Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif")

Part 14

Chapter 14700 wordsPublic domain

Zulke gedachten volgden Clara en den professor door de kerk; en zóó druk hadden de oogen 't met hen, dat de gemeente eerst later opmerkte, dat er nog iemand achteraan kwam.

Dat was Abraham.

--Er is smart in de wereld--vooral dat soort smart, die schande meêbrengt, die 't een mensch volkomen onmogelijk doen voorkomen het leven verder te verdragen. Des namiddags en 's nachts voelt hij zich alsof hij sterven moet, vóór 't licht weer terugkomt.

En als de morgen komt, heeft hij een gevoel alsof er toch nog leven in hem is; hij moet de kleeren weer aantrekken, zijn haar borstelen en hij moet eten.

's Avonds zegt hij: "Hoe is 't toch mogelijk, dat ik een heelen dag geleefd heb--en dit gedragen?"

Den volgenden dag scheert hij zich; acht dagen later komt hij er toe een grap te zeggen en er zelf om te lachen.

--Zoo had Abraham een paar weken geleefd. Dagen en nachten hadden hem heen en weer geslingerd. Niets was zwaarder of lichter geworden; maar alles rondde zich af onder het zwoegen in die uren.

Tot zekere hoogte had hij 't nog nooit zoo goed gehad thuis; men behandelde hem als een lieve zieke. Zijn vader was zoo zacht, bijna eerbiedig;--en Clara omringde hem met alle teerheid, waar hij ooit van gedroomd had vóór zij getrouwd waren en die hij vroeger nooit bij haar gevonden had.

Zij waren beiden bang voor hem. Eén woord, één uitbarsting van zijn overdreven principes kon alles omverwerpen, wat zij opgebouwd en gered hadden.

Maar in werkelijkheid behoefden ze voor hem niet langer bang te wezen;--met hem was 't gedaan.

En toen Clara hem dien Zondagmorgen half angstig in 't oor fluisterde: "Je weet niet wat een pleizier je Vader zou doen, als je met ons naar de kerk ging," antwoordde hij heel kalm:

"Ja, dat wil ik wel doen."

Toch kromp iets in hem ineen, toen hij onder den boog doorging en de groote oude kerk voor hem lag in sombere, grauwe herfstkleuren. Herinneringen drongen zich naar boven, oogen drongen op hem aan. Maar hij ontweek ze bijna zonder strijd; zij hadden geen macht meer over hem.

En terwijl hij achter zijn vader en zijn vrouw liep, spuwde hij in gedachten zich zelf in 't gezicht en riep zich zelf toe:

"Kijk ootmoedig! Kijk vooral ootmoedig, hond, die je ben!"

Wat zag hij er akelig en griezelig uit! Niet een was er, die hem vertrouwde. Vrouwen en mannen zagen hem na met booze oogen. Hij--die de arme arbeiders bedrogen en bestolen had.--

--Maar daar kwam Christensen--de bankdirecteur en zijn vrouw in een nieuwen zwaren zijden mantel uit Hamburg! Goede hemel! 't deed allen werkelijk goed menschen te zien, die nog zijde konden koopen!

Mevrouw Christensen glimlachte bewogen; 't zilver stond nu op zijn plaats en het dwaze opschrift was er van weggenomen.

De houding van den bankdirecteur scheen te zeggen: "Aanbid mij niet!"

Maar hij kon het niet verhinderen. Hij was aller hoop en toevlucht; niet één had den moed aan zijn laatste zonderlinge manier van doen op de algemeene ledenvergadering van Fortuna te herinneren.

Toen begon Maarten Kruse zijn preek over de tienduizend talenten; over de booze macht, die 't geld onder ons menschen heeft; over den mammon en de leliën des velds, en als grondtoon kwamen telkens deze woorden terug: "Geen goud, geen zilver, geen koper zult gij in uw gordelen verzamelen."

Daar stond midden onder de preek een kleine gestalte op aan den kant van de vrouwen. 't Was Juffrouw Kruse! Ja waarachtig! 't was Juffrouw Kruse.

Ze hield den zakdoek niet voor haar mond; ze had geen neusbloeding, ze was niet onpasselijk, want ze zag in 't geheel niet bleek. Integendeel ze zag er frisch en krachtig uit, zooals ze zich een weg baande tusschen de dames door, die van schrik vergaten plaats te maken.

Toen Juffrouw Kruse eindelijk het middenpad bereikt had, schikte ze kalm haar mantel terecht en ging toen met haar rustige oude vrouwen-stapjes, voort door 't lange middenpad en de kerk uit.

AANTEEKENINGEN

[1] Een korte beschrijving van dit document.

[2] Bij kerkelijke plechtigheden betalen de gemeenteleden in Scandinavië een zeker bedrag aan den predikant. Dat wordt "offer" genoemd.