Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif")

Part 2

Chapter 24,113 wordsPublic domain

En 't meest verheugde hij zich als hij er aan dacht, dat Abraham zijn assistent zou worden. Het jonge paar zou boven wonen; er zou leven en vroolijkheid in huis komen, en de vele bittere herinneringen zouden in de hoeken worden gedrongen en verdwijnen.

Maar de bankdirecteur Christensen was in zijn eigen kantoor blijven zitten, waar de vergadering gehouden was--nog steeds onzeker en wantrouwend.

Wat zou zijn vrouw zeggen als ze te weten kwam, dat hij zijn presidentsplaats had opgegeven en dat nog wel voor Professor Lövdahl, die eigenlijk niet in den kring thuis hoorde! Want zij wilde, dat hij de eerste, absoluut de eerste wezen zou in de stad, en dat was hij tot nu toe geweest. 't Zou de noodige scènes geven. En toch... toch had hij er geen berouw van. Hij vertrouwde op zijn neus, die hem nog nooit bedrogen had. Er moest iets aan de lucht zijn. Mordtmann was niet de man, die zoo'n positie zonder reden opgaf; hij was een slimme snaak, en zijn vader Isaak Mordtmann en Co. in Bergen was nog slimmer; zij hoorden niet tot de ratten, die 't schip verlieten vóór er gevaar was.

Dus vatte hij moed en besloot te dragen wat gedragen moest worden, want zelfs niet al kon het hem redden, wilde hij tegenover zijn vrouw den minsten twijfel uiten over Fortuna; daarvoor had hij te veel aandeelen en zij te veel vriendinnen.

Michal Mordtmann schreef denzelfden dag aan zijn vader:

"'t Ging gladder dan een van ons zich had voorgesteld. Ik nam een toevallige ontstemming in de directievergadering te baat,--u kunt wel begrijpen van wien die kwam--en eer iemand het wist, was ik van alles af. En daar ben ik heel blij om, hoewel ik--in elk geval voorloopig--zonder betrekking ben; maar ik denk wel, dat u wat voor mij vinden zult. Wat de fabriek zelf betreft,--ik ben het volkomen eens met wat u in uw brief van den 18den schreef."

Zoo kwam het, dat Professor Lövdahl in nader contact kwam met de handelswereld in de stad, die hij tot nu toe had trachten te vermijden.

Maar Fortuna nam meer en meer zijn belangstelling in, naarmate het werk en 't groote bedrijf hem helderder werd. Hij las buitenlandsche werken en tijdschriften, veranderde en verbeterde, en maakte groote plannen voor nieuwe bedrijfsvormen en kostbare machines.

Zijn praktijk als dokter was niet groot en die beperkte zich langzamerhand tot eenige goede oude huizen, waar hij bleef komen als huisvriend.

Daarentegen werden zijn wachtkamer en studeerkamer meer en meer in kantoren veranderd; er kwam een penningmeester en een jong mensch om boodschappen in de stad en naar de fabriek te doen; en agenten en makelaars begonnen er te komen als op een gewoon koopmanskantoor. Op een dag gelukte het een indringerigen korenagent, half onder scherts, een lading rogge aan Carsten Lövdahl te verkoopen; 't schip lag in Dantzig te laden.

De professor was in spanning--in een spanning, die voor hem geheel nieuw was; hij ergerde er zich eigenlijk over; maar de rogge steeg.

En toen hij ten slotte 3000 kronen zuivere winst voor zich op zijn lessenaar liggen zag, toen voelde Carsten Lövdahl een geheel nieuw en eigenaardig welbehagen.

Als volwassen man was hij altijd rijk geweest door 't groote vermogen van zijn vrouw; maar van zijn jeugd af zat hem de openlijke verachting voor "kooplui" en 't heimelijke respect van ambtenaarsfamilies voor geld in het bloed. 't Vermogen van zijn vrouw had hij verstandig en voorzichtig beheerd, blij met het welvaren, dat het geld bracht; maar zonder het directe gevoel van de macht van 't geld en 't vele, dat daarmeê te bereiken is.

Maar dit geld, dat daar voor hem op tafel lag, had iets heel bizonders. Hij zelf had het in een oogenblik voortgebracht; hij had macht zich nog meer te verschaffen. Voor 't eerst had hij dat bedwelmend gevoel, dat in zijn handen een kracht berustte, die als een natuurmacht menschen opheffen en neerbuigen kon. En terwijl hij over de banknoten streek, tintelden zijn vingers en hij vond zelfs, dat het gekreukelde papier een aangenamen geur had.

Toen Abraham thuis kwam, vond hij dus zijn vader als verjongd en ijverig bezig in een groot bewegen van verschillende ondernemingen, ofschoon Fortuna nog als de voornaamste genoemd werd.

Hij kreeg zijn vaste plaats aan een nieuwen lessenaar en ging aan 't werk--gelukkig en vol moed.

III.

"Kom binnen, kom er maar in, Meneer! dan kunt u eens zien hoe de mindere man het heeft; dat is wel eens goed voor u. En dan is 't ook in de mode, wat zegt u nou? De werkgevers kennen immers tegenwoordig het leven en de omstandigheden van hun arbeiders door en door. En kijk eens naar de letterkunde. Wat zegt u! de kleine burgerman, de arbeiders, de armen... O m'n waarde Meneer! we vloeien over van meêvoelen en medelijden! Ja 't is een heerlijke wereld, waar we in leven. Wat zegt u nou?"

En bij die woorden wees hij rond in de kleine donkere kamer, waar bijna niets stond.

Alleen dicht bij 't venster lag een hoop riet en witte afgeschilde teenen en daar midden in zat een jong meisje manden te vlechten.

"Wie hebt u daar bij u, Vader?" vroeg ze scherp.

"De advokaat, de jonge Lövdahl, de nieuwe directeur zegt men;--ja Meneer, ze is blind" voegde hij er droogweg bij:--"dat komt niet zelden voor bij de armen, de kleine burgerlui en de arbeiders."

De dochter glimlachte bitter en keerde de doffe waterachtige blauwe oogen tegen 't licht, terwijl haar witte vingers een wilgeteen bogen.

Abraham Lövdahl voelde zich onaangenaam aangedaan; en toen de oude man naar de kleine keuken ging om zijn koffie te halen, zei hij verlegen:

"Is u altijd... is u al van uw geboorte af zoo ongelukkig geweest?"

Het jonge meisje keerde zich om, zoodra ze zijn stem hoorde, sloeg de oogen neer en luisterde oplettend naar die weinige woorden. Maar toen ze zoo zat en hij niet meer gedwongen werd in die pijnlijke, leege oogen te zien, trof het hem hoe wonderlijk mooi ze was.

't Bittere en ontevredene in haar mond, dat ook in de licht opgetrokken neusvleugels trilde, was nu weg en haar zuiver gevormd voorhoofd met donkerblond golvend haar stond zoo onschuldig en droevig boven de doffe oogen, boven 't magere, zwaarmoedige gezicht.

"Zeg dat nog eens," vroeg ze.

"Hoor je 't niet, Greta! die deftige Meneer doet je de eer aan je te vragen of je blind geboren ben. Ja, Meneer, dat is ze;--slecht bloed--slecht armelui's bloed."

De oude man ging zitten met zijn kop koffie in de eene en een stuk grof roggebrood, met een beetje boter vol zoutklompen besmeerd, in de andere hand.

Abraham Lövdahl had anders in den korten tijd, dat hij aan de fabriek was, de arbeiders toeschietelijk gevonden en prettig om meê om te gaan, maar deze oude machinist trok hem heelemaal niet aan, en hij had er spijt van, dat hij zich in zijn hol had laten lokken.

"Ja, zwarte koffie, zwart brood en boter, die als glas tusschen je tanden knarst;--dat zal nu nog wel niet iets zijn, om u aan te bieden."

"Nu nog niet...?" Abraham zag hem aan.

"Ja, ja, men kan nooit weten, wat men nog eens zal moeten eten,--voor men doodgaat. Wat zegt u nou?"

Hij schaterde van 't lachen over zijn eigen geestigheid en 't jonge meisje lachte meê; maar zij hield gauw op en boog zich over haar werk, terwijl Abraham, die deze menschen heelemaal niet begreep, afscheid nam en naar de deur ging.

"Als u eens weer komt, moet u eens naar Greta's manden komen zien."

"Hij komt nooit weer, Vader!" zei de dochter halfluid; maar Abraham hoorde het. En er was iets in haar toon, dat hem trof.

"Ik wil gaarne eens binnenkomen, als ik hier voorbijkom en uw manden zien; ik zal zeker wel manden noodig hebben voor mijn nieuwe huis."--Hij richtte deze woorden vriendelijk tot haar en ging heen zonder verder op den ouden man te letten.

"Vader, zeg u eens!--wat is dat toch voor een soort mensch, die oude machinist Steffensen."

"Och, een praatjesmaker, die van alles in de wereld heeft geprobeerd en nooit ergens voor deugde."

"Maar hij zorgt toch voor de machines."

"Nu ja!--Mordtmann protegeerde hem. Ze zijn allebei een beetje kwasterig; maar Steffensen is een oproermaker, die niet in een behoorlijke fabriek als de onze past."

"U denkt er toch niet aan hem weg te zenden?"

"Ja, zoodra er een gelegenheid is."

"Maar hij is arm."

"Er zijn er, die meenen dat hij rijk is."

"Maar zijn dochter is blind."

"Heeft hij een dochter?"

"Ik dacht, dat u haar oogen wel gezien had. Dat is een interessant geval."

"Zoo," antwoordde de professor droog en ging voort met zijn werk.

Maar Abraham besloot nauwkeuriger op Greta's oogen te letten. Alle boeken van den professor waren naar boven gebracht. En Abraham bracht daar menig uur door, liefst 's Zondags, als de anderen naar de kerk waren.

't Was een drukke dag; en de jongelui boven zouden dien avond voor 't eerst gasten ontvangen. De professor had het zoo gewild en zijn bedienden beneden zorgden voor 't souper en al 't andere. Toch was de jonge Mevrouw zoo moe, dat ze niet dacht ooit met haar toilet klaar te zullen komen. Abraham liep zenuwachtig de kamers in en uit: nu was 't haast tijd; hij wachtte en luisterde aan de deur. 't Dienstmeisje kwam de kamer uit,--neen--Mevrouw was nog niet klaar.

"Goede hemel, Clara! Kun je je niet een beetje haasten, al was 't alleen maar ter wille van Vader."

"Ach!--spreek niet over je vader! Een man als hij zou me nooit zoo overspannen hebben als hij 't geweten had. Maar hij kan 't immers niet weten en als jij dan niet meer zorg voor me hebt."

"Nu, laat ons dan liever de menschen afzeggen."

"Hè, Abraham, wat ben je onverdragelijk--als je zooiets zegt wat je toch niet meent"

"Ja, maar als je nu werkelijk zoo onwel ben..."

"Als--geloof je me soms niet?"

"Ja natuurlijk Clara! maar 't is ook een drommelsch werk om in die omstandigheden gasten te ontvangen."

"Foei toch! Vloek toch niet zoo vreeselijk."

Toch kwam ze mooi en stralend van vriendelijkheid haar schoonvader tegemoet en luisterde blozend naar zijn ouderwetsche complimentjes. En Abraham moest wel de kracht bewonderen waarmeê de zwakke Clara haar vermoeidheid overwon, als 't moest. Neen, eigenlijk--om de waarheid te zeggen, hij ergerde er zich over, dat hij moest doen alsof hij aan die vermoeidheid geloofde--die vreeselijke vermoeidheid, die plotseling als weggeblazen kon worden. Maar 't waren grillen, die Clara van haar moeder had. Die zou hij er wel uit krijgen. Maar behalve dat was ze bekoorlijk--dat zei iedereen.

De avond liep goed van stapel; de oude heeren speelden kaart; in het salon werd muziek gemaakt, en 't gezelschap was feestelijk gestemd, omdat men voor 't eerst bijeen was in 't nieuwe huis, waar veel te zien en te bewonderen was.

Maar juist toen alles het vroolijkste toeging ontdekte Abraham plotseling een paar stramme plooien om den mond van zijn vrouw, een sprekende copie waren ze van anderen, die hij kende--die van Mevrouw Meinhardt.

Ze werd opeens stil, zag hem voorbij; en als hij 't woord regelrecht tot haar richtte, hoorde zij 't niet. Zelfs 't algemeene gesprek stokte--er kwam als een domper over de vroolijkheid; 't was als ging er koude uit van de jonge gastvrouw. 't Was wezenlijk zoo vreemd. Men zag elkaar aan, een paar jonge vrouwen begrepen het,--ja zelfs Peter Kruse, die ongetrouwd was, mompelde in zichzelf: "Daar heb je waarachtig wat moois op sleeptouw gekregen--mijn beste Abraham à Santa Clara."

Abraham streed den heelen avond als een wanhopende, met die rimpels; hij werd opgewonden vroolijk, om de stemming te bewaren; maar niemand kon goed meêdoen onder den ijskouden glimlach van de gastvrouw.

Hij trachtte haar te bereiken om haar iets in te fluisteren--ze keerde zich om en sprak met wie 't dichtst bij haar stond; hij smeekte haar met de oogen, dat ze toch ontdooien zou, en met die afschuwelijke comedie uitscheiden; had hij wat verkeerds gedaan--en daar had hij een duister gevoel van--dan konden ze daar immers later over praten--maar niet hier--niet zich bloot geven voor al die vreemden!

Maar hij had even goed gezichten kunnen trekken tegen de kachel; ze bleef voortdurend stijf, koud en beleefd--of onbeleefd--zooals 't uitkwam. Toen Abraham dus eindelijk, afgemat van dien moeilijken avond--zijn laatsten gast had uitgelaten, liep hij snel door de kamers naar 't boudoir van zijn vrouw, waar ze op hem stond te wachten, maar deed alsof ze onverschillig een paar bloemen schikte.

"Ziezoo! wat is er nu? zeg me wat er is, Clara," riep hij en ging vlak voor haar staan.

"Wat er is?--Wat bedoel je?"

"Och, dat weet je heel goed, zooals jij den heelen avond gedaan hebt! Opeens, voor iemand 't weet, zit je als een mummie, lacht niet, geeft geen antwoord."

"Als ik tegen 't eind van den avond niet heb kunnen verbergen dat ik ontstemd was--hoewel God weet, dat ik er al mijn krachten voor heb ingespannen--dan weet jij tenminste de reden en hoeft er niet naar te vragen."

"Ik weet de reden niet. Ik begrijp wel, dat je boos op mij ben; maar de drommel hale me, als ik weet wat ik gedaan heb!"

"En daar durf je op te vloeken!--je weet misschien niet hoe je daar achter de piano zat, met je neus in de haren van die malle Lina With."

"We zaten toch niet achter de piano!"

"Nou... er was ten minste niet veel van jelui te zien; maar aan je lachen kon je wel hooren wat voor dingen jelui behandelde. En toen ik er aan kwam, omdat ik me voor jou schaamde en vriendelijk en voorkomend iets over haar japon zei..."

"Ja, je zei, dat je niet van die groene kleur hieldt."

"Toen antwoordde ze, bizonder impertinent: die is blauw, Mevrouw! en jij--wat deedt jij?"...

"Ik zei zeker ook dat die blauw was, want dat was-ie."

"Die was groen, flesschegroen, zoo groen als spinazie, maar dat doet er trouwens geen zier toe; je kunt niet begrijpen hoe volkomen onverschillig 't me is of dat mensch haar botten met groen of blauw overtrekt; maar 't karakteristieke voor jou, 't leelijke van je is, dat zelfs in de kleinste, de meest onverschillige kwesties dadelijk naar de tegenpartij overloopt,--nooit kun je mij helpen..."

"Neen maar lieve Clara! als nu de japon me blauw toeschijnt."

"Waarom denk je, dat ze je blauw voorkomt? Alleen omdat die misselijke Lina With 't zei; dadelijk natuurlijk! was je 't met haar eens! maar ik--je eigen vrouw!"

"Geloof je heusch, dat Lina With gevaarlijk is?"

"Och, 't is met allemaal 't zelfde! je trekt iedereen boven mij voor; ik ben alleen tusschen al die vreemde menschen; en jij, die me steunen moest je laat me gemeen in den steek, om... om... om..." Ze schreide zoo hevig, dat haar stem weg ging en vloog de kamer uit.

Abraham liep haar achterna; maar aan de deur van de slaapkamer keerde hij om en stak een sigaar aan; hij liep op en neer in de kamers, die nog warm waren na 't feest; en hij dacht na over zijn huwelijk en zijn vrouw--over zijn leven, zooals 't met hem was voortgegleden in zonneschijn en geluk, zonder schokken. Nu en dan bleef hij voor een spiegel staan en bekeek zichzelf half verwonderd.

Was hij dat werkelijk, die dit beleefd had? Was hij het, die niet meer bereikt had. Dit leven, dat zoo los om hem heen hing, zoo zonder beteekenis,--was dat zijn leven?... Wel was hem zijn eerste frissche jeugd al spoedig ontnomen, maar later was hij toch zoover gekomen in moderne lectuur, dat hij al gauw vermoedde, dat 't niet heelemaal zoo in de wereld toeging, als 't aan de studenten aan de universiteit te Christiania gedoceerd werd.

't Was niet zoo, dat alles bijna overal in orde was, behalve in Amerika, dat alle raadsels der wetenschap waren opgelost of in ieder geval vandaag of morgen zouden worden opgelost aan de universiteit te Christiania. In plaats van dat de waarheid vast stond, het bestaan over 't algemeen harmonisch en rechtvaardig was, de jeugd voor inspanning bijna geheel bewaard, omdat de ouden alles zoo buitengewoon goed hadden ingericht--in plaats van dit alles, waar zijn thuis, de school en de universiteit zijn hoofd meê hadden opgevuld, zag hij al spoedig, dat hij integendeel geboren was in een tijd vol van de meest verschillende bewegingen, en in een maatschappij, die juist behoefte had aan moedige jonge menschen.

En Abraham Lövdahl had een machtigen drang gevoeld om aan te pakken--waar 't maar mogelijk was--overal! 't Was alles immers averechts verkeerd. Maar altijd was dit de noodlottige vraag: Waar moest hij ingrijpen? 't Moest zóó gebeuren dat er werkelijk iets door bereikt werd--een of andere taak voor hem; anders hielp het immers niet;--anders kon hij immers zijn naaste omgeving niet doen begrijpen wat hij bedoelde met dat "aanpakken."

Hij had het met Clara geprobeerd, toen zij geëngageerd waren. Hij had haar al zijn wilde ideeën toevertrouwd; en tot zekere hoogte amuseerde 't haar te luisteren naar al die schreeuwende tegenstellingen met al wat ze geleerd had en geloofde. Alleen als 't al te gek werd lachte ze en beweerde, dat hij dat niet meenen kon.

Tot wat Clara 't meest aantrok hoorde de emancipatie van de vrouw. Ze luisterde oplettend als hij in woorden, die gloeiden van toorn, den man aanviel, die duizende jaren lang in ruwheid de vrouwen had onderdrukt en verongelijkt. En als hij de toekomst schilderde, waar man en vrouw gelijken zouden zijn, die in onderling overleg handelden, dan drukte Clara zich tegen hem aan: "Zul je altijd zóó tegen mij wezen, Abraham?"

Al die beloften, die oprechte verzekeringen!--had hij ze gebroken?

Neen,--hij vond het niet; hij was zich bewust, dat hij er eerlijk naar had gestreefd hun samenleven vredig te maken en mooi; maar Clara was verwend--dat viel niet te ontkennen. Zulke afschuwelijke scènes als die van dezen avond moest hij niet verdragen.

Hij wilde ze ook niet langer verdragen; nu wachtte ze hem--dat wist hij--tot een verzoening bereid, als hij zich eerst voldoende verootmoedigd had; maar Abraham zwoer, dat hij zich niet verootmoedigen zou en bleef in de kamers heen en weer loopen; en terwijl zijn sigaar langzamerhand uitging kwamen de machinist Steffensen en het blinde meisje hem weer in de gedachten. 't Was een wonderlijk paar; hij zou den advokaat Kruse, die alle menschen kende, eens vragen, waar zij eigenlijk vandaan kwamen.

Voorloopig besloot hij ook zich te verzetten tegen zijn vaders plan om Steffensen te ontslaan. Het streed tegen Abrahams opvatting een bekwaam man uit 't werk te laten wegzenden, omdat hij een praatjesmaker was--waarschijnlijk een knappe bol. Hij moest juist blijven.

Hoe zou 't anders met dat arme blinde kind gaan?

En haar beeld stond opeens zoo helder voor hem--aandoenlijk, als was 't een herinnering uit zijn jeugd: dat witte voorhoofd, dat zoo onschuldig boven die doffe oogen lag, boven dat magere, zwaarmoedige gezicht.

Lang en ver weg voerden Abraham zijn fantastische droomen over die oogen, waar misschien weer leven in zou kunnen komen; droomen van een blik vol dankbaarheid en genegenheid, waaraan hij zulk een behoefte had. En 't was laat in den nacht toen hij naar bed ging. Clara sliep al.

IV.

"De Heer zegene uw ingaan en uw uitgaan van nu af, alle dagen uws levens."

Met deze woorden leidde de kapelaan zijn verloofde over den drempel van zijn vaders huis. De dikke Jörgen Kruse kwam zóó in de war door dien plechtigen intocht, dat hij de handen vouwde en "Amen" zei.

Maar zijn vrouw, die even mager was, als hij dik, wierp haar breiwerk weg en liep snel haar nieuwe schoondochter tegemoet.

"Welkom! Welkom in ons huis--lieve kind. En God geve, dat je je bij ons tevreden en gelukkig voelt; jij ben ook welkom, lieve Maarten!--ik kan je niet eens behoorlijk een kus geven om je grooten baard. Jelui verrast ons. De boot zou hier niet vóór zes uur wezen, zei Peter. Zag jelui hem niet? Dan komt hij wel dadelijk hier. Maar Frederika--hoe kun je Maarten nu met zoo'n akeligen baard laten loopen. Dat zou ik hem wel verbieden als ik jou was."

"Zooiets moet Moeder niet tegen Frederika zeggen. De gedachte komt niet in haar op--dat weet ik wel zeker--dat zij zou opstaan tegen haar aanstaanden echtgenoot. Heb ik geen gelijk, Frederika?"

"Ja Maarten."

"Och"--zei Juffrouw Kruse, "zóó plechtig meende ik 't ook niet; een vrouw kan waarempel heel wat klaar spelen, zonder juist tegen haar man op te staan."

"De Schrift leert ons--zooals Moeder weet."

"Ja jongen, dat weet ik," viel zijn moeder hem droog in de rede; "maar nu moeten we niet met de theologie beginnen; maar met een kop koffie. Alles op zijn tijd. Ga zitten, Frederika, en nog eens: hartelijk welkom in ons huis, lieve kinderen!"

Jörgen Kruse dacht, zooals altijd, wanneer zijn vrouw sprak: "Wat drommel, waar haalt ze al die woorden vandaan?" Eindelijk kwam hij ook naar voren en mompelde wat, maar trok zich dadelijk terug in zijn hoek. Intusschen was 't niet zoozeer zijn nieuwe schoondochter, maar eigenlijk zijn zoon, die hem zoo verlegen maakte. Toen Maarten de theologie als zijn studie koos, verheugden zijn beide ouders zich daarover. Dat paste ook goed: de oudste, Peter, was jurist, en de oude Jörgen dacht zoo: als 't nu eenmaal een uitgemaakte zaak was, dat hij geen van zijn zonen daar kon krijgen, waar hij ze 't liefst hebben wou--n.l. in den winkel, dan zou het toch eigenlijk wel aardig wezen zijn eigen jongen met de toga aan op den preekstoel te zien.

Maar was dat nu werkelijk zijn kleine, dikke Maarten, die hier zoo uit de hoogte aankwam en hem zoo ernstig--bijna beschermend de hand drukte? Groot was hij nu, met een dikken baard en hij keek de menschen zoo streng aan door zijn lichtblauwen bril.

't Werd zijn vader heel wonderlijk te moede; en terwijl de flinke, kleine Juffrouw Kruse al gauw Frederika aan 't praten kreeg onder de koffie en onvervaard Maarten als vroeger behandelde, liep de oude Jörgen verlegen rond en zocht tevergeefs naar den toon, die hij moest aanslaan tegenover dien plechtig gestemden zoon.

"Rook je ook, Maarten?" vroeg hij eindelijk, half bang.

"Bijna nooit," antwoordde Maarten met diepen ernst en een zucht, die moest aanduiden, dat dit een van zijn vele vrijwillige ontberingen was.

Allen vonden trouwens, dat Maarten heel waardig geworden was, nadat hij aan de studie van de theologie begonnen was. Het stugge, wat Maarten, de achterblijver, in de school eigen was, ging in den loop der jaren over in een zuren ernst, die hem als van zelf tot de theologie bracht.

Hij behoorde tot de gelukkigen; hij was reeds kapelaan aan de nieuwe kerk in de stad; kort na zijn benoeming volgde zijn verloving en hij was van plan dadelijk te trouwen; want zijn verloofde was rijk en had geen ouders.

Mooi was Frederika Andersen eigenlijk niet; maar Juffrouw Kruse meende, dat ze echt goed en lief wezen moest... zóó teer als ze soms naar Maarten op kon zien.

Kort daarna kwam de oudste zoon--de advokaat binnen; hij was buiten adem, kwam regelrecht van de stoomboot en maakte veel excuses, omdat hij niet bij de aankomst van 't verloofde paar had kunnen zijn.

"Maar dat komt door die lieve vereeniging, die al mijn tijd in beslag neemt," zei hij. "Ik moet hulp hebben. Jij, broer Maarten! moet meêdoen; onze menschen wonen meest in de buurt van de fabriek."

"Je meent Fortuna; maar wat is dat voor een vereeniging waar je over praat?"

"O--een arbeidersvereeniging. Eerst was 't enkel een verbruiksvereeniging; nu is er een spaarkas aan verbonden, en een ziekenkas en van allerlei."

"Een vereeniging van arbeiders dus?--en daar ben jij lid van, Peter?"

"Lid?"--riep Juffrouw Kruse, "'t is immers Peters vereeniging; hij heeft ze gesticht en alles op streek geholpen."

"Zoo," antwoordde Maarten droog.

Juffrouw Kruse kreeg een kleur en wilde iets zeggen; maar zij bedacht zich en vroeg haar schoondochter met haar meê naar boven te gaan naar haar kamertje.

De vader was ook weer weggeslopen naar den winkel, zoodat de beide broeders alleen waren.

"Ik feliciteer je--Maarten! met je benoeming èn met je verloving; ze ziet er zoo aardig en lief uit."

"Frederika is een ernstig en streng opgevoed meisje."

"Ja?--maar ze kan daarom wel aardig wezen."

"Zulke lichtzinnige woorden passen in 't geheel niet voor mijn verloofde. En ik wil je van te voren verzoeken om..."