Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif")
Part 3
"Onzin, Maarten. Stel je niet zoo aan. Die toon kan misschien goed voor anderen zijn; maar je moet je niet verbeelden, dat ik, die je zoo goed ken, daarvan onder den indruk kom. Onder vier oogen kun je gerust je heele dominé'swaardigheid op zij leggen; gerust jongen, je maakt er je in mijn oogen alleen maar belachelijk door."
"Het doet me oprecht leed, Peter, dat je nog voortdurend schijnt..."
Maar Peter was al de deur uit en Maarten bleef hem een oogenblik staan nakijken. Toen ging hij aan de tafel zitten, schreef cijfers in zijn zakboekje en ging aan 't optellen.
De advokaat Peter Kruse had den naam tamelijk dom te zijn; en hij had het dan ook niet ver in de wereld gebracht. Hij verdiende zooveel als hij noodig had en woonde trouwens thuis, omdat de oudelui Kruse dat graag hadden.
De toekomst scheen niet schitterend; want 't sprak van zelf, dat geen enkele publieke inrichting haar rechtszaken aan dat radicale advokaatje kon toevertrouwen. De ambtman kon hem geen zaken geven en omdat hij nu niet dronk en ook niet onvertrouwbaar was, werd men 't er over eens, dat hij te dom was.
Daarentegen had hij er een zekeren slag van op een slinksche manier het vertrouwen van eenvoudige menschen te winnen.
Hij stookte namentlijk het volk op, heette het. Hoewel hij een aan de academie opgeleid man was, verkeerde hij onder de arbeiders en bracht ze er toe zich aaneen te sluiten ter wille van gemeenschappelijke belangen: goedkooper voedsel en betere woningen.
Hij was daarom van harte gehaat door alle fatsoenlijke menschen en werd in hun courant uitgescholden. Peter Kruse was zooveel ouder dan zijn broeder Maarten, dat hij al een volwassen man was toen Maarten nog op school ging. En daarom viel het hem nog moeilijker dien neerbuigenden dominé'stoon te verdragen; ook kon hij over 't geheel de predikanten niet uitstaan; of--zooals 't in de courant heette--ongeloof en goddeloosheid waren ook bij hem onafscheidelijk verbonden met politiek radicalisme.
Thuis had hij steun aan zijn moeder; want Jörgen Kruse ging geheel in zijn zaak op. Maar zijn moeder, die van zijn kindsheid af hem alleen gehad had om voor te zorgen,--zij volgde hem zoo goed zij kon en kreeg daardoor belangstelling voor en kennis van allerlei; want in 't begin had ze van geen van beiden veel.
Ze was begonnen als winkeljuffrouw bij Jörgen Kruse, in den tijd, toen hij nog een bescheiden komenijs-mannetje was, die kaarsen, en witte suiker en stroop verkocht aan den kleinen man. En eerst een heele poos, nadat ze hem een zoon geschonken had, werd ze tot de waardigheid van "Juffrouw" verheven en kwam in de kamer, als ze in den winkel gemist kon worden.
Maar later werd die kleine onregelmatigheid door bijna allen vergeten; zij sloofde en werkte met haar man; en toen ze eindelijk den weg tegen den steilen heuvel opgekomen waren, die van niets naar iets leidt;--toen zei Jörgen Kruse: "Ja, nu dank ik je wel voor je hulp--Amalia Catherina,--kom nu in de kamer zitten en rust uit."
Toen kwamen de goede dagen, en toen kwam Maarten ter wereld;--daarom was hij zoo dik geworden! De goede dagen gebruikte Juffrouw Kruse om een en ander te leeren, en hoewel 't altijd met de geleerdheid maar zóó zóó ging, toch kreeg ze er zóóveel respect voor, dat ze doorzette, dat haar beide zonen zouden studeeren.
Bij den eersten liet Jörgen dat zonder veel tegenwerking toe: Peter was mager en bleek en had lust in leeren. Maar toen Maarten op zijn twaalfde jaar naar 't gymnasium moest, probeerde hij een klein gevecht te leveren.
Maarten was dik en stug en speelde nooit iets anders dan "winkeltje;" hij verloor nooit een cent. En eer 't werd uitgemaakt, dat hij studeeren moest;--want dat werd uitgemaakt: Jörgen kon 't niet houden als Amalia Catherina met al die vele woorden aankwam--voor dien tijd stond Maarten met zijn vader in den winkel en dreef in allen ernst handel.
En hoe vaak had Jörgen niet met bewondering de taaie zekerheid gezien, waarmeê de kleine jongen de tabaksrol nam, die uitmeette volgens de streepjes op de toonbank en tabak afsneed voor twee cent, zoo precies op 't streepje, dat--als 't er niet binnen was, dan in elk geval er toch niet buiten.
"Och ja!" zuchtte de oude Jörgen Kruse in zijn kantoortje, "nu is hij dan dominé geworden, en dat is nu wel heel mooi; maar waarachtig, de jongen hoort hier."
In de kamer zat Maarten en schreef op wat de reis van hem en zijn verloofde gekost had; en toen ze beneden kwam, zei hij:
"Frederika!--ik heb nu onze rekening opgemaakt en ik krijg nog twee en dertig en een halve cent van je."
De nieuwe kapelaan had overigens nog niet veel succes in de stad; er was niets nieuws aan hem; alle menschen kenden den dikken zoon van Jörgen Kruse; en toen zij hem nu opeens op den preekstoel zagen met toga en bef en hem van uit de hoogte de gemeente bestraffend hoorde toespreken, vonden velen--vooral de ouderen--dat wat wonderlijk.
Maar toen hij zijn examens gedaan had en uitdrukkelijk naar deze gemeente gezonden was door hen, die volgens Gods eigen wil Zijn rijk hier op aarde in Stockholm besturen, toen moest men hem immers ootmoedig erkennen als degene, die een waardigheid bekleedde, die recht tot bestraffen gaf,--hoe wonderlijk 't ook wezen mocht voor vleesch en bloed, dat die dikke jongen opeens voor hen stond om hun zielen te verzorgen.
En al kwamen de menschen nu niet in zoo grooten getale toestroomen wanneer hij preekte, als gewoonlijk gebeurt bij een nieuwen predikant, hij won aan den anderen kant de onverdeelde achting en genegenheid van zijn superieuren en collega's. Want hij was nooit lastig; hij wilde nooit iets nieuws of moeilijks, maar had een gepasten eerbied voor het oude, die hem goed stond.
Vooral het armbestuur was verrukt. Nieuwe kapelanen waren gewoonlijk een ware beproeving voor hen: dàn moest er een onderzoek naar een arm gezin gedaan worden, dan moest je hier en dan daar helpen; dames kwamen met soep aanzetten en de armen kwamen allemaal in beweging, zoodat je ze geen baas blijven kon.
Maar niets van dat alles gebeurde bij dezen nieuwen kapelaan. Hij verwees den eersten arme, die 't bij hem probeerde, naar 't armbestuur, zooals 't hoort, en er kwam geen enkel potje soep door zijn toedoen.
Toen Maarten getrouwd was, huurde hij een woning dicht bij 't huis van zijn vader, zoodat ze meestal even de straat overstaken om bij de oudelui te eten. 't Vermogen van zijn vrouw was in aandeel en in schepen en dergelijke fondsen geplaatst in haar geboortestad Kragerö; maar Maarten wilde geen handel drijven en vroeg het geld op.
Juffrouw Kruse had er zich zoo op verheugd het jonge paar zoo dicht bij zich te hebben--misschien wel al te veel, dacht ze later; een mensch moet zich niet te veel ergens op verheugen; want dan volgt zoo licht een teleurstelling.
Was ze teleurgesteld?--Volstrekt niet. Juffrouw Kruse zou zich geschaamd hebben, als iemand zooiets had durven zeggen;--neen, dat niet;--maar 't was alleen zoo vreemd.
Maarten was immers dominé--streng en ernstig; en Frederika--ja ze was zoo lief en aardig als 't maar kon voor wie van haar hielden; maar ze was werkelijk te oud voor Juffrouw Kruse. Jonge menschen moeten toch waarachtig jong zijn, vond Juffrouw Kruse.
En dan kwam er nog iets bij: ze moest erkennen, dat de jongelui er veel meer slag van hadden zuinig huis te houden, dan zij en haar man ooit gehad hadden--zelfs niet toen ze 't zoo krap hadden die eerste jaren.
Ze hadden ook eenvoudig geleefd--ach! heel eenvoudig; maar zooals Maarten en Frederika--op een cent af te weten wat er kon worden uitgespaard op zeep en lucifers--dat had zij--en zelfs Jörgen nooit geweten.
Maar alles hadden de jongelui uitgerekend en berekend en alles konden ze goedkooper krijgen, van eieren af--die kochten ze trouwens niet vaak--tot schuurzand toe--en altijd keek Juffrouw Kruse even verlegen, als Maarten zei:
"Dat is maar heerlijk, dat Moeder 't zoo ruim heeft en zoo duur koopen kan, niet waar Frederika?"
"Ja--je hebt gelijk--Maarten!--'t is alleen maar ongelukkig voor kleine burgers als wij, dat de prijzen stijgen als sommigen te veel betalen."
En dan met de dienstboden... Juffrouw Kruse had er nooit op gelet, voor Frederika er haar opmerkzaam op maakte, hoe ongelooflijk veel de meiden "aan kunnen" als ze zelf over de boter mogen gaan. De dienstmeisjes van Frederika--ze hield er maar één, maar telkens kreeg ze een andere--die aten waarempel bijna niets.
Het begon de goede Juffrouw Kruse te drukken, dat ze een oude vrouw zou zijn geworden, zonder geleerd te hebben op de kleintjes te passen en een goede huisvrouw te zijn. Want ze was 't aan den anderen kant volkomen met de jongelui eens, dat niets leelijker is dan Gods gaven te verspillen en te vermorsen.
Aan tafel op een Zondag vroeg Peter Maarten of hij de fabriek had gezien. "Er is veel veranderd sinds je de laatste keer naar Christiania ging;--daar kun je van op aan."
"Ik ben er een paar keer voorbij gegaan," antwoordde Maarten; "wordt er geld verdiend?"
"Als water! Vraag Vader maar; hij heeft ieder jaar spijt als haren op zijn hoofd, omdat hij er maar één aandeel in heeft."
"Och, één is genoeg," bromde Jörgen; "een mensch moet niet al te begeerig zijn."
"Als 't is zooals Peter zegt, dat er geld verdiend wordt, weet ik niet, waarom u zich achteraf zoudt houden; 't is immers een volkomen eerlijke zaak en behalve dat ook nuttig voor de stad."
"Wil je aandeelen koopen, Maarten?"
"Ik drijf geen handel," antwoordde Maarten stug, na een poosje vroeg hij zijn vader: "Hoe hoog staan zij?"
"Ze zijn niet op de beurs genoteerd," antwoordde Peter, "want hier worden zoo goed als geen aandeelen in Fortuna verkocht. Men wacht ieder jaar een enorme winst; tot nu toe maakten ze maar 6%."
"Zes en een half," verbeterde de vader.
"Ja, maar dan is er bijna niets voor het reservefonds afgenomen."
"Kom--een man als Prof. Lövdahl is zoo goed als een reservefonds."
"Vindt Peter soms niet, dat 6% een mooie rente is? Weet je veel zaken, die meer geven?" Maartens toon tegenover zijn broeder was meestal een beetje oorlogszuchtig.
"Die rente is groot genoeg; maar er staat niemand borg voor..."
"Borg!" viel de oude man hem in de rede, "dat zijn immers de Professor en de directeur Christensen."
"Ja, Christensen, vader. Maar hij zit nu overal in, dus kan hij wel niet zoo'n sterke borg zijn voor elke zaak afzonderlijk; maar wie kan er trouwens voor instaan, dat de produkten niet dalen in prijs, zoodat de fabriek met verlies werkt, en 't kapitaal opvorderen moet en zich dan toch niet redden kan. Wie staat daar borg voor?"
"Dat is immers onzin, Peter!--we weten allemaal wel, dat ieder menschelijke onderneming aan de wisselingen van 't geluk onderworpen is, of ik bedoel aan 't bestuur van de Voorzienigheid; maar als de directie zorgvuldig en voorzichtig is, dan is een onderneming als Fortuna menschelijkerwijs gesproken--vrij zeker. Iedereen heeft immers vertrouwen in Professor Lövdahl?"
"Ja, dat is een groot man," riep Jörgen Kruse, en legde zijn mes en vork neer. "Hij kan alles aan den gang krijgen, wat 't ook is. En dan is hij ontzettend rijk."
"Ik zou wel eens willen weten, waarom die man geld leent," zei Peter.
"Leent hij geld?" vroegen de beide anderen.
"Ja, ik heb verscheidene cliënten gehad, die mij verteld hebben, dat zij Carsten Lövdahl geld geleend hebben, enkel op zijn quitantie."
"Wat zijn dat voor menschen?"
"Eenvoudige luidjes, die een beetje overgespaard hebben."
"Ja, dan begrijp ik het wel," meende Jörgen.
"Dat zijn dan van die stakkers, die geen kapitaal genoeg hebben om van te leven; en dan is Lövdahl goedhartig genoeg om hun geld te nemen en "in zijn zaak te zetten"--zooals dat heet; en dan betaalt hij ze meestal een rente van 6 à 7 procent."
"Wat zegt u?" Maarten sprong op. "Zei u 6 à 7 procent?"
"Ja, wat weet ik er van?" antwoordde de oude.
"Maar dat lijkt op Professor Lövdahl om op die manier wel te doen. Want wel verdient hij zelf onnoemelijk veel; maar hij is een van die menschen, die graag hebben, dat ook anderen geld verdienen; hij is niet als sommige andere Pausen hier in de stad, die een armen stakker geen cent verdienste gunnen, omdat ze alles zelf willen hebben."
Daardoor kwamen ze aan 't praten over Christensen en anderen uit dien kring; en Peter bracht den ouden man aan 't lachen door 't laatste nieuws uit de stad te vertellen.
Maarten at in gedachten voort en mompelde nu en dan: "Zeven procent!"
V.
Abraham haalde langzamerhand heel wat mandjes bij Greta Steffensen, tot ze zulke goede kennissen werden, dat er geen voorwendsel voor een bezoek meer noodig was.
Ze trok hem op een vreemde manier aan, met een zachte, stille kracht; hij dacht er geen oogenblik aan die te weerstaan.
En de oude was eigenlijk interessant, als men maar eerst aan hem gewend was. Abraham vond in de spottende redevoeringen, die Steffensen gewoonlijk hield, veel van de moderne beschouwingen terug, waar hij zelf in stilte mee rond liep. Maar liefst als er in Abraham iets in beweging kwam, een gevoel, dat er iets niet in orde was met hem, dat er een fout in zijn leven was, iets hols in 't geluk, dat hem altijd gediend had, of als dat een nog erger vorm aannam en hij zich als 't ware in bochten wrong voor twee onverbiddelijke oogen--dàn 't liefst sloop hij 't huisje binnen, dat daar aan den bocht van den weg lag, waar die zich van de fabriek af boog. Dan ging hij dicht bij Greta zitten, nam een van haar kleine, fijne handen en legde die op zijn gezicht, opdat ze de vingers over zijn trekken zou laten gaan om te raden, waar hij aan dacht. Ze zat met hem te babbelen onder haar werk, en dan was er niets van 't honende en bittere, dat daarop te voorschijn kwam, als haar vader sprak. Zij boog het hoofd en luisterde naar Abrahams stem, en een gelukkige glimlach lag om den fijnen mond, zoolang hij daar was.
't Was niet moeilijk geweest voor Abraham om haar vertrouwelijkheid te winnen. Van 't oogenblik dat zij zijn stem voor 't eerst hoorde, had ze hem zooveel vertrouwen getoond, als een gewoon jong meisje hem nooit zou gegeven hebben. Maar omdat zij niet zien kon, werd ze nooit in de war gebracht door een schaduw of een veranderde uitdrukking op zijn gezicht, en daardoor kwam het, dat ze vrijmoedig en onbekommerd sprak over allerlei waar men anders over heen glijdt met een blik of een lichte handbeweging.
Ze was gewend de dingen bij hun naam te hooren noemen; en de omgang met haar grof besnaarde vader had haar een naieve zekerheid gegeven, die nooit geschokt was door een dubbelzinnigen glimlach of een kwetsenden blik.
Abraham was de eerste, dien zij ontmoette uit een wereld, die beschaafder was dan de hare; en daarom waren er ontelbare zaken, waar zij met hem over wilde spreken, en die ze vroeger vóór zich gehouden had. Zoo werden hun bijeenkomsten een bonte mengeling van kinderpraatjes en de allerintiemste vertrouwelijkheid.
"Hoe kun je 't toch verdragen, dat je zoo rijk ben!" zei ze eens tegen hem.
"Wat meen je met "verdragen?""
"Kun je dat niet begrijpen, dan ben je dom."
"Ja, je weet, dat ik dom ben."
"Alleen maar als je wilt; want anders ben je verschrikkelijk wijs."
"Wat meende je dan?"
"Heb je Vader nooit hooren vertellen van de armen? van de echte armen, niet zooals wij, maar van menschen, die geen eten hebben?"
"Vader is rijk; ik ben niet rijk."
"Och--zoo kom je er niet af; je kunt alles krijgen, wat je wilt; en als hij sterft, krijg je alles. Wat zul je dan met al dat geld doen?"
"Ik zal jou zooveel geven als je hebben wilt."
"Waarom wil je mij zooveel geven?"
"Omdat... omdat..."
"Omdat je me liefhebt," zei ze en lachte.
Abraham voelde dit als een schok en zocht naar antwoord; ze gebruikte dat zeldzame, moeilijke woord even gemakkelijk als ze op andere oogenblikken met een echte ruwe uitdrukking van haar vader aan kon komen.
"Of heb je me niet lief? Waarom kom je dan hier en zit me op te houden als ik werken moet?" Ze lachte weer zoo vergenoegd. "Maar je kunt er van op aan, dat ik het weet. En van je vrouw houdt je ook niet meer."
"Neen maar, Grete! Hoe ben je zoo wijs geworden!"
"Dat heb ik gehoord."
"Van wie?"
"Van jou."
"Dat is heelemaal niet waar,--Grete!--Ik heb nooit een woord gezegd..."
"Neen, geen woord!--'t Zijn niet de woorden, die ik hoor, 't is de klank. Ik weet al waar je aan denkt, als je "Dag Grete," gezegd hebt! Ja, ik kan 't aan je voetstappen buiten hooren of je alleen komt om me op te houden, of dat..."
--"of dat...?"
Ze liet haar werk vallen en strekte de armen naar hem uit; en eer hij het kon verhinderen--als hij het al gewild had--gleed zij op zijn schoot en fluisterde hem in 't oor:
"Of dat je komt--moe en gedrukt, omdat je verdriet hebt, Abraham."
Zonnestralen vielen in de kamer; 't was herfst--vroeg in den herfst, met laag staande zon, die de kleine vensters binnenscheen en de kamer met warm goud licht vulde. En terwijl Abraham, wonderlijk bedwelmd en half beschaamd trachtte zich te houden, als gebeurde er niets bizonders om haar niet af te schrikken, legde Greta haar wang tegen de zijne en zei, dat ze voelde hoe de zonneschijn haar omringde aan alle kanten en dat het haar zoo goed deed.
Hij werd opeens zoo grenzenloos bedroefd, dat hij wel had willen schreien, zooals hij daar zat en haar in de armen hield; hij had het nooit te voren zóó gevoeld; maar 't was als zag hij op dit oogenblik voor 't eerst, hoe onuitsprekelijk averechts en onzinnig het leven was; alles werd hem zoo helder--zoo helder en leeg; 't kwam hem voor of hij zelf al oud was en door een lange laan van teleurstellingen liep. En wat zou 't leven die stumper brengen, die zich aan hem vastklemde?
Ze voelde zijn stemming dadelijk. Dat deed ze altijd.
"Vandaag ben je gedrukt, Abraham!--en weet je waarom?"
"Weet jij het, Grete?"
"Je zoudt mij liever tot vrouw hebben dan haar, die je nu hebt."
"Ja, weet je; dat was misschien beter," barstte hij bitter uit.
"Maar dat gaat niet," ging zij ernstig voort, en ging--voor zich uit voelend, weer naar haar plaats.
"Waarom niet?"
"Ten eerste omdat je er al een hebt, en ten tweede--ik kan niet trouwen."
"Wie zegt dat?"
"Vader heeft het gezegd."
"Och--als je een man vondt, dien je goed kende en waar je van hieldt."
"Neen, 't is niet om den man; maar om de kinderen; vader zegt, dat als 't kleintje naar de kachel gaat en kokende koffie over zich heen gooit, dan kan ik het niet zien;--ach--ik zie het vóór me!" ze hield de hand voor de blinde oogen--, "neen, neen, het gaat niet."
't Was duidelijk, dat dit beeld in haar bewustzijn gebrand stond en alle gedachten aan zooiets buitensloot.
Abraham was in gedachten verdiept geraakt; hij zat met haar lange vlechten te spelen; zij boog zich over haar werk en zei ook niets.
Zoo zaten ze toen Steffensen tegen zeven uur van de fabriek thuis kwam. Abraham kon er niet goed achter komen of de oude iets tegen zijn bezoeken aan Greta had; maar vandaag was het toch duidelijk, dat Steffensen 't niet prettig vond hem te ontmoeten.
Hij liep door de kamer te fluiten, en Greta fluisterde Abraham toe: "Vader is boos."
Intusschen was Steffensen naar de keuken gegaan, waar hij zich gewoonlijk waschte, als hij van 't werk kwam; en terwijl hij in 't waschwater dook en proestte als een nijlpaard, riep hij hardop:
"Een trekpot!--wat zeg je--een zilveren trekpot met suikerpot en melkkan!--van alle... ho! ho!"--hij dook weer met het gezicht onder water--"van alle arbeiders op Fortuna; dat wordt buitengewoon plechtig--wat zeg je?"
"Begrijp je 't?" fluisterde Greta.
"'k Begrijp er geen woord van,"--antwoordde Abraham, en stond op om heen te gaan.
--"voor de vriendelijkheid: de trekpot;--voor de goede zorg: de suikerpot;--en voor de humane behandeling: de melkkan!--wat zal de brave man verrast wezen! haha!--neem me niet kwalijk--jongeheer!--de oude Steffensen neemt de vrijheid jelui allemaal uit te lachen."
"Wat is dat toch voor een trekpot, waar je van praat?" riep Abraham.
"Och--stel u nu niet aan! hoe aandoenlijk dat u zoo'n stukje comedie wilt spelen voor een eenvoudig man. Ik heb ook comedie gespeeld in mijn jeugd--dat was nog wel in Mandal; God betere 't! maar ik speelde beter dan u, Meneer de directeur!"
"Best mogelijk! Want ik speel geen comedie. Ik begrijp u niet,--geen woord van al wat u zegt."
Steffensen kwam in de deur staan, terwijl hij zich met den handdoek afdroogde. Hij had een rood vet glimmend gezicht met twee groote uitpuilende oogen, die hij nu op Abraham richtte als een tooneelkijker.
"En u wilt me wijs maken..."
"Hij weet niets, Vader."
"Bah, wat weet jij daarvan?--ik heb een paar goede oogen in mijn hoofd; durft u me vlak aankijken en zeggen, dat u niets weet van het arbeidersfeest, dat op Fortuna wordt voorbereid?"
"Ik heb er geen woord van gehoord," antwoordde Abraham.
"U kunt er zeker van zijn, dat hij niets weet," voegde Greta er ernstig bij.
"Wel drommels!" mompelde Steffensen ongeloovig; "misschien weet u ook niets van het eeregeschenk: trekpot, suikerpot en voor de humane..."
"Schei uit," riep Abraham knorrig, "ik heb geen lust naar je onzin te hooren; dag Greta!"
"Och, Meneer de directeur," zei Steffensen en wreef zich vergenoegd in de handen. "Wil Meneer niet zoo vriendelijk zijn een paar minuten te blijven, dan zult u eens wat hooren. Vandaag ging Marcussen,--de kindermeid--zooals ze hem noemen--rond op de heele fabriek en zei ons aan, dat alle arbeiders overeen gekomen waren aan Professor Lövdahl een eeregeschenk te overhandigen--wat zegt u? op den 4den October,--den beroemden verjaardag van den professor. 't Was natuurlijk volkomen vrijwillig; maar hij twijfelde er niet aan, dat elke brave arbeider met vreugde deze welkome gelegenheid zou aangrijpen... ja, dat lesje kent u wel?--'t Komt regelrecht van den droogzolder van den bankdirecteur Christensen.
"Wilt u meêdoen?" vroeg Abraham.
"Nee, nee, mijn beste Meneer! De oude Steffensen antwoordde: "nee niks, padetout!"--en de anderen hadden grooten lust hetzelfde te doen; maar toen zagen we allemaal, dat Marcussen een streepje in zijn boekje zette, en dat moest zeker beteekenen, dat Steffensen den langsten tijd op de fabriek geweest is."
"Och onzin! Steffensen! meen je nu, dat Vader om zulke dingen geeft; ik ben er zeker van, dat hij alles zou doen om die dwaze collecte te verhinderen, als hij er van wist."
"Ach, wist je maar... wist je maar..." neuriede de oude en liep weer de keuken in om zich verder klaar te maken.
"Waarom kunt u niet meê doen, Vader?" vroeg Grete wat angstig; "'t is toch zeker niet veel voor elk apart."
"Waarom ik niet meê kan doen, mijn kind?--ja, dat zal ik je zeggen." En hij ging midden in de deur staan en richtte 't hoofd op, alsof hij van 't spreekgestoelte sprak: "omdat dit heelemaal humbug is--een spiegelgevecht en een drommelsche vertooning! Meen je soms, dat de menschen, die daar op de fabriek werken,--dat die ooit een cent bezitten, die ze niet zelf hard noodig hebben?--en toch komen ze allen met hun vrijwillige bijdragen aan.--Ja, vrijwillig, omdat ze liever een paar dagen droog brood eten, dan 't er op te wagen om den heelen winter zonder brood te zitten;--daarom komen ze, omdat ze zóó arm zijn, dat ze gedwongen zijn om laf te zijn,--zóó arm is de oude Steffensen niet--dat is 't heele verschil."
En alsof hij 't niet prettig vond, dat hij dat laatste gezegd had, ging hij haastig voort:
"Want je moet weten, kind! dat het hier in 't land als een genade beschouwd wordt zich dood te werken voor een loon, dat je maar even in 't leven houdt en je lichaam zoowat bekleed. En als je 't nu zoo gelukkig treft, dat je slooft voor een kapitalist, die je niet heelemaal dood knijpt, en die je niet direct voor de minste kleinigheid de straat op jaagt--ja, dan moet je komen aanzetten met je vrijwillige bijdragen. 't Kapitaal wil zilver hebben: een trekpot voor de vriendelijkheid, voor de goede zorg een suikerpot en voor de humane behandeling een melkkan."