Ferdinand Huyck

Chapter 49

Chapter 494,029 wordsPublic domain

Ik voldeed op dit punt aan de nieuwsgierigheid van Van Lintz. Mijn verhaal wekte zijne deelneming en die zijner dochter: en beiden gaven den wensch te kennen, dat Sander hen op de reis vergezellen mocht en evenals Van Lintz zelf, gelegenheid zoeken om in dienst des grooten Czaars een nieuwe en meer eerlijke loopbaan te beginnen. Aan de toestemming van Sander viel niet te twijfelen; want het was bij mij zeker, dat hij nog de oude gehechtheid voor zijn voormaligen meester koesterde, en ik maakte mij sterk hem te overtuigen, dat, al bleef Klaartje in 't leven, zij toch voor hem verloren was. Er bleef dus alleen over, door Kapitein Holmfeld het innemen van een nieuwen passagier te doen goedkeuren: en wij waren juist voornemens hem deswege te gaan spreken, met verzwijging natuurlijk der omstandigheden, waarmede het raadzaam was niet voor den dag te komen, toen de beide Kapiteins naar ons toekwamen.

"Wel zoo! zijn de vrienden een luchtje gaan scheppen?" vroeg Pulver, en zich toen tot Van Lintz wendende, die op wilde staan: "blijf zitten, Mijnheer! hou uw gemak, zooals de havik tot de duif zei terwijl hij haar plukte: ja, wou jelui zien, waar de _Fortuin_ gebleven is?--naar den kelder, Mijnheer! en de visschen zitten er misschien al in de kajuitskamer een kaartje te spelen."

"Inderdaad!" zeide ik, den blik naar de zandbank wendende, waar ik den dag te voren het wrak nog herkend had en nu niets meer te zien was: "zij is verdwenen! Hoe kan in zulk een korten tijd....?"

"O!" zeide Pulver: "het zand is hier in eeuwigdurende beweging, en een Loods behoeft geen drie weken ziek te zijn om het vaarwater te verleeren. Wij liggen hier nu goed en wel op Maklijk-Oud en hebben water in overvloed; maar Joost weet, hoe het over ettelijke jaren zal wezen, als die verwenschte Robbeplaat nog verder kuiert."

De vrees van Pulver werd bewaarheid; want, op dit oogenblik dat ik schrijf, is sedert lang die reede voor gewone vaartuigen ontoegankelijk geworden en biedt zij alleen bij hoog water den visscher een tijdelijke schuilplaats aan.

"Bedrieg ik mij?" vroeg Schipper Holmfeld, die middelerwijl met zijn kijker naar den kant van het Vlie had uitgezien: "of is het de boeier, die den Heer Bos aan boord gebracht heeft, die ginds komt opzeilen? Gelieft UEd. eens te zien?"

"Inderdaad!" zeide Van Lintz, na op zijne beurt te hebben uitgekeken: "ik heb er niet veel opgelet; maar nu gij 't zegt, hij heeft er veel van."

"UEd. heeft toch niets vergeten?" vroeg Pulver.

"Niets van zoo groot belang, dat men het mij zou komen nabrengen:--ja waarlijk ... hoe meer ik hem beschouw:--zie zelf eens, Mijnheer Huyck...."

"Het is het jacht van Lodewijk Blaek!" riep ik uit, door den kijker ziende, en den groenen voorsteven met verguld beeldwerk herkennende, waar het zilveren schuim tegen opspatte:--en vervolgens, Van Lintz ter zijde trekkende: "was hij mede in 't geheim van uw vertrek?" vroeg ik hem.

"Dat gewis niet," antwoordde Van Lintz; "en al wist hij er van, hij althans zoude de onbeschaamdheid niet hebben, mij opnieuw onder de oogen te komen."

"Het zou toch nogal toevallig zijn," zeide ik, "indien hij juist in den zin gekregen had, ook dezen koers uit te komen. In allen gevalle zullen wij geduld dienen te hebben, en afwachten wat het geeft."

Wij bleven aldus een geruimen tijd uitkijken, zonder dat het vaartuig ons merkbaar naderde, daar het door den tegenwind genoodzaakt was te laveeren, en ons, nu zijn voorplecht, dan zijn, met sierlijk, in den zonneglans fonkelend loofwerk pronkenden spiegel vertoonde. Eindelijk kwam men ons van onze beschouwing afroepen met het bericht, dat de maaltijd was opgedischt, en begaven wij ons in de kajuit. Aan tafel gezeten, had Pulver nauwelijks een mondjevol soep binnen, of hij begon weder over de groote gelijkenis tusschen den Heer Bos en zijn ouden kennis den Zeeroover; en wij moesten met of tegen dank, het verhaal zijner ontmoeting in de Zee van de Antilles hooren, en tevens hoe hij op Terschelling zijn ouden kennis Sander teruggevonden had. Ik nam hieruit aanleiding om den Heer Van Lintz, na hem een geheimen wenk te hebben gegeven, de vraag te doen, of hij niet een bediende noodig had, en hem Sander als zoodanig aan te bevelen.

"Wat drommel, Patroon!" riep Pulver uit: "wou UEd. nou van Sander een huisknecht maken? Is dat een werk voor een jongen, die het zeegat uit geweest is, en als Stuurman heeft rondgezwalkt?"

"Daarom zou hij mij des te liever zijn," antwoordde Van Lintz. "Ik heb iemand noodig, die de zeevaart verstaat; want tusschen ons gezegd: mijn reis staat met de zeevaart in betrekking ... ik ben in mijn leven verder dan op moeders bont boezelaar geweest:--en zoo die Sander Gerritsz...."

"UEd. heeft zijn naam goed onthouden," zeide Pulver, wiens vermoedens weder bovenkwamen en versterkt werden door de zeemansuitdrukking, welke Van Lintz gebezigd had: "en ik wil mijn leven op een vermolmde ra doorbrengen, zoo het heden de eerste reis is, dat UEd. dien heeft hooren noemen. Nu!--dat daargelaten: Harmen Pulver is ook niet mal: en ik weet wat ik denk, zooals de vent in 't dolhuis tegen den oppasser zei."

Van Lintz wilde antwoorden, en ik zag het oogenblik komen, waarin een verklaring onvermijdelijk werd, toen wij opeens een groote drukte aan boord vernamen, en een geluid als van een vaartuig, dat het onze langs zeilde; terwijl het over en weer roepen en praten ons gissen deed, dat er iemand aan boord gekomen was.

"Ik hoor vreemd volk, Kapitein Holmfeld!" zeide ik: "pas maar op: men zou uw boeier prijsmaken eer gij er op verdacht waart."

"'t Zal misschien die Don Manoël wezen, daar de Schipper zooeven van vertelde," zeide Holmfeld, lachende, terwijl hij opstond.

"Neen: daar wil ik mijn kop wel op verbeuren van neen," zeide Pulver: "ofschoon, een kennis van hem, dat ware mogelijk:" en hij zag Van Lintz wantrouwend van ter zijde aan, terwijl Holmfeld de kajuit verliet om te gaan zien, wat het wezen kon.

"Het is, zoo waar ik leve, het jacht van den Heer Blaek, dat van ons afgaat;" zeide Van Lintz, uit het raam ziende: "wat kan dat beduiden?"

Nog had hij niet uitgesproken, toen de deur openging. Kapitein Holmfeld trad binnen, deed een stap zijwaarts en liet iemand door, wiens bijzijn wij er verre af waren te verwachten of te wenschen--Lodewijk Blaek.

* * * * *

ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN ZICH HET OUDE SPREEKWOORD BEVESTIGD VINDT, DAT MEN GEEN HEI MOET ROEPEN, EER MEN OVER DEN DAM IS.

De aankomst van dezen onwelkomen gast bracht geen geringe ontsteltenis teweeg bij de personen, die zich in de kajuit bevonden Amelia werd doodsbleek, haar knieën knikten en zij hield zich aan den rug van haar stoel met beide handen vast om niet te vallen. Haar vader stond verrast en wierp op Lodewijk een blik vol toorn en verontwaardiging: en ik zag met bezorgdheid de toekomst te gemoet, overtuigd, dat de verschijning van dezen laatsten niets goeds voorspelde, en tot ergerlijke tooneelen zoude aanleiding geven; temeer, toen ik den glimlach bespeurde, die op zijn lippen zweefde.

"Ik heb de eer het gezelschap nederig te groeten, zeide hij, een spottenden blik op Van Lintz werpende; maar de uitdrukking van zijn gelaat veranderde en zijn kleur verschoot, toen hij mij herkende.

"Ga zitten, Mijnheer Blaek!" zeide Holmfeld: "waarlijk, wij waren er verre af, van ons op uw bezoek te verwachten: dat is hupsch van u."

"En waarom niet?" zeide hij, zijn onbeschroomdheid terugvindende, en plaatste zich meteen op den hem aangeboden stoel naast Amelia, die den haren verschoof: "ik ben immers een liefhebber van op het water rond te zwalken. Maar laat ik niemand storen. Houdt uw gemak, Mijne Heeren! Ik hou, zooals ik zeide, veel van een speelreisje; en bovendien, ik wenschte Mijnheer (zich tot Van Lintz wendende) te bedanken voor de eer, die hij mijn jacht heeft aangedaan, door het tot zijn overtocht te gebruiken. En de Heer Huyck ook hier! maar dat verwondert mij minder: men ziet den rook, waar het vuur is:--en als men zulke trekpleisters heeft...." hier zag hij, schamper lachende, naar Amelia.

"Mijnheer!" zeide Van Lintz, met nadruk: "ik ben hier slechts passagier aan boord, en de Kapitein kan toelaten wie hij verkiest; maar ik moet u zeggen, nu het mij blijkt, dat gij bewust waart van onze tegenwoordigheid alhier, dat uw ongewenscht bezoek de maat vult van al uw onbescheidenheden te mijwaarts."

"Kom Heer Graaf! of welken naam UEd. thans verkiest te dragen," zeide Lodewijk: "UEd. kan het zoo kwaad niet meenen: er is, zoo ik wel onderricht ben, ook een tijd geweest, dat UEd. ongewenscht aan boord kwaamt bij dezulken, die u voor St.-Felten wenschten. Daar is Kapitein Pulver, die weet er een geschiedenis van te vertellen."

"'t Is bij mijn zolen niets anders als ik dacht," zeide Pulver: "ja! ja! Pulver laat zich geen brik voor een barkas verkoopen, zooals ik zei."

"En gij, Kapitein Holmfeld!" vervolgde Lodewijk tegen den verbaasden Schipper: "gij moogt ook wel toezien, of uw geëerde passagier zou uw schip wel eens naar de Baai van Venezuela kunnen sturen."

"Ellendeling!" riep Van Lintz, bleek van woede en zich met moeite bedwingende: "Wat hebt gij voor? Wat beduidt uw komst, en de taal, die gij voert?"

"Ik begrijp er niets van," zeide Holmfeld: "uw eigen vader, Mijnheer Blaek! heeft mij deze lieden aanbevolen en aan boord doen ontvangen."

"Mijn vader is, met verlof gezegd, een oude suffer," zeide Lodewijk: "maar hij had wel anders gehandeld, indien hij geweten had, dat gindsche Heer, die zulk een hoogen toon voert, een deserteur is en een zeeroover."

Er volgde een oogenblik van algemeene stilte op deze woorden. De oogen van Van Lintz rolden hem vreeselijk in 't hoofd, het schuim stond hem op de lippen, en hij ware Lodewijk ongetwijfeld aangevlogen, had niet Amelia, eene uitbarsting willende voorkomen, zich voor haar vader geplaatst en hem omvat.

"Mijnheer mag wezen wie hij wil," zeide Holmfeld, na zich een wijl bedacht te hebben: "hij is mijn passagier: ik heb geld voor den overtocht ontvangen en ik versta niet, dat hij aan mijn boord beleedigd worde."

"Goed gesproken!" zeide Pulver: "of hij een deserteur is geweest weet ik niet; maar, zoo hij al een zeeroover was, kan ik getuigen, dat hij mij op een bescheiden wijze behandeld heeft en mij ongemolesteerd heeft laten gaan, toen hij mij zonder genade had kunnen opknoopen."

"Met u praat ik niet," zeide Lodewijk, "en wat Kapitein Holmfeld betreft, hij mag zich tweemaal bedenken over hetgeen hij zegt; want het zou wel kunnen gebeuren, dat hij anders geen zaken meer te doen kreeg voor ons kantoor."

"Hoor eens," zeide Holmfeld, op zijn beurt warm wordende: "Mijnheer Bos, of zoo hij heeten mag, is onder bescherming van de Deensche vlag en niemand zal hem hier verder affronteeren. En wat u betreft, Sinjeur! die hier twist komt zoeken, ik raad u, maak maar gauw, dat gij van mijn bodem afkomt, of ik laat u tusschendeks smakken en pak u mede naar Denemarken. Wat hagels! ik ben baas op mijn schip."

Lodewijk beet op zijn lippen: "Ik ga," zeide hij, op een sarrenden toon: "en zal te Amsterdam bericht brengen, dat Kapitein Holmfeld misdadigers laat ontsnappen en dat de zoon van den Hoofdschout een afscheidsglaasje met hen drinkt."

Ik had mij voorzichtigheidshalve niet in den twist gemengd; maar deze persoonlijke beleediging begreep ik niet voorbij te kunnen laten gaan: "Mijnheer Blaek!" zeide ik: "ik heb tot nog toe gezwegen: maar ik moet u zeggen, dat gij hier een ellendige rol speelt."

"Met u heb ik thans niets te schaffen," zeide hij; "maar later zult gij mij voldoening voor die woorden geven."

"Ik had u die reeds lang afgevergd," zeide ik: "indien de eerbied voor uw vader en nicht mij niet weerhouden hadden."

"Mijn nicht!" hernam hij, schamper lachende: "het voegt u wel van mijn nicht te spreken, wanneer ik u met uw maitres in gezelschap vind."

"Dat is te veel!" riep ik uit: "zoodra wij aan wal zijn...."

"Gij hebt gehoord, wat ik gezegd heb," zeide Holmfeld, terwijl hij Lodewijk in den kraag vatte: "nog één woord en ik smijt u in den kelder."

"Een oogenblik!" zeide Van Lintz, die inmiddels zich geweld had aangedaan om bedaard te blijven: "indien hier iemand beleedigd is, zoo ben ik het. Ik had wellicht, uit aanmerking van den dienst, welken mij des jonkmans vader gedaan heeft, zijn onbezonnen uitvallen kunnen verschoonen; maar het is de eer mijner dochter, welke hij aanrandt, en bij den Hemel! hij zal niet naar Amsterdam terugkeeren om daar haar goeden naam door zijn schandelijke lastertaal te bezwalken. Welke wapenen verkiest gij, Mijnheer Blaek?

Aller oogen waren op Lodewijk gevestigd; hij sloeg even de zijne neder onder den ontzagwekkenden blik van Van Lintz; maar zijn gelaat bleef dezelfde spotachtige uitdrukking behouden, welke het van zijn binnentreden af niet verlaten had.

"O ho!" zeide hij: "begint Mijnheer eindelijk te begrijpen, dat er een fatsoenlijker wijze is om tusschen cavaliers een twist te beslechten dan met de vuist, gelijk gemeene kruiers?--Wat zal ik u antwoorden? De wapens zijn mij vrij onverschillig; maar liefst vecht ik op den vasten wal; ik heb nooit het ambacht van zeeroover uitgeoefend: en schoon ik redelijk vast sta op de planken van mijn jacht, ben ik nooit gewend geweest--zooals andere lieden--het rapier of de pistool aan boord te bezigen!"

"Het zij zoo!" zeide Van Lintz: "wij zijn in 't gezicht van Terschelling, en daar zal zich wel een eenzaam plekje bevinden waar wij onze zaak kunnen afdoen. Gij zult er zeker niet tegen hebben, dat de Heer Huyck en Kapitein Pulver ons tot getuigen strekken."

"Ik zie niet, dat wij getuigen noodig hebben," zeide Lodewijk; "maar, wat mij betreft, ik heb er niets tegen.--Hoewel de duinkant eenzaam zij, is het verkieslijk, zoomin geruchts mogelijk te maken: en alzoo stel ik voor, den degen te gebruiken."

Van Lintz boog het hoofd ten teeken van goedkeuring. De Kapiteins en ik zagen elkander met verwonderde blikken aan; want de keus van Lodewijk scheen ons vreemd en gewaagd toe: immers, al had hij ook den naam van een geoefend schermer te zijn, hij kon, op 't oog af, niet gerekend worden zijn forsch gespierden weêrpartijder in kracht of behendigheid te evenaren: en een gevecht met pistolen, had, naar onze meening, meer gelijkheid tusschen partijen gevormd. Er viel echter niets aan te veranderen, daar Lodewijk het zelf zoo gewild had; doch de achtelooze, onverschillige wijze, waarop hij zijn keuze gedaan had, bleef ons, evenals die keuze zelve, onverklaarbaar.

Droevig was echter de uitwerking, welke de afloop van den twist op Amelia deed. Schoon haar oog geen traan ontvloot, teekenden al haar gelaatstrekken hevige ontroering en bezorgdheid. "O God!" riep zij, de handen angstig wringende: "moet er om mijnentwil een tweegevecht plaats hebben?--Heb ik niet reeds genoeg uitgestaan, mijn Vader! en moet de laatste stap, dien gij op uw geboortegrond doet, met bloed geteekend worden?--Kunt gij dat niet beletten, Mijnheer Huyck?"

Ik haalde de schouders op: en in waarheid, welk een afkeer ik van nature ook tegen die onmenschelijke en onchristelijke gewoonte koester, om elkander als wilde dieren naar het leven te staan, ik zag niet, hoe er in dit geval aan een vergelijk of verzoening kon gedacht worden: "al wat ik kan voorstellen," zeide ik, "is om zelf de plaats van uw Heer vader te nemen en den Heer Blaek, voor zijn lastertaal de straf te geven, die hij verdiend heeft."

"Is het op die wijze, dat gij mijn zorg denkt te verminderen? en is deze de eenige troost, dien gij mij geven kunt?" zeide Amelia met een verwijtenden blik.

"Wees vooralsnog niet voor uw lief bekommerd, Mejuffrouw!" zeide Lodewijk: "ik hoop later mij met den Heer Huyck te meten en hem zijn smadelijke woorden te doen opslikken:--eerst moet de zaak met uw vader afgedaan zijn."

"Wees toch bedaard Amelia!" zeide Van Lintz, eenigszins ontevreden over den twijfel, welken zijn dochter over den uitslag van het tweegevecht scheen te voeden: de Heer Blaek verlangt een les: hij heeft die noodig: en ik ben bereid, hem die te geven: zou UEd. de goedheid willen hebben, Kapitein Holmfeld! van de sloep vaardig te doen maken. Ik vlei mij, dat wij niet lang zullen wegblijven."

"Te drommel!" fluisterde Pulver mij in 't oor: "wie had dat kunnen vermoeden? Zou UEd. den Heer Lodewijk niet kunnen raden alsnog zeil te minderen? Hij mag groot en sterk zijn: maar tegen dien driedekker van een Don Manoël is hij niet opgewassen."

"Het heeft zoo moeten zijn," zeide ik: "en het ligt er nu eenmaal toe; maar ik had wel gewenscht, dat die thee op den bodem van de zee lage en dat wij hier nooit aan boord waren gekomen; want de hemel weet, hoe men dit geval ten onzen nadeele zal uitleggen."

Wij waren intusschen de kajuit uitgetreden: Holmfeld was zijn bevelen gaan geven tot het klaarmaken der sloep: Van Lintz was naar beneden om zijn degen en mantel te gaan halen, en Lodewijk, tegen het gangboord leunende, stond een deuntje te fluiten en naar wal te zien. Nu naderde mij Amelia en zeide:

"Gij belooft mij, toe te zien, Mijnheer Huyck! dat alles naar behooren toega. Ik kan het niet helpen, maar ik mistrouw dien Heer Blaek."

"Ik heb nooit de beste gedachten van hem gehad," zeide ik: "maar wij zullen zorgen, dat alles volgens de regels geschiede. Ban uw vrees: het zal beter afloopen, dan gij denkt. Uw vader is zich zijner kracht bewust en de jaren voorbij, waarin men onbesuisd te werk gaat en zonder nadenken handelt. Ik bedrieg mij zeer, of zijn voornemen is alleen, dien onbedachtzamen knaap een aandenken aan zijn meerderheid te geven.--Intusschen, ik wenschte met u, dat dit alles geen plaats had gehad."

De sloep was nu gereedgemaakt en Kapitein Holmfeld verzocht ons, den meesten spoed aan onze verrichtingen bij te zetten, daar hij zijn manschappen niet langer dan noodig ware wilde missen. Lodewijk steeg eerst af: vervolgens de Heer Van Lintz, na zijn dochter hartelijk vaarwelgekust te hebben. Ik drukte haar zwijgend de hand tot afscheid en volgde met Pulver; maar nog waren wij niet allen gezeten, toen Amelia boven aan de trap verscheen en, eer iemand het verhinderen kon, zich naar beneden liet glijden.

"Wat wilt gij? En welke dwaasheid is deze?" vroeg haar vader, op een strengen toon.

"Ik wil met u naar wal gaan," zeide Amelia: "niet dan door dwang zal ik u verlaten: mijn besluit is onverzettelijk: en gij weet, mijn vader, dat ik, wat vastheid van wil betreft, uw waardige dochter ben--vrees niet dat ik uw opzet storen of verhinderen zal. Ik zal bij de sloep blijven: gebeurt er eenig ongeval--'tgeen de Heiligen verhoeden--dan ben ik immers bij de hand, en er behoeft niet naar het schip gezonden te worden om mijn hulp te vorderen."

Er viel hier niets tegen in te brengen. Wij staken af en roeiden naar de haven; terwijl wij allen, en zelfs Pulver, wien het moeilijk viel, het zwijgen bewaarden. Het jacht van Lodewijk, dat minder diep ging dan het Deensche vaartuig, lag tusschen dit en het dorp in ten anker: alles was stil aan boord: slechts een enkel persoon stond onbeweeglijk aan de voorplecht. Eerst toen wij naderbij kwamen, bespeurde ik, dat die man een kijker in de hand en op ons gevestigd hield. Opeens verdween hij: en nu zag ik, dat de jol aan bak-boordzijde gehaald werd. Ik veronderstelde eerst, dat de knecht van dat jacht, Lodewijk in ons midden herkennende, zijn bevelen kwam vragen; maar niet weinig verwonderd was ik, toen, één voor één, een viertal personen op het dek van het jacht verschenen en in de jol afdaalden, die nu met alle kracht van riemen naar wal word geroeid. Ik zag Lodewijk aan, en ik bemerkte, dat ook zijne oplettendheid op deze manoeuvre gevestigd was, en dat een echt duivelsche lach zich op zijn lippen vertoonde. In andere omstandigheden zou ik hem gevraagd hebben, wie die personen waren, die hij op zijn vaartuig had; thans echter schroomde ik het stilzwijgen te breken, dat in onze sloep heerschte, en wellicht een onhebbelijk antwoord uit te lokken. Weldra was de jol tusschen de in de haven liggende visschersschuiten en achter het paalhoofd verdwenen. De Heer Van Lintz had haar niet bespeurd of er geen acht op geslagen, en zijn dochter was te zeer in haar droevige gepeinzen verdiept, om te letten op iets, wat rondom ons gebeurde. Wat Pulver betreft, hij was juist bezig met vuur te slaan en zijn pijp aan te steken, toen de jol van het jacht afging, en zij had dus ook zijne opmerkzaamheid niet getrokken.

Wij waren eindelijk aan het paalhoofd gekomen, hetwelk wij beklommen, uitgenomen Amelia, die zich tegen de koele zeelucht in haars vaders mantel wikkelende, in de sloep bleef zitten. Wij drongen door de hier wederom verzamelde menigte heen en bevonden ons weldra op het gulle zand voor het dorp.

"Dunkt u niet best," vroeg ik aan Van Lintz, "dat wij eerst naar de herberg gingen en ons van daar, quasi om een wandeling te maken, naar het duin begaven?--Dat zou minder opziens baren en geen argwaan verwekken."

"Die wandeling zal u wel bespaard worden," mompelde Lodewijk; en, op hetzelfde oogenblik trad iemand, die uit den volkshoop te voorschijn kwam, naar Van Lintz toe en legde hem de hand op den schouder met de woorden: "Gij zijt mijn arrestant."

"Uw arrestant!" riep Van Lintz, verbaasd terugtredende en de hand aan zijn degen slaande.

"Wij bidden u, niet te bieden eenige resistentie," zeide Heynsz:--want hij was het zelf:--"mijn dienaars zijn gewapend en ik heb slechts te vertoonen mijn mandaat, om te verkrijgen de noodige assistentie."

"Geef in 's Hemels naam toe," zeide ik tegen Van Lintz: "alle weerstand zou voor het oogenblik nutteloos zijn."

"Heer Graaf van Talavera!" zeide Lodewijk Blaek, met een hoonenden lach, tegen Van Lintz: "gij zijt een fijne diplomaat; maar de kunstgreep, dien ik thans gebezigd heb om u van het Deensche schip te lokken, was toch nieuw."

"Gij zijt de verachtelijkste mensch, dien ik ken," zeide ik, over zulk een helsche list verontwaardigd.

"En de onvoorzichtigste," zeide Van Lintz: "want zijn fieltestreek kan hem zijn halve vermogen kosten.--Maar dat daargelaten! Ik moet zwichten. Hier is mijn degen. Monsieur Heynsz! waar is het uw plan mij heen te voeren? Ik wensche vooraf nog mijn dochter eens te spreken en afscheid van haar te nemen."

"Om Godswille! Wat is er gebeurd?" riep Amelia, die, door een der matrozen ten halve onderricht, angstig kwam toesnellen.

"Niets, lief kind!" zeide Lodewijk: "als alleen dat het plan veranderd is, en dat gij met uw vader en mij in vrede naar Amsterdam terugkeert."

"Is dit noodzakelijk?" vroeg ik aan Heynsz; "en moeten die lieden gedwongen worden, het gelaat van dien schoft op de terugreis voor oogen te hebben?"

"Ik zal u verzoeken, liever een vaartuig te mijnen koste te nemen," zeide Van Lintz.

"Ziedaar een billijk voorstel," zeide ik tegen Heynsz: "gij zijt bovendien afgezonden, om Mijnheer gevangen te nemen, en niet om hem te pijnigen door den aanblik van iemand, die hem met reden hatelijk is."

"Er is geen zwarigheid ter wereld," antwoordde Heynsz: "wij willen den Heer Graaf niet jagen op kosten: wij willen huren een vaartuig en bedanken den Heer Blaek voor zijn verder konvooi. Zoo de Heer Graaf verlangt, wij zullen aan de roeiers, die hem gebracht hebben hier, last geven, van boord te gaan halen zijn bagage."

"Die bagage zal zeker onderzocht worden?" vroeg Van Lintz, hem met een doordringenden blik aanziende: "doch om 't even:--ik verlang er zelfs naar; want daardoor zal de wraak volkomen worden, die ik van dezen Judas nemen moet."

"Wat ... wat beduidt dat toch?" vroeg Lodewijk, enigszins ongerust: "wat hebben uw bagage en mijn vermogen onderling uitstaande?" Hij ontving geen antwoord en bleef enigszins beteuterd staan. Het was mij duidelijk, dat hij gaarne naar zijn jacht zou zijn teruggekeerd, doch dat de zoo stellige woorden van Van Lintz indruk op hem hadden gemaakt: hij bleef dus, schoon op enigen afstand, om ons draaien.

"Zouden wij niet inmiddels naar de herberg gaan?" vroeg ik aan Heynsz; "wij hebben hier zoveel bekijks."