...?"
"Ik heb de aandeelen voor den inkoopsprijs overgenomen--voor zoover ik me herinneren kan."
"Kan men dan nog aandeelen à pari koopen?" vroeg de kapelaan levendig.
"Wilt u dan koopen?"
"Ik zal u zeggen, Professor," antwoordde Maarten en trachtte wat zalvend te spreken, "mijn vrouw is niet geheel en al ontbloot van wat men aardsche goederen noemt."
"Ik heb gehoord, dat uw vrouw fortuin heeft."
"Ach, fortuin kan men het eigenlijk niet noemen. Een sommetje als steun in ziekte of andere beproevingen--dat is alles. Maar hoe onbeduidend het ook is, ik wilde het toch graag in de stad plaatsen en liefst op een wijze, die zoo min mogelijk in het oog valt."
"Natuurlijk," merkte de professor op.
"'t Is in geen enkel opzicht goed, als de gemeente haar predikant voor vermogend houdt," voegde de kapelaan er ernstig bij.
De professor, die nu eindelijk begreep waar zijn bezoeker heen wilde, zei welwillend:
"Wanneer u er over denkt effecten te koopen, of in 't algemeen door mij uw geld te laten plaatsen..."
"Ja juist, dat wilde ik juist zoo graag," riep Maarten levendig uit; "een man in mijn positie kan immers niet zoo goed zulke zaken zelf regelen; maar aan den anderen kant is het toch ook niet goed het tijdelijke te verwaarloozen."
"Zeer zeker niet,... neen... ik begrijp u zoo goed, en 't zal mij een genoegen zijn, als ik..."
"Dank u, ik dank u hartelijk!" riep de kapelaan en herwon nu al zijn waardigheid; "als ik dus met Gods hulp wat geld overhoud, mag ik hopen dat bij u te kunnen plaatsen?"
"Ik wil u graag naar vermogen helpen uw geld op de voordeeligste wijze uit te zetten."
"Het voordeeligste zou wel zijn het in uw eigen zaak te plaatsen?" zei Maarten onderzoekend, en zag den ander oplettend aan.
"In mijn zaak?" herhaalde de professor langzaam.
"Dat laat ik geheel aan u over," zei Maarten haastig, terwijl hij opstond om heen te gaan. "U weet zelf, Professor, hoe kleiner 't kapitaal is, hoe meer men er van moet zien te maken."
Toen hij weg was, dacht Professor Lövdahl lang na over dit merkwaardig bezoek. 't Was wel waar, dat enkele van de kleine burgers hun spaarpenningen aan hem hadden gebracht en dat hij uit goedhartigheid hun een aandeeltje in een goede zaak hier en daar had gegeven, zoodat hun geld een betere rente gaf, dan in een bank. Maar 't zou nooit in hem zijn opgekomen zoo iets in 't groot te doen; hij had geen geld noodig--allerminst duur geld; en als 't op hoop van hooger rente was, dat de predikant zijn geld bij hem wilde plaatsen, kon 't wel gebeuren dat hij teleurgesteld werd; maar wilde hij aandeelen in Fortuna nemen--dat was iets anders. 't Was altijd een steun als er koopers kwamen.
Maar Maarten liep er over te denken--of hij toch niet dom gedaan had door niet ronduit te vragen op welke rente hij rekenen kon.
--'t Was niet gemakkelijk uit te maken van wie het idee van 't groote arbeidersfeest op de fabriek was uitgegaan. Marcussen had eens tegen consul With gezegd, dat in den herfst de fabriek tien jaar had bestaan. En toen had de consul zeker gedacht dat dit magere jubileum wat steviger zou worden als 't op den verjaardag van Professor Lövdahl werd gezet. En zoo was er telkens wat bij gekomen, tot het eindelijk op 't zilveren servies en de grootsche toebereidselen was neergekomen.
Mevrouw Christensen schreide--ja zoowaar, dat deed ze,--ze schreide iederen dag een deuntje om dat zilveren servies.
Stel je voor! dat alles had zij kunnen hebben: Trekpot, suikerpot en melkkan van massief zilver!
Niet daarom: ze had zelf een zilveren theeservies; maar dat was nu niets voor haar man om daarmeê aan te komen. 't Was daarom geen zier minder ergerlijk!
Soms, als ze lang over dat zilver gedacht had kwam het haar voor, alsof Professor Lövdahl 't uit haar eigen kast gestolen had;--ja er was zelfs een plaats in de kast, waar het had moeten staan; en nooit keek Mevrouw Christensen naar haar zilver of ze zuchtte: "Daar stond het!"
"Je ben een uil--Christensen," herhaalde ze snikkend toen het feest naderde; "je kunt president zijn van vereenigingen voor arme kraamvrouwen en voor alle mogelijke ziekenfondsen; maar je geeft me, goeie God!--je geeft me daar vrijwillig 't eenige baantje op, waar een beetje zilver van kon komen,--ja, want dat kon je toch wel van te voren weten. En dan moet ons--ja ik zeg met opzet: ons zilver naar dien... dien..." Ze kon geen woord vinden, dat vreeselijk genoeg was voor Professor Lövdahl en ze schreide, dat ze er van beefde.
't Huwelijk van den bankdirecteur was als de meesten; hij was helaas niet zoo autoritair in zijn huiskamer als in zijn kantoor; tegen zijn vrouw kon hij niet op en dan werd hij boos, en dan werd zij boos en dan kibbelden ze en dan bleven ze boos op elkaar. Maar op den duur kon dat toch niet, omdat ze in 't zelfde huis woonden; en dan werden ze weer goed op elkaar--tot ze weer boos werden.
Christensen moest deze keer den toorn van zijn vrouw zoo goed mogelijk verdragen en tegelijk zich voorbereiden voor de toespraak, die hij uit naam van de arbeiders tot Professor Lövdahl zou houden.
En terwijl hij daar zat en bezig was met groote woorden en klinkende zinnen, wreef hij zijn zachte neus en snuffelde zoowat, alsof zijn eigen lofrede hem wat verdacht voorkwam.
Alles kwam zoo goed bij elkaar voor dit feest. Er was een troep Duitsche muzikanten in de stad gekomen, en op den dag zelf was het weer zoo mooi als het maar kon. 't Was heel stil in de lucht,--frisch, maar niet koud. De zon scheen met een roodachtigen gloed zacht door de lichte herfstnevelen, die optrokken en verdwenen; en de glad gespoelde landpunten en landtongen met paarse strepen heidekruid in de spleten staken uit in de blauwe, licht gerimpelde zee.
De fabrieksgebouwen zelf waren zoo leelijk en zoo vol roet, dat ze alle mogelijke versiering trotseerden; en Marcussen gaf ze ook intijds op en bracht al wat er was aan kransen en vlaggen bijeen om een groote estrade, die hij in de haast boven op den heuvel had laten opslaan. Van hier kon de spreker de fabriek overzien en zijn stem doen voort klinken over de menigte op de helling beneden.
Marcussen was aan 't versieren met vlaggen en groen; hij had een paar van de dienstmeisjes van den directeur tot hulp gekregen; en hij hielp ze op en af van trappen en stoelen--gedienstig en galant. En de meisjes lachten en gilden zoo'n beetje, en lieten zich in zijn armen vallen en konden niets doen zonder zijn hulp.
Marcussen was een groote, knappe man met een vluggen blik en een tact om met meisjes om te gaan, waar hij door beroemd geworden was. Hij had werkelijk een bizonder slechten naam en zelf placht hij onder vrienden te verklaren, dat hij een apart folio in 't kerkeboek had. Maar overigens was hij in de zaak de rechterhand van den professor geworden en wat het feest betreft--hij was eigenlijk daar de man.
Intusschen was 't ook druk in 't huis van de Lövdahls: er zou een groot heerendiner gegeven worden ter eere van 't feest en de tafel stond al gedekt in de zaal.
Het rijtuig stond voor de deur, en de koetsier zat in gala op den bok en hield de glanzende paarden. De professor liep, als naar gewoonte, heen en weer onder 't kleeden en studeerde zijn toespraak in, waarmeê hij voor de ontvangen eerbewijzingen danken zou.
Daar kwam het dienstmeisje van de jongelui boven met de boodschap van Mevrouw of de professor niet zoo vriendelijk zou willen zijn even boven te komen, liefst dadelijk. De professor ging haastig heen met de witte das in de hand; hij meende, dat de jonge Mevrouw iets scheelde. Maar Clara kwam hem al in de voorkamer tegemoet, warm en met een kleur en de japon nog maar half dicht.
"Stel u voor, papa, hij wil niet meê. Abraham wil niet meê naar het feest, zegt hij."
"O zoo, is 't anders niet?--Kind, je hebt me zoo doen schrikken. Wat is er? Abraham, waarom wil je niet meê?" vroeg de professor vriendelijk aan zijn zoon, die juist uit zijn kamer kwam.
"Och anders niet, dan dat ik geen lust heb naar dit feest te gaan. Maar Clara stuift dadelijk op en dan..."
"'t Verjaarfeest van je vader," viel de professor hem glimlachend in de rede.
"Neen Vader,--dat is 't niet. Dàt vieren we hier--thuis; maar 't feest op de fabriek is niets dan aanstellerij, een echte vertooning--als u 't bij den naam noemen wilt."
De professor wenkte Clara kalm te zijn en antwoordde: "Ik heb geen tijd en wil ook mijn feestelijke stemming niet bederven door nu met jou hierover te disputeeren. Er kan wel wat van aan wezen, van wat je zegt of liever van wat je meent; maar je hebt--zooals de jeugd over 't algemeen tegenwoordig--een ongelukkige lust om met een te groote ethische maatstaf aan te komen dragen, ook ten ontijde en in gevallen waar 't in 't geheel niet past."
"Maar als 't nu mijn overtuiging is."
"Als je overtuiging je niet toelaat getuige te zijn van de eerbewijzen, die aan je vader worden aangeboden, dan moet je thuisblijven, dat is duidelijk. Maar ik hoop, dat je overtuiging je zal toestaan van middag om 4 uur bij mij te komen eten?"
"'t Is niet goed van u, Vader, om 't zoo op te nemen; u weet best..."
"Ja zeker, ik weet 't zoo best, dat je 't op jouw manier goed meent, en dat je deze manier kiest is iets, waar ik op voorbereid had moeten zijn; dat zit je in 't bloed. Ik probeerde--zooals je je misschien herinnert--meermalen in je jeugd je te waarschuwen tegen dien geest van ontevredenheid, die niet hebben kan, dat iets of iemand zich boven 't gemiddeld peil verheft--neen, neen! laat me uitspreken; we zullen niet disputeeren, maar dat is 't toch, waar alles uit voortkomt.--Och, lieve Clara, wil je niet even een knoop in mijn das leggen?"
Abraham bedwong met geweld een heftig antwoord, keerde zich om en ging in zijn kamer. Zijn vrouw ging hem rakelings voorbij toen zij naar de slaapkamer terugging om zich verder te kleeden, en een poos later weer, toen ze naar het rijtuig ging. Hij merkte haar parfum en haar japon raakte hem bijna; maar geen van beiden sprak een woord.
Hij bleef voor zich uit zitten staren tot hij het rijtuig hoorde wegrijden. Daar zaten zij naast elkaar,--zijn mooie vrouw--vroolijk in feestdos en zijn vader met zijn ridderorden in groot formaat, den stok tusschen de knieën en de handen gevouwen over den ivoren knop. Die twee pasten bij elkaar. Abraham kon zich niet herinneren dat zijn vader en zijn vrouw 't ooit over iets oneens geweest waren.
Bijna als bij instinct kwamen zij altijd tot elkaar met dezelfde opinie en die was bijna altijd precies het tegenovergestelde van die van Abraham.
Hij had, terwijl hij daar zoo aan 't venster stond een gevoel, alsof er tusschen zijn levensbeschouwing en die van zijn vader een diepe klove moest zijn, een grooter afstand dan ooit tusschen oud en jong bestond. Er was immers, als hij 't nauwkeurig naging geen enkele zaak, die zij van de zelfde zijde konden zien; geen gedachte, die zich niet dadelijk in tweeën spleet en hen ver uit elkaar deed gaan in oneenigheid en ontstemming. Als hij nu alles samen nam aan toespelingen, gesprekken en warme debatten, kon hij niet begrijpen hoe zijn groote en bewonderde vader, wiens hoofd zoo helder, wiens gedachtengang in den grond toch zoo edel was,--hoe hij zoo vreemd, ja bijna vijandelijk tegenover alles kon staan, wat Abraham volgens den drang van zijn hart moest bewonderen en waar hij voor strijden wilde.
En Clara,--zij ook!--wel was zij opgegroeid in oude, zonderlinge pruiken-ideeën; maar hij had toch met haar zooveel gesproken over de nieuwe gedachten en zij had toch veel daarvan met zulk een ijver aangenomen. Nu ontkende zij, dat zij ooit aan zijn dwaze en goddelooze paradoxen haar bijval geschonken had.