Ferdinand Huyck

Chapter 52

Chapter 523,654 wordsPublic domain

En ik had niet verwacht, ooit Terschelling te zullen zien," antwoordde hij: "en voorwaar niet om zulk een reden.--Arme vriend! Gij zijt mager en bleek geworden: dit logies deugt u mets.

"En mijn ouders!... weet gij iets van hen?... Vanwaar komt gij?" vroeg ik, in gespannen verwachting.

"Allen wel:--een half uur geleden hier gearriveerd--rechtstreeks van Amsterdam--en met commissiën van allerlei _genre_--rechts en links."

"Gij komt van Amsterdam?--Hebt gij mijn vader gezien?--Weet hij, weet mijne goede moeder?..."

"Stil.... Een oogenblik! Gun mij den tijd adem te halen, zeide Reynhove, zich nederzettende en zijn paruik in orde schikkende: "_ma foi_," vervolgde hij, rondziende: "gij zijt hier niet te best gelogeerd: --nu--dat is te begrijpen.--Uw vader is wel, ik ben bij hem geweest: hij poogt zich goed te houden en voor uw moeder te verbergen wat hier is gepasseerd; maar het goede mensch is toch in doodelijke _inquiétude_, want zij merkt wel, dat er iets gaande is.--_Enfin_, het is een mal geval: en ik wilde wel om duizend kronen, dat gij hier nooit heengetrokken waart."

"Mijn arme ouders!... en zij houden mij toch niet voor schuldig, Reynhove?"

"Gij vergeet wat ik u zeide, dat niemand iets van de ware toedracht der zaak _soupconneert_, behalve alleen uw vader ... maar laat mij u alles toch ordelijk verhalen."

"En mijn zuster?... En ... de andere betrekkingen?'

"Uw zuster is wel, en uwe Tantes ook, en Mejuffrouw Blaek ook--ofschoon zeer gesaisisseerd van dat fatale geval."

Ik wil wel gelooven," hernam ik, "dat de toestand van Lodewijk...."

"Ja! en dan de dood van haar oom...."

"Hoe!" riep ik uit: "is de oude heer Blaek dood?"

"De wereld geabandonneerd" zeide Reynhove: "en wel zonder het appèl af te wachten.--Maar zoo gij mij niet aan het woord laat, zult gij nooit iets naar behooren vernemen.--Antwoord mij eerst: wien denkt gij in mij te zien?"

"Een vriend, naar ik hoop," zeide ik, eenigszins verwonderd over deze vraag.

"Dat spreekt vanzelf;--maar, hehalve dat? Gij raadt het niet?"

"Ach!" zeide ik: "denk toch in welke omstandigheden ik mij bevind, en hoe weinig ik, zelfs tot onschuldige scherts, gesteld ben."

"'t Is waar: gij hebt gelijk.--Welnu! gij ziet in mij een gedelegeerde van Hunne Hoogmogenden _pas moins que-ça_. Ik ben hier op een missie uit en begin mijn diplomatieke _carrière_."

"Ik wensch u geluk," zeide ik, zuchtende: "maar in 's Hemels naam...."

"Uw vader had gelijk," vervolgde Reynhove: "het werd tijd, dat ik eens iets anders deed als rijden en mij amuseeren. Ik heb zijn raad gevolgd en ben in politieke betrekking gekomen.--Hoor nu verder: een paar dagen na uw vertrek van Amsterdam, werd door de Heeren in den Haag, ten gevolge der voorspraak van den Russischen Gezant, met wien men gaarne goede vrienden wilde blijven, van een dringend advies van de Amsterdamsche regeering, en van de _démarches_, door ettelijke lieden van _influentie_ gedaan, werd er goedgevonden, zeg ik, om _primo_ den Heer Van Lintz, dien gij kent, niet uit te leveren aan Spanje, en secundo, om hem niet als deserteur te beschouwen; waartoe dan ook bleken geene termes aanwezig te zijn, daar zijn akte van ontslag reeds, op een paar formaliteiten na, was opgemaakt voor zijn escapade met Mejuffrouw Reefzeil:--kort en goed: alle difficulteiten waren weggeruimd en het bevel van apprehensie moest gecontramandeerd worden. Ik werd door mijn vader gechargeerd, die goede tijding aan de Amsterdamsche regeering te brengen:--ronduit gezegd: ik had mijzelven geoffreerd om die boodschap te doen: ik wist, dat de tijding uw vader welkom zoude zijn--en bovendien--waarom zoude ik het _niëeren_?--er was nog een trekpleister, die mij naar Amsterdam en wel naar uw huis deed verlangen."

"Hoe!" viel ik Reynhove in de rede: "hebt gij zulke gedachten in 't hoofd?"

"Uw zuster Suzanna is een plaaggeest," antwoordde hij lachende: "maar met dat al, ik zou mij hoogst gelukkig rekenen, indien zij mij levenslang tot het doel van haar plagerijen wilde nemen: wij zouden zien, wie het langst het uit zoude houden.--Maar dat daargelaten, want ik heb ernstiger zaken te behandelen. Ik vond uw vader aan 't Stadhuis: de Heer Blaek ging juist van hem vandaan en scheen alles behalve opgeruimd. Uw vader wilde, toen hij mij gesproken had, terstond een tweede expres naar Terschelling sturen om bevel te geven, den Heer Van Lintz te libereeren:--één had hij er reeds weggezonden, op een vroegere tijding dat de zaak goed stond;--maar terwijl wij nog aan 't praten waren, daar kwam de brief aan van Heynsz, waarbij werd gemeld, hoe Lodewijk was gewond en hoe men u als getuige bij de zaak hield ... ik zag den man verbleeken toen hij den brief las, en merkte terstond, dat er onraad moest zijn. Hij vermande zich echter en reikte mij met een kalm gelaat den brief toe. Ik ontstelde insgelijks over den inhoud: maar zag niet terstond alles door. "Die tijding zal den ouden Heer Blaek geweldig frappeeren," zeide ik: maar ik begrijp niet, hoe uw zoon daarin geïmpliqueerd is."--"Ik maar al te wel," antwoordde hij: "zij hebben elkander geprovoceerd--de eene is als het slachtoffer gevallen van dat noodlottig punt van eer; en de andere ... (o God! mijn zoon!...) heeft de wraak der wet te duchten. "O! Mijnheer ben een ongelukkig vader!""--Ik had innig medelijden met den braven man en bood hem aan, zelf als expres naar Terschelling te gaan en te onderzoeken hoe het met de zaak geschapen stond. Hij aarzelde eenige oogenblikken: maar nam eindelijk mijn propositie met dankbaarheid aan. Daar ik toch niet voor den avond vertrekken kon, ging ik eerst naar den Heer Blaek om hem het ongeval zijns zoons te verhalen--mede voorwaar geen aangename commissie; ik vernam, dat hij niet te spreken was, maar mij verzocht een uur later te komen. Ik voldeed aan het verzoek;--toen ik op den bepaalden tijd weder aan zijn huis kwam, was hij een lijk.--Hij had, naar men vermoedt, zich met vergif om 't leven gebracht."

"Ontzettend! en wat kan de reden zijn?..."

"Die is nog een raadsel: droefheid over het ongeval zijns zoons kan het niet geweest zijn; want dat kon hem nog niet bekend wezen;--maar dat zal zich wellicht later openbaren. Henriëtte was radeloos en onwetend wat te doen. Ik stuurde naar uw vader. Hij kwam, uw moeder kwam, Mejuffrouw Suzanna kwam----in 't kort--het was een tooneel vol desolatie en drukte. Op de schrijftafel van den overledene lag een toegelakte brief aan zijn zoon: dien vermoeden wij, dat licht over het geval zoude verspreiden:--_enfin!_ hij moest kennis van het gebeurde dragen en ik zeilde dus naar dit eiland af met een driedubbele missie."

"En...? Mejuffrouw Blaek...?"

"Zooals ik u gezegd heb, zij is violent geschrikt--bedroefd.... _enfin_; zooals men bij dergelijke gevallen gesteld is.--Om kort te gaan: ik heb mij bij mijn komst alhier geadresseerd aan zekeren vent, die den naam van Doedes draagt, en een _quibus_ in _folio_ is,

"Ik ken hem, tot mijn ongeluk," zeide ik.

"Welnu! Ik ben begonnen met aan hem en aan Heynsz het bevel voor te lezen, om den Heer Van Lintz te libereeren:--vervolgens heb ik mij naar Lodewijk begeven, en hem, met permissie van dienzelfden Doedes, die mij zoowel een zotte Dokter als een zotte Drost toeschijnt, na behoorlijke preparatie, het overlijden van zijn Heer Papa gecommuniceerd. Hij was, 't is zonde dat ik het zeg, meer verbaasd dan bedroefd--enfin! hij scandaliseerde mij en ik ben maar spoedig van hem afgeloopen, na hem den brief te hebben gelaten, die, hoop ik, meer _impressie_ op hem zal maken. Toen heb ik aan dien Doedes gezegd, dat ik u moest zien en spreken, en de vent heeft, met al zijn wijsheid en waan, het niet durven weigeren aan iemand, die zulk een mooien rok aan had, die hem een bevel van H.H.M.M. bracht en die op zulk een hoogen toon tegen hem sprak.--En nu ben ik hier--en recht verdrietig, van u in zulk een gek parquet te zien; want ik hoor, dat het hier geen quaestie van een duel is, maar dat Lodewijk u van moord beschuldigt."

"Hij liegt, Reynhove! bij al wat heilig is, hij liegt."

"In dat geval is het een heel gemeene leugen, en hoop ik, dat hij tot inkeer zal komen.--Maar...."

Op dit oogenblik werd ons gesprek gestoord door een groote drukte aan de deur, die met gedruisch openging; terwijl Reynszen, Pulver, Helding, Heynsz en de Stokbewaarder bijna allen gelijktijdig binnendrongen, en allen dooreen schreeuwden.

* * * * *

NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

HETWELK BEKENTENISSEN EN STERFBEDDEN AFSCHETST: ZEER MELANCHOLIEK OM TE LEZEN.

"De Heer Blaek verlangt u te spreken," riep Reynszen mij toe.

"Hij zal bakzeil inhalen!" schreeuwde Pulver.

"Hij wil met geen leugen de eeuwigheid ingaan," zeide Helding.

"De Heer Van Lintz is al gewaarschuwd," riep Heynsz.

"Mijne Heeren!" zeide ik, opstaande: "wij kunnen wel allen te gelijk zingen, maar niet te gelijk spreken; mag ik vragen, wat er is voorgevallen, of welke tijding gij brengt?"

"Stil! stil!" zeide Reynszen, tegen de overigen, die opnieuw vooraan drongen: "ziehier het geval. De Heer Blaek heeft een brief van zijn vader ontvangen, die, God vergeve het hem, zichzelven verdaan heeft. Wat het geval recht is, weet ik niet; maar hij heeft verlangd, den geïnculpeerde, benevens den Heer Van Lintz en dien Heer" (op Reynhove wijzende) "te spreken. Ik wensch van harte, Mijnheer Huyck! dat het tot uw voordeel zij: doch ik mag u nog met niets vleien. Wees zoo goed mij te volgen."

Er was geen bevel, waaraan ik met meer bereidwilligheid voldoen kon: ik kleedde mij, en eenige oogenblikken later waren wij allen aan het huis van Doedes, die ons aan de voordeur ontving.

"Hoe is het met den lijder?" vroeg hem Reynszen.

"Hm!" antwoordde hij: "slechte _symptomata_--brief gelezen--flauwten gehad--gisteren nog druk en woelig--met alles ontevreden--harde bedden--slechte bediening--rijkeluisklachten,--en nu--stil--gedwee--mak als een lam--geen koorts--erger--zwakte--vriendelijkheid--mis--slecht afloopen."

Wij volgden den Drost naar het vertrek van den zieke, alwaar zich de Heer Van Lintz en zijn dochter reeds bevonden, die bij onze komst oprezen en mij zwijgend de hand kwamen drukken. Na een stillen wedergroet, wendde ik de oogen naar de bedstede des gewonden, en ik kon niet nalaten, ondanks de redenen van wrevel, die ik tegen hem voedde, een diep medelijden te gevoelen met den toestand, waarin ik hem terugvond. Dat kort te voren nog zoo forsch en moedig gelaat was geheel ingevallen. Door het strakke vel schenen de beenderen heen, een akelige bleekheid was over het geheele wezen verspreid en de in hun kassen weggezonken oogen van allen glans beroofd. Hij lag achterover, en zoo onbeweeglijk, dat ik hem in het eerste oogenblik voor dood hield: hij scheen echter mijn nadering te bespeuren, draaide het hoofd even naar mij toe en herkende mij: een licht rood bedekte even zijn gelaat: hij wendde het hoofd nog verder om, totdat hij Doedes in 't oog kreeg, en vroeg, met een flauwe stem, of de Notaris nog niet gekomen was.

"Notaris naar Midland"--antwoordde Doedes: "boodschap gestuurd--komen als hij terug is."

Dit verwijl scheen den lijder te hinderen: hij deed eenige moeite om zich in 't bed op te richten: zijn bedoeling bemerkende, trad de oppasster, die hem verzorgde, toe, en met behulp van deze gelukte het hem een zittende houding aan te nemen. Wij stonden intusschen allen met pijnlijk ongeduld te verbeiden, wat de uitslag zijner mededeeling zoude wezen.

"Mijne Heeren!" zeide hij, met een flauwe en bevende stem, die langzamerhand in kracht en vastheid toenam: "ik heb u verzocht, hier te komen. Ik voel, dat het spoedig ... met mij gedaan zal wezen ... en ik wil ... zooveel in mij is, herstellen, wat ik bedorven heb."

Hier hield hij een oogenblik stil, als om nieuwe kracht tot spreken te vergaderen. Allen bleven wij hem zwijgend aanstaren, in gespannen verwachting.

"Het eerste wat ik doen moet," vervolgde hij, "is, hier in tegenwoordigheid van den Voorzitter van Schepenen en van den Drost, te verklaren, dat ik den Heer Huyck valschelijk heb beticht ... en dat hij geheel onschuldig is aan de wond, die mij het leven kost."

"God zij gedankt!" hoorde ik Amelia, met een flauwe stem achter mij uitroepen, en mijn hart zeide haar dien uitroep na.

"Hm!" zeide Doedes: "_confessio in articulo mortis_: eerst zóó spreken--nu weer anders--moord toch gepleegd--dader op 't kerkhof?"

"Dat zou je wel kunnen raden," mompelde Heynsz, "want Zwarte Piet is begraven, en zoo die het niet gedaan heeft, weet ik niet wie er aan zoude zijn coupabel."

"Och ja!" zuchtte Helding: "op het kerkhof ligt hij naast mijn arm kind!--verleden Maandag heb ik hen beiden ter aarde besteld. Zij zijn in den dood vereenigd, die levend van elkaar gescheiden waren."

"Indien het den zieke niet te veel vermoeide," zeide Reynszen: "zou hij wel eenige nadere inlichtingen aan de Justitie dienen op te geven, dan konnen wij daar acte van opmaken."

Lodewijk knikte met het hoofd ten teeken van goedkeuring, en Reynszen, zich aan een tafel zettende, maakte zich gereed zijn verklaring op te teekenen.

"De Heer Van Lintz," zeide Lodewijk, "zal zich herinneren, mij eenige woorden te hebben toegevoegd, nopens papieren, onder hem berustende, en welke invloed op mijn fortuin konden maken. Ik weet thans, dat die bedreiging niet ijdel was:--maar hierover nader. Genoeg, zij verontrustte mij--en dit was de oorzaak, dat ik hier bleef, ten einde te zien, wat het gevolg daarvan zoude kunnen zijn.--Ik was ongerust, ongedurig, als gejaagd--ik begreep, dat ik in de bewuste zaak een weinig voordeelige rol gespeeld had:--ik had uit blinde wraakzucht tegen den Heer Van Lintz, uit haat en liefde (want ik weet niet hoe het gevoel te bestempelen, dat zijn dochter mij inboezemde) mij verlaagd om een handlanger der Justitie te worden--en zag te laat in, hoe verachtelijk mij zulks in aller oogen maken zoude: kortom! ik was wrevelig en vol spijt; maar, gelijk het gaat, ik beschuldigde iedereen behalve mijzelven, en vloekte op den Heer Van Lintz, op mijn dwazen hartstocht, op Heynsz--maar bovenal op den Heer Huyck, wien ik als mijn doodvijand beschouwde. Ik was naar mijn jacht gekeerd! maar bracht den nacht slapeloos door, en keerde, zoodra het dag werd, naar wal, met een koppel pistolen voorzien, en van zins den Heer Huyck tot een tweegevecht uit te dagen. Hem niet aan de herberg vindende, liep ik het duin in, met het oogmerk van hem op te zoeken, toen ik den persoon van Sander Gerritsz op zijde kwam. Nauwelijks had deze mij aangeblikt, of hij kwam in drift op mij af, en schold mij in hevige bewoordingen voor den moordenaar zijner liefste uit. Weinig lijdzaam van natuur, en wrevelig bovendien wegens al wat er gebeurd was, gaf ik hem een slag in 't aangezicht; waarop hij mij in de borst greep en er een worsteling tusschen ons beiden ontstond, aan welke ik een einde maakte door een pistool uit mijn zak te halen en hem door 't hoofd te schieten. Hij wankelde, maar zijn laatste krachten bijeenzamelende, trok hij zijn mes, stootte het, eer ik het verhinderen kon, mij in den strot, en viel toen stijf achterover, terwijl ik te gelijker tijd bedwelmd nederstortte en niet weer bijkwam, dan toen ik, in 't leven teruggeroepen, den Heer Huyck nevens mij herkende. Toen was het, of mij een helsche geest influisterde, dat ik hem van den moord betichten moest. Ik voldeed aan die inblazing; later deden wraakzucht, haat, valsche schaamte, mij bij mijn verklaring volharden. Maar de ontzettende tijding, die ik heden bekomen heb, en de mededeelingen, mij door mijn ongelukkigen vader gezonden, hebben mij de oogen geopend. Ik heb de hand van God herkend, die het kwaad niet ongewroken laat.--Ik heb van mijzelven geijsd:--en van al de ongerechtigheden, die ik bedreven heb. Gave de Heer, dat ik die alle kon herstellen, gelijk ik deze doe ... en gij, Mijnheer Huyck!... Mejuffrouw!... mijn goede Helding!... vergeeft mij ... opdat God mij vergeve."

Bij het uiten dezer laatste woorden verzwakte zijn stem merkbaar en hij zakte in elkander, als iemand die een poging boven zijn krachten gedaan heeft. Wij traden dichter aan zijn legerstede om hem die geruststelling te schenken welke hij verlangde.--"Ik vergeef u," zeide Van Lintz: "want ik weet bij eigen ondervinding te wel, tot welke uitersten gekrenkte eigenliefde en toomelooze zucht ter inwilliging onzer neigingen ons kunnen voeren. Gij hebt u willen wreken ... ik ken dat gevoel ... ik heb het ook eenmaal ... en te vreeselijk ... ingewilligd." Dit gezegd hebbende, trad hij terug en bleef in sombere gepeinzen staan.

Helding drukte den lijder zwijgend de hand; maar was buiten staat zijn vol gemoed uit te storten. "Ik betuig oprecht Mijnheer Blaek!" zeide ik, op mijne beurt naderende, dat bij mij geen greintje wrok tegen u overblijft; en moge de Algoede u niet alleen zoo volkomen vergeven als ik u vergeef;--maar u behouden om door een oprechten wandel zijn naam te verheerlijken."

"Hm!" zeide Doedes, naderende, en zijn patiënt den pols voelende: "zwak--_lassitudo_--niet allen hier blijven--heengaan--hm!"

"Wel ja!" zeide Reynszen: "mij dunkt, het is nu alles beklonken: ik heb de verklaring opgemaakt, die de gewonde heeft afgelegd, zoo hij die nog verkiest te hooren en in staat is, die te teekenen, dan zie ik geen zwarigheid, den Heer Huyck onder handtasting te ontslaan; want de depositie van Andries Matthijssen is bij mij ook geen oortje waard en naar hetgeen onze vriend Heynsz vertelt, loopt hij meer kans zelf de galg te kussen, dan er anderen aan te helpen."

Lodewijk, eenigszins bijgekomen zijnde, toonde zich bereid, de verklaring te hooren lezen, en te teekenen, een daad, welke hij, schoon met moeite, ten einde bracht. Toen wilden wij afscheid van hem nemen en ons verwijderen, maar hij gaf te kennen, dat zijn gemoed nog niet geheel ontlucht was en dat hij nog iets met den Heer Van Lintz had af te handelen, waarbij echter alleen Reynhove en ik getuigen mochten zijn, weshalve hij verzocht, dat al de overigen het vertrek zouden verlaten.

Toen men aan zijn verlangen voldaan had, bleef hij nog een wijl op de deur staren, als vreezende, dat iemand het in zijn hoofd mocht krijgen, terug te keeren, en zich tot Reynhove wendende: "schuif den grendel dicht!" zeide hij met een ongeduldige beweging: "en gij, Huyck! schenk mij dat glas nog eens vol ... mijn lippen branden."

Ik bood hem het gevulde glas aan: hij dronk het met langzame teugen ledig, terwijl wij elkander aanzagen, niet zonder nieuwsgierigheid, waar dit alles op zoude uitdraaien. Eindelijk zette hij het glas neder, haalde van onder zijn dek een papier voor den dag, hetwelk hij tusschen de vingers frommelde en, Van Lintz aanziende, begon hij in dezer voege:

"Gij hebt mijn vader vroeger gekend, Mijnheer?"

Van Lintz beantwoordde deze vraag met een koele buiging.

"Gij hebt waarschijnlijk vernomen, hoe zijn uiteinde is geweest," vervolgde Lodewijk: "maar wat gij noch iemand weet, hetgeen ik zelf eerst op dit oogenblik vernomen heb, is het zielelijden, waarmede hij zoovele jaren geworsteld heeft, en dat hem thans het leven gekost heeft. Het is echter nuttig, dat gij drieën hiermede bekend zijt, opdat gij ten minste bij anderen, die geneigd mochten zijn, over hem een onbarmhartig vonnis te vellen, de getuigenis zoudt kunnen afleggen, dat hij meer te beklagen dan te veroordeelen was. Lees dezen brief overluid, Huyck!--en gij zult beseffen, welke uitwerking hij op mij maken moest."

Ik nam het papier van hem aan en las. Het was de brief, dien Reynhove had medegebracht, en de inhoud luidde als volgt:

"Wanneer gij dezen brief ontvangt, mijn zoon! zal uw vader voor den rechterstoel des Allerhoogsten verschenen zijn:--en, zoo de wroeging van een sedert vijftien jaren gefolterd geweten mij dringt, dit leren te verlaten, gij, ongelukkige! gij, die alleen in staat zoudt geweest zijn, mij de rust terug te geven, en mij met het leven te verzoenen, gij verhaast den stap, die mij de eeuwigheid invoert.

"O! dat ik vroeger gesproken had! Wellicht zoudt gij aan mijn raad, aan mijn wensch hebben gehoor gegeven en het hart pogen te winnen van haar, die ik voor u bestemde. Een huwelijk tusschen u en uwe nicht had alles vereffend!--maar wat zeg ik?--Het heeft zoo moeten zijn. Gij waart een zoo beminnelijke, zoo deugdzame gade niet waardig; en ik was bestemd, de straf voor mijn misdrijf te ontvangen en de schande, die mij wacht, in het graf te ontvlieden.

"Dan, de tijd is te kort:--en ik moet mij haasten, de laatste levenskrachten, die mij nog overblijven, te besteden. Luister dan:--beklaag mij: vloek mij niet: en laat mijn voorbeeld u tot leering strekken.

"Gij zult wel gehoord hebben, dat mijn broeder en ik, in vroegere jaren, veel moeite hadden om behoorlijk rond te komen, en dienvolgens onze fortuin buitenslands gingen beproeven. Men heeft er u bij verteld, dat ik gelukkig slaagde, terwijl het hem tegenliep. Hoor thans voor 't eerst de zuivere waarheid:

"Van mijn jeugd af had een onverzadelijke dorst naar schatten mij de ziel beheerscht. Ik zag zooveel rijkdom en weelde om mij heen, dat ik het denkbeeld niet verdragen kon, voor anderen, die mij in stand en geboorte gelijk waren, te moeten onderdoen. En echter scheen ik daartoe bestemd; want mijn vader bezat weinig buiten hetgeen zijn ambt hem schonk, en zijn levenswijze was niet van dien aard, dat hij veel kon sparen. Ik besloot dus, toen ik tot jongelingsjaren gekomen was, dat een goed huwelijk het eerste middel zoude zijn, om mijn doel te bereiken. Ik slaagde naar wensch;--immers ik dacht zoo:--ik zag niet naar schoonheid of zielsgaven: ik zocht slechts een rijke vrouw en trouwde haar schatten. Mijn eerste straf was het noodlottige leven, dat ik met uw moeder leidde;--ik wil daarover niet uitweiden. Zij stierf en toonde mij den haat, dien zij mij toedroeg, door bij uitersten wil te bepalen, dat haar vermogen op u zou komen, zonder dat ik daarvan eenige vruchten zou mogen trekken. Ik was nu even ver als ik te voren was: ik besloot naar de West te gaan en daar mijn fortuin te beproeven, terwijl ik u bij de meervermogende familie uwer moeder achterliet.