Chapter 6
"Het is dan toch waarlijk al te erg," hervatte ik, "dat al mijn gezegden zoo verkeerd door u worden opgenomen. Ik zal nog moeten eindigen met u allerlei onaangename dingen te zeggen, na vooraf verzocht te hebben dat gij wel zoo goed wilt zijn, al mijn uitdrukkingen letterlijk in den tegenovergestelden zin op te vatten. In 's hemels naam!" voegde ik er haastig bij, ziende, dat een wolkje van ongenoegen op het blanke voorhoofd der jonge schoone begon samen te trekken: "wees niet boos, maar oefen lankmoedigheid uit jegens iemand, die nu twee jaren buiten de gelegenheid is geweest een meisje in 't Hollandsch aan te spreken: en zoo ik iets zeg, dat u mishaagt, schrijf het daaraan toe, dat mijn blijdschap over de eerste ontmoeting met een stadgenoot mij 't hoofd op hol brengt. Moet ik het niet als een gelukkig voorteeken opvatten, ja zelfs er het onweder voor dank weten, dat gij die persoon zijt en niet de een of andere...." hier schoot ik onwillekeurig uit in schaterend gelach; want mijn ontmoeting met Simon kwam mij voor den geest. Mejuffrouw Blaek keek mij eenigszins verbaasd aan, niet wetende wat die ongemeene vroolijkheid beduidde.
"Ik bid u duizendmaal om vergeving," vervolgde ik: "maar juist herinnerde ik mij, dat ik reeds hedenmorgen een stadgenoot ontmoet heb, en wel een Joodje met negotie: dat denkbeeld in verband met hetgeen ik zeide, kwam mij zoo zot voor, dat ik niet kon nalaten er om te lachen... UEd. is er toch niet boos over?"
"Niet in het minste! Het spijt mij maar om uwentwil, zoo UEd. aan voorteekenen hecht; want nu ligt het gansche gebouw uwer hoop in duigen."
"Nog niet! Op mijn eerste ontmoeting is een geweldige regenbui gevolgd, en dus heb ik het leed, dat zij mij aanbrengen moest, al beet, maar deze tweede kan mij niets dan goeds voorspellen."
"Zij voorspelt u een duchtige verkoudheid," zeide het schalksche meisje: "of kunt gij nogal tegen een nat pak?"
"O ho!" zeide ik: "daar vrees niet ik voor: straks loop ik mij weer warm?"
"Wel mogelijk!" zeide zij, met een goedaardigen blik: "maar het ware toch niet kwaad, zoo gij iets naamt om u wat te verwarmen. Het zou mij voor de eer van mijn oom spijten, indien gij op Guldenhof geweest waart en niets gebruikt hadt om u te verkwikken. Ik zal zien wat de kast bevat."
Met deze woorden sprong zij op, nam een bos sleutels, die aan de boekenkast hing, er af en opende, niettegenstaande mijn betuiging, dat ik niets behoefde, eene der andere kasten, welke, gelijk ik al vermoed had, tot buffet diende en waar, behalve eenig Japansch en Chineesch porselein, een zilveren tabakskomfoor, een kistje en verder toebehooren, zich ook een likeurkeldertje bevond, hetwelk ik er uitnam en op de tafel zette.
"Ziehier!" zeide zij: "wat zult gij; nemen? cognac, rum, rosolis, ratafia! wat gij begeert."
Ik nam een glas cognac aan en voelde inderdaad dat het mij goeddeed. Intusschen had ik, terwijl mijn schoone gastvrouw in de kast schommelde, het opschrift gelezen, hetwelk daarboven prijkte en luidde als volgt:
"Gij, die in dit verblijf wilt toeven met gemak, Gij vindt in deze kast pijp, vuurtest en tabak: Ook keurig porselein van China's verre kust En goeden morgendrank, zoo u geen koffie lust."
"Een zeer goede terechtwijzing voor de dieven, die altemet hierbinnen mochten dringen," zeide ik, "om niet verlegen te zijn, waar zij iets naar hun gading kunnen vinden."
"O!" zeide Mejuffrouw Blaek: "de koepel wordt goed gesloten: en het weinige, dat zich hier bevindt, is de moeite van 't inbreken niet waardig."
"Het schijnt hier vol rijmpjes te zijn," zeide ik, mij omdraaiende, en het opschrift der boekenkast lezende, 't welk van dezen inhoud was:
"Men streele en voede 't lijf; maar beter nog den geest, Is voor eene eeuw de les van Vader Cats geweest; Zoo gij begeerig zijt om onderricht te zoeken, Hier binnen vindt gij keur van goede en nutte boeken."
"'t Is jammer van 't goud, dat aan de letters verspild is," dacht ik bij mijzelven; maar te gelijk mompelde ik overluid: "hm! zeer aardig!"
"Thans, heer waarheidspreker," zeide de schalksche plaagster, "ben ik overtuigd, dat gij niet meent zooals gij spreekt."
"Wat zal ik zeggen," hernam ik, de schouders ophalende: "hoog dravende poëzie is het juist niet: maar het zijn rijmen, die doel treffen, en dat kan men juist van alle niet zeggen. Ook moet ik u bekennen, dat ik hoegenaamd geen gevoel voor, noch kennis van dichtkunde bezit."--En dit was waar.
"Mag ik eens verder lezen?" vervolgde ik, en hief nu aan met het opschrift, boven het derde vak geplaatst:
"De leeuw, dien Simsons vuist ter neder heeft geveld, Had honing in den muil, gelijk de Schrift vermeld: Maar zoo deez' kast almeê een leeuwenkop besluit, Daar vliet nooit anders dan gezuiverd water uit."
"Voorwaar!" zeide ik: "ik dacht niet dat ik Simson bij deze gelegenheid zou aantreffen."
"Wat zal men veel zeggen over een fontein?" zeide Mejuffrouw Blaek, de schouders ophalende: "onze koepeldichter heeft zelfs kans gezien om op de wenteltrap te rijmen, die achter dit beschot loopt, en er onze stamvaders bij te pas te brengen."
Ik wendde mij om en las het vierde opschrift:
"Nieuwsgierigheid heeft vaak den mensch gebracht in 't leed, Gelijk zij 't Adam en zijn bedgenoot al deed. Bedenkt dit, eer gij 't waagt, ook deze deur te ontsluiten; Gij mocht licht tuim'len en u arm of been verstuiten."
"Brr! dat mag hoogdravend, of liever laagvallend heeten," zeide ik: "hoe jammer, dat de vervaardiger van al die kunstgewrochten de zedigheid heeft gehad van zijn naam nergens onder te plaatsen."
"O! wat zijn naam betreft," zeide Mejuffrouw Blaek, "die staat buiten boven den ingang, onder een vijfde opschrift, waarbij hij in brommende woorden vertelt, dat dit gebouw een koepel is, even of de lieden het voor een kippenhok zouden aanzien. Het is anders een goede man, die Lucas Helding; maar het nageslacht zal er weinig aan missen, al zet hij nimmer weer een pen op het papier."
"Ik houd mij toch overtuigd," zeide ik, dat hij betere dingen maken kan, wanneer hij waardiger onderwerpen heeft dan een koepel en een wenteltrap. In zijn hoedanigheid als dichter van Guldenhof heeft hij ongetwijfeld uwe begaafdheden meer dan eens bezongen: en het kan niet anders, of het onderwerp moet zijn dichtgeest hebben aangeblazen."
"UEd. raadt wel," zeide zij: "ik heb nog nooit mijn verjaardag gevierd, zonder een berijmden gelukwensch van hem te ontvangen: en er is geene godin op den Olympus, waar ik niet bij vergeleken ben geworden. Ongelukkig had hij verleden jaar zijn stof wat uitgeput; want toen was ik niet alleen Venus, dat sprak vanzelf, maar Juno, Vesta, Ceres, Minerva, weet ik wat al meer: 't is waar, ik had hem ook een degenstrik geborduurd; maar dit jaar kwam ik er slecht af en was niet meer dan Atalante! dat was een leelijke val."
"Zeker waart gij dezen of genen minnaar ontloopen," merkte ik lachende aan: "maar komaan! dan wil ik u weder op den Olympus terugbrengen en u mijn dank als Hebe toebrengen," en ik dronk mijn glaasje uit.
"Hebe bediende alleen de goden, mijnheer!" zeide zij, spottende.
"Ik bid u om vergeving," zeide ik: "zij gaf ook Hercules, die maar een halve god was, nu en dan wat te drinken, als hij nat te huis kwam."
"'t Is mogelijk!" hernam zij: "ik zal mij niet vermeten te twisten met iemand die gestudeerd heeft. Wilt gij nog een glaasje?... o hemel! daar luidt de etensbel! nu zal ik er wel door moeten, regen of geen regen."
"Maar welke barbaren wonen er dan toch op het Huis," vroeg ik, "dat niet een van hen de beleefdheid heeft u te komen zoeken?"
"Ik durf niet langer blijven," zeide het jonge meisje, met blijkbare verlegenheid: en haar boek in de kast geplaatst hebbende, nam zij haar werk op; maar de breikluw ontviel haar en rolde onder de tafel. Ik bukte juist om die op te rapen, toen opeens de kreet van: "gevonden! gevonden!" mijn ooren trof, en drie mij onbekende aangezichten zich gelijktijdig op de stoep vertoonden.
* * * * *
VIERDE HOOFDSTUK.
'T GEEN VERHAALT WAT ME VERDER IN DEN KOEPEL VOORVIEL.
De voorstanders der nieuwe school, welke sedert eenigen tijd in de letterkunde het hoofd begint op te steken, schijnen, met verwerping der oude eenvoudigheid, welke wij van de Grieken en Romeinen hadden ontvangen, in hunne voortbrengselen, vooral in die van dramatischen aard, machtig veel prijs te stellen op treffende en ongehoorde tegenstellingen en contrasten, en op alles, wat vreemde en door hun onverwachte verschijning sterk schokkende uitwerkingen teweegbrengt. Hiertoe behooren voornamelijk de zoogezegde _coups de théatre_, welke tegenwoordig bij onkundigen, ja zelfs (ik zeg het met leedwezen) bij ettelijken, die beter moesten weten, meer indruk maken en meer toejuichingen verwerven dan de fraaiste gezegden of de schilderachtigste beschrijvingen onzer beste dichters. Wat mij betreft, wellicht komt het daar vandaan, dat ik op mijn ouden dag mijn smaak niet weet te plooien naar dien des hedendaagschen tijds; maar ik kan maar van mijzelven niet verkrijgen, dat verschrikkelijk bonte, dat sterke licht en bruin, al die schuddende en schokkende contrasten te bewonderen: en zoo ik al in enkele gevallen vrede heb met die _coups de théatre_, welke mij doorgaans eer een lach van medelijden dan een kreet van genoegen afpersen, het is in een blij- of kluchtspel, waarin ik oordeel dat zij te huis behooren.
Men vergeve mij deze uitweiding, welke sommigen misschien zal ergeren en aan allen waarschijnlijk ongepast en misplaatst zal voorkomen; maar het is een voorrecht van den ouderdom, bij ettelijke gelegenheden wat lang van stof te worden, en wat te beuzelen, 't geen soms bazelen wordt. Tot mijn verdere verschooning moet ik zeggen dat de aanleiding daartoe zich zeer natuurlijk verklaren laat uit den toestand, waarin Mejuffrouw Blaek en ik, zoowel als de drie nieuwe personages, die ons kwamen verrassen, ons aan het slot van het voorgaande hoofdstuk bevonden, en welke toestand over en weder een der aardigste _coups de théatre_ opleverde, die immer in de gefingeerde tooneelwereld kan worden uitgedacht.
Verbeeld u slechts, aan de eene zijde, den schrijver dezer gedenkwaardige geschiedenis, in den fraaien dos, die vroeger beschreven is en die door den regen niet beter van aanzien geworden was, op handen en voeten onder de tafel liggende om de kluw op te rapen van Mejuffrouw Blaek, die op het geroep het blonde hoofdje had omgewend, en zoodra zij de aankomenden herkende, met neergeslagen oogen en bloedroode wangen, als op haar plaats genageld bleef staan, gelijk iemand, die op een schuldige daad wordt betrapt:--en, aan den anderen kant, de drie nieuwaangekomenen, verbaasd en als versuft op den drempel staande om dit tooneel aan te gapen, en zeker alle drie in den waan verkeerende, dat het hier niet zuiver toeging, en dat Mejuffrouw Blaek een vrijer had, die zich onder de tafel zocht te verbergen. Waarlijk, dit leverde een tooneel op, het penseel van mijn ouden kennis Troost, of een hem gelijken schilder overwaardig. En opdat het niemand, die zich mocht opgewekt gevoelen, deze ontmoeting op het paneel te vereeuwigen, aan de vereischte bijzonderheden ontbreken moge, welke hem in staat kunnen stellen alles als naar 't leven af te beelden, wil ik hier de beschrijving bijvoegen van de drie personen, door welke ons tête-a-tête zoo onverwachts gestoord werd.
De voorste van hen was niemand minder, dan de eigenaar zelf der hofstede, de Heer Jacobus Blaek, een man van middelbare lengte, schraal en ongezond van uitzicht, en voorzien met een gelaat, waarvan men de kleur gevoeglijkst bij die van een glas zuiver Amsterdamsch grachtwater zou kunnen vergeleken hebben. De rimpels, die zijn voorhoofd groefden, de ziekelijke uitdrukking van zijne, diep in de kassen weggezonken oogen, de ver vooruitstekende kin en magere wangen, en het gemis van de grootste helft zijner tanden, gaven hem het voorkomen eens afgeleefden grijsaards; ofschoon hij werkelijk niet ouder was dan drie en vijftig jaren. Zijn houding echter was altijd afgemeten en deftig; ja, in sommige gevallen niet van waardigheid ontbloot, en zijn voorkomen dat van een fatsoenlijk man. Zijn gewaad bestond in een effen zomerrok van gevlochten zilverdraad. Van uit de breede omslagen der mouwen, die tot even onder de ellebogen reikten, viel een aanzienlijk pak lubben op den voorarm neer. Het kamizool was van zwart gebloemd damast, evenals de wijde broek; en tusschen beide in blonk een hagelwit linnen. De zijden kousen staken in groote vierkante schoenen met hooge roode hakken voorzien. Hij droeg thans geen degen, maar een kostbaren hartsvanger op zijde, aan een zilveren ketting, in een scheede van robbevel, en waarvan het gevest van ivoor was vervaardigd, ingelegd met goud. Een touwen pruik en daarboven een witte lakensche pet met een breede ver vooruitstekende klep, bedekten het hoofd: en een das met kantwerk aan de tippen, waarover rijkelijk snuif gestrooid was, omstrikte den hals. In de rechterhand hield hij een langen bruinen rotting met barnsteenen knop, en in de linker een regenscherm.
Rechts achter hem bevond zich zijn eenige zoon, de Heer Lodewijk Blaek, een rijzig, kloek gebouwd jonkman, met groote bruine oogen, een welgevormden mond en regelmatige trekken, welke hem een allergunstigst uiterlijk zouden geschonken hebben, indien er niet in zijn schuinschen blik en in de wijze, waarop hij gewoon was den neus en de onderlip op te halen, iets ware gelegen geweest, dat van hoogmoed en verachting sprak en een onaangename uitdrukking over zijn gelaat verspreidde: en indien niet enkele roode vlekjes, op zijn fletse wangen verspreid, te duidelijk heur herkomst hadden geopenbaard van de menigvuldige brasserijen en nachtwaken, die toen, wat ook een _laudator temporis acti_ moge zeggen, meer in zwang waren dan tegenwoordig. Zijn kleeding was rijker en meer nieuwmodisch dan die van zijn vader, ofschoon insgelijks die van een buitenman; maar zijn rok was van groen laken, als bezaaid met een onnoemelijk getal kleine ronde knoopjes, en met wingerd-ranken van groene vlaszijde om de zakken en op de naden geborduurd. Zijn broek, waarboven een driedubbele gouden horlogeketting bungelde, was van geel leder: zijn gerolde bovenkousen van gele zijde, en de onderkousen van geweven touwwerk; van onder een ouden hoed, dien hij zeker in de haast had opgezet, golfde een fraaie pruik van kastanjebruin haar in sierlijke krullen naar beneden, en deelde zich op den nek in twee zoogenaamde _marteaux_, waarvan slechts de eene zijn weg over den rug vervolgde, terwijl de andere, naar den toen heerschenden smaak over den linkerschouder naar voren was gebracht. Hij droeg degen noch jachtmes; maar een klein hondenzweepje met een gouden fluitje aan den steel stak hem onder den arm uit, terwijl ook zijne hand zooals die zijns vaders gewapend was met een regenscherm; het zijne echter was van rood taf met gelen rand, bloemen en gewerkte franje: dat van zijn vader van grof linnen en meer ouderwetschen vorm.
Wat de derde personage betrof, die meer achterwaarts bleef en de slinkerhand hield, deze was niemand anders dan de Heer Lucas Helding, de voortbrengselen van wiens vernuft ik in het vorige hoofdstuk heb medegedeeld. Men had den goeden man slechts aan te zien om gewaar te worden, dat hij door de beide Heeren, in wier gezelschap hij zich bevond, slechts geduld was en niet meer, en er verre van af was, die onafhankelijkheid te bezitten, waarop de Muzenzonen gewoon zijn zich te laten voorstaan. En waarlijk, het was, in die dagen zooals nu, een beklagenswaardig lot voor een inboorling van ons Gemeenebest, wanneer hij, niet door de fortuin bedeeld zijnde, zijn brood met de beoefening der schoone kunsten en wetenschappen verdienen moest: vooral in Amsterdam, waar men weinig of geene achting koesterde voor al wie aan de begaafdheden, welke hem de natuur geschonken had, het gewicht niet wist bij te zetten van eenige goede zakken met dukaten en eenige liassen schuld- en kustingbrieven;--maar meer dan één schilder, wiens voortbrengselen thans duizenden gelden, in een gasthuis stierf; waar meer dan één plaatsnijder zich uit armoede verdronk en menige geleerde op een vliering woonde.
Er was er echter onder de begunstigden van Apollo en het negental, aan wien wel geen rijkdom te beurt viel, maar toch een zeker bestaan werd verschaft,--zeer draaglijk voor alledaagsche geesten; maar voor hoogvliegende vernuften meer onverduurbaar wellicht dan de ellende zelve. Hoewel onze Amsterdamsche Patriciërs (ik spreek hier in 't algemeen: er bestonden enkele en treffelijke uitzonderingen) weinig met de beoefenaars der kunst ophadden, zij konden, bij de steeds klimmende weelde, de kunst zelve hoe langer hoe minder missen. Men bouwde overal nieuwe en prachtige huizen: goed: men betaalde de bouwmeesters wel; maar dan moesten er ook beelden en vazen zijn in de voorportalen en gangen; schilderijen op de behangsels; basreliefs boven de deuren; allegoriën, beeldspraken en deviezen aan de gevels, stoepen, tuin- en zomerhuizen.--Men had fraaie rijtuigen;--maar de paneelen moesten met de wapens des eigenaars en met keurig schilderwerk prijken. Men had sierlijk aangelegde lusthoven; maar dit moest een ieder weten, en daarom moesten die in een "deftig dicht", gelijk men 't noemde, bezongen worden. Men had boekerijen;--maar het was niet altijd de zaak des eigenaars om die zelf te verzamelen. Eindelijk, men had van Augustus en Mecenas hooren spreken, van de aanmoediging en bescherming, door hen aan de kunst verleend, en hoe zij, ter wedervergelding, door dichters en kunstenaars werden geëerd en geprezen: en nu moest ieder, die geld had, een Augustus of Mecenas worden en ten minste aan een paar schilders of dichters zijn hooge gunst doen blijken. Dat bij sommige aanzienlijke ingezetenen een wezenlijk gevoel voor het schoone en goede bestond, kan niet geloochend worden; en ik zal de eerste zijn om hulde te doen aan mannen, gelijk ik er velen gekend heb, die met den luister hunner geboorte en het aanzien, dat stand en rijkdom hun gaven, vernuft, geleerdheid, goeden smaak en echten kunstzin wisten te vereenigen; maar, dat het bij de meesten een zaak van mode was, zal evenmin weersproken worden door iemand, die van den toenmaligen tijdgeest slechts een flauwe kennis draagt:--en zoo gebeurde het, dat schilders van den eersten rang hunne goddelijke kunst moesten verlagen om die te doen strekken tot het versieren van vertrekken of staatsiekoetsen, of het teekenen van perspectieven aan het einde eener laan en op de wanden eener oranjerie: of wel, tot het afbeelden van hun beschermer en zijn huisgezin, in de door hen gekozen, vaak belachelijke gewaden en houding;--dat de dichter zijn vlucht beperken moest binnen de enge grenzen van het lofdicht, ter eere van den rijkaard, die hem betaalde, en van het beschrijvend gedicht, ter verheffing van de buitenplaats, waar hij nu en dan het onwaardeerbaar voorrecht genoot een paar dagen door te brengen: wanneer er namelijk geene meer aanzienlijke gasten waren dan de jongste boekhouder en diens familie.--Want, waagde hij het, hooger tonen te slaan, hij kon van te voren berekenen, dat zij hem geen stuiver zouden opbrengen.
Zoodanig een lot was ook dat van Lucas Helding, wien de Heer Blaek zich had aangetrokken, niet omdat deze eenig gevoel voor de dichtkunst bezat, maar omdat gezegde Lucas Helding hem eenige jaren vroeger, door zijn zoon Lodewijk (die er zijn redenen voor had) was aanbevolen geworden tot het bezingen der schoonheden, welke de hofstede Guldenhof opleverde. Ettelijke honderden van exemplaren in 4° formaat, met fraaie lederen banden en goud op snede, onder de vrienden en kennissen van den Heer Blaek rondgedeeld, getuigden, hoe treffelijk zich de hofdichter van zijn taak gekweten had; en deze, hierdoor onder het patronaat van den eigenaar der door hem bezongen hofstede gekomen, genoot sinds de benijdbare onderscheiding, van somtijds bij zijn beschermer eenige dagen te mogen doorbrengen en nu en dan met een kleine _douceur_ in geld, of wel met een ouden rok of hoed te worden vereerd. Hij had het in waarheid slechter kunnen treffen, want op Guldenhof waren geen kinderen, die men te vergezellen had, wanneer zij in een bokkenwagentje reden (een bezigheid, die gewoonlijk anders aan zulke logeergasten werd opgedragen): geen Fransche gouverneur, met wien men uitgestuurd werd ter wandeling en wien men niet verstaan kon: geen vrouw des huizes, die de portiën aan tafel zelve voordiende en zorg droeg, dat een gast als deze niet meer kreeg dan zijn bekomst;--het gansche huisgezin bestond er slechts uit drie personen, waarvan twee zich weinig of niet met hem bemoeiden, en de derde--een engel was. Lucas Helding sleet dus, zoo dikwijls hij op Guldenhof kwam, daar werkelijk gulden dagen; at en dronk zooveel hem lustte, wandelde waarheen hij wilde, mocht ongemoeid in de boekerij snuffelen, en vond Mejuffrouw Blaek altijd gereed en genegen om een praatje met hem te maken en hem te plagen.
Met dat al, men behoefde, gelijk ik reeds heb gezegd, onzen Muzenzoon slechts aan te zien, om zich overtuigd te houden, dat zijn financiën zich geenszins in een voordeeligen staat bevonden, en Plutus hem evenmin gunstig was geweest als zoovelen anderen, die voor en na Lucas Helding de lier van Apollo getokkeld hebben.
Mijn bemerking geldt echter alleen het uiterlijke voorkomen van den man; want niettegenstaande zijn soberen opschik, schenen zijn ronde buik en blozende wangen van een betere keuken en meer voorzienen spijskelder te gewagen dan hem gewoonlijk ten deel viel: en de goede moeder natuur had het vergoedingsstelsel te zijnen opzichte in zooverre gevolgd, dat zij hem bij zijn armoede een gelukkig humeur en een blijde vroolijkheid had geschonken, welke hem de nukken der fortuin trots den besten wijsgeer deden tarten, en alleen, gelijk uit het vervolg zal blijken, nu en dan voor smarten van een meer treffenden aard moesten zwichten. Zijn rond en open gelaat, zijn kleine, maar geestige oogen, zijn lachende roode lippen, hadden, om voordeelig uit te komen, een betere lijst verdiend dan het magere pruikje, waaruit eenige grijze haren ontsnapten, die te kennen gaven, dat hun eigenaar de zes kruisjes reeds achter den rug had. Wat het overige van 's mans kleeding betrof, om met een dichter van zijn slag te spreken,
Zijn kamizool, schoon 't van damast was,-- Was 't slechtste stuk, dat aan zijn bast was,
en miste reeds lang de grootste helft der knoopen, waarmede het vroeger versierd was geweest en wier plaats tegenwoordig vervuld werd door een menigte spelden, zoo hoog opgestoken, dat zij het vraagpunt in 't midden lieten, of er al dan niet eenig linnengoed onder dat vest verborgen was. De rok was bij uitstek fraai ... geweest, maar de kleur der gele, blauwe en oranje ruiten, welke daarop te zien waren, was lang verschoten en het fatsoen ten eenenmale ouderwetsch geworden: ook was hij niet ruim genoeg, om dichtgeknoopt te kunnen worden over den vooruitpuilenden buik, die met moeite geborgen werd in een groen fluweelen broek, welk laatste kleedingstuk, nog zoogoed als nieuw zijnde, merkelijk tegen de rest afstak. Witte geweven kousen, welke tot boven de dijen reikten en onder de knie met een paar marokijnen kousebanden opgehouden werden, omsloten de korte en met fraaie kuiten voorziene beenen, waarmede hij angstig op en neder trippelde, om een paar groote honden van den Heer Blaek te ontwijken, die er vermaak in schenen te vinden om hem in verlegenheid te brengen. Wanneer men zich nu bij dit alles een klein degentje met tinnen gevest, onder het rokspand half verborgen, en een paar lomp gemaakte schoenen voorstelt, zal men zich een klaar denkbeeld kunnen maken van den persoon van Lucas Helding. Ook hij droeg een regenscherm; maar het zijne was zoo bedekt met lappen en zetstukken, dat de oorspronkelijke aard en kleur der stoffage niet langer te onderkennen was.