Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif")

Part 12

Chapter 124,092 wordsPublic domain

En weer begonnen ze op hem aan te stormen: alle kleine bizonderheden vol schande en vernedering. 't Begon heel in de verte als een klein balletje, dat op hem toe kwam rollen en grooter en grooter werd, tot alles samenliep in één geweldig groote rol, die over hem heen rolde en hem heelemaal plat drukte--of zou het niet mogelijk zijn toch 't hoofd hoog te houden? Hij was toch altijd Professor Lövdahl, de man van wetenschap, de leeraar aan de universiteit; hij had schipbreuk geleden hier onder die kooplui--welnu!--hij was niet rijk meer; maar hij was nog iets meer dan een geldman.

Ach neen! dat ging toch niet--dat hij 't hoofd hoog hield. Hij moest het liever zoo diep mogelijk buigen om te trachten er door te komen. Er was al te veel in zijn laatste transacties waar èn de crediteuren èn de overheid de oogen heel dicht voor moesten sluiten, als dat er door zou kunnen. Zijn positie was niet van dien aard, dat het hem goed zou staan, als hij zich oprichtte; 't kostte hem veel, maar hij moest het hoofd buigen.

Zich laten trappen!--voor de voeten van Christensen liggen zonder een spoor van macht!--niets anders kunnen na dit alles--zijn heele leven lang--dan als een hond de slagen verdragen en daarna de hand likken, die hem sloeg!--

En er lag toch een wapen vlak bij de hand--een wapen, waarmeê hij zelfs tot zekere hoogte zich den laatsten tijd had geoefend.

Professor Lövdahl kende zijn tijd en de maatschappij, waarin hij leefde. Hij wist, dat in dezen tijd en in deze maatschappij, waarin het Christendom niet bestaat, maar waar alles er op aan komt, dat men dat niet uitspreekt; waar alle krachten gebruikt worden om de openhartigheid te onderdrukken, zoodat niet heel die reusachtige comedie: dat allen Christensen zijn--uiteen spat, doordat één den moed krijgt te zeggen: "Ik speel niet meer meê,"--hij wist, dat de huichelarij de levensmacht in die maatschappij is.

Hij wist, dat niets zoo sterk is als die huichelarij, die nooit de oogen neerslaat; dat geen rechtschapenheid, geen deugd in die mate de boosheid ontwapent of tegen verdenking beschut, als die huichelarij, die zich nooit schaamt, hij wist, dat hij, die zich een harnas kan maken van die stof, waarmeê de meeste menschen zich gedeeltelijk bedekken--hij zou door het vagevuur, dat hem wachtte, kunnen heengaan en weer vasten voet verkrijgen; ja misschien zijn schande tot een aureool maken, die niemand hem zou durven afrukken.

En toch aarzelde hij. De laatste overblijfselen van reinheid in hem verzetten zich tegen zulk een gemeenheid; hij dacht aan zijn jeugd, den korten, helderen dag van zijn wetenschap, hij dacht aan Wenche Knorr, en hij kon er niet toe komen zich neer te laten glijden in dien modderigen afgrond.

Maar wat hielp dat?--Die gedachten kwamen telkens terug. 't Zou niet verdacht schijnen; de beproeving heeft zoo menig mensch tot den godsdienst gebracht; en behalve dat was hij al lang met Clara naar de kerk gegaan en had aan haar godsdienstige bijeenkomsten deelgenomen;--waarom eigenlijk?--als 't niet juist was, omdat hij een vage behoefte aan een uitweg had, toen de mogelijkheid van dit groote ongeluk voor hem begon door te schemeren.

Als hij, een oud, onder leed gebogen man, nu de handen vouwde: "De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd!" Ja--met Abraham was het 't ergste; maar de anderen kon hij wel aan, dat voelde hij. En toch liep deze overdenking er niet op uit, dat hij met volle bewustheid de huichelarij koos; maar de kleine achterdeur in de lambriseering werd opengerukt en de kapelaan stormde naar binnen. Hij liep recht op den professor aan, doodsbleek met het koude zweet parelend op zijn gezicht:

"Mijn geld,--mijn geld!" riep hij heesch.

De professor was opgestaan en hield zich aan de vensterbank vast; zijn lippen trilden en zijn oogen waren strak op 't vertrokken gezicht van den predikant gevestigd; maar hij kon niet spreken.

"Vader is geruïneerd--dat weet ik!--maar mijn geld?--Frederika's geld!--dat is behouden, niet waar?--natuurlijk! geef het me dadelijk! Wat? U hebt het niet! Het is weg,--verloren--verdwenen! o! vreeselijke man! Je hebt ons bedrogen! Je zult gestraft worden--neen--Je zult me alleen mijn geld terug geven."

De professor was een paar seconden als lam geslagen geweest. Nu hief hij zijn blanke hand op, glimlachte weemoedig en antwoordde:

"Mijn waarde dominé Kruse! U weet zelf wel, dat ik op dit oogenblik helaas niet in staat ben u dit geld te bezorgen. Maar ik zal iets anders voor u doen,--iets wat misschien nog wel zoo goed en nuttig voor u zijn kan."

"Wat is dat? Zeg het gauw!--Weet u een uitweg?--O! God zij geloofd!"

Maarten Kruse beefde over zijn geheele lichaam. Er was nog hoop; die merkwaardige man, op wien hij zoo blind vertrouwd had; hij wist misschien nog hulp--hulp voor hem alleen!

De professor legde vaderlijk de hand op zijn schouder en zei:

"Ik zal Jezus bidden, dat Hij u helpe!"

De predikant stoof achteruit, alsof men hem met dien naam in 't gezicht geslagen had; de beide mannen stonden onbeweeglijk stil en zagen elkaar vast in de oogen; hun gemeenschappelijk geheim hield hen gebonden. Wie had recht den ander iets te zeggen? De blik van den predikant gleed 't eerste weg. Hij greep zijn hoed en stoof de kamer uit.

Carsten Lövdahl zonk terug in zijn stoel. Dit was zijn eerste overwinning.

't Groote kantoor lag daar in de namiddagschaduwen; maar enkele gulden zonnestralen vonden hun weg door de verwaaide lindenbladen, en vielen schuins de kamer in over den man aan 't venster, over het zware tapijt; en daar ginds op de tafel trof een straal de bronzen Fortuna, die half zwevend haar krans toereikte aan den ledigen leunstoel.

--Maar in één huis in de stad heerschte onvermengde vreugd.

De vrouw van den bankdirecteur Christensen hing om den hals van haar man, die juist was thuisgekomen en smeekte hem luid schreiend om vergiffenis, omdat ze hem zoo schandelijk miskend had; en half verward van aandoening lag ze te fantaiseeren over alles wat ze op de verkooping van Lövdahl koopen zou.

't Leek wel een tableau!--

XIV.

Clara kwam het te weten doordat ze vond, dat de dienstmeisjes zoo wonderlijk deden; maar toen ze haar vroeg wat er was, kreeg ze geen ander antwoord dan dat er zeker iets beneden in 't kantoor gebeurd was.

Ze werd nieuwsgierig, maar ze schaamde zich een beetje voor haar schoonvader en zond een boodschap naar Marcussen.

Mevrouw Clara was keurig gekleed in 't bruin. Het bleeke, bloed-armoedige meisje van de bals, was in haar huwelijk een vastgebouwde, bekoorlijke figuur geworden.

Marcussen was een poos lang in ongenade geweest; nu zou hij weer wat zonneschijn genieten; Mevrouw Clara ging hem tegemoet en reikte hem glimlachend de hand.

Nooit was Marcussen minder goed gestemd geweest dan vandaag; maar zijn adem stokte toch bijna, zóó prachtig als ze was; en zijn oogen vlamden een oogenblik, zoodat zelfs Clara, die anders niet gauw bang was, de hare afwenden moest.

"Kom hier zitten, Mijnheer Marcussen! 't Is zoo lang geleden..."

Zij gingen op haar kleine sofa zitten onder den onmisbaren palm; en Marcussen--als een goede jachthond, die op 't spoor gebracht is,--ging dadelijk meê, vergat al de smart van dien dag, was in spanning en bereid: zou er toch nog wat van komen met dit prachtige vrouwmensch, waar hij al zoo lang omheen had gedraaid?

"Maar eerst moet u mij vertellen, wat er vandaag op het kantoor gebeurd is?--mijn dienstmeisjes beweren, dat er iets gaande is."

Ja, was dat ook niet een duivelsch werk! Marcussen raakte hals over kop uit zijn pas opkomende droomen; hij vloekte en sprong van de sofa op en vergat heelemaal zijn deftige manieren.

"Wat is er toch? Mijnheer Marcussen! Waarom trekt u aan mijn bloemen? laat dat toch! Kom hier en vertel mij wat er voor onraad is. Waarschijnlijk een van uw eigen geschiedenissen midden in 't kantoor... Hê?"

"Neen, waarachtig niet, Mevrouw!" barstte Marcussen uit, "deze keer is 't niet een van mijn eigen geschiedenissen,--was het dat maar! Neen Mevrouw, 't is erger--o! duizendmaal erger! En u moogt me gelooven--'t is zoo pijnlijk, zoo zwaar voor den professor en voor u, ja, voor Mijnheer Abraham natuurlijk ook."

"Maar mijn God--Marcussen! schrei je? Wat is er dan? Antwoord dan toch!"

"Ja, 't helpt immers niet het voor u te verbergen; we hebben onze betalingen gestaakt."

"Gestaakt?--wie?--wat?--ik begrijp er geen woord van."

"De zaak--ons huis--Carsten Lövdahl heeft zijn betalingen gestaakt!"

Mevrouw Clara gaf een gil--die Marcussen de deur uitjoeg. Dat was het eenigste, wat hij niet verdragen kon: vrouwen, die gilden.

De dienstmeisjes kwamen toeloopen; Mevrouw lag op de sofa in een toeval of wat het nu was, en was geheel buiten zich zelf.

De professor wilde niet boven komen; hij gaf bevel een boodschap naar Dr. Bentzen te zenden.

't Eerste gevoel wat bij Clara opkwam, toen haar bewustzijn eenigszins terugkeerde, was woede tegen hen, die dit over haar gebracht hadden, niet zoo zeer de professor, hij imponeerde haar altijd.

Maar Abraham!--die stumper van een man!--hij was dus niet eens rijk. Zij was bedrogen, afgezet!

En haar japonnen, haar juweelen. Wat? Verkocht men zulke dingen niet als iemand zijn betalingen staakte?--ja, dat wist ze wel;--maar de haren. Goede hemel, ze zou nog gek worden; moest zij eenvoudig gaan leven? gaan uitsparen in allen ernst, om 't hardst met Frederika--dat was toch niet mogelijk,--dat was onzin!

Een telegram werd binnen gebracht; ze gooide hem weg; die was natuurlijk van Abraham! dat moest zeker een troost verbeelden;--maar zij wilde niet getroost worden;--allerminst door hem; ze wilde dien telegram niet lezen--heelemaal niet!--

Maar een gesloten telegram kan men niet zoo gemakkelijk laten liggen; en toen Mevrouw Clara er een paar keer voorbij gekomen was, terwijl ze de kamer op en neer liep en de handen wrong,--scheurde ze hem open.

Hij was van haar vader en luidde: "Houd moed! met wijsheid en voorzichtigheid kan veel gered worden, brief volgt."

Een straal van hoop!--alles was dus niet verloren! nooit had ze geweten, dat ze zooveel van haar vader hield, als op dit oogenblik. Veel kon gered worden,--gered? Clara was opeens sterk, ondernemend, vast besloten geworden.

Ze had een beetje begrip van politieagenten, verkooping en zulke dingen; maar heel helder was dat begrip niet; ze wist alleen, dat het iets vijandigs was en dat men de mannen van de wet kon en moest beetnemen.

Haastig ging haar oog de kamer rond; daar stonden twee massieve zilveren kandelaars op den schoorsteenmantel. Als een roofvogel vloog zij er op aan, liep er meê naar haar slaapkamer en verborg ze in een lade onder haar eigen linnengoed.

--En de eerste van de deelnemende vriendinnen, die bij haar geweest was, moest de anderen van hun kring een teleurstelling bereiden. Clara Lövdahl was heelemaal niet verslagen; integendeel. Ze nam het zoo goed op.

Ze had er over gesproken, dat ze nu natuurlijk allen moesten werken en in den grootsten eenvoud leven; maar wat haar betrof--zij was daar niet bang voor; ze had eigenlijk nooit veel om weelde gegeven; als maar ieder het zijne krijgen kon, zou ze blij toe zijn en niet klagen.--

--Abraham was op den terugreis uit het noorden, toen hij een telegram van Peter Kruse kreeg; die werd hem aan boord van de stoomboot gebracht op een der aanlegstations.

Eerst kon hij het niet begrijpen; een oogenblik zelfs dacht hij dat het een ruwe grap was;--maar dat leek niet op Kruse.

En nu--toen hij daar op het achterdek stond met de telegram in de hand, was hij opeens heelemaal alleen met den stuurman, die aan 't roer stond; al de anderen waren verdwenen; en nu eerst viel het hem op, dat zijn reisgenooten al den vorigen dag zoo vreemd tegenover hem gedaan hadden.

Toen begreep Abraham, dat dit bittere ernst was; en hij haastte zich naar beneden in zijn hut, en terwijl de zee schuimend voorbij 't kleine ronde patrijspoortje ruischte, gaf hij zich over aan zijn pijnlijke gedachten en trachtte het groote ongeluk te overzien en te begrijpen.

Hij dacht het allereerst aan zijn vader; wat moest die al lang geleden hebben. Maar toen alle treurige gevolgen één voor één hem voor den geest kwamen verzonk hij diep in smart en moedeloosheid. Het lieve oude huis, de tuin, waar hij als kind in gespeeld had, al de duizend voorwerpen, elke hoek, zoo vol herinneringen,--dat alles verlaten; met leege handen heengaan en vreemden daar zien binnentrekken en er zich vestigen. En kleine Carsten zou niet als hij in dien omheinden tuin spelen en met steenen naar de katten gooien; en die kleine pony, waar Abraham over gefantaiseerd had als hij over de kinderjaren van zijn jongen dacht! van dat alles zou niets komen. Kleine Carsten zou de wereld ingaan als de zoon van een man, die zijn schulden niet betaald had.

't Was eigenlijk voor 't eerst, dat 't leven hem zóó aangreep, dat hij zich op zich zelf alleen voelde aangewezen. Tot nu toe had hij altijd zijn geërfde plaats gehad onder hen, die veilig waren; op dit oogenblik voelde hij zich zonder steun, verantwoordelijk voor zijn zoon, die de wereld in moest en die niemand had om op te steunen dan zijn vader.

Maar van die gedachte ging een wonderlijke kracht uit. Nu was hij eindelijk gekomen, de groote tijd dat Abraham Lövdahl toonen zou wie hij was, als hij maar eerst voor een taak stond, groot genoeg voor zijn wil.

Ja, nu was eindelijk zijn tijd gekomen. Greta zou blij zijn, zelfs Clara zou hem leeren waardeeren. Maar eerst uit al dien handel weg!--heelemaal weg uit dat alles, dat voor hen allen een vloek geweest was!--Nu zag hij het in. Laat de schuldeischers nemen wat er is; en dan met leege handen beginnen aan een nieuw leven van eenvoudig werk.

Die gedachte maakte zijn hoofd zoo warm, dat hij 't poortje moest openzetten om zich aan 't zoute schuim te verfrisschen; hij voelde zich zoo sterk en zoo vol hoop!--

Hij zag het al--hun vreedzaam thuis in een van de kleine kustplaatsjes; de Steffensens moesten ook verhuizen. De beroemde Professor Lövdahl zou zijn praktijk weer opvatten en Abraham zou hem helpen. 't Zou wel onmogelijk zijn nu nog zijn doctoraal in de medicijnen te doen; maar hij was immers Mr. in de rechten; dat radicaal zou hij toch wel voor 't een of ander kunnen gebruiken.

In die stemming kwam hij thuis tegen 't donker, den vierden dag na het failliet.

Abraham ging door de donkerste straten en bereikte 't huis van zijn vader door een gangetje achter den tuin. Niemand had hem herkend. Op de eerste verdieping was alles donker; de gordijnen waren neergelaten; alleen boven op zijn kleine woning was één venster verlicht; zijn hart klopte warm; dat was de kamer van zijn zoontje.

Hij zag met verwondering hoe groot en leeg de gang was. Maar hij dacht dadelijk aan de groote kast, waar zijn moeder het tafelgoed bergde. Die was van Grootvader Knorr en was meer dan honderd jaar in de familie geweest; vermoedelijk moest die naar de verkooping; misschien was die al verkocht.

Abraham bleef staan en leunde tegen de trap; 't was toch vreeselijk hard--dat wat hij nu moest doormaken. Stuk voor stuk zijn liefste herinneringen uitrukken; alles wat hem dierbaar was naar vreemde, onverschillige menschen zien gaan. Maar hij verbeet zijn smart en verzamelde al zijn kracht; zoo moest het juist zijn,--ja--hij was er blij om, dat er al een begin gemaakt was, en hij ging langzaam de trap op.

Boven hadden ze hem beiden verwacht: Clara en de professor. Deze dagen had hen nader tot elkaar gebracht; en zonder, dat zij 't elkaar behoefden te zeggen of iets af te spreken, werkten zij beiden, ieder op zijn manier, om het ongeluk te verzachten en te redden wat nog gered kon worden. De eerste opvlammende toorn van Mevrouw Clara was snel geweken, toen de diep neergebogen man haar een paar documenten bracht, die bewezen, dat kleine Carsten al lang meer bezeten had, dan de moeder vermoedde. En de professor had niet eens een kleinen, schuwen wenk behoeven te geven, dat het niet noodig was deze papieren dadelijk aan Abraham te laten zien; dat begreep ze volkomen. Beiden waren in spanning, angstig voor zijn thuiskomst--ieder op zijn manier.

De professor was voor Abraham 't meeste bang--en tot het laatste oogenblik wist hij niet hoe hij zijn zoon zou durven aanzien. Moest hij niet verwachten, dat Abraham met zijn heftige natuur zou komen aanstormen met verwijten, omdat zijn leven bedorven was, zijn toekomst, zijn naam, zijn eer--alles meê getrokken in den ondergang van zijn vader.

Hij kon er niets op antwoorden--in 't geheel niets; want dat was alles waar.

Hij had zelf van den beginne aan, dezen zoon opgevoed in volkomen afhankelijkheid en bewondering; tot op 't allerlaatste oogenblik had hij alles verborgen, wat in Abrahams oogen de minste schaduw op hem werpen kon; en nu!--nu wist hij geen schaduw waarin hij wegkruipen kon.

--Mevrouw Clara was ook bang voor Abraham, maar op een andere wijze; ook zij kende zijn natuur; maar zij nam bij tijds haar maatregelen. Wat zij vreesde, was, dat Abraham met zijn gewone neiging tot overdrijven alles zou opgeven; alles voor de voeten der schuldeischers neergooien en schoon schip maken.

Ze wist het best, dat hij in 't geheel niet meê zou willen helpen om te redden wat gered kon worden, en daarom zag zij zijn thuiskomst met grooten angst tegemoet; hij was in staat al haar werk te bederven,--dat had de assessor Meinhardt haar ook geschreven.

Abraham Knorr Lövdahl was natuurlijk failliet gegaan, tegelijk met Carsten Lövdahl, maar de inboedel van den zoon was in werkelijkheid belachelijk klein; hij was meê verantwoordelijk voor bijna de geheele schuld van de firma, voor zoover als zijn naam gebruikt was; en dat was 't geval op alle wissels van den laatsten tijd; en nu bezat hij feitelijk niets dan zijn meubels.

De door de wet voorgeschreven registratie boven bij de jongelui was bijna humoristisch. Of de schuldeischers een half of een kwart procent van dien inboedel kregen, kwam er werkelijk in 't minst niet op aan bij dat ontzettend tekort. En de door den notaris gezonden gevolmachtigde liep rond en was doodverlegen tegenover Mevrouw Clara, die absoluut met hem meê wilde gaan in alle kamers om deuren en kasten voor hem open te doen en hem te laten zien wat opgeschreven moest worden.

't Was maar een paar weken geleden, dat hij in deze zelfde kamers met haar had gedanst, als een eenvoudige, bescheiden gast, en nu moest hij haar theelepeltjes tellen! dat was toch te veel verlangd van een jong, welopgevoed candidaat in de rechten; en de notaris ging immers nooit zelf op zulke zaken uit.

Daarom werd 't een vrij gebrekkige lijst; en toen die op de verkooping kwam, gaf hij aanleiding tot veel scherpe opmerkingen over 't feit, dat dit overdadig weelderige huis zoo opvallend slecht van zilver en andere voorwerpen van waarde was voorzien. Maar anderen daarentegen legden er sterk den nadruk op, dat Mevrouw Clara alles had open gelegd en niets achtergehouden. Men kon ook wel zien, hoe zij zich zelf geplukt had, als men hoorde, dat zelfs 't beroemde japansche naaitafeltje van de overleden Mevrouw Lövdahl zou verkocht worden, dat Mevrouw Clara toch best had kunnen behouden, want het was een huwelijkscadeau van den professor. Waar alles nu ook gebleven mocht zijn--reeds bij Abrahams thuiskomst was 't zoo leeg en eenvoudig in de kamers, dat het iedereen opvallen moest.

Mevrouw Clara had het zoo geschikt, dat het donker was in de gang, waar vroeger een prachtige gascandelabre brandde; 't eenigste licht daar kwam door een glazen ruit uit de keukendeur. De eetkamer was ook donker en koud; zij zouden in de huiskamer eten, om niet in twee kamers te moeten stoken. Zij was er zeker van, dat Abraham die kleinigheden zou opmerken; en ze hoopte, dat dit goed zou werken. Als men maar tijd kon winnen en hem op 't rechte spoor kon brengen, dan was de zaak gewonnen. Later kon er weer licht en warmte komen en al wat er verdwenen was kon weer van den zolder worden gehaald; maar stuk voor stuk,--met tusschenpoozen.

Toen ze hem in de gang hoorden, begon de professor zóó te beven, dat hij zijn courant moest neerleggen; maar Clara stond op en liep haar man in de eetkamer tegemoet. Zóó was Abraham nog nooit door zijn vrouw ontvangen; en hij had in stilte voor iets heel anders gevreesd. Van 't oogenblik af, dat hij 't ongeluk vernam had hij zijn best gedaan zoo min mogelijk aan Clara te denken; zij zou naar zijn berekening heelemaal gebroken zijn, vol klachten--misschien vol verwijten.

En nu snelde ze hem tegemoet--liefderijk, vrijmoedig, bijna blij! maar zoo wonderlijk vreemd in die zwarte, wollen japon zonder garneering, en toch zoo net en zoo mooi, alsof juist de eenvoud haar het allerbeste stond.

Hij werd heelemaal warm en door haar betooverd; en toen hij zijn vader ontmoette, die hem met trillende lippen wachtte,--een gebogen grijsaard, wierp hij zich in zijn armen:

"O Vader, arme Vader! wat hebt u 't vreeselijk gehad!"

"Kun je mij vergeven? Abraham!"

"Spreek u zoo niet, Vader. Laat ons allen elkaar vergeven en een nieuwe rekening beginnen, die beter uitkomen zal, niet waar?"

"Ja, met Gods hulp!" antwoordde de professor, met een diepe zucht; het ergste was voorbij.

Ze stonden een oogenblik alle drie hand in hand en zagen elkaar aan met een glimlach, die bijna blij was; 't was boven verwachting gegaan voor alle drie--die eerste ontmoeting: en ieder kreeg weer hoop, maar om zeer verschillende redenen.

't Dienstmeisje stoorde hen met een boodschap van den advokaat Kruse, of de jonge Mijnheer Lövdahl wel dadelijk even bij hem wilde komen.

De professor kromp ineen; maar Clara antwoordde:

"Zeg, dat Mijnheer pas is thuis gekomen en te moe is van de reis, om van avond nog uit te gaan.--'t Is toch ook wel wat kras om je dadelijk te laten halen."

Abraham meende ook, dat het morgen wel tijds genoeg zou zijn; en nu begon hij rond te kijken.

"Ja, je kijkt rond," zei Clara; "ik heb alles wat verkocht moet worden beneden in de kamers van Vader laten zetten, waar 't voor de verkooping klaar staat; ik dacht, dat je 't liefst hebben zou, dat er niets werd achter gehouden."

"Natuurlijk, lieve Clara!--ik ben er zoo blij om, dat je zoo moedig, zoo onvervaard ben. Dat is juist goed en--zal ik 't maar bekennen?--meer dan ik van je verwacht had."

"Ja," antwoordde zij met een berustenden glimlach, "ik weet helaas maar al te goed, dat je niet veel van me verwacht. Je denkt altijd, dat ik opga in pronk en..."

"Neen, zeker niet!--dàt heb ik nooit gedacht en als ik je ooit in mijn gedachten onrecht deed--vergeef 't me dan nu."

Toen kwam kleine Carsten binnen, om goeden nacht te zeggen--in zijn deken gerold, slaperig en lief en toen gingen ze aan tafel in een gezellig hoekje bij de kachel.

"Ja, zie je, Abraham! we hebben niet anders dan brood en boter--en een stukje kaas ter eere van je thuiskomst."

"Dat is uitstekend, Clara! Ik kon niets beters verlangen," en hij boog zich neer om haar hand te kussen.

"Maar je ziet zoo vreemd rond?--wat is er?"

"Is ook... Moeders naaitafel?--Was dat noodig?"

"Je zou toch niet willen, dat ik dat prachtstuk gehouden had?" vroeg Clara scherp. "Dat zou zeker aanleiding tot praatjes gegeven hebben."

"Ja, ik voor mij," viel de professor hem in de rede, "ik vond werkelijk ook, dat Clara dat met een gerust geweten had kunnen houden,--'t was een persoonlijk geschenk uit gelukkiger dagen."

--"Neen Vader.--Clara heeft toch gelijk," antwoordde Abraham met inspanning; "laat ons de bittere kelk tot op den laatsten droppel drinken!--'t was flink van je, Clara."

Toen zij gegeten hadden en juist gezellig om de ronde tafel bij de sofa zouden gaan zitten, kwam het dienstmeisje weer binnen met een briefje voor Abraham.

"Wat is er nu weer? Is dat weer van dien afschuwelijken Kruse?" vroeg Clara.

"Ja; er moet iets heel gewichtigs wezen, want hij schrijft, dat ik van avond nog moet komen. Ik moet dus wel gaan."

"Neen, dat moet je heelemaal niet. Ik ben er van overtuigd, dat 't morgen tijds genoeg is."