Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif")
Part 13
"Neen Clara! denk er aan, dat we niet meer onafhankelijk zijn; nu jij de last heelemaal op je schouders genomen hebt, wil ik de mijne niet afschuiven. We zullen ons niet vernederen, maar we moeten ons buigen, niet waar, Vader?"
De oude man mompelde wat en zag voortdurend zijn zoon aan; en toen Abraham hun goeden nacht had gewenscht en naar de deur ging, was het alsof de professor op wilde staan om iets te zeggen of hem terug te houden; maar hij zonk weer ineen en verborg het gezicht in beide handen. Clara liet haar man uit en vroeg hem met veel liefkoozingen om gauw terug te komen. Zij zou op hem wachten. Het stond haar in 't geheel niet aan, dat hij dadelijk in de handen van dien Kruse vallen moest; hij had ook zulke dwaze overdreven opvattingen.
"O Clara!--Wat is Vader oud geworden!" zei Abraham, toen ze hem zijn jas hielp aandoen. "Stel je voor, ik zag hem beven, toen hij zijn kop thee aannam! en hij, die zoo'n vaste hand heeft gehad.--Arme Vader!"
Onderweg was hij hier nog zóó van onder den indruk, dat hij er niet toe kwam er over te denken, wat het toch wezen kon, wat Kruse van hem wilde.
--Ze waren beiden wat verlegen, toen zij elkaar ontmoetten; Kruse drukte hem hartelijk de hand.
"Arme jongen!--dat is zeker als een donderbui over je gekomen; maar ik dacht, 't was maar 't best, dat je 't door mij hoorde."
"Ja, ja! ik dank je voor je telegram. Dat was goed van je bedacht."
"Ik stuurde om je van avond; neem me dat niet kwalijk, omdat ik--eerlijk gezegd--in de pijnlijkste ongerustheid heb rondgeloopen in deze dagen; en veel anderen met mij. Ik ben blij je zoo vrijmoedig te zien, want nu kan ik wel begrijpen dat alles in orde is; maar 't was onvoorzichtig--"
"Wat bedoel je?" vroeg Abraham. En een duister voorgevoel van iets vreeselijks snoerde hem de keel dicht.
"Wat ik bedoel?--ben je gek--Jongen? 't Geld natuurlijk... dat heb je toch? 't Geld van de arbeiders--'t bouwfonds en de ziekenkas?"
Abraham drukte beide handen in de zij, waar hij een pijn voelde als na een slag tegen 't hart; zijn keel werd dik en met moeite bracht hij een geluid uit:
"Vader..."
"Ja zeker--je vader heeft het geld uit de spaarbank gehaald, dat weten we! maar dat was natuurlijk maar voor een dag te leen?"
Abraham knikte.
--"en je vader gaf je 't geld den volgenden dag terug?"
Abraham bleef met open mond en wijd opengesperde oogen staan.
"Groote God in den hemel!" schreeuwde de kleine advokaat. "Jelui zijn daar toch een bende misdadigers met mekaar! Je vrouw gaat heen en verstopt haar zilver en steelt--ja ik zeg 't je ronduit--ze steelt! en je vader! je groote vader--niet genoeg, dat hij mijn vader en nog veel anderen ruïneert; maar ik zal je maar één ding vertellen, dat toont wat hij voor een kerel is; jij hebt hem gezegd, dat Mevrouw Gottwald wat gespaard had..."
"Neen," antwoordde Abraham; maar hij werd op 't zelfde oogenblik rood, want zoo gemarteld als hij zich op dat oogenblik voelde, toch herinnerde hij zich, dat hij op een dag aan tafel over dat idee van een monument voor kleine Marius had gesproken.
"Zie je wel?" riep Kruse bitter, "je herinnert 't je wel. Luister nu: acht dagen vóór 't failliet was je vader hier en praatte Mevrouw Gottwald haar spaarbankboekje af, onder voorwendsel van haar hooger rente te willen bezorgen!--Wat zeg je daarvan? Zal ik je zeggen wat hij is--je groote vader? nu, hij is gewoon weg een gemeene schurk!"
Abraham viel achterover tegen een stoel en was verscheiden minuten bewusteloos. Kruse werd bang en had berouw over zijn woorden, en toen hij 't eindelijk zoover gebracht had, dat de ander de oogen weer opsloeg, zei hij:
"Je moet niet boos op me wezen, Lövdahl--maar je kunt wel begrijpen, dat die geschiedenis met de arbeiders mijn halve leven bederft."
Abraham greep half bewusteloos zijn hand, maar 't was duidelijk, dat hij nog als verlamd was. Kruse liet hem met rust en liep intusschen de kamer op en neer. Na een lange stilte zei Abraham:
"Wat moet ik doen?"
"Dat hangt er van af wat je kunt."
"Wat ik kan?"
"Waar je kracht en moed voor hebt."
"Je denkt toch niet, dat ik me meê schuldig wil maken..."--hij kwam niet verder, want hij hield op door een blik van zijn vriend en een glimlach, dien hij kende: half moedeloos, half verachtelijk; en Abraham voelde dien glimlach branden in zijn hart.
't Was waar! Hij had noch moed, noch kracht zich van de anderen los te maken, om open en hardop te zeggen: "Zie! dit heeft mijn vader gedaan, dit heeft mijn vrouw gedaan en dat heb ik zelf gedaan. Straf ons, als dat moet; maar laat ons na onze schuld geboet te hebben een nieuw leven beginnen."
Dàt kon hij niet, dat wist hij zelf wel. Beschaamd en zonder op te zien sloop hij heen en Peter Kruse sloot de deur achter hem dicht.
Maar één gedachte was er in zijn hoofd, één naam op zijn lippen; hij ging regelrecht Greta zoeken.
Hij was door de stille, leege straten zóó ver gekomen, dat er geen lantarens meer waren. Langs den kant van den weg waren groote steenen gezet en in de diepte beneden hoorde hij 't zware zuigen van de golven, die tegen de rotsen opstegen en weer neerzegen, zuigend en trekkend aan het taaie zeewier. Abraham stond stil, ging terug naar de laatste lantaarn om op zijn horloge te zien. 't Was over tienen.
Greta zou wel naar bed zijn; maar dat deed er niet toe; hij wilde alleen maar naast haar bed zitten, haar hand in de zijne nemen en naar haar stem luisteren, waarin geen twijfel, geen ontrouw was.
Maar terwijl hij zich omkeerde om verder te gaan in het donker, hoorde hij zijn naam roepen en een dame in 't zwart kwam uit de schaduw van de kerkhofpoort en snelde hem tegemoet.
"Ga niet verder, ik smeek je, Abraham. Ik smeek je er om, ter wille van kleine Marius! ga niet alleen zoo ver buiten de stad in 't donker!"
"Maar lieve Mevrouw Gottwald, waarom mag ik dat niet?"
"Omdat ik vroeger gezien heb, dat... had ik toen maar..."
"Wanneer? Wie?"
"Je moeder stond ook hier! Ga niet verder, Abraham! Ik kan het niet verdragen."
Eerst had hij gemeend, dat zij krankzinnig geworden was door 't verlies van haar geld; maar toen ze zijn moeder noemde:
"Antwoord me, lieve Mevrouw Gottwald! antwoord me!--wat was dat met Moeder?"
"Niets. Vraag 't me niet. Ik weet niets."
"Antwoord me! U moet me antwoorden--ter wille van kleine Marius." En hij hield haar vast. "Wat was dat met Moeder?"
"Ik zal je antwoorden en alles zeggen wat ik weet; maar dan moet je niet meer vragen--arme Abraham!"
Nu was ze zooals in den ouden tijd de moeder van Marius en hij was de beste vriend van haar jongen.
"Ik heb je moeder juist hier zien staan, waar wij nu staan; 't was nacht en donker als nu. En zij zag op haar horloge en hief toen haar gezicht op in 't gaslicht;--o dat gezicht!--Ik stond daar in de schaduw van de kerkhofpoort en ik kwam niet te voorschijn; ik was immers--die ik ben. En zij was de vrouw van Professor Lövdahl. En toch zag ik, dat ze eenzaam was en in nood, en we waren beide moeders! Was 't niet vreeselijk laf van me? En ze stierf dien zelfden nacht."
"Stierf ze? was dat de laatste nacht?--waar stierf zij?"
"Je moeder stierf in haar bed," antwoordde Mevrouw Gottwald vast; maar toen ik nu vanavond van Marius kwam en juist aan jou en je familie in je groot ongeluk dacht--ja, ik dacht vooral aan jou, Abraham!--daar zie ik ineens je gezicht--dat zoo op 't hare lijkt. Je haalde je horloge uit, en keek daarna naar boven in 't gaslicht--; ja, kun je je niet begrijpen, dat ik angstig werd, omdat je daar alleen, in wanhoop rondliep?"
"Maar Moeder!--gelooft u dan,--Mevrouw Gottwald! gelooft u, dat Moeder..."
"Ik weet noch geloof iets; maar menschen, die ongelukkig zijn, moet men niet in 't donker laten loopen; kom, ga met mij naar de stad terug." Ze nam zijn arm en zij liepen zwijgend voort.
"Was mijn moeder ongelukkig?"
"Hoe weet ik dat? Wat weet de eene mensch van den andere? Doen we wel anders dan elkaar bedriegen? Sommigen met een booze, anderen met een goede bedoeling. Ik kende haar trouwens ook niet zoo goed; maar zij was zeker een bizondere vrouw, en juist daarom--"
"--"daarom" zegt u?"
"Ja, lieve Abraham! daarom was ze zeker niet gelukkig;--dat is gewoonlijk zoo."
Hij moest haar beloven niet buiten de stad te gaan; maar hij hield zijn belofte niet. 't Was hem onmogelijk naar huis te gaan en er was voor hem geen gevaar. Hij dacht er niet aan in zee te springen of zich voor 't hoofd te schieten.
En toch moest hij stilstaan en naar 't geheimzinnige klotsen der golven luisteren--daar beneden in het donkere fjord, waar de lichten van de stad hem tegemoet kwamen springen in strepen van kleine glanzende puntjes. Had zijn moeder er over gedacht langs dezen donkeren weg het leven te verlaten? Was ze vrijwillig heengegaan?--Wat moest hij denken?
Hij doorleefde weer zijn herinneringen uit dien tijd. Nooit had hij er een flauw vermoeden van gehad, dat zijn moeder ongelukkig geweest was; eerst nu herinnerde hij zich hoe wonderlijk zwaarmoedig ze zeggen kon: "Arme kleine Abby!"
Maar als er een ongeluk in haar leven geweest was, dan moest het op een of andere manier met haar huwelijk in verband gestaan hebben en dat was het vreeselijke voor Abraham, dat alles vandaag zoo overweldigend samenliep om dien vader te verbrijzelen, dien vader, waar hij zijn leven lang tegen had opgezien, dien hij bijna aanbeden had met een soort godsdienstige vereering. De diepe kloof tusschen den aard van zijn ouders--in zijn kindschheid soms flauw vermoed, stond hem nu klaar voor den geest. En nu wist hij ook wat hij had moeten kiezen.--Dat--wat in zijn moeder geknakt was had de kracht van zijn leven moeten worden. En in plaats daarvan?--er kwam een vreeselijke leegte in hem en in zijn ooren klonk het met de scherpe stem van Kruse: "Jelui zijn daar toch een bende misdadigers met mekaar!"
Zou het toch niet het beste zijn als hij zijn schande daar beneden verborg, waar 't zoo zwart en zoo stil was; dan was 't voorbij--dan konden ze van hem zeggen wat ze wilden. Wat zouden ze zeggen?--Hij begon over alle gevolgen na te denken en kon niet verder komen dan zijn vaderlooze kleine Carsten. Maar opeens keerde hij zich af met een beweging alsof hij van zich zelf walgde; hij wist, dat hij nu niet en nooit zou durven; hij zag voor zijn oogen al de kleine treden van lafheid, waarlangs hij gedaald was, telkens lager van zijn kindschheid af tot op dit oogenblik toe.
Alle groote woorden, alle schitterende fantaisieën, alle kleine, slappe aanloopjes; heel die behoefte om waar en moedig te zijn, die hem altijd lokkend en bedriegelijk vergezeld had; alle mogelijkheden, die hij in handen had gehad, alle gelegenheden, die zich aan hem hebben voorgedaan--waarom? waarom was dat alles een rij van de meest smadelijke nederlagen geworden.
Hij streek zich in wanhoop met beide handen door 't haar en riep zich zelf luid toe:
"Wat scheelt mij toch!--Wat voor duivel huist toch in mij, die maakt, dat ik nooit--nooit doen kan wat ik zelf wil. Eén laffe leugen, één carricatuur is mijn leven! 't Is alsof elke vezel in mijn ziel vergiftigd is." Grete! Grete! Nu was er niets anders in de wereld meer voor hem!--En hij liep bijna zoo hard als hij kon de stad uit.
Toen hij het huis naderde vond hij, dat de deur er zoo vreemd uitzag; hij tastte er langs in 't halfdonker en merkte, dat zij de deur uit de hengsels hadden gelicht en dien buitenshuis tegen den muur gezet.
In de kamers was niet de gewone lucht, ook was er niet... er was niets! hij liep langs de wanden in de keuken, in 't slaapkamertje, in de huiskamer; er was niets--niets ter wereld, behalve stroo en afval, dat hij onder zijn voeten voelde.
Eindelijk stootte hij tegen de bank onder 't venster, waarop hij gewoonlijk met Grete zat: die was vast aan den muur gebouwd.
Hier wierp hij zich neer. Steffensen was weg! Hij begreep alles: Grete had gehoord, dat hij de spaarpenningen van de arbeiders had weggenomen en toen was zij weggegaan. Zoo was 't gegaan. En daarmee was 't uit.
De duisternis werd verdrongen door de schemering, 't werd lichter en lichter. De wind stak op tegen den morgen en ritselde in 't stroo op den grond.
Daar ginds onder 't venster, op 't overschot van Grete's wilgentakjes en riet lag Abraham Lövdahl te slapen. Hij was van de bank afgegleden.--
XV.
Toen de faillissementen eindelijk allen bekend waren, zoodat men het ongeluk kon overzien, kwam er meer rust in de gemoederen; het eerste, haastig gevelde oordeel werd gewijzigd; de ontzettend groote omvang van de ellende, de groote omwentelingen en veranderingen, die men voorspeld had--alles kromp als 't ware van dag tot dag, en 't leven hernam bijna zijn ouden vorm, maar in wat grauwer kleuren. Haat en vergeving schaarden zich om zekere brandpunten. Van Professor Lövdahl was niet veel kwaads te zeggen; 't haar van dien armen man was sneeuwwit geworden in een paar weken.
't Was eerder de zoon, die al dit kwaad gesticht had; hij was een vrijdenker en hield zich met Kruse op, om de arme arbeiders af te zetten; zij hadden ook gevoeld wat de liefde van die twee beteekende; en 't was bewezen, zei men, dat Abraham Lövdahl zich in de arbeidersvereeniging gedrongen had, alleen maar om aan 't geld te kunnen komen.
Men vertelde ook al spoedig, dat hij naar de gevangenis moest--hij en Marcussen, allebei. 't Was een goed paar; maar Lövdahl, een getrouwd man, was toch de ergste. En 't meisje was nog al blind, en nu was zij de stad uit gestuurd,--zij moest weg!--zeker met een flinke portie van 't gestolen geld.
Intusschen werd spoedig verteld, dat de bankdirecteur Christensen gezegd zou hebben, dat er Goddank--geen sprake was van vervolging van een der gefailleerden; en als zijn woorden vroeger van gewicht waren--nu waren ze als orakels en werden door allen met onbepaald geloof en vertrouwen aangehoord.
De groote gestalte van den bankdirecteur met zijn onfeilbare neus was nu 't eenige in de stad wat hoop gaf aan wie hem zagen; en wanneer hij als een olifant van zijn kantoor naar zijn dierbare bank liep, zagen de schuwe kleine burgers naar hem op als de Israëlieten naar de koperen slang in de woestijn.
Hij was overal aan 't werk als aanvoerder, hij regelde en maakte orde en schikte en plooide, zoodat midden in de wanhopende ruïnen wat hoop begon te ontkiemen, nu voor dezen, dan voor dien.
De arbeiders dankten hem met tranen in de oogen, omdat ze op zijn scheepswerf mochten werken voor f 1.25 per dag; menschen, die verlegen waren om contant geld, kwamen bij hem om allerlei soort papieren en zaken van waarde te verkoopen; hij had hulp voor allen--en men zei, dat hij in dat jaar zijn vermogen bijna verdubbelde.
Op Mevrouw Frederika maakte het ongeluk den indruk, dat er nu met dubbele kracht gepingeld moest worden; het groote verlies kon ze niet recht vatten; wel kon ze de groote getallen herhalen en daarbij rillen, maar 't ging haar toch veel erger aan 't hart, als ze er achter kwam, dat de kruidenier haar voor vijftien cents had beetgenomen.
Maarten daarentegen had een knak voor zijn leven gekregen: zijn berekeningen, zijn dierbare berekeningen hadden alles vernield wat hij had,--en alles wat hij berekend had te zullen erven van den ouden Jörgen. Hij ging door met rekenen en rekenen, tot hij zóó verbitterd was, dat zijn preeken, waar vroeger weinig op gelet werd, den naam kregen van "dierbaar" te zijn.
Maar in 't huis van de oude Kruses veranderde alles; daar was alles gesloten,--leeg, uitgestorven.
Zoodra Juffrouw Kruse bekomen was van haar oprechte, onmetelijke verbazing, beval ze haar zoon Peter, dat hij nooit--met geen enkel woord, de schuld noemen zou, die Maarten hieraan had; zij hoopte, dat dit ongeluk voor haar jongsten zoon tot een zegen en een redding zou worden.
Maar daarbij pakte zij de zaak aan; en twee dagen na de beëindiging van het faillissement van Jörgen Kruse, verhuisden hij en zijn vrouw naar een van de drie kamers bij hun zoon den advokaat boven Mevrouw Gottwald.
De oude Jörgen zelf was half verward in 't hoofd geworden toen hij begreep wat er was gebeurd.--Ja, hij begreep het eigenlijk nooit. Want zijn hersens, die altijd zwakke plekken gehad hadden, konden dien vreeselijken slag niet verdragen: de arbeid van een heel leven vergeefs! Als Amalia Catherine hem een oud kasboek gaf om op te tellen, was hij er den heelen dag meê bezig, tot men hem voor de maaltijden riep; alleen vroeg hij een enkele keer geheimzinnig, of Maarten nu in den winkel stond.
Juffrouw Kruse daarentegen hief haar klein hoofdje op en werd werkelijk vroolijk.
Peter en zij zetten den dikken advokaat Kahrs zoo zeer tot spoed aan, dat alles in korten tijd verkocht en afgedaan werd. En toen het bleek, dat de crediteuren bijna hun geheele vordering kregen uitbetaald, had Juffrouw Kruse geen zucht over voor al het geld, dat ze zoo trouw had helpen bijeengaren. 't Leven had haar nu werkelijk een afschrik van geld gegeven. Nu zou ze juist gelukkig zijn; en ze hoopte, dat ook anderen 't zouden worden.
't Meest medelijden had ze met Peter; want hij trok het zich zoo aan--die historie met 't geld van de arbeiders; en Peter had toch geen schuld; 't was die Lövdahl, die 't gedaan had.
Maar daar wilde Peter niet van hooren. Hij liep er voortdurend over te tobben, en verweet het zich, dat hij niet zelf de zaken behartigd had. 't Hielp niet wat zijn moeder ook zei, niet eens hielp het, dat de arbeiders zelf hem verzekerden, dat ze hem niet het minst te verwijten hadden en hem dringend verzochten hun president te willen blijven.
Peter kon dat geld maar niet vergeten wat hij met zooveel vreugde had zien vermeerderen. Dat zou zijn liefsten droom tot werkelijkheid hebben gemaakt; de arbeiders vergaderd in hun eigen huis, sterk en vereenigd!--Nu was alles bedorven en verstrooid--erger dan vroeger; wantrouwen, lafheid en al de oude ellende; er moest weer van voren af aan worden begonnen. Hij moest wat opgevroolijkt worden, dacht Juffrouw Kruse en klampte dadelijk Mevrouw Gottwald aan; ze had natuurlijk al lang Peters geheim ontdekt.
Mevrouw Gottwald verweerde zich lang schertsend door te doen, alsof zij 't niet begreep; maar eindelijk werd zij ernstig:
"Luister eens, Mevrouw Kruse! daar moeten we niet meer over praten, niet eens uit gekheid. Zelfs al waren er geen honderd andere dingen tegen dat, waar u op zinspeelt, dan moest het al volkomen genoeg--en meer dan genoeg zijn, dat u mijn verleden kende."
"Dat ken ik, Mevrouw Gottwald."
"Ik ben geen Mevrouw," antwoordde de andere en boog zich over haar werk.
"Dat weet ik ook; maar u hebt een kind gehad."
"Ach ja! Een lieve, kleine ongelukkige jongen."
"Luister u nu eens--Mevrouw Gottwald!--die man, waar ik zoo graag zou zien, dat u van hieldt, is ook zoo'n ongelukkig jongetje."
"Ik begrijp u niet,--of u begrijpt mij niet."
"Zijn moeder was ook niet getrouwd, toen hij ter wereld kwam; er zijn tranen op zijn hoofdje gevallen--zulke tranen als u kent. Ja,--u ziet mij aan!--hier zit zij voor u--zijn moeder. Wij beiden--Mevrouw Gottwald--wij zijn gelijken."
"Groote God! dat heb ik nooit geweten!"
"Neen, ziet u! Van mij heeft men het vergeten; omdat het mij meêliep en ik getrouwd ben; maar op u bleef de schande drukken, heel uw leven door. En daarom heb ik nu gedacht, dat de schande eigenlijk niet zoo groot kan zijn--voor geen van ons beiden; ik geloof, dat we ons al te veel geschaamd hebben--vooral u. Ja--u ziet me aan! maar ik meen het in ernst en daarom heb ik mijn schaamte overwonnen en Peter ook."
"Weet hij het dan?"
"Ja, daar ben ik van overtuigd. Maar nog meer overtuigd ben ik er van, dat hij nooit in 't verborgenste hoekje van zijn hart daarom ook maar een ziertje zou hebben van iets, dat op minachting voor zijn moeder lijkt. En dat zou uw zoon ook niet gehad hebben als hij was blijven leven. Hoe heette hij?"
"Hij heette Marius--kleine Marius."
"Nu,--Marius en mijn kleine Peter--zij zijn ongeveer broers. U hebt uw zoon verloren, neem u den mijnen in zijn plaats; hij zal van ons beiden zijn--van ons allebei."
Mevrouw Gottwald lachte en schreide tegelijk; 't overviel haar zoo; maar de oude haalde haar toch over om mee naar boven te gaan om thee te drinken. Op de trap bedacht Mevrouw Gottwald zich toch weer en wilde terugkeeren; maar gelukkig kwam er toen juist een heer de trap op en toen dit Peter bleek te zijn, nam Mevrouw Kruse dat aan als een zekere vingerwijzing en stelde zich zelf gerust in de overtuiging, dat "de jongelui" 't nu wel samen eens zouden worden.
Haar zorgen voor haar tweeden zoon waren van heel anderen aard en voor hem had zij minder hoop. Morgen zou ze hem beproeven. Hij zou preeken over haar tekst: "Geen goud, geen zilver, geen koper zult gij in uw gordelen verzamelen." Frederika had het verteld. Maarten beschouwde het als zijn plicht juist in dezen tijd krachtig ten strijde te trekken tegen de Mammonvergoding. Juffrouw Kruse zou niet zooveel om de woorden geven: zoo welsprekend als de Proost Sparre was Maarten immers in 't geheel niet. Maar hij was haar zoon; ze kende elk geluid van hem. Zij zou 't wel hooren of de rechte geest in hem was.
't Was de tweeëntwintigste Zondag na Trinitatis, in den overgang van herfst tot vollen winter. 't Weer was guur en doordringend koud zonder 't frissche van de vorst; de menschen stroomden naar de kerk en haastten zich om onder dak te komen voor den gierenden zuidwestenwind.
Er waren veel menschen; de groote rampen hadden menschen naar de kerk gedreven, die er anders nooit kwamen. De vrouwen waren in donkere kleuren gekleed--als boetelingen--; geen bonte linten waren er te zien.
De mannen zaten somber neer en worstelden met hun bekommeringen; of 't ergste nu voorbij was; of was dit maar 't begin van erger dingen?
Daar kwam consul With, die na zijn failliet in de directie van de bank was gekomen onder Christensen; hij bracht zijn "strijkplank" galant naar haar plaats en legde de plooien van haar mantel zorgvuldig om haar heen. Zooiets had men nog nooit gezien. Misschien had het ongeluk dit echtpaar tot elkaar gebracht. Daar kwam Juffrouw Kruse alleen--flink en beweeglijk, alsof er niets gebeurd was. Zij had zeker aardig wat achtergehouden, de oude raaf--dat ze er zoo onbekommerd uitzag.
Maar daar kwamen de Lövdahls! Alle hoofden keerden zich om; alle oogen volgden hen.
Mevrouw Clara liep bleek, met gebogen hoofd--schoon en onderworpen als een martelares. De japon, de eenvoudige hoed waren van een onwillekeurige gratie, die bijna aandoenlijk was.
Met den hoed in de hand, 't witte hoofd wat op zij en een glimlach op de lippen, alsof hij allen om vergeving vroeg, liep Carsten Lövdahl naast haar.
Hij had zijn linkerhand in den arm van Mevrouw Clara gestoken; maar met de rechter steunde hij op den bedelstaf,--allen konden dien zien; hij was van bruin bamboes met ivoren knop.
De vrouwen taxeerden Clara. Ja zeker was zij eenvoudiger gekleed, véél eenvoudiger dan vroeger; toch was er, als men goed toekeek, iets irriteerends aan haar; echt geknakt was ze in 't geheel niet.
Maar de professor was lief! Stel je voor,--met bijna heelemaal wit haar! En zooals hij 't opnam,--zoo ootmoedig, zoo onderworpen aan God, zoo stichtelijk voor de heele gemeente.
De mannen hielden beschouwingen over het accoord van 50 procent, dat--naar men zei--Christensen voor Lövdahl zou zien te verkrijgen; over de vele schandelijke transacties, die de curators hadden ontdekt--naar men zei. 't Was toch eigenlijk al te erg, dat zooiets er maar door kon. De overheid van den ambtman tot den minsten klerk wisten 't waarachtig goed genoeg; maar welke particulier had den moed of de macht om die overheid te dwingen, om te zien wat zij volstrekt niet zien wou. De weinigen, die nog vast stonden, behoorden zelf tot den kring; en hoewel alle menschen onder vier oogen en in vertrouwen 't er over eens waren, dat het volkomen onverantwoordelijk was zooals het ging, toch kon men met geen mogelijkheid aantoonen, dat niet alles met de meest nauwgezette inachtneming van de voorschriften der wet plaats had.