Formosa, de eerste kolonie van Japan De Aarde en haar Volken, 1909
Chapter 2
Gedurende de eerste periode, toen alle toezicht was opgeheven, trachtten de Japanners zich met de wilden te verzoenen, door hun zeden en gewoonten te bestudeeren en in hun behoeften te voorzien, door een politiek dus, gelijk aan die, welke de Amerikanen ten opzichte van de Roodhuiden uit het Verre Westen volgen.
De ambtenaren, met die zending belast, schatten het aantal der oorspronkelijke bewoners op ongeveer honderd duizend, verdeeld over een groot aantal stammen. Men groepeerde die stammen in zeven groepen naar hun taal en hun gewoonten, namelijk de Païwans, de Puyama's, de Amissen, de Tsoe's, de Tsalisens, de Vonums en de Atayals. De vier eerstgenoemde zijn onschadelijk. De Vonums en de Tsalisens, ofschoon onderling dikwijls strijdend in de verschillende stammen, vallen de gele bevolking nooit aan. De Atayals daarentegen, die in het Noorden voor zich alleen de helft innemen van al het inboorlingenland, gaan steeds voort, invallen te doen en aanvallen, gericht tegen de chineesche bewoners.
De karakteristieke trek in de zeden der Atayals is het koppensnellen, aan welk bedrijf ze zich met evenveel hartstocht overgeven als hun stamgenooten van de Philippijnen en de Soenda-eilanden. Zoodra een vijand in het gevecht is gevallen, wordt hij onthoofd; men laat den schedel lang koken, om er de vleezige deelen van te kunnen wegnemen, en dan, na hem te hebben laten bleeken in de zon, wordt hij op een verhevenheid geplaatst aan den ingang van het dorp. Het hoofd van den stam wordt gekozen uit de krijgers, die het grootste aandeel aan de verrijking van de macabere verzameling hebben gehad. Geen enkele jonge man mag hopen, tot een huwelijk te komen of zitting te krijgen in den raad, als er niet minstens één van die trofeeën op zijn debet kan worden geschreven. Wanneer twee Atayals twist hebben en er niet in slagen, hun strijd te beslechten, verlaten ze gelijktijdig het dorp, en de eerste, die terugkeert met een gesneld hoofd, krijgt gelijk in de quaestie.
Toen de Japanners in 1895 Formosa in bezit namen, ten gevolge van den oorlog tusschen hun land en China, deden ze loffelijke pogingen om de inboorlingen met zich te verzoenen en van hen gedaan te krijgen, dat ze zich rustig zouden houden in hun bergen, zonder hun chineesche buren te hinderen. De zuidelijke groepen zijn getrouw gebleven aan de afspraken, die ze gesloten hebben met de nieuwe heeren van het eiland; maar de Atayals bleken niet in staat, van hun barbaarsche gewoonten afstand te doen. Dus hebben de Japanners de taak op zich genomen, hen ten onder te brengen.
Ze zonden eerst tegen hen talrijke militaire expedities uit, die altijd mislukten. De wilden boden in het begin van den tocht weinig tegenstand en lokten de soldaten dus dieper het land in, en dan, als de vijand zich op een zeer moeilijk terrein bevond, lokten ze hem in hinderlagen en decimeerden de troepen. Heel weinig nipponsche soldaten hebben hun uitgangspunt weer kunnen bereiken, en na herhaalde pogingen, waarbij soms geheele bataljons tot den laatsten man vielen, besloten de Japanners van tactiek te veranderen en een defensieve houding aan te nemen. Ze hebben met dat doel rondom het land der Atayals een cordon van blokhuizen opgetrokken, verdedigd door inlandsche politie onder japansche officieren en onderofficieren. Die versterkte huizen, die stevig van steen werden gebouwd, staan op de plaatsen, van waar het terrein kan worden overzien, op ongelijke afstanden, maar niet verder dan een kilometer van elkaar verwijderd, zoodat ze in geval van een attaque elkander wederkeerig kunnen bijstaan. De omlijsting met sterkten heeft de invallen van de Atayals zeer wezenlijk doen verminderen, en het aantal moorden, door hen bedreven, vermindert met ieder jaar. In 1905 bedroeg het echter nog een aantal van 493.
De regeering is voornemens, die bewakingslijn geleidelijk meer landwaarts in te verleggen, om op die manier het gebied der Atayals in te krimpen, waardoor ze op den duur wel moeten verdwijnen of met de vreedzame bewoners samensmelten. Deze operaties maken het noodig, dat er een mobiel corps wordt onderhouden, dat bij de blijvende garnizoenen komt, welke in de blokhuizen zijn gevestigd, en voor gevallen van nood levert het leger aan de politie bergkanonnen en mitrailleuses.
Ik wenschte mij bij het mobiele corps te voegen, om het een poosje bij zijn werkzaamheid te vergezellen, of ten minste wou ik eenige der posten van het cordon bezoeken en dan de werkplaatsen, waar kamfer wordt bereid en die zich in de nabijheid der posten bevinden. Ik stiet op een formeele weigering van de regeering, en na tal van pogingen kon ik enkel de toestemming erlangen, mij onder geleide naar een der vijf posten te begeven, waar ruilhandel wordt gedreven en die op verschillende punten van de grens zijn gevestigd. Daar komen de Atayals de voortbrengselen van hun land verkoopen en kruit koopen, messen inslaan en glazen kralen zich aanschaffen. Men noemde mij de markt van Kutsjakoe, slechts een twintigtal kilometers van de hoofdstad verwijderd.
Vroeg in den morgen vertrok ik met mijn gids in een jinriksja tot het dorp Sjinten, dat halfweg is gelegen; daar werd mij een draagstoel aangeboden, waar ik vriendelijk voor bedankte, en wij vervolgden onzen weg te voet. Het land is zeer bergachtig in deze streek en wordt doorsneden door tal van rivieren, die men moet oversteken met ponten of in eenvoudige bootjes. Alle heuvels zijn bedekt met thee-aanplantingen, want thee wordt zeer veel verbouwd in de provinciën van het Noorden van Formosa.
Koetsoe-Tsjakoe is een chineesch dorpje met vuile en slikkerige straten, dat we met genoegen den rug toe keerden, om langs de rivier van Tamsoeï verder te gaan, die even buiten de grens ontspringt. Aan haar oevers verrijst boven het dorp de electrische installatie, die aan Taïhokoe licht verschaft. Men heeft er ook over gedacht, om met de electriciteit de sterkte van het cordon te vergrooten. Een ijzerdraad, verborgen in de struiken, loopt vóór de blokhuizen langs over een lengte van verscheiden kilometers. Men laat er een sterken stroom doorgaan, zoodat telkens als een koppensneller over de lijn wil gaan, hij stuit op dat beletsel en een lading krijgt in het lichaam, waardoor hij op de plaats blijft of ten minste moet afzien van alle wenschen, om nog verder door te dringen. Ongelukkig zijn een zeker aantal japansche of inlandsche politieagenten, die de juiste ligging van den draad niet kenden, er zelf het slachtoffer van geworden, en er is dan ook reeds sprake van de opheffing van dit gevaarlijke verdedigingsmiddel.
Bij de electriciteitsfabriek voegden zich bij ons een tiental mannen van de grenswacht. Ofschoon ze deel uitmaken van een speciaal corps, dat geheel is afgescheiden van het corps der politie op chineesch terrein, dragen ze dezelfde uniform als de gewone agenten, maar behalve met een sabel zijn ze gewapend met een muratageweer. Zoodra we ons weer op weg begaven, nam het geleide een volkomen overbodige gevechtstelling aan; twee mannen liepen vooruit, terwijl flankeurs door de boschjes aan weerszijden van den weg liepen. We vervolgden het pad langs de rivier ongeveer een mijl ver tot een houten brug; op den tegenoverliggenden oever stond op een open plaats een kleine, leemen hut, waarvoor een twintigtal wilden waren gezeten, die op onze aankomst wachtten.
Als alle bergbewoners zijn de Atayals groot en forsch en sterk van gestel. De mannen trekken zich twee voortanden uit in de bovenkaak en dragen op het voorhoofd drie horizontale getatoeëerde strepen; de vrouwen voegen daar nog twee andere strepen bij, die van de ooren naar den mondhoek gaan in een cirkelboog van drie centimeter breed, bestaande uit smalle lijnen, die elkaar diagonaal kruisen. Het costuum van de beide seksen bestaat uit een kleed zonder mouwen van beestenvel of van een vezelstof, reikend tot aan de knieën; de mannen bedekken zich bovendien het hoofd met bontmutsen of met hoeden van allerlei vorm, van plantenvezels gevlochten. Ik liet aan de wilden een flesch alcohol aanbieden; het was rijstbrandewijn, waar ze zeer veel van houden. Ze drinken nooit alleen; twee van hen gaan naast elkander staan en naderen met hun lippen denzelfden kant van den schotel of beker, waarna ze in die ongemakkelijke positie drinken, zonder een druppel te morsen. De japansche tolk, die bij mij was, had langen tijd dichtbij de grens gewoond en sprak uitstekend de taal der Atayals; hij vertelde mij enkele wetenswaardige dingen omtrent hun gebruiken.
De Atayals wonen in bamboehutten met zeer lage daken, die maar even boven den grond uitkomen en waaronder ze den grond tot op een diepte van wel twee meter uitgraven. De depôts van levensmiddelen daarentegen zijn gebouwd op palen, om de oogsten te bewaren tegen ratten en ander knagend gedierte, die in de buurt veel voorkomen. Een bijzondere hut wordt altijd bestemd voor de vergaderingen van den raad van den stam. Daar komen de krijgers bijeen, eer ze op hun jacht- en oorlogsexpedities uittrekken.
Tot die ondernemingen bepaalt zich de werkzaamheid der Atayals, die zeer groote minachting hebben voor arbeid en aan de vrouwen de zorg overlaten voor het verbouwen van gerst en pataten, die het hoofdvoedsel van allen uitmaken, en ook van de rameh, de vezelstof, waarvan de kleeren worden gemaakt. De godsdienst van deze volken is eigenlijk niet anders dan een dienst der voorvaderen, aan wie bij elke volle maan offers worden gebracht van koeken en honig; alle stammen bezitten een toovenaarster, die de zieken moet onttooveren en die door gebeden en tooverkunsten de tegenwoordigheid der booze geesten moet voorkomen.
Terwijl de Atayals mij levendig belang inboezemden, was ik voor hen ook een voorwerp van nieuwsgierigheid. Nooit hadden ze een blank mensch gezien; ze vroegen den tolk, hoe ver het land was verwijderd, waar ik vandaan kwam, en hun werd geantwoord, dat men twee jaren moest loopen, om er te komen. Het hoofd wendde zich toen tot mij en sprak: "Gij hebt ons geschenken gegeven, daar danken we u voor, we zullen de herinnering aan u ook twee jaren bewaren."
Onze terugweg leidde langs een andere route, altijd langs heuvels, met theetuinen beplant.
De handel in de thee, die tegenwoordig het voornaamste uitvoerartikel is van het eiland, dateert nog niet van lang en klimt in den tijd niet hooger op dan tot het midden der vorige eeuw. Het waren vreemde kooplieden, die, getroffen door de goede hoedanigheid van de producten van enkele door de Chineezen op het eiland geacclimatiseerde struiken, groote sommen voorschoten aan de landbouwers uit de omstreken van Taïhokoe en zich verbonden, den geheelen oogst te koopen. De proeven gaven uitmuntende resultaten al sedert de eerste jaren van de productie, en weldra volgden alle inboorlingen uit de streek diegenen na, die aan de proeven hadden deelgenomen. De verkoopprijzen waren zoo hoog, vooral in het begin, dat men landbouwers de oogsten van rijst, suiker en indigo die bijna rijp waren, zag opofferen, om zonder verwijl de kostbare struiken te kunnen planten. Met de snelle uitbreiding der cultuur ging de hoedanigheid achteruit, en aanzienlijke hoeveelheden thee vonden geen koopers; toen liet men de nieuwe cultuur weer in den steek met dezelfde haast, waarmee men haar eerst had ingehaald, en later hervatte men haar voor de tweede maal. Al die schommelingen hebben natuurlijk een terugslag gehad op den verkoop van het product en hebben er een der meest speculatieve handelstakken van gemaakt, die, al heeft hij veel kooplieden rijk gemaakt, een nog grooter aantal naar den ondergang heeft gevoerd.
Toch is de uitvoer van thee voortdurend toegenomen tot op het oogenblik van de bezetting door Japan. Toen zijn de voortbrengselen bezwaard geworden met een dubbele belasting van fabricage en uitvoer, die ze in ongunstige positie heeft gebracht tegenover de producten uit meer begunstigde vreemde landen. De handel is sinds dien stationnair gebleven.
De op Formosa gewonnen thee is van tweeërlei soort; de "oolong" of natuurlijke thee, die naar de Vereenigde Staten wordt uitgevoerd en waarvan de prijs thans de hoogste is van alle gelijke producten over de geheele wereld, en de "poesjong", die met jasmijn of gardenia wordt geparfumeerd en enkel door Chineezen wordt gebruikt.
Ik bleef slechts weinige dagen in de hoofdstad, die ik weldra verliet, om van daar een veel grooteren tocht te ondernemen dan den eersten. Ik wilde een rondreis maken rondom het geheele eiland op een der vrachtbooten van de maatschappij Osaka Sjosen Kaïsja, die door de regeering gesubsidiëerd wordt.
Het uitgangspunt van dien dienst is Keloeng, een haven, die vroeger eens vele maanden lang door onze troepen is bezet geweest, en thans geworden tot de voornaamste militaire vestiging op Formosa. Alle bergen in de omgeving staan vol kanonnen en forten. Zeer belangrijke werken zijn ondernomen, om de baai van Keloeng te veranderen in een ruime haven; maar het grootste deel der baai is zeer ondiep en zoo moest er een aanzienlijke oppervlakte worden uitgebaggerd. Dat deel van het werk heeft niet minder dan twee millioen yen gekost. Ook heeft men kaden aangelegd, die bediend worden door een takje van den spoorweg van Taïhokoe.
De haven is intusschen nog niet genoeg beschut tegen de noordenwinden, die in den winter bijna onafgebroken waaien. Om haar daarvoor te beschutten, zou men een reusachtigen golfbreker moeten bouwen, waardoor de toegang tot de haven bijna geheel zou zijn afgesloten en er slechts een kanaal van 3000 meter zou overblijven.
II.--Reis rondom het eiland.--Ondragelijk wantrouwen van mijn gidsen.--De Kada-Maatschappij.--De Kamferindustrie.--De opium.--Exploitatie, handel en monopolie.--De opium eerst verboden, daarna begunstigd.--Inlandsche scholen.--De suiker.--Laatste aanlegplaats op de Pescadores.--Het werk der Japanners op Formosa.
We hadden een heelen nacht noodig om de 25 mijlen af te leggen, die Keloeng van Swao, onze eerste aanlegplaats scheiden. Swao is met Keloeng een der natuurlijke havens, die het eiland bezit; het is een ruime, diepe en vrij goed beschutte haven, behalve in de richting van het Zuidoosten. Dit punt is de aangewezen uitvoerhaven voor de provincie Giran en de rijke vlakte van Kapsoelan; ofschoon de streek zeer vruchtbaar is, is de handel niet voldoende, om de groote uitgaven goed te maken, die de instandhouding van een flinke haven noodig maken. Tegenwoordig heeft het laden met bootjes plaats. Maar men heeft gemeend, ten minste voor het vervoer der goederen en de vervanging der militaire posten, een Décauvillespoor te moeten aanleggen, die de haven met de hoofdstad van het district verbindt en aan den voet der bergen loopt, waar nog stammen van Atayals wonen.
Ik heb hier opnieuw het verzoek ingediend, een der blokhuizen te mogen bezoeken van het politiecordon, maar de toestemming werd mij niet verstrekt, eerst onder voorwendsel van den korten duur van mijn verblijf en dan ook omdat men mij het uitstapje als gevaarlijk afschilderde, daar de koppensnellers dikwijls strooptochten in die streken deden. Toch kreeg ik vergunning, mij met de Décauville te begeven naar een punt, van waar men op een kilometer afstands een der politieposten kon zien.
Ook daar kreeg ik weer een weigering, toen ik verder wilde doordringen. Het was duidelijk, dat geen enkel gevaar ons kon dreigen tijdens het korte traject, dat we moesten afleggen van mijn waarnemingspunt tot den post. Vreedzame boeren werkten op hun velden in het dal. In wanhoop nam ik plotseling een besluit en begon de helling te beklimmen, zonder acht te slaan op het geroep en de smeekingen van mijn gidsen. Een minuut later ging ik met mijn kleeren aan te water in de rivier, kwam er druipend uit en bereikte al dravend het blokhuis. Hoe groot was niet mijn verbazing, toen ik op den drempel twee vrouwen ontmoette, japansche dames, echtgenooten van de onderinspecteurs van den post, die mij hadden zien aankomen en mij thee aanboden, om mij te verkwikken na het koude bad, dat ik juist had genomen. Zoo waagde men het aan een oud-militair, die drie oorlogscampagnes had meegemaakt, den toegang te weigeren daar, waar moesme's in alle kalmte woonden! Dit te hebben vastgesteld, wees er mij nog eens op, tot welken graad alle japansche ambtenaren, welke hun rang ook zij, de meest argelooze vreemdelingen wantrouwen en er op uit zijn, zooveel mogelijk verstoppertje te spelen.
En hoe meer ik van het blokhuis te zien kreeg, des te minder kon ik mij verklaren, waarom men er zoo geducht geheimzinnig mee was. Het was een eenvoudig steenen huis, nog al lang en voorzien van stevige poorten. De eenige voorzorgsmaatregel, dien men had genomen bij den bouw, was geweest, dat men de bovenverdieping had voorzien van enkele kleine venstertjes, die de verdedigers konden bezigen als kijkgaten en als openingen, om op de aanvallers te schieten. Mijn bezoek duurde overigens maar kort, en een uur later was ik aan boord van onze paketboot Taïto Naroe.
Het schip lag den volgenden morgen stil bij Karenko, de tweede aanlegplaats. Dat punt is gelegen aan het noordelijk uiteinde van een langgerekt dal, dat een kustketen scheidt van den ruggegraat van Formosa, het gebergte, dat er in de lengte doorheen loopt. Het dal wordt gevormd door den loop van twee rivieren, die in tegengestelde richting vloeien en evenwijdig met de zee. Dit land, ofschoon natuurlijk wel vruchtbaar, is bijna onbewoond; de bevolking bestaat er uit enkele inboorlingenstammen, die tot de groep der Amissen behooren en uit een kleine kern van kolonisten van chineeschen oorsprong, uit het Westen van Formosa gekomen kort vóór de verovering door Japan.
Daar deze streek volkomen afgezonderd ligt van de rest van het eiland, vormt ze een land apart. De japansche regeering was eerst voornemens geweest, het tot ontwikkeling te brengen, door het te laten besturen rechtstreeks door haar ambtenaren, maar ze heeft er zich spoedig rekenschap van gegeven, dat die onderneming een uitgave zou vereischen, die ver de grenzen van haar budget voor het eiland zou te boven gaan. Daarom is dan ook besloten, de ontginning der rijkdommen van de streek te gunnen aan een maatschappij, een gecharterde compagnie, wier privilege herinnert aan dat der engelsche maatschappijen in Afrika, vooral aan die van Rhodesia. De promotor en voornaamste aandeelhouder van die maatschappij is een zekere Kada, die een even snel verworven als groot fortuin heeft gewonnen door leveranties aan het japansche leger tijdens den russisch-japanschen oorlog.
Het schijnt evenwel, dat de financiëele toestand der Compagnie niet al te schitterend is, daar de eerste kosten van voorbereiding en installatie reeds het grootste deel van het kapitaal hebben verslonden.
De grootste moeilijkheden, die de Kada-maatschappij zal hebben te overwinnen, vloeien voort uit het ontbreken van middelen van gemeenschap met het binnenland en vooral uit de onmogelijkheid, daar een haven te krijgen, waar men zal kunnen binnenvaren en waar men zonder gevaar de voortbrengselen zal kunnen inschepen. Langs de geheele oostkust, van Karenko tot Taïto, de uiterste punten van de concessie, stelt een zeer gevaarlijke zandbank de grootste bezwaren in den weg aan de overlading der goederen, juist als aan de kust van Guinea. De Japanners kunnen er niet als te Kotonoe of te Grand Bassam een havenhoofd aanleggen, omdat de zee daar te diep voor is, zelfs reeds op slechts eenige meters afstands van het strand. Ook schijnt de landbouw zich niet te kunnen ontwikkelen, omdat hij altijd bedreigd wordt met een verlies van de opbrengst bij de inscheping. Alleen de ontdekking van goudhoudende lagen als in de omstreken van Keloeng zich heeft voorgedaan, zou in staat zijn, het succes van de onderneming te waarborgen.
Toch is men iets begonnen, namelijk de kamferboomen te exploiteeren in de onmiddellijke nabijheid van Karenko. Ze zijn er in vrij grooten overvloed en hebben Formosa wel den naam van het kamfereiland bezorgd.
In de rijkste bosschen van Formosa staan de kamferboomen ver uiteen te midden van andere houtsoorten, soms wel op afstanden van 300 en 400 meter. Die verdeeling van de kamferboomen maakt de taak der arbeiders zeer moeilijk en noodzaakt hen, telkens hun werktuigen te verplaatsen van het eene punt naar het andere, daar de omgeving van de plek, waar ze hun stookplaatsen hebben ingericht al spoedig is uitgeput. Twee andere bezwaren werken ertoe mee, de fabricatie te bemoeilijken, de ongezondheid van het klimaat en vooral het aanhoudende gevaar, dat de nabijheid der koppensnellers meebrengt, die niet ver uit de buurt wonen van alle bosschen, waar tegenwoordig nog kamferboomen worden aangetroffen. Duizenden arbeiders zijn vermoord door de Atayals, en een amerikaansch reiziger heeft kunnen zeggen, zonder te groote overdrijving, dat de kamfer op Formosa alleen kan worden verkregen tegen een gelijk gewicht aan menschenbloed.
De wijze van winning der stof is de volgende, die zoowel door de Japanners als door de inboorlingen wordt gevolgd. De werkman, voorzien van een mand en een bijl, slaat van den tak van een volwassen boom takjes af, die hij overbrengt naar de plek, waar de stookinrichting staat. Deze bestaat uit een steenen vuurhaard, waarboven een metalen schaal wordt geplaatst vol water. Daar overheen wordt een kegelvormige houten kast gezet, bestemd, om de takjes te ontvangen en van onderen van een rooster voorzien. Van het bovendeel der kist gaat een bamboekoker uit, die in gemeenschap staat met een andere houten kist, den verkoeler, die weer door een andere buis in gemeenschap staat met een doos, door afscheidingen in verschillende compartimenten verdeeld. Die laatste is de cristallisatiekist.
Een goed onderhouden houtvuur brandt in den haard en houdt het water in de metalen schaal steeds aan de kook, dat aanhoudend wordt vernieuwd. De stoom van het water, die eruit opstijgt, gaat door den rooster en door de takjes, waar ze verzadigd wordt met kamferdampen, ondergaat daarna een eerste afkoeling in den verkoeler en condenseert tegen de wanden van de afdeelingen van de kist der cristallisatie in den vorm van kleine kristallen, die wit zijn en op zout gelijken. De hoeveelheid kamfer, die aldus wordt verkregen, verschilt zeer veel al naarmate van de hoedanigheid van het hout, dat de takjes heeft geleverd en de handigheid, aan den dag gelegd door den werkman, toen hij zijn vuur op de gewenschte kracht hield; men moet gemiddeld rekenen op 4 tot 5 kilo's per dag, dat wil zeggen, twee of drie procent kristallen met betrekking tot het gewicht der gebruikte takjes.
Kamfer is ten allen tijde een der voornaamste artikelen van uitvoer op Formosa geweest, zoowel toen de bereiding vrij was, als toen ze het voorwerp was van een regeeringsmonopolie. Ofschoon er kamferboomen worden aangetroffen in verscheiden andere landen van het Uiterste Oosten, vindt men ze alleen op Formosa en op de zuidelijke eilanden van den japanschen archipel in voldoend aantal, om de exploitatie winstgevend te maken. De aanhechting van deze nieuwe kolonie bij het japansche keizerrijk heeft dat laatste ten minste voor het oogenblik buiten het bereik gesteld van alle vreemde concurrentie als producent van kamfer. Eenige jaren vóór de annexatie ontdekte men in Europa de stabiliseerende eigenschappen van deze stof ten opzichte van die ontplofbare stoffen, waarvan nitro-cellulose den grondslag uitmaakt. Om die reden wordt ook de kamfer gebruikt voor de samenstelling van het celluloïd, waarvan het gebruik zoo snel zich heeft uitgebreid en dat de waarde van de kamfer niet weinig heeft verhoogd. Die omstandigheden hebben de japansche regeering ertoe gebracht, het monopolie van de kamferbereiding te herstellen, gereglementeerd door een wet, waarvan ik u de voornaamste bepalingen hier even wil meedeelen.