Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif")
Part 10
Deze keer was het dus Mevrouw Clara, die de vroolijkheid aan den gang bracht; maar ze had ook goede hulp. Allereerst in den professor, die dat juist "la haute finance" vond: bals, concerten en maskeraden 's avonds en groote omzet, massa's brieven en expedities 's morgens op het kantoor.
Hij deed meê met alle vermaken en was het zelf, die Clara aanmoedigde en haar hielp met iets nieuws, pikants te bedenken.
Consul With was ook een zeer te waardeeren medewerker; zijn specialiteit was maskeraden. Hij had een garderobe, groot genoeg voor een heel tooneel en was onvermoeid bezig en altijd bereid om er van uit te leenen, als hij maar een maskerade in orde kon brengen of ook maar een eenvoudig pretje, waar verkleeden bij te pas kwam.
Booze tongen beweerden, dat die liefhebberij van den consul hieruit ontstond, dat hij alleen onder zijn meesterlijke verkleedingen zich des avonds wat kon vermaken; daar zijn vrouw--"de strijkplank" genaamd--hem scherp in 't oog hield. En dat was noodig; want de naam van Consul With was bijna nog erger dan die van Marcussen.
Ook Marcussen bracht Clara aan den gang; het amuseerde haar hem in een voortdurende verwarring te houden. In 't eerst lette hij niet op haar, anders dan in eerbiedige bewondering voor de mooie vrouw van zijn patroon; maar Clara gaf hem spoedig wat anders om over te denken.
Ze kende zijn leven goed en wist, dat hij onder de burgermeisjes in de stad onweerstaanbaar was. Nu zou 't haar amuseeren dien mooien lompen visch te vangen, om hem te zien spartelen onder haar behandeling van uit de hoogte.
En hij beet dadelijk--maar ze trok te vroeg aan het snoer.
Want hoe weinig fijn Marcussen ook was--een vrouw bedroog hem niet gemakkelijk. En daar hij onmiddellijk merkte waar hij voor gebruikt zou worden, bleef hij haar eerbiedige ridder, zonder ooit de kleine wenken tot toenadering te willen begrijpen.
Clara verbaasde en ergerde zich; die kleinsteedsche ridder--wou hij niet toegeven? Ze zou hem dwingen! Maar daardoor werd haar manier van doen zoo wonderlijk gemaakt, dat Abraham eens, na een partij tot Clara waagde te zeggen:
"Zeg eens, je verwent ons dien Marcussen."
"Wat meen je?"
"Je neemt te veel notitie van hem. Hij is immers niet anders dan..."
"dan je vaders kantoorbediende?--dat was 't zeker wat je zeggen wou; ja, jij meent 't nog al eerlijk met je praatjes over vrijheid en gelijkheid. Als 't er op aan komt, ben je een belachelijke aristocraat."
"Ik wou niets van zijn positie zeggen, ik wou zeggen..."
"Ja, dat wou je wèl zeggen, dat kon ik aan je gezicht zien."
Abraham Lövdahl was nu bijna twee jaar getrouwd; over zulke dingen disputeerde hij niet meer en hij wilde zwijgend zijn courant nemen.
Maar nu wilde Clara juist weten wat hij bedoelde. Zij eischte, dat hij zou verklaren wat hij met zijn insinuaties meende; waarom hij haar allerlei verwijten deed en...
"Nu, nu Clara! antwoord me nu eens: vind je werkelijk, dat Marcussen fatsoenlijk is."
"Hij is mooi, veel mooier dan jij."
"Ieder zijn smaak!" antwoordde Abraham vroolijk; hij wist best, dat hij knap was en dat ze dit alleen zei om hem te ergeren, "maar vindt je dat hij beschaafd is."
"Nu, weet je wat? ik ken veel getrouwde mannen, die van den heer Marcussen hoffelijkheid tegenover dames konden leeren."
"Denk je, dat die sierlijke kunsten een getrouwd man goed zouden staan?"
"Je zoudt 't altijd kunnen probeeren. Maar nu wil ik weten, wat je mij tegenover Marcussen te verwijten hebt."
"Zijn naam..."
"Dien ken ik; de meeste mannen hebben geen al te besten naam; wil jij misschien den eersten steen werpen?"
"Ik wil heelemaal niet over me zelf spreken; maar 't verwondert me, dat jij, Clara! die werkelijk zoo scherp ziet, als je dat wilt,--dat jij de innerlijke ruwheid niet ziet, die bij Marcussen door alles heen schijnt."
"Je ben jaloersch,--ja, dat ben je."
"Och neen, ik ben waarachtig niet jaloersch."
"Meen je dat ik, die zoo scherp zie, zooals je zegt, de jaloezie niet uit je oogen zie kijken? Dat is wel een mooie trek van je! Herinner je je den tijd wel toen je den lof zong van de gelijke rechten, dezelfde eischen voor man en vrouw, het weerkeerig vertrouwen..."
"Nu, wat zou dat?"
"Wat dat zou?--ja, jij ben een mooie Eman... Emancipist!" riep Mevrouw Clara, "je ben geen haar beter dan al die andere ellendige mannen; terwijl jij van je vrouw verlangt..."
"Wat meen je, Clara? Ik?--"
Toen keerde ze zich naar hem toe en haar mooie blauwe oogen werden koud als glas.
"Greta Steffensen," zei ze halfluid.
Abraham sprong op bij dien naam en Clara maakte daar dadelijk gebruik van.
"Ja, je ziet, ik weet er alles van; je meent misschien, dat het je mooi staat hier met je afschuwelijke en onredelijke jaloezie aan te komen, terwijl je zelf zooiets op je geweten hebt."
"Maar ben je nu heelemaal gek, Clara! 't is immers een arm blind kind."
--"Ja blind moest ze ook wel wezen--"
"om door mij bekoord te worden?" ging Abraham voort en moest er toch om lachen.
"Dat wou ik heelemaal niet zeggen," antwoordde Clara en wendde zich af.--Want dat had ze juist willen zeggen, maar ze hield op, omdat ze zelf voelde, dat het al te dwaas was.
Intusschen herwon ze spoedig haar kalmte en terwijl ze hem voorbij ging zei ze--met de stem van haar moeder:
"Hoe dat alles nu zijn mag--ik verzoek van je jaloezie verschoond te blijven; pas jij maar op je eigen zaken, ik zal wel voor de mijnen zorgen. Goeie nacht!"
Na dat gesprek werd Abraham bang, dat praatjes en booze tongen zijn verhouding met Greta konden bederven; en ze was hem onmisbaar geworden. Langzamerhand was zijn liefde van Clara weggegleden; hij had immers al spoedig ingezien, dat het onmogelijk was de dwepende liefde te bewaren, die hij in 't begin voor haar had gevoeld en wanneer het nog niet ten volle tot hem was doorgedrongen, hoe ver zij in werkelijkheid van elkaar stonden dan was dat meer omdat Abraham in zijn karakter een bepaalden tegenzin had om diep in een toestand door te dringen, waar hij op den bodem iets droevigs of verontrustends vermoeden kon.
Maar de behoefte aan toewijdende liefde, die bij Clara geen beantwoording vond, keerde zich naar Greta,--natuurlijk en zonder dat hij aan iets verkeerds dacht. Nu wist Abraham heel goed, dat hij Greta liefhad en dat hij gelukkig was met haar onschuldig vertrouwen; alle wenschen, die verder gingen dan dit hield hij van zich af; hij had zich zelf beloofd, dat hij in deze zaak ten minste volkomen eerlijk en rechtschapen wilde zijn.
En voor hem, die telkens in de kleine dingen van 't leven uitweek, waar hij recht door zee had moeten gaan;--zweeg, waar hij had moeten spreken--werd deze verhouding met Greta een toevluchtsoord voor een behoefte in zijn karakter, die van zijn jeugd af onderdrukt geworden was: hij voelde zich als haar ridder; zij was volkomen in zijn macht; maar hij zou die nooit misbruiken. En toch was ook hier een schaduw. Als Abraham over zijn leven dacht, kwam het hem voor alsof 't zijn onverbiddelijk noodlot was, dat juist hij, die in werkelijkheid zoo graag alles helder en zuiver om zich heen zou hebben,--dat juist hij telkens in kleine onwaarheden moest raken, lastige kleine dingen, die hij in 't begin de moeite niet nam om ze weg te ruimen, maar er over heen stapte, en die dan later achter zijn rug opgroeiden tot groote lastige dingen met lange schaduwen.
Waarom moest het nu weer zoo gaan, dat hij er toe kwam Greta voor te liegen!
Want het bleef niet bij dien éénen keer. Toen hij zag hoe gelukkig het haar maakte, werkte hij zijn heele leven om naar wat grooter maatstaf en vertelde van zijn kindsheid en jeugd, van dag tot dag. De draad was echt en waar, maar 't waren juist de versierselen, waar Greta 't meeste prijs op stelde.
Hij vertelde--en schaamde zich, en vertelde weer, tot de schaamte uitsleet; en die lange uren als hij zoo voor haar zat uit te werken wat hij gedaan had en vooral, wat hij zou doen in dit of dat geval--ze werden hem liever dan al 't andere. Niet alleen, dat hij 't geluk genoot bij haar te zijn; maar de fantastische verhalen zelf begonnen iets ontspannends voor hem te krijgen. Zij kwamen te gemoet aan het leege, slappe van zijn leven.
Zoo werd hij een meester in dat soort van verdichting en zij werd nooit moede te vragen en te bewonderen.
--Maar in zijn huis moest Abraham zich inspannen om zich niet als een vreemde te voelen. Door de vriendschappelijke verhouding tusschen Clara en den professor werd hij wat overcompleet. Naar verschillende vermaken ging hij meestal meê, maar wat hij niet verdragen kon--waar hij rondweg 't huis voor ontweek--was een eigenaardig soort vroomheid, die Clara bezig was in te voeren.
Mevrouw Lövdahl had om de conversatie in dit saisoen een buitengewone vaart te geven zich ook met veel weldadige dames vereenigd en een schitterende bazar met dans en tooneelspel op touw gezet.
En na dien tijd kreeg ze smaak voor half godsdienstige bijeenkomsten met een kopje thee en een predikant.
De professor schertste in 't begin met zijn mooie schoondochter over die plotselinge vroomheid. Maar al spoedig was 't alsof hij 't anders ging inzien. Hij stemde zelfs toe den post op zich te nemen van president van de vereeniging voor gevallen vrouwen in de gemeente van Sint Peter, van welken post de consul With om zekere redenen zich gaarne ontheven zag.
Dit:--dat zijn vader meêdeed--kon Abraham 't allerminst verdragen; want hij wist toch wel zooveel van de opvatting van den godsdienst door den professor, dat hij onmogelijk gelooven kon, dat de oude man van wetenschap nu met een oprecht hart psalmen zat te zingen met de dames en meê ging naar de kerk, ja zelfs naar 't avondmaal met Clara.
Maar daar kon hij immers met zijn vader niet over spreken. Hij ging hem daarom maar uit den weg.
Overigens was er over den professor een levendigheid, een rustelooze werkzaamheid gekomen, die Abraham soms bijna angstig kon maken. Aan alle partijen nam de oude man deel en vroeg en laat was hij in 't kantoor.
Op een dag liet hij Abraham een wissel onderteekenen.
Abraham nam lachend de pen.
"Ja, kan ik u een pleizier doen met mijn naam dan met alle genoegen. Iedereen weet wel, dat ik geen cent bezit!"
"'t Is ook alleen maar voor den vorm," zei de professor snel, en nam het papier aan. "Mijn naam is 't voornaamste."
"Ja, uw naam is als de koeien van Farao; die verslindt den mijnen en wordt er geen greintje vetter door."
"Maar jouw naam Abraham, zal eens even goed worden als de mijne!"
"Ach Vader! Ik word toch nooit zoo'n koopman als u."
"We zullen zien, mijn jongen," antwoordde de professor; maar lang nadat Abraham het kantoor had verlaten, zat hij in gedachten verdiept,--in onrustige gedachten.
XII.
"Mijnheer de bankdirecteur!--nu begin ik in ernst te gelooven, dat u me tegenwerkt."
"Volstrekt niet, Professor! integendeel! Niemand kan er meer naar verlangen u te helpen dan ik."
"Te helpen?--Dank u! maar ik heb waarlijk geen hulp noodig."
"Neen, neen. U begrijpt me verkeerd, ik meende alleen, dat in deze slechte tijden--"
"Och, die crisis is een idee fixe van u, Mijnheer Christensen, en u weet, ik geloof er niet aan."
't Gesprek had een heele poos geduurd en de beide heeren waren tamelijk opgewonden--ieder op zijn manier. Vooral was 't gezicht van den professor als gevlamd, en hij speelde zenuwachtig met zijn lineaal.
Christensen was kalmer; hij snuffelde alleen wat meer dan gewoonlijk en keek rond in het kantoor.
"Welnu, Professor Lövdahl--crisis of geen crisis--één ding is zeker. En dat is, dat Fortuna hoe eer hoe liever moet liquideeren."
Dat kwam zóó plotseling,--dat de professor een oogenblik als verstomd bleef zitten met wijd opengesperde oogen.
"Moet dat een grap verbeelden, mijnheer Christensen?"
"In 't geheel niet, helaas! Ik dacht, dat u 't volkomen met mij eens zoudt zijn: u moet den heelen toestand immers nog beter kennen."
"Ja, dat doe ik ook; en ik kan u verzekeren, dat er in 't geheel geen sprake kan zijn van de mogelijkheid waar u van spreekt. Maar nu zal ik u eens wat zeggen, Mijnheer Christensen! U hebt, van den dag af, dat ik administreerend directeur van Fortuna werd, gedaan wat u kon om mij te doen vallen en toen u dat niet lukte, hebt u geprobeerd de fabriek zelf te schaden; daarom komt u met al uw bezorgdheid op de algemeene vergaderingen, en om dezelfde persoonlijke redenen hebt u de Fortunawissels uit uw bank verdreven."
"Persoonlijke redenen? Professor!"
"Ja, ik noem dat persoonlijke redenen;--want dit alles komt, doordat uw ijdelheid niet verdragen kon, dat ik president werd toen Mordtmann heenging; nu weet u het!"
De professor was geheel buiten zich zelf en liep de kamer op en neer; Christensen voelde aan zijn neus en glimlachte zoowat achter zijn hand:
"Laat ons beiden niet over persoonlijke ijdelheid spreken, Professor Lövdahl!--'t Zou beter zijn als we gezamenlijk het ongeluk trachtten te dragen. Die fabriek is--een mislukte onderneming--laat ons maar beginnen met dat te erkennen."
"Volstrekt niet--dat wil ik in 't geheel niet erkennen. De fabriek is goed en wordt goed bestuurd; maar de samenloop van omstandigheden is buitengewoon ongelukkig geweest."
"Ja, dan ben ik genoodzaakt u te zeggen, Professor,--dat mijn bezoek bij u vandaag ten doel had er u op voor te bereiden, dat ik voornemens ben op de eerstvolgende algemeene vergadering een voorstel in te dienen tot liquidatie van de fabriek."
"Ga uw gang"--antwoordde de professor, keerde zich om en ging naar het middenste venster in de kamer.
Hij was zoo heftig bewogen, dat hij 't een poos lang niet begreep; maar terwijl hij daar in den tuin staarde, waar de crocussen zich langs den kant van de paden begonnen te vertoonen kwam de geheele toestand met al zijn gevaar hem helder voor den geest.
De positie van Fortuna was helaas uiterst slecht--niemand wist dat beter dan hij zelf, die met groote persoonlijke offers de fabriek in leven en in oogenschijnlijken bloei gehouden had. 't Was niet onmogelijk, dat de aandeelhouders, als ze volkomen over den staat van zaken werden ingelicht, de voorkeur zouden geven aan een liquidatie, en dan zou hij zelf staan als iemand, die zijn medeburgers verlies berokkend had; zijn heele positie, al de aanbidding, die hem zoo lief, zoo onontbeerlijk geworden was--'t zou alles weg zijn.
Maar iets veel--veel ergers rees in vage omtrekken voor hem op: als de fabriek failliet ging zou zijn naam half bedorven zijn, zijn crediet zou een stoot krijgen, de allergrootste moeilijkheden konden daaruit voortvloeien. Carsten Lövdahl voelde dat zijn knieën knikten; dàt mocht nu niet gebeuren; de tijden waren werkelijk dreigend. Alles kon nog terecht komen; als hij maar tijd had! Een oogenblik zonk zijn moed zóó zeer, dat hij er aan dacht zich te verootmoedigen en Christensen te vragen zijn voorstel niet in te dienen.
Maar terwijl hij zich weer tot den bankdirecteur wendde, die langzaam zijn handschoenen aantrok, kreeg hij een goeden inval:
"Als u zoo angstig voor uw aandeelen in Fortuna is, dan is 't beter, dat ik ze overneem. Hoeveel hebt u op 't oogenblik?"
"Ik heb er tien, maar ik kan niet verwachten, dat u ze weer terug zult nemen, Professor."
"Wees u maar niet bekommerd over mij," zei de professor en lachte wat uit de hoogte, "de vorige vijf aandeelen, die ik van u kocht, heb ik een half uur later met winst verkocht."
"Waarlijk?"--antwoordde Christensen beleefd. "Zoudt u ook deze aandeelen voor den vollen prijs willen overnemen?"
"Tegen pari--zooals laatst--natuurlijk," antwoordde de professor, "en dan hoop ik, dat u zult inzien, dat uw voorstel de fabriek te liquideeren minstens ontijdig wezen zou."
"Nu kan er van dat voorstel immers geen sprake meer zijn; nu ik niet langer aandeelhouder ben, treed ik natuurlijk uit de directie op de eerstvolgende algemeene vergadering."
Die wending had de professor niet voorzien. Als Christensen uit de directie van Fortuna ging na al zijn aandeelen te hebben verkocht, dan was dat een even doodelijke slag voor de fabriek als zijn voorgenomen voorstel.
De professor maakte daarom een afwijzende beweging.
"Neen, neen, Mijnheer Christensen!--niet op die manier! U hebt mij niet goed begrepen. Als ik nu uw aandeelen overneem, dan gebeurt dat niet om een of ander oogenblikkelijk voordeel--dat weet u heel goed; maar ik doe dat uit belangstelling voor de fabriek. Ik verlang daarentegen van u, dat u niet alleen dat voorstel niet indient, maar dat u ook de directie steunt, speciaal mij, als president; en dat u over 't geheel op de algemeene vergadering zoo optreedt, dat het vertrouwen in de fabriek, niettegenstaande het ongelukkige bedrijfsjaar, bij de aandeelhouders niet geschokt wordt."
"Ja, maar ik kan toch niet goed op eenige manier optreden, als ik niet langer zelf aandeelhouder ben."
"Dan houdt u een paar aandeelen," zei de professor, maar omdat hij dadelijk den ander aan kon zien, dat hij ze kwijt wilde wezen, verbeet hij zijn ergernis en ging voort: "of laat mij ze liever alle tien nemen--zooals ik eerst voorstelde, dan kunnen immers een paar aandeelbewijzen onovergeschreven blijven liggen, bij u, voor den vorm, ten minste tot na de algemeene vergadering. Dat is immers een volkomen particuliere transactie tusschen ons en raakt uw belangstelling niet, voor de fabriek die u immers zelf hebt helpen stichten en waarvan de bloei u zoo zeer aan 't hart gaat."
"Dat is wel waar. Ik wou alleen maar, dat u geen grooter assistentie van me verlangde dan mijn overtuiging toelaat."
"Ja, ziet u! mijn waarde Mijnheer Christensen," zei de professor half schertsend; "u is immers angstig van nature."
"Zullen we niet liever zeggen: "voorzichtig" Professor?"
"Neen, laat ons zeggen: angstig, dat is toch 't woord. Maar als u nu ziet, dat ik,--die naar uw eigen zeggen, 't best den toestand moet kennen--dat ik me niet bedenk, als er sprake is van nog tien aandeelen te nemen, dan moet u dat toch wel de overtuiging geven, dat de onderneming heel wat beter is en er beter voor staat, dan u meent."
"Ja, u hebt toch wel gelijk, Professor! Ik moet bekennen, dat u met uw wetenschappelijke vorming de man is, die deze zaak 't best beoordeelen kan en 't zou mij zeer spijten als u niet beloond werd voor al uw werk en uw opofferingen met een uitslag, die aan uw verwachtingen beantwoordt. Ik zal doen wat ik kan."
De beide heeren waren opeens heel hartelijk geworden en scheidden met een vriendschappelijken handdruk.
In de deur zei de bankdirecteur zachtmoedig:
"Ik mag dus hopen, dat onze zaken vandaag contant worden afgerekend? Ik ken uw handelsprincipes."
"De helft contant en de rest tegen drie maands accept," antwoordde de professor.
"Drie maands accept..." herhaalde de bankdirecteur wat langzaam; maar een blik op het gezicht van den ander overtuigde hem, dat de grens nu bereikt was: hier was niet meer te halen;--en hij veranderde behendig van toon:
"Ja, dat is immers 't zelfde als contant; een stuk, waar "Carsten Lövdahl" op staat is even goed als de bank van Noorwegen. Goeden morgen Professor."
En zij bogen glimlachend voor elkaar.
"Marcussen, we moeten vanmiddag 5000 gulden contant aan den bankdirecteur Christensen betalen. Wil je die som klaar leggen?"
De onvervaarde Marcussen, die nooit zijn gezicht vertrok, werd deze keer wel wat beduusd. Iedere dag had genoeg aan zijn eigen kwaad en 't was geen gekheid vijf duizend gulden te voorschijn te tooveren naast al het andere wat gedekt en afbetaald moest worden. Ook was 't al vrij laat op den dag.
Maar de professor was den laatsten tijd zoo heftig en opvliegend geworden, dat Marcussen, die de vrede liefhad, placht te doen alsof alles van een leien dakje ging.
Hij zei daarom alleen:
"Hm! vijf duizend gulden? in orde, Professor!"
Zooals de zaak van Professor Lövdahl nu gedreven werd, paste Marcussen er voortreffelijk in. 't Was juist iets voor hem van dag tot dag uitwegen te vinden, zonder met bekommering over de gevolgen te denken; en hoe schaarscher 't geld werd, hoe sterker Marcussens vindingrijkheid zich ontwikkelde.
Hij was gewoon zich door heel wat erger moeilijkheden heen te slaan: jaloersche vrouwen, bedrogen meisjes, onvrijwillige schoonmoeders, bijdragen voor opvoeding van kinderen, predikanten en vermaners--de moeilijkheden op 't kantoor waren maar kinderspel voor hem.
Vervallen papieren met nieuwe af te doen, die er uitzagen als deugdelijke stukken, naar links en rechts te trekken, de steeds toenemende schuld in voortdurenden omloop te houden, wat den indruk maakte van een sterken omzet--dat was juist een werkje voor Marcussen.
En als hij rondtastte in geld en papieren was hij niet slordig en onverschillig, omdat het geld van een ander was; hij zou zeer zeker zijn eigen zaak op dezelfde manier gedreven hebben, als hij er een had gehad.
Hij hield zelfs veel van den professor en van het huis en zou zoo innig graag willen, dat het zoo goed, zoo schitterend mogelijk mocht gaan. Goedig en hulpvaardig als hij was wenschte Marcussen zeker, dat alle menschen rijk waren, even oprecht als hij wenschte, dat alle meisjes mooi waren.
Ook de professor werkte van zijn kant. Hij was nu zoo ver gekomen, dat hij niet angstig wezen wilde, hij wilde 't niet merken, dat 't heele handelsleven als 't ware begon te verflauwen, ineen te krimpen; hij wilde niet verder zien dan van dag tot dag.
Maar daarentegen spande hij al zijn krachten in om den stroom te stuiten, die wegvloeide. Hij kocht groote partijen van waarde--alles wat men hem aanbood: koren, koffie, visch, zout--en verkocht het weer, bijna zonder dat hij aan winst of verlies dacht--als 't maar gauw ging, als hij maar altijd geld door zijn handen voelde gaan.
En de koortsachtige kracht, door dien eenen man ontwikkeld, werkte aanstekelijk in wijden kring; en een lust tot speculeeren, een periode, als van het meest woeste spelen op de beurs, wierp een korten tijd zijn valschen glans over dien stillen uithoek van de wereld, waar Carsten Lövdahl aan den gang was.
Hoe verder hij het veld van zijn operaties uitstrekte, hoe meer namen hij binnen den kring van zijn endossanten trok; en daar de geheele omzet op wissels ging, was er spoedig geen huis van eenige beteekenis in de stad of in de naburige steden, dat niet met Lövdahl samen op een of ander stuk stond.
Maar zoolang de banken en het buitenland zonder morren disconteerden, was die manier om geld te krijgen zoo gemakkelijk, dat maar zeer weinigen de kracht hadden bijtijds op te houden.
Zelfs niet toen het disconto begon te stijgen zoodat dit geld waarmeê zoo gemakkelijk en zoo vlug gespeculeerd werd, in werkelijkheid zoo duur was, dat het weinig kans op verdienste gaf.
Ook scheen niemand zich in ernst ongerust te maken over de berichten uit het buitenland; het eene artikel na het andere daalde 50% in een week: de petroleum begon, toen verdwenen er millioenen in spoorwegaandeelen, toen ging de koffie naar den kelder en de suiker er achter aan, maar niemand scheen te begrijpen, dat dit een gevaar voor alles en allen was.
Er waren niet veel neuzen als die van den bankdirecteur en het vertrouwen op Carsten Lövdahl was zoo boven allen twijfel verheven, dat geen mensch er aan dacht zijn naam te weigeren.
Trouwens, daar zou ook meer moed toe behooren dan de koopmansstand gewoonlijk bezit. Want Lövdahl behoorde tot "den kring," die de stad en de bank bestuurde. Een onvoorzichtig woord tegen een van de "grootelui" kon genoeg zijn om er zachtjes aan uit geschoven, geïsoleerd, vergeten te worden; en wie niet sterk genoeg was om alleen te staan, hij moest verdorren en afsterven, omdat alle bronnen voor hem werden afgesloten. Daarom klonken er louter lofredenen op die grootsche en voor de stad zoo gezegende werkzaamheid, de bezige handen, de vele monden--enz.; en met die lofspraken bedwelmde men zich zelf en doofde zijn twijfel. In alle andere omstandigheden zou de balans van 't laatste bedrijfjaar van de maatschappij op aandeelen "Fortuna" een gebeurtenis geweest zijn, dat wel tot nadenken kon stemmen.
't Was een allerwonderlijkste algemeene vergadering geweest.