Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif")

Part 11

Chapter 113,962 wordsPublic domain

Na een vlug en kort financiëel overzicht, door Marcussen geschreven, had Prof. Lövdahl zijn spijt betuigd te moeten meêdeelen, dat de fabriek dit jaar geen winst gemaakt had.

Dat was een onaangename verrassing voor allen; en de stemming werd zeer gedrukt; een enkele ontevreden stem probeerde voorzichtig een paar onaangenaamheden tot de directie te richten.

De directeur van de bank bleef zwijgend zitten en de vergadering kreeg den indruk, dat de ontevredenheid onder zijn bescherming kwam aanrukken; 't was immers genoeg bekend, dat hij Lövdahl haatte;--men werd dus moediger; het scheen een stormachtige vergadering te zullen worden.

Christensen liet het ver komen, vóór hij opstond. Maar toen viel hij de verblufte ontevredenen in den rug aan, met een toespraak, zóó vol besef van zijn meerderheid, zoo open, zóó vol vertrouwen, dat de sterk bewogen algemeene vergadering tot een lachend meer werd, waarin het herkozen bestuur zich veilig spiegelen kon.

Daarop ging de bankdirecteur weer zijn jaarlijksche badreis maken en nam zijn neus meê; hij wist nu wel hoe het gaan zou.

Maar hij had niet de opvatting van zijn roeping, dat hij waarschuwen en voorkomen moest. Toen hij zijn eigen zaken geregeld had en naar zijn beste vermogens zijn dierbare bank beschut tegen de ongelukken, die hij voorzag, liet hij met een gerust hart zijn lieve medeburgers zich zelf ruïneeren, en hij wachtte kalm op het oogenblik, dat hij alleen zou blijven staan, terwijl rondom de gevallenen of wankelenden hem om hulp zouden smeeken.

--Carsten Lövdahl herademde na die algemeene vergadering en hij zag met vreugde de Hamburger boot met Christensen aan boord het fjord uit stoomen.

Toen de zomer kwam werden de zaken matter. De menschen gingen op reis of kregen bezoek en intusschen liepen de wissels hun gewonen loop, uit en in de banken, die op sluizen geleken, waardoor de stroom op den middag bruisend heen ging om op den namiddag in de kas een allerbedroevendste leegte na te laten.

In het ruime huis van den professor was de heele familie Meinhardt op bezoek; en de grootere huishouding werd gedreven uit een overdadig ruime beurs, wat Mevrouw Meinhardt in verrukking bracht.

De oude uitgedroogde Assessor daarentegen werd onrustig; hij begon te snuffelen en te onderzoeken, maakte enkele berekeningen en eindigde met op een zekeren dag aan den professor voor te stellen enkele van de onroerende goederen op naam van zijn kleinzoon te zetten.

Abraham had nooit groote eischen gesteld als man van zaken, en daarom viel het den assessor minder moeilijk de zaak zóó te wenden, dat dit voorstel in 't geheel niet uit eenig wantrouwen tegen den professor voortkwam. 't Was alleen om intijds de familie in 't bezit van de vaste eigendommen te stellen, als de zaak later bleek niet even schitterend te gaan in de handen van Abraham.

Op die manier kon de professor ook gemakkelijker het voorstel aannemen, dat hem trouwens toelachte; en de twee grootvaders schreven een aantal juridische meesterstukken in den vorm van giftbrieven en stukken van overdracht, die den kleinen Carsten tot een gezeten man maakten, terwijl hij boven liep te schreeuwen, omdat hij niet meer kersen mocht hebben.

Hiervan kwam Abraham niets te weten; hij had het zoo druk met de belangen van de arbeiders. Dat was iets, waar hij vol van was--vooral hun bouwfonds, dat zoo flink aangroeide, dat er al gauw sprake wezen zou van 't bouwen van een vereenigingslokaal. De advokaat Kruse liet het bestuur daarvan aan zijn jongen vriend over, want Abraham was door allen geacht en bemind.

Abraham was niet langer ongerust over de verandering, die hij in zijn vader had meenen op te merken. Hij meende, nu dat alles zoo goed ging, dat die rusteloosheid groote werklust was; en hij kon niet anders dan den grooten man bewonderen, die met het klimmen der jaren steeds over grooter kracht scheen te beschikken.

Op een dag, dat Abraham in 't kantoor was, riep zijn vader hem toe:

"Heb je wat contant geld om ons te leenen? Marcussen is niet bij kas."

"Ik heb niet anders, weet u, dan de spaarbankboekjes voor het bouwfonds en voor..."

"Ja--geef maar wat je hebt; we geven 't morgen of over een paar dagen terug."

Abraham haalde snel zijn kistje uit de brandkast van het kantoor.

"Ziehier, Vader! Is 't niet prachtig? 't Bouwfonds heeft al bijna twaalfduizend kronen en de ziekenkas is ook nog zoo verkeerd niet."

"Goed--goed!" antwoordde de professor haastig en greep naar de boeken.

"Wilt u alles hebben?" vroeg Abraham lachend.

"Neen--we nemen alleen maar wat we vandaag noodig hebben."

"En dan moet u de menschen de rente vergoeden--liefst wat royaal--als u 't geld morgen teruggeeft."

"Ja zeker,--natuurlijk," antwoordde de professor, die al weer bij zijn lessenaar stond, waar Marcussen wachtte.

--Nu was de laatste, woeste strijd begonnen voor Carsten Lövdahl.

Hij nam geld op naar alle kanten. Zelfs heel verre, kleine bevriende handelshuizen gebruikte hij voor onbeduidende sommetjes; hij spaarde niets, berekende niets meer, sloeg er zich maar door met den trouwen Marcussen, van den eenen dag tot den anderen.

Hij spande zijn crediet tot het uiterste, kocht van alles tegen driemaandswissels en verkocht tegen alle mogelijke prijzen, ver onder inkoopsprijs, als 't maar contant geld inbracht. De stukken van den ouden Abraham Knorr gingen in alle stilte naar Hamburg om verkocht te worden, en alles wat ze bijeen konden schrapen aan stukken van werkelijke waarde, wierpen ze in den eenen put na den anderen--tot alles stilstond voor een, bodemloozen afgrond.

En toen was het gedaan met Carsten Lövdahl.

XIII.

't Was een koude regenachtige morgen tegen 't eind van den herfst. De familie Meinhardt was reeds lang vertrokken uit het huis van den professor en Abraham was op reis voor zaken, naar 't noorden, in dienst van de fabriek.

Verscheidene dagen lang was 't zoo wonderlijk stil in de stad geweest; een ademloos wachten, waarin de onzinnigste geruchten onzeker rondfladderden. Alle tongen waren klaar om aan 't werk te gaan en 't was eenvoudig uit gebrek aan feiten, dat men elkaar de meest dwaze dingen vertelde, die niemand geloofde. Want nu was de lucht geheel vervuld met die kleine, fijne dampen, waaruit de geruchten ontstaan; en 't gevoel, dat er iets ongehoords, iets verschrikkelijks op handen was, werd steeds sterker.

De arbeiders op Fortuna stonden bekommerd bijeen en vertelden elkaar, dat de fabriek gesloten zou worden. Niemand wist van waar dat bericht kwam; maar hoe meer enkelen dat ontkenden en den draak staken met hen, die naar zulke praatjes luisterden, hoe meer de meesten het geloofden. 't Zat in de lucht, dat er een of ander onheil in aantocht was.

De directeuren van de verschillende banken durfden elkaar niet aan te zien. De laatste dagen waren er verontrustende informaties van verschillende kanten gekomen, beleefde verzoeken om afbetaling op enkele posten; eindelijk werden het telegrammen om vaster zekerheidsstelling, of ronduit weigeringen om crediet te geven voor verschillende namen.

't Was een Maandagmorgen na een veelbewogen week, waarin Carsten Lövdahl op zoo goed als al zijn handelsvrienden wissels had getrokken voor groote sommen en gedeeltelijk op geheel nieuwe papieren.

Reeds Zaterdagmiddags had Marcussen een paar onrustbarende telegrammen gekregen; maar hij had ze op zij gelegd, volgens de gewoonte van het huis. Zaterdagavond speelde de professor zijn partijtje kaart en Zondag was een rustdag.

Maar Maandagmorgen had zich een stapel telegrammen op Marcussens lessenaar opgehoopt--"een vlucht vervloekte roofvogels," dacht hij, terwijl hij zijn natte jas uittrok. Hij begon met ze op zijn lessenaar te sorteeren in kleine hoopjes, nadat hij ze doorgeloopen had. Maar eindelijk gooide hij alle telegrammen op een hoop en sloeg er met zijn groote vuist op.

Rasmussen kwam met de zwarte leeren tasch om de orders te ontvangen voor de werkzaamheden aan de banken voor dien dag; maar Marcussen verzocht hem met zijn tasch naar den duivel te loopen.

Daarop nam hij na een oogenblik nadenken alle telegrammen in één hand, ging het kantoor van den professor binnen, sloot de deur achter zich en trok de portière dicht.

Carsten Lövdahl had voor 't venster in den tuin staan kijken; hij wendde zich heftig om en zei:

"Wat is er? Marcussen!"

't Gezicht van den professor was bijna aschgrauw en de oogen lagen hem diep in het hoofd. Hij had verscheiden nachten niet geslapen en de inspanning van de laatste dagen om zich er boven op te houden,--zijn woeste plannen, de wanhopige zekerheid, die van alle kanten 't hoofd opstak--dat alles had van den grooten statigen man een gejaagden misdadiger gemaakt.

"Wat is er? Marcussen!"

Zelfs zijn stem was veranderd,--ruw, alsof die niets gemeen had met menschenspraak, maar van een dier kwam.

Marcussen beefde van ontroering; hij legde de telegrammen voor zijn chef neer. Lövdahl zette zich met moeite in zijn leunstoel.

"Telegrammen! allemaal telegrammen?--van Donner? uit Christiania? Wat moet dat beduiden Marcussen!--waarom breng je mij dat alles door elkaar? Heb ik je niet gezegd, dat het jouw werk is en niet het mijne om dagelijks de papieren te regelen? Antwoord dan toch, man! Sta daar niet als een stok! Wat beteekent dat?"

"Professor Lövdahl!"--antwoordde Marcussen, en de tranen kwamen hem in de oogen, "dat beteekent, dat we 't niet langer kunnen uithouden."

"Wat zeg je?" schreeuwde de professor en stond op, "kunnen we 't niet langer uithouden? Zeg je dat?--bedoel je--man!--bedoel je, dat ik--dat Carsten Lövdahl failliet zou zijn ?"--Bliksemsnel gingen zijn strakke oogen door de kamer, toen dat woord was uitgesproken--dat woord, waarmeê hij dag en nacht gestreden had in de laatste jaren; dat woord, dat nooit wegging, dat hem op de lippen kwam, als hij alleen in zijn kantoor was, dat hij in de oogen van ieder las, die hem op straat groette.

"Stil, stil!--je sloot de deur toch wel? sluit hem af, Marcussen! We moeten 't hoofd niet verliezen,--we moeten een uitweg vinden--alles kan nog niet verloren zijn,--onmogelijk!--laat me eens zien,--laat me de telegrammen zien--allemaal!"

En de oude man nam de telegrammen, die in zijn bevende handen ritselden; hij keek nu de een, dan de ander in, legde ze uit over den lessenaar en nam ze weer bij elkaar, tot hij ineen zonk met het hoofd in de handen en luid steunde.

Marcussen zei later, dat hij nog liever de aankondiging van de geboorte van een paar tweelingen had gehoord, dan dat hij dit oogenblik moest beleven.

Eindelijk ging hij naar zijn chef en legde de hand op zijn schouder.

De professor zag hem aan en stond met moeite van zijn stoel op:

"Ga heen, Marcussen en laat niemand bij mij binnen."--

Dien voormiddag ging de zaak schijnbaar als gewoonlijk. Makelaars en agenten kwamen binnen en spraken met Marcussen; er werden orders naar de fabriek gezonden en de kassier zat achter zijn hekje, de menschen kwamen en gingen met geld. Maar de kleine Rasmussen kroop ineen in een hoek en staarde onafgebroken naar Marcussen. Dat hij niet naar een van de banken moest met een of ander stuk--dat kon hij maar niet begrijpen; en hij peinsde er over, wat dat beteekenen moest.

Maar toen het tegen één uur liep, kwam Taraldsen aandraven, de oude bode uit de Noorsche bank; hij liep altijd op een sukkeldrafje en zwaaide met de armen. Voor den lessenaar van Marcussen bleef hij staan en groette; een onzeker glimlachje speelde op zijn oud gezicht, toen hij vroeg:

"'t Is--hm--natuurlijk een verzuim?"

"Wat?" vroeg Marcussen droog.

De glimlach verdween geheel en ademloos van schrik vroeg Taraldsen weer:

"Moeten uw wissels vandaag niet voldaan worden?"

"Neen."

"Mijnheer Marcussen! De menschen zeggen, dat u van schertsen houdt; maar dit..."

"Ik scherts niet,--voor den duivel!"

De oude Taraldsen richtte zich op; 't heele personeel zat over 't werk gebogen; alleen de oogen van kleine Rasmussen ontmoetten de zijnen. De jongen zag bleek van schrik; hij begon het te begrijpen.

Ook voor den ouden Taraldsen begon alles duidelijk te worden; maar onmiddellijk daarna kwam hij weer in de war; want hij begreep den vollen omvang van wat hij hier hoorde; de wisselrelaties van de geheele stad had hij in zijn hoofd; en hoewel hij veel dergelijks in zijn lang leven had gezien, toch was dit alles maar kinderspel, vergeleken bij wat er nu gebeuren zou. Zijn stem beefde, toen hij bijna plechtig vroeg:

"Moeten de papieren van Carsten Lövdahl geprotesteerd worden?"

"Ja," antwoordde Marcussen, zonder op te zien.

De oude Taraldsen draafde 't kantoor uit, maar op de trap kwam hij den bode van de "Bank op aandeelen" tegen:

"Is 't waar?--Taraldsen!"

"Nu gaat de heele stad!" antwoordde de oude met een wanhopige handbeweging.

"Is 't waar?--is 't waar?" Die woorden gingen snel door de heele stad. En toen de zekerheid kwam, stond alles stil--alle werk, alle gesprekken, alle gedachten; en dat nieuwe vervulde alle menschen, tot de kinderen toe, die met groote oogen en ontzette gezichtjes elkaar vroegen: "Heb je gehoord, dat Lövdahl failliet is ?"

Om één uur ging de beurs open. Zoo plotseling was dit gekomen, dat consul With, die door Lövdahls failliet volslagen geruïneerd was, alleen door een toevallige ontmoeting met een directeur van een der banken verhinderd werd op de beurs te komen.

Hij keerde terug naar huis en sloot zich in zijn kantoor op.

Op de beurs was het stil; de menschen liepen zacht rond, zonder elkaar aan te zien; zij hadden allen 't gevoel, dat ze er plotseling zoo armoedig uitzagen.

De banken in de millioenenhoek--zooals men 't noemde--stonden leeg, en de leden van den "kring," die tegenwoordig waren, wilden vandaag liever in een groep meer vooraan in de zaal staan.

Niet eens Garman en Worse zat op zijn oude plaats en die leege banken slopen als een stomme verschrikking langs de wanden door de heele zaal; niemand durfde er gaan zitten, alsof ze vreesden, dat ze niet zouden houden, dat alle banken vermolmd waren, dat een algemeen bankroet ze allen stuk zou slaan of ze allen omgooien.

Een paar jongere kooplieden probeerden royaal te doen; maar zij gaven 't dadelijk op; en toen hun stemmen weer even gedempt klonken als het gemompel van de anderen, werd de stilte dubbel akelig. Een enkele kon het niet langer uithouden, maar keek op zijn horloge en ging heen, en drie minuten later was de zaal leeg.

Maar dien middag zaten bezorgde mannen rondom in de stad in hun particuliere kantoren en zagen de boeken na, noteerden en telden op--en schudden de hoofden.

En in alle banken vergaderden de besturen, de boden brachten 't eene bericht na het andere, de telegraafboden maakten 't niet beter; en de arme directeuren, die aan hun eigen zorgen al genoeg hadden, begonnen te vreezen voor hun bank nu de eene kring na den ander werd meêgesleept in de draaikolk, waarin Lövdahl eerst verzonken was.

Door de bank van Christensen werd er getelegrafeerd door heel Europa naar den directeur, die dit jaar een zeer lange nakuur in Italië deed. En 't was bijna, alsof de heele stad een beetje verlichting voelde, toen 't bericht kwam, dat de directeur al op de terugreis was en uit Hamburg was vertrokken.

Reeds vóór vijf uur had men behalve de ontelbare kleine burgers, die geplukt waren, van groote faillieten de volgende bijeen: Carsten Lövdahl--met Abraham K. Lövdahl, de vennootschap Fortuna, C. R. With, Randulphs zonen en Co., en Jörgen Kruse.

Dat de zonen van Randulph met With meêgingen, kon men verwachten; ze waren zwagers en hadden veel gemeenschappelijke relaties. Maar onbeschrijfelijk was de schrik, toen hij ging--de oude Jörgen Kruse.

Niet alleen, omdat hij voor schatrijk gehouden werd--wat hij ook was; maar zoo'n klein voorzichtig kruideniertje, van wie niemand dacht, dat hij ooit tien gulden ergens aan waagde--dat hij nu bleek verward te zitten in al de meest wanhopige zaken van Lövdahl; met een wisselschuld, die alles verslond, wat hij bezat en misschien nog meer,--ja, toen dat bekend werd, was het toppunt bereikt en men was geheel verslagen van schrik. En met Kruse kwam de ellende buiten de stad; want hij was de koopman van de boeren; en als nu al zijn voorschotten en vorderingen met de haast van advokaten in een failliet moesten worden geïnd, dan zouden velen van hun hoeve en akkers verdreven worden in deze slechte tijden.

Terwijl het groote ongeluk zoo in alle stilte ver in 't rond voortwoekerde, als brand in 't veen, ratelde de onmetelijke machine van den laster en weefde haar bont weefsel van boosaardigheid en leedvermaak.

De lang onvoldane behoefte aan stof wierp zich nu op dezen rijken voorraad met een razenden honger; en ieder, die niet zoo persoonlijk bij de zaken betrokken was, dat hij stom van wanhoop neêrzat, begon te praten, te praten en te praten, alsof zijn leven er meê gemoeid was, als hij zijn tong niet roerde.

En de stof--hoe overvloedig groot de hoeveelheid ook was--bleek spoedig nog onvoldoende te zijn. Men had er niet genoeg aan de gebeurtenissen te volgen, die nu slag op slag elkaar opvolgden; maar men snelde ze ver vooruit met voorspellingen en toespelingen; en 't was alsof men geen rust kon vinden voor de diepste wanhoop allen bereikt had.

Sommigen namen de zaak zóó op, dat ze alle zijden japonnen van Clara Lövdahl nagingen en zich over ieder afzonderlijk ergerden, om daarna zich te verkwikken met de gedachte, dat ze geen draad aan haar lijf meer bezitten zou, als alles naar recht en billijkheid ging.

Anderen waren goedaardiger en verdiepten er zich in hoe zij zich wel moesten voelen--die menschen, die zoo onmetelijk rijk geweest waren en nu--letterlijk tot den bedelstaf gebracht--geruïneerd waren--op straat stonden.

Weer anderen konden maar geen vrede hebben met die millioenen, die verloren waren; wie zou ze gekregen hebben? ergens moesten ze toch wezen; maar waar voor den drommel was die massa geld gebleven?--dat zouden ze wel eens willen weten.

Er was ook medelijden; maar van zeer gemengden aard; en menig kleine burger, die vrij gekomen was van den val der grooten, vond dat het bier hem vandaag bizonder goed smaakte.

Onder allen daar beneden--de arbeiders en zij, die van dag tot dag leefden van het werk van hun handen voor anderen,--onder hen heerschte een doffe stilte. Slechts enkelen barstten uit in vervloekingen en de ergste scheldwoorden tegen die rijken, die een lekker leventje leidden en den arbeider zwoegen lieten, om hem dan op een mooien dag op straat te laten staan zonder werk of verdienste.

Maar de meesten zwegen stil en vermaanden vrouw en kinderen om zich kalm te houden. Wisten ze bij ondervinding hoe 't kapitaal in dagen van bloei den arbeider uitperst tot het uiterste toe; ze wisten ook, dat ze nooit in hooger mate slaven van datzelfde kapitaal waren dan juist in de slechte tijden, als de straf kwam voor de zwendelarij en de speculatie van de grooten.

Want ze wisten wel, wie vooral die straf zouden moeten dragen. Nu stonden ze voor dat bestaan van werkeloosheid, van ongeregeld werk hebben, halve werkdagen, en lange leege uren zonder werk met honger,--kleine leeningen hier en daar, 't laatste crediet bij den koopman, later naar de bank van leening en 't allerlaatst, in den uitersten nood, op den rand van de wanhoop--de wachtkamer van den armvoogd.

Daarom zaten zij stil neer en vermaanden de hunnen zich kalm te houden, opdat hun klachten niet gehoord zouden worden door dat vreeselijke kapitaal--nu vreeselijker dan ooit, nu 't als een aardstorting kwam aanrollen en de kleinen verpletterde.

Ze begeerden niet anders dan te mogen werken, hun spieren waren bereid zich zoo sterk te spannen als iemand maar verlangen kon,--ze zouden er nog dankbaar voor zijn. Als ze maar niet stil hoefden te zitten en verslappen in honger en met slecht voedsel; 's morgens uitgaan om wat te vinden, en 's avonds thuiskomen om aan de deur die groote kinderoogen te zien, die vroegen--of Vader een brood meêbracht?

De oude Steffensen probeerde natuurlijk in troebel water te visschen; maar een troep arbeiders van Fortuna had hem bijna kreupel geslagen, toen hij de directie uitschold en 't bestuur en 't heele zoodje. Daarna verdween hij.

Neen--neen--Prof. Lövdahl was een eerlijk man; de jonge ook; niemand moest iets van hen zeggen; misschien kwamen zij er wel weer boven op; zooiets was meer gebeurd. Ja, enkelen hadden zelfs medelijden met die rijke menschen, die nu niet rijker waren dan een eenvoudig arbeider.

Maar er waren niet velen, die zoo ver gingen. Want dat wisten ze immers allen, hoe wonderlijk het is, met menschen, die in mooie kleeren geboren zijn. Die blijven ze dragen hoe 't ook gaat. Men hoort wel, dat ze alles verloren hebben en ook voor anderen alles bedorven en toch was het nog nooit gebeurd, dat zulke menschen heelemaal zonken tot het peil van arbeiders en onder hen kwamen wonen en zwoegen. Zij bleven met een overjas loopen, kregen warm eten en rookten, zoodat ze 't toch niet zoo bizonder slecht hadden.

En dat was voor hen 't alleronbegrijpelijkst van het kapitaal; maar dat boezemde hun juist daarom 't meeste ontzag in; 't moest dus Gods wil zijn, dat dit groote verschil er zijn zou, dat sommigen alleen maar voor anderen zouden werken en sloven,--en dat dit zoo blijven moest.

Maar ook daarvoor was er vergelding. "In den poel der hel zouden ze pijn lijden en branden, omdat ze hier een korten tijd in rijkdom en wellust geleefd hadden. Denk maar aan den rijken man, die den bedelaar om een droppel water smeekte; maar hij kreeg hem niet; neen--gepijnigd zouden ze worden--al die grooten en machtigen--, men kon ze één voor één met name noemen; in 't helsche vuur met hen! en daar zouden ze eeuwig branden! Stel je voor:--eeuwig!"

Maar hoe veel de predikanten hier ook over preekten, toch waren er, die niet de rechte troost in deze gedachten vonden. Menigeen dacht, dat 't beter zou zijn, als er in een volgend leven niet zoo heet gestookt werd onder de rijken, en de armen maar wat minder kou behoefden te lijden in dit leven. En dan waren er ook enkele rijken waarvan 't jammer zou zijn als ze verbrand werden. Ja--zou 't eigenlijk wel zulk een doodzonde wezen: rijk te zijn? De heele wereld streefde er immers naar.--Dat klopte niet, als je er goed over nadacht. Neen, hier was ergens iets niet in orde, waar 't dan ook zijn mocht.

Ja--zie, dat was ook een gevolg van de werkeloosheid--al die vervloekte gedachten, die je in 't hoofd kreeg, als je zoo stil naar den wand zat te staren. Maar al dat denken deugde niet voor de kleine luidjes; ze moesten verdragen en zwijgen; hopen,--hopen,--en vooral geen brandewijn drinken.

Zoo gingen zij den winter tegemoet.

--Maar terwijl al die gemoedsbewegingen als een zee ver in 't rond golfden, zat hij, de oorzaak van dit alles, alleen in zijn groot, prachtig kantoor. Hij zat niet in den leunstoel voor de godin van 't geluk; maar voor 't middenste venster.--Zoo had Carsten Lövdahl uren lang gezeten en naar beneden in den omheinden tuin gestaard. Soms waren zijn gejaagde gedachten zoo mat, dat hij bijna sliep; dan weer stond de ellende, de schande, de vernedering vlak voor zijn oogen, zóó dichtbij, zoo vlammend, dat hij de handen afwerend voor zich hield.

Hij had met zijn vrouw gestreden, de onverbiddelijke oogen waren er geweest, en hadden zich diep in zijn ziel geboord;--en voor 't laatst overwonnen, gaf hij den strijd op en verheugde er zich lafhartig over, dat die oogen gesloten waren.

Maar er waren anderen, die hij ontmoeten moest: Abraham, Christensen, Clara--en 't heele heirleger van hen, wier geld hij voor alle winden gestrooid had; hoe--o hoe zou hij dat kunnen verdragen, hoe was het toch mogelijk zooiets uit te houden?--Er was iets, dat zijn gedachten als 't ware naar een uitweg trok; maar die sloot hij dadelijk af;--dàt wilde hij niet.