Ferdinand Huyck

Chapter 51

Chapter 513,917 wordsPublic domain

Met een kreet van ontzetting trad ik nader en keerde het lichaam van dezen laatste om. Zijn hemd en vest waren stijf van bloed, en zijn trekken als die eens dooden; maar een pijnlijke zucht, die hem bij deze beweging ontsnapte, kondigde mij aan, dat het leven hem nog niet verlaten had en redding misschien mogelijk was. Ik rukte hem het hemd open, zag dat hij een diepe wond in de borst had en hield er mijn zakdoek voor, om de bloedvloeiing zoo mogelijk te stelpen. Wat Sander betrof, hij was reeds koud en had blijkbaar den adem uitgeblazen. Het bebloede mes, waarmede hij zijne weerpartij; waarschijnlijk verwond had, was aan zijn hand ontvallen.

Onwetend wat te doen, den gewonde niet willende verlaten, en toch buiten staat, hem zonder hulp te vervoeren, sloeg ik de oogen rond om te ontdekken, of zich ook een levend wezen in de nabijheid opdeed, toen ik plotseling op een kleinen afstand, vlak voor mij iemand gewaarwerd, die mij met aandacht scheen gade te slaan. Zijn aanblik verwekte in het eerste oogenblik dien indruk op mij, welken het staroogen der slang op den onschuldigen vogel teweeg-brengt: ik had Andries herkend. Mijn volgende beweging was, het mes van Sander op te vatten, om mij des noods tegen een aanval van dien schelm te verdedigen. Maar wat hem betrof, hij keerde zich om, zonder een woord te spreken, en liep, onder het geschreeuw van "moord! moord!" naar den kant van het dorp toe. Ik stond op: en zag terzelfder tijd Pulver en Helding, die met drift kwamen aanloopen.

"God beware ons! Wat is hier geschied?" vroeg de laatste.

"Wij zijn toch nog niet tijdig genoeg gekomen om een ongeval te verhoeden," zeide Pulver: "ben je ook gekwetst, Patroon?"

"Raak de doode lichamen niet aan, Mijnheer Huyck!" riep Helding, die op dit stuk met het gewone vooroordeel behept was: "daar komt nooit eenig goeds van."

"Maar wie heeft dat toch gedaan?" vroeg Pulver.

"Ja! Wie heeft dat gedaan?" vroegen nu onderscheidene stemmen: en eenige eilanders, wier getal meer en meer aangroeide, verzamelden zich om de plek, doch altijd, ten gevolge van hetzelfde vooroordeel, op zekeren afstand blijvende. Ik zag, dat sommigen het hoofd schudden, mij schuins aanzagen en elkander met den elleboog aanstootten of toewenkten.

"Helpt mij toch deze ongelukkigen naar het dorp te brengen," zeide ik: "de eene leeft nog."

"Wij zullen wachten, tot de Drost komt--wij zullen er geen hand aan slaan--of wij mal waren? om een lijk aan te raken en zoodoende den boedel te aanvaarden," mompelden de omstanders.

"Zij hebben elkander vermoord, zeide ik, den vragenden blik van Pulver beantwoordende: "dat lijdt geen twijfel."

"Nu ja!--dat zal de Drost wel beslissen," hernamen de dorpelingen: en ik zag, dat hun blikken gevestigd waren op het mes, dat ik in de hand hield.

"Hij doet wel, dat hij de schuld aan de dooien geeft," mompelde Andries, die mede onder den hoop was teruggekeerd: "dooien spreken niet tegen," denkt hij: "hij is zoo leep als het hout van de galg."

Ik zag, dat ik algemeen van den moord verdacht werd gehouden: mijn toestand was alles behalve aangenaam: ik begreep echter, alvorens mij te verdedigen, nogmaals een beroep op hun menschlievendheid te moeten doen. "Vrienden!" riep ik, Lodewijk half oprichtende: "deze leeft nog. Wilt gij hem zonder hulp laten sterven?"

"Wacht!" zeide Pulver: "ik zal u helpen. Patroon. Als hij nog niet naar zijn grootje is, is er geen gevaar bij."

"En ik ook," zeide Helding: "ofschoon hij het juist aan mij niet verdiend heeft, maar ik heb te veel verplichting aan Mijnheer Huyck, om hem alleen in den steek te laten."

Op dit oogenblik kwam Doedes met Reynszen en eenige andere notabelen aanloopen.

"Hm!" riep de eerste: "twee lijken?--Moord gepleegd?--door wien?"

Allen zwegen: een der aanwezigen wees op Andries en zeide: "die man is ons komen roepen."

"Ja!" zeide Andries, mij aanziende: "ik zal geen grooteluis-kinderen betichten, zoomin als met een kotter een Admiraalsschip aanzeilen;--maar wanneer men een bebloed mes in de hand houdt...."

"Menschen!" riep ik, met een krachtige stem: "gelooft dien man niet: hij is een schelm, een straatroover, van wien gij u verzekeren moest. Ik ben hier gekomen, toen zij beiden op den grond lagen:--dit mes behoorde aan den doode,--doch verliest geen tijd in onnut gepraat: de Heer Blaek is misschien nog te redden."

"Hm!" zeide Doedes, het hoofd schuddende: "de Heer Blaek uw vriend niet--vroeg uitgegaan--tweegevecht--hm!--nog te redden?" en te gelijk naderende, onderzocht hij de wond: "hm!" zeide hij: "snijdend werktuig diep ingedrukt," en toen mij aanziende: "dat mes, hm!"--Ik gaf het hem: "wond met dit mes toegebracht--_vena jugularis_--kraakbeen gekwetst--langzame genezing--spoedig vervoeren."--Onder het spreken haalde hij zijn gereedschappen voor den dag en legde een haastig verband; waarna hij zich bij Sander begaf en diens wond peilde: hm!" zeide hij "kogel in 't hersenvlies--dood als een pier--hm!--_vulnus letale_."

Hiermede besloot hij zijn lijkschouwing en begaf zich met Reynszen en nog twee of drie andere der met hem gekomen notabelen op zijde. Hun gesprek was kort en levendig: ik zag, aan de blikken, die zij naar mijn kant wierpen, dat ik daarvan het onderwerp was. Na den afloop daarvan, trad Doedes naar mij toe en zeide:

"Gij ons volgen--verantwoorden."

"Dat wil ik gaarne doen," zeide ik: "maar gij zult toch geen geloof hechten...."

"Ja!" zeide Reynszen, het hoofd schuddende: "'t zou mij van Mijnheer spijten: maar er is een zware praesumtie--UEd. was geen vriend van den gewonde."

"Ben je dol?" vroeg Pulver: "Mijnheer Huyck voor een moordenaar aan te zien!"

"Goed recht geven," zeide Doedes: "geen aanziens des persoons--hei wat!" vervolgde hij, ziende dat Andries zich verwijderde: "die man blijven--meegaan--getuigenis afleggen."

"Zorg, dat hij niet ontsnappe," zeide ik: "hij is de vent, waar ik met den kastelein over sprak,--de man, die plan had het pakhuis te berooven."

Men verzekerde zich van Andries en plaatste Lodewijk op een burrie, die inmiddels was aangebracht. Terwijl dit geschiedde, opende hij de oogen, zag rond en vroeg met een nauwelijks hoorbare stem: "waar ben ik?"

"Nu zult gij allen de waarheid hooren!" riep ik verheugd uit. "Blaek, om 's hemels wil! zeg ons: wie was uw moordenaar?"

De gewonde zag mij een poos sprakeloos aan, als wilde hij zich bedenken, terwijl zich de omstanders in gespannen verwachting om ons heen drongen, ten einde de woorden van zijn lippen op te vangen. Opeens scheen hij zich te bezinnen, een boosaardige glimlach vertoonde zich op zijn gelaat, en mij scherp aanziende: "gij," zeide hij.

"Ellendige!" riep ik: "wilt gij met een leugen de eeuwigheid ingaan?"

Een diepe stilte volgde bij de aanwezigen. Reynszen zag mij met een medelijdenden blik aan, terwijl hij de schouders ophaalde als wilde hij zeggen: "gij hoort het." Pulver zuchtte en beet op zijn vingers; Helding stond als versuft: hij drukte mij de handen, terwijl hem de tranen uit de oogen sprongen. Wat mij betreft, ik was zoodanig door de beschuldiging verplet, dat ik geen woord meer kon uitbrengen en werktuiglijk mij op weg begaf in den trein, die nu met den gekwetste en den doode langzaam naar het dorp trok.

* * * * *

ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN ONZE HELD ZICH VOLSTREKT NIET OP ZIJN GEMAK BEVINDT.

De maar van het gebeurde was ons reeds vooruitgeloopen en het was niet dan met moeite dat wij ons een weg konden banen door de gansche bevolking van het dorp, welke dit voorval op de been bracht. Geen oud wijf was aan 't spinnewiel en geen kind op school gebleven: en alles was nieuwsgierig om te zien, hoe een Amsterdamsch rijkeluiskind werd opgebracht, omdat hij een andere Heer had overhoop gestoken. Lodewijk werd in het huis van Doedes gevoerd, alwaar hij de noodige verpleging onderging, terwijl men Andries en mij op het Raadhuis bracht. Hier moesten wij wachten, tot de bijeengeroepen Schepenen in genoegzamen getale vergaderd waren om mij een voorloopig verhoor af te nemen. Eindelijk werd ik tusschen twee gerechtsdienaars binnengebracht en vond de Schepensbank vergaderd, aan wier hoofd vriend Heynszen in volle achtbaarheid gezeten was: die mij nu gelastte een verhaal van mijn wedervaren te doen.

Toen ik dit naar waarheid verricht had, werd Andries binnengeroepen.

"Hebt gij iets op dezen getuige aan te merken?" werd mij gevraagd.

"Zeer veel!" zeide ik: "hij is een erkende straatroover: en zoo men Heynsz laat roepen zal deze mijn gezegde bevestigen."

"Wel mogelijk!" bromde Doedes, die, aan het einde der tafel gezeten, zich vast in de handen wreef van blijdschap over de belangrijke beschuldiging, die hij te vervolgen had:; Heynsz een bemoeial--geen bewijs tegen dien getuige--voortgaan!"

"Wij zullen den geaccuseerde akte verleenen van zijn wraking," zeide Reynszen, met een deftigheid, die mij verbaasde: "en inmiddels voortgaan met den getuige te examineeren. Andries Matthijsen! wat hebt gij te deposeeren?"

Andries gaf hierop een verhaal, hetwelk niet dan een aaneenschakeling van leugens behelsde: hij had, zeide hij, een pistoolschot gehoord en was daarop komen aangieren: bij het naderen had hij Sander op den grond zien liggen en mij bezig gevonden met den Heer Blaek te worstelen, welken laatste hij na een kort gevecht had zien vallen; waarop hij dadelijk hulp was gaan roepen.

Ik maakte geen aanmerking op deze getuigenis; maar vergenoegde mij de schouders op te halen en bij mijn vroegere verklaring te volharden. Nu werd Pulver binnengeroepen en insgelijks ondervraagd.

"Ja!" zeide hij: "ik weet van het geval niets anders te vertellen, als dat, toen ik er met Sinjeur Helding bijkwam, wij Sandertje achterover op den grond zagen liggen, alsof hij zonshoogte nemen wou, en den Heer Blaek, dwars over hem heen, terwijl de Patroon er bijstond, als iemand die geen raad weet. Maar dat hij part of deel aan het geval zou hebben, dat kan ik op al de wereld niet begrijpen."

"Hm!" zeide Doedes: "uw opinie niet gevraagd--deposeeren--meer niet."

"Maar," vroeg Reynszen aan Pulver: "hoe kwaamt gij daar aan het duin met uw makker?"

"Wij waren uitgegaan om den Heer Huyck te zoeken, over wiens lang wegblijven wij ongerust begonnen te worden," antwoordde Pulver in zijn eenvoudigheid.

"Er was dus reden, om ongerust te wezen? Gij hadt dus vermoedens, dat zijn afwezendheid met verkeerde oogmerken gepaard ging?"

"Dat is te zeggen," antwoordde de goede Schipper, verlegen: "de Patroon had gisteren een kattebelletje ontvangen: en wij waren bang of het ook van den Heer Blaek ware en of er altemet ... in één woord--wij waren wel bang, dat zij mekaar reis in 't vaarwater zouen zitten."

Ik voelde een koude rilling door mijn leden varen; want ik begreep welke gevolgtrekking men uit deze verklaring trekken zoude.

"Hm! hm!" zeide Doedes, met een zegepralenden blik rondziende: "de zaak opgehelderd--klaar als de dag--hm!"

Helding, die na Pulver optrad, verklaarde in substantie hetzelfde, en voegde er tevens het een en ander bij, betreffende de redenen van veete, welke Sander tegen Lodewijk Blaek kon voeden; en welke het niet onwaarschijnlijk maakten, dat er tusschen deze beiden een gevecht had plaats gehad. Zoowel hij als de Schipper werden ondervraagd of zij het ten processe overgelegde mes herkenden, als mij behoord te hebben. Beiden betuigden, het nooit te hebben gezien.

De laatste getuige, die gehoord werd, was schijnbaar in mijn voordeel. Het was een visschersknaap, die deponeerde, dat hij den avend te voren, van iemand, die naar zijn beschrijving volkomen met Sander overeenkwam, een briefje had ontvangen, met verzoek het aan mij te overhandigen, voor welke boodschap hij een stuiver genoten had.

"De Heeren zien dus," zeide ik, "dat deze depositie met mijn verhaal overeenkomt, en dat ik naar het duin was gegaan om Sander Gerritsz te zoeken. Hier is bovendien de brief, dien ik te zijnen behoeve aan Kapitein Holmfeld geschreven had."

"Hm ja!" zeide Doedes: "afspraak met den gedecodeerde--den Heer Blaek aan te vallen--aan Sander een brief--hem uit de voeten helpen na perpetratie van het feit--slim overlegd--hm!"

"Als men aan al mijn daden een verkeerde uitlegging wil geven," zeide ik, terwijl mij het bloed naar 't aangezicht steeg.

"Hm!" hernam Doedes, een boek, 't welk hij had medegebracht, opnemende en aan Schepenen toonende: "gelijkstaande casus--Consultatiën en Advysen, Deel I, bladz. 650--depositie van den gekwetste--getuige bij avonture reprochabel--de geculpeerde gezien met een mes in de hand--_quo visi rixari et unus vulneratus_--concurreerende _indicia_--in alles gelijkstaande--en dus: Gerechtigheid te contendeeren,"--hier rees hij op, en zeide met meerdere stemverheffing, als iemand die ambtshalve een eisch doet: "dat de gevangene zal worden getorqueerd ter discretie van den Rechter ende alzoo tot scherper examen gebracht."

"Getorqueerd!" herhaalde ik, terwijl mij het bloote denkbeeld sidderen deed: "gij wilt mij toch niet ter pijnbank brengen op deze bloote presumtie;--want, Mijne Heeren! de getuigenis van den gekwetste is _extra judicium_ gegeven en kan in dit oogenblik niet tegen mij worden aangevoerd; hij moet zich bedrogen hebben, en niet geweten, wat hij zeide. Hij zal, zoo hij geneest, hetgeen God geve, zijn verklaring herroepen, daar is geen twijfel aan."

"De geïnculpeerde heeft gelijk," zeide de Voorzitter: "en bovendien, Heer Drost! wij weten nog niet, waar gij hem van beschuldigt, van moord of van bloote verwonding.--Wij zullen daarom de zaak voor alsnog suspendeeren en bevel geven, den geïnculpeerde te incarcereeren, tot hij nader gemandeerd wordt. Ook de getuigen moeten zoo lang hier blijven, tot zij nader gehoord kunnen worden."

Met deze woorden werd de zitting opgeheven, en ik naar de gevangenis gebracht. Dergelijke lokalen zijn zelden zeer geriefelijk en de Terschellingsche kerker maakte geen uitzondering op den algemeenen regel: het was een klein en vochtig vertrek, met naakte wanden, en dat tot eenig ameublement een tafel had, waar slechts drie pooten meer van in wezen waren, een stoel met gebroken zitting en een houten brits, die alle blijken droeg van veeljarigen dienst.

Alleengelaten zijnde, ging ik zitten en zocht mijn denkbeelden bijeen te zamelen; want de doorgestane ontroering, schrik en angst hadden mij in een staat van verwarring gebracht, waarin mij al hetgeen mij was overkomen als een bange vreeselijke droom toescheen; maar het duurde een geruime poos, eer ik tot recht besef van mijn toestand geraakte. Eindelijk echter gelukte het mij te bedaren: en nu stond de verschrikkelijke waarheid mij in al haar naaktheid voor de oogen. Ja! ik was het zelf, ik, Ferdinand Huyck, de zoon van den Hoofdschout, op wien het gewicht eener kapitale beschuldiging rustte: tegen wien zich zulke ontzettende verdenkingen verhieven: en, had ik in den aanvang de zaak licht geteld en vertrouwd op het bewustzijn mijner onschuld, ik zag nu in, dat er krachtige gronden zouden moeten bijgebracht worden om de tegen mij aangevoerde bewijzen te ontzenuwen. En dan dacht ik aan mijn ouders: aan mijn brave moeder, wier zwak gestel de tijding niet zou weerstaan, dat haar zoon van zulk een misdaad verdacht werd gehouden: aan mijn vader, die zijn leed met het Stoïcisme, dat hem kenmerkte, verkroppen, maar later des te meer bezuren zoude: en dan, de kwellende gedachte, dat ik hen zelfs niet van mijn onschuld overtuigen kon!--dat zij door een derde, die de zaak wellicht vergrooten of in een ongunstig daglicht stellen, van het gebeurde onderricht zouden worden; dat zij wellicht den naam zouden vloeken van den zoon, die hun grijze haren met schande bedekte ... dat alles was schrikkelijk: het deed mij het bloed in de aderen terugkrimpen en het koude zweet door alle poriën uitbersten.

Nu wilde ik schrijven; maar daartoe ontbraken mij de middelen en niemand beantwoordde mijn geroep: ik was alleen en--verlaten--zonder toegang. Ik zag mij verplicht, te wachten, tot mijn verzoek zoude worden ingewilligd; want ik hing van de grillen van Meester Doedes af en ik had reeds genoeg bespeurd, dat hij er verre af was van mij genegen te zijn.

Eindelijk, na uren, pijnlijk doorgebracht, zag ik de deur van mijn kerker opengaan en werd ik aangenaam verrast door het binnentreden van Heynsz. "Goddank!" riep ik, zoodra ik hem zag: "ik ben dan nog niet geheel verlaten."

"Mijnheer Huyck! Mijnheer Huyck!" zeide hij, zoodra ons de sluiter alleengelaten had, met een bedenkelijk gezicht: "dat is een geval voor mij, te zien den zoon van uw vader in zulk een ongelegenheid!"

"Nietwaar?" vroeg ik, hem de hand toestekende: "gij gelooft niet aan mijn schuld?"

"_Ma foi!_" antwoordde hij, "alle presumtie is tegen u; en er zouden in waarheid zijn termen, om op u te appliceeren de torture; maar ik begrijp niet, waarom UEd. niet bekent; want ik veronderstel, gij hebt toegebracht die wond in cas van zelfdefensie."

"Hoe! ook gij zijt tegen mij?" riep ik, met bittere teleurstelling.

"Wat zal ik zeggen? Twee getuigen tegen u!"

"Waarvan de eene mijn vijand, en de andere een schurk is."

"Ja, die Andries!--nu die zal er niet afkomen zeer gemakkelijk; want, vrijplaats of niet, hangen zal hij; maar waarom, uit wat reden, zou hij u bezwaren?"

"Redenen genoeg: vooreerst uit ingeboren kwaadaardigheid: ten tweede omdat ik een zoon van den Hoofdofficier ben: ten derde, omdat hij een oude veete tegen mij heeft;--want zonder den Heer Van Lintz had ik eens zijn mes in mijn ribben gevoeld."

"Goed!--de Heer Van Lintz kan gehoord worden:--maar nu de Heer Blaek, zou die zoover drijven de slechtheid om u valsch te betichten van hem vermoord te hebben.... 't Is mogelijk; maar dat is gruwzaam!"

"Ik moet nog gelooven," zeide ik, "dat zijn beschuldiging het gevolg is, of van een verzinning, of van een onwillekeurige gemoedsopwelliug, en dat hij, zoo hij in 't leven blijft, die wel weder zal intrekken."

"Dat geloof ik niet," zeide Heynsz: "want hij is beter en heeft toch niet ingetrokken zijn verklaring: maar integendeel die bevestigd met nadere omstandigheden."

"Welnu!" hernam ik: "in dat geval ben ik overtuigd, dat zijne depositie met die van Andries moet variëeren."

"Dat doen zij ook," zeide Heynsz: "ik heb die gelezen, allebei; want, gezegd tusschen ons, Reynszen is een verstandig man, die wel hooren wil naar raad en niet is een dwarshoofd als die Doedes: en hij heeft in dit geval geraadpleegd mijne ondervinding: ook heb ik te danken aan hem, dat ik heb bekomen permissie om u te bezoeken; want de Drost wilde u houden buiten _accès_; hij is wat in de drukte, die Meester Doedes: een belangrijk casus als deze: doodslag en verwonding: en tot patiënt om te verzorgen een rijken Amsterdammer, dat is te veel plaisier op éénen tijd voor een man als hij."

"Ik geloof het wel," zeide ik: "maar nu de depositiën?"

"Aha ja!--Wel dan: de Heer Blaek vertelt, dat hij van u ontvangen heeft een cartel om te vechten in duel op het duin: dat hij, daar gekomen zijnde, is geattaqueerd door u en Sander, en dat hij ontvangen heeft van u een steek met een mes, op het oogenblik dat hij om te defendeeren zijn leven, door het hoofd schoot Sander:--of liever Zwarten Piet:--want het blijkt, dat het deze gevreesde gauwdief is geweest, die te dezer gelegenheid is omgekomen.--Andries vertelt daarentegen...."

"Ik heb de depositie van dezen laatste gehoord," viel ik in: "maar in allen gevalle volgt uit beider verklaring dat Sander door Blaek is gedood, en dan is deze laatste insgelijks als getuige reprochabel, daar hijzelf ter verantwoording over een doodslag zal geroepen moeten worden."

"'t Is _juste_! en dat heb ik al gezegd aan Reynszen. 't Is doodjammer, dat UEd. zijt getreden in de negotie en niet zijt geworden Advocaat: want UEd. saisiseert de punten van defensie juist als 't behoort, maar _ma foi!_ al had UEd. in drift of anderszins overhoopgestoken dien _canaille_ van een Blaek, ik zoude er UEd. niet te minder om achten."

"Maar ik herhaal u, dat mijn handen zuiver zijn van zijn bloed; en...."

"Ik geloof u, Mijnheer Huyck! Ik geloof u--en zoo ik straks sprak anders, het is, omdat ik zoo ben gewend: wanneer men tegen een geculpeerde spreekt, moet men altijd beginnen te veronderstellen de schuld: anders komt men nooit achter de waarheid ... maar dat daargelaten. Hoe kan ik van eenigen dienst zijn aan UEd.?"

"Kan ik geen schrijftuig bekomen? Ik wenschte zoo gaarne mijn vader kennis te geven van dit ongelukkige voorval, eer hem zulks van een andere zijde ter ooren komt."

"Ik vrees, dat men u daartoe niet zal geven de permissie", zeide Heynsz, het hoofd schuddende: "maar laat mij over, te verrichten die onaangename taak. Ik zal Z.-Ed.-Gestr. voorbereiden op eene voorzichtige wijze en het voorstellen bij provisie als een zaak, waar UEd. slechts in gemoeid zijt of waarbij het onzeker is of UEd. als getuige of als geculpeerde zult paraisseeren. Ik zal wel geven een goede kleur aan de zaak: wees gerust."

Helaas! Ik was zeer verre van gerust te zijn, of een onbepaald vertrouwen te bezitten op den gelukkigen briefstijl van Heynsz en op zijn voorzichtigheid en zijne wijze van de zaak voor te dragen. Ik moest echter wel berusten: er was niets anders aan te doen.

"UEd. is hier slecht gelogeerd," zeide hij, nadat wij het voormelde punt hadden afgehandeld, "ik zal daarover spreken met Reynszen. Er is geen reden om te behandelen als een slechten boef iemand, die wel in staat is te betalen een goed logies.--Maar _à-propos_!" zeide hij: "eer ik het vergeet, ik moet UEd. de groete doen van den Heer Van Lintz, van zijn dochter en van den armen Helding. Ik weet niet, wie bedroefder is van de twee over uw geval, de oude poëet of de jonge Juffer. De eerste doet niets als schelden en razen, en de laatste is als een wanhopig mensch en beschuldigt zichzelve van de oorzaak te zijn van al deze ellende."

"Amelia?--Zij is toch waarlijk geheel onschuldig aan het voorgevallene."

"_Ma foi!_" zeide Heynsz, glimlachende: "niet zoo geheel en al. Had zij niet in de oogen gestoken den Heer Blaek, deze haar niet had achterna gevolgd en was niet aangekomen hier:--enfin! het eene is een gevolg van het andere."

"En Kapitein Pulver?" vroeg ik.

"O ho! die ware al gegaan naar Amsterdam om zich te beklagen over de regeering van Terschelling, dat zij had de brutaliteit van u vast te zetten; maar ik heb hem gelukkig teruggehouden daarvan; te meer daar zijn getuigenis u wellicht kan zijn van dienst.--Maar ik moet u verlaten; want ik dien de gelegenheid waar te nemen, om te schrijven:--ik zal zorg dragen, dat UEd. ontvangt betere meubelen."

Heynsz verliet mij en was zoogoed als zijn woord: want een uur later bezorgde men mij een bed met zijn toebehooren, benevens een tafel, stoelen, die, schoon niet nieuwerwetsch, echter bruikbaar waren, en mijn bagage. Ik zal hier geen beschrijving geven van de treurige nachten en vervelende dagen, welke ik sleet, zonder dat zich eenige verandering in mijn toestand of eenig uitzicht voor de toekomst opdeed. De eenige verstrooiing, welke ik had, bestond in de bezoeken van Heynsz, die mij tijdingen bracht van hetgeen er voorviel en van den toestand van Lodewijk. De wond van dezen scheen minder gevaarlijk dan men in den aanvang gedacht had; maar de gestadige koortsen, welke hem teisterden, hadden hem zeer verzwakt. Men vleide zich echter, dat zijn jeugd en sterk gestel de kwaal zouden te boven komen. Ten opzichte van het gepleegde feit bleef hij echter dezelfde depositie staven; zoodat mijn zaak nog geen betere wending scheen te nemen.

Het was op den zesden ochtend na mijn gevangenneming, dat, terwijl ik mijmerend voor mijn tafel zat en aan de mijnen dacht, ik de grendelen van mijn kerkerdeur hoorde openschuiven. Ik rees op, eenigszins verwonderd; want dit was het uur niet, waarop ik eenig bezoek verwachtende was: de deur ging open: iemand trad met drift binnen: en ik deed van verbazing een stap terug op het zien van Reynhove.

"Reynhove!" riep ik: "u was ik wel het minst te verwachten.