Chapter 47
"Ach Mijnheer! moet ik het u bekennen?" zeide Sander, terwijl hij weder voor zich zag en het hoofd met weemoed schudde: "UEd. hebt betere gedachten van mij dan ik verdien. Toen ik op dit eiland aanlandde, was het niet met het voornemen om mij te beteren. Het is waar, dat het leven, hetwelk ik in Gooiland leidde, mij tegen de borst stuitte; want ik was niet in de wieg gelegd om een gemeene straatroover te zijn. Neen! het leven en bedrijf in de West-Indien, dat was meer voor mij geschikt: en echter: zelfs daartoe ware ik nooit gekomen, had mij het voorbeeld van Don Manoël niet aangevuurd. Maar hij had aan mijn tot dien tijd toe sluimerende verbeeldingskracht een nieuwen weg aangewezen; hij had mij geleerd, datgene als iets grootsch en verheven te beschouwen, hetgeen ik voorheen zondig en schandelijk gerekend had. Hem te volgen, met hem op den Oceaan te strijden, dood en vernieling aan te brengen, was mij een wellust, een verdienste geworden. Zijn vijanden waren ook de mijnen: en zoo het mij reeds een onvolprezen voorrecht toescheen, als zijn Luitenant zijn manschap aan te voeren, hoe moest mijn hoogmoed dan niet stijgen, toen ik, na zijn vertrek, mij zelf tot opperhoofd verheven zag!--Ik weet, dat het handwerk, dat ik dreef, onwettig en ongeoorloofd was; dat de dood mijn loon was, indien ik gevangen werd:--maar aan een anderen kant: ik was machtig, onafhankelijk, zonder iemand, die mij te bevelen had: ik schatte mij hooger dan een Admiraal; want deze moge de eerste op de vloot zijn, hij mag die vloot toch niet voeren, dan waar Heeren Staten het hem gelasten. Welnu!--het was dat leven, het was die hooge rang, waar ik naar reikhalsde, dien ik weder herwinnen wilde: en ik wilde er Klaartje in doen deelen: want ondanks haar ontrouw, en ondanks al wat er gebeurd is, heb ik haar altijd blijven liefhebben, en de gedachte aan haar was de eenige, die mij soms kwelde, toen ik in de West-Indien was. Het was daarom, dat ik Andries en zijne makkers hier had ontboden: mijn voornemen was--en hij weet het goed die schoelje--om zoo mogelijk een goed zeebouwend vaartuig weg te kapen:--en eenmaal in het ruime sop gekomen, zou ik den weg naar het meer van Maracaibo en mijn oude makkers wel weder hebben teruggevonden."
"En," zeide ik, "om aan uw dwazen, doemwaardigen wensch te voldoen, zoudt gij in koelen bloede de manschap vermoord hebben van het schip, dat gij behoefdet?"
"Dat alles is voorbij," vervolgde Sander, zonder mijn vraag te beantwoorden. "Ik heb Klaartje teruggezien: ik ben getuige van haar lijden, van haar berouw geweest: ik heb gevoeld, dat ik nog te weekhartig was om ... vergeef mij ... een rol vol te houden, die een hart van staal vereischt. Ik heb van mijn voornemen afgezien:--en ik ken mijn makkers genoeg: zij zullen het zonder mij niet durven ondernemen, veelmin ten uitvoer brengen:--zij zullen zich verstrooien:--en de hemel geve, dat ik nooit weer van hen hoore."
"En gij," vroeg ik: "welke zijn uw verdere plannen?"
"Kan ik aan de toekomst denken, zoo lang zij ginds ligt te sterven?" vroeg hij op een eenigszins verwijtenden toon,
"Ja, dat kunt en moet gij," antwoordde ik, na een oogenblik geweifeld te hebben: "gij moet uw leven beteren en dat moogt gij geen oogenblik uitstellen. Gij moet dit land verlaten, waar gij niet langer als een eerlijk man kunt leven, maar de wereld staat voor u open. Ga naar Rusland: daar worden wakkere gezellen als gij, die het zeemanswerk verstaan, met open armen ontvangen: bied daar uw diensten aan en gij zult door de wereld komen: is het al niet in een hooge betrekking, dan althans in zulk eene, welke gij u nimmer behoeft te schamen."
"Gij meent het wel met mij, Mijnheer Huyck!" zeide Sander, met aandoening: "en ik zal uw woorden overdenken; maar verg mij niet, thans reeds eenig besluit te nemen. Ik moet eerst aan Klaartje de oogen sluiten: dan misschien.... God zegene u, Mijnheer Huyck!"
Met deze woorden wendde hij zich af en keerde naar het ziekvertrek terug. Zijn verhaal had een diepen indruk op mij gemaakt.
"Al weder een slachtoffer van kwalijk geplaatste eerzucht," dacht ik bij mijzelven, terwijl ik de herberg verliet: "die Sander had een braaf en nuttig mensch kunnen worden, indien zijn ongelukkig gesternte hem niet het al te verleidelijke voorbeeld van Don Manoël had voor oogen gesteld: en deze zal eens, op den dag des oordeels, behalve zijn eigen schuld, ook de wandaden te verantwoorden hebben, waaraan zich deze ongelukkige heeft schuldig gemaakt."
Aldus peinzende, was ik weldra de bergplaats der gestrande goederen genaderd, en zag van verre den braven schipper, die zweetende en zwoegende zijn matrozen bevelen gaf, terwijl zij onder zijn opzicht de kisten thee op een paar wagens laadden, en Reynszen hen voor de open deur van het pakhuis stond aan te zien. Zoodra Pulver mij in 't oog kreeg, liep hij naar mij toe, roepende:
"'t Is al afgewasschen Patroon! zooals de kajuitsjongen zei, toen hij de hemden van den kapitein overboord had laten vallen: ik heb den deurwaarder van morgen al uit zijn bed getrommeld, en hij heeft een exploit aan Reynszen gedaan, je leven zoo niet ... en het geld betaald ook: en nou gaan wij den boel naar de _Kjöbenhavn_ brengen. Kijk eens, Patroon! 't is een lust om te zien, zoo kurkdroog als de kisten gebleven zijn; er is geen druppel water bij de thee gekomen:--nu in allen gevalle, dat zou aan hem, die ze drinken moet, de moeite van 't zetten bespaard hebben."
"En drink jelui waarachtig dat goed nou te Amsterdam?" vroeg Reynszen, nader tredende: "'t is bylo een rare kost: ik heb 't eens gezien: maar ik zou 't niet lusten."
"Kom! kom!" zeide ik: "mettertijd zult gijlieden er ook wel smaak in krijgen, als 't wat algemeener wordt. Maar wat ik zeggen wilde, Kapitein! gij hebt mij een leelijke poets gebakken, met mij zoo te laten slapen. Ik weet, gij deedt het om bestwil; maar anders: ik ben daar niet op gesteld."
"Och Patroon! je sliep zoo gerust: ik wou je niet wakker maken, zooals de dief zei, toen hij het horloge van den huzarenofficier van het beddetafeltje nam en de officier hem bij de lurven pakte:--en wij konden dat alles immers best afdoen, Reynszen en ik?"
"Met verlof!" zeide ik tegen dezen: "kendet gij de lieden, die gisteravond laat ten uwent waren?"
"Neen!" antwoordde Reynszen: "het is eerst sedert een paar dagen, dat zij bij mij aankomen: de eene, zooals hij zegt, wil veulens koopen: de andere heeft weer een negotietje van snuisterijen: en een derde is een matroos, die verlof heeft: en een vierde is voor plezier mee, maar wat verscheelt het mij? zoolang zij betalen, vraag ik niet, wie zij zijn, of hoe zij heeten:--en bovendien, Terschelling is een vrijplaats vanouds: al hadden zij wat uitgericht, dan mag niemand hen hier molesteeren."
"Ik weet niet," zeide ik, "of de Heeren Staten veel om uw vrijplaats zouden geven; maar zoude het u aangestaan hebben, indien zij, gelijk hun eerste voornemen was, dit pakhuis leeg gestolen hadden?"
"De duiker haal me!" zeide Reynszen, verbaasd: "voerden die lieve jongens zulke dingen in hun schild?"
"Of wat zoudt gij er van denken," vervolgde ik, met genoegen den indruk bespeurende, dien mijne redenen maakten: "indien zij eens in den volgenden nacht het vaartuig beklommen, dat ginds op de reede ligt, de manschap afmaakten en overboord smeten en met het schip gingen strijken?"
"Met onze thee gaan strijken!" riep Pulver, opstuivende.
"Zoudt gij dan wel in uw schik zijn," vervolgde ik, "van dat voorgewende recht van vrijplaats te hebben volgehouden, en daardoor aanleiding te hebben gegeven tot den moord van die ongelukkigen, die zich ginder veilig wanen, en het vast vertrouwen koesteren dat een goede Justitie voor hen waakt."
"O die schelmen!" riep de waard, met vuur: "hebben zij zulke voornemens? Wacht! daar zullen wij toch even met den Drost over dienen te spreken; want voel je, die dient de zaak toch te beslissen.--En hebben zij zoo openhartig en luidruchtig over hun plannen gesproken, dat UEd. het hooren kon? Maar wanneer hebben zij dat toch gedaan? want, zoolang ik in de kamer was, is er geen woord over gevallen."
Ik bedacht mij een oogenblik, alvorens te antwoorden; want ofschoon ik het hoogst noodig oordeelde, dat Andries en zijn makkers gepakt werden, wenschte ik Sander wel te sparen. "Hoor eens!" zeide ik eindelijk: "hoe ik er achter gekomen ben is hetzelfde, en dat zal ik op zijn tijd wel aan de Justitie ontdekken. Draag gij intusschen zorg, dat men een wakend oog over die kerels houde en hun gangen naga: dat moet, dunkt mij, hier op 't eiland niet moeilijk wezen."
"Neen voorwaar!" zei Pulver lachende: "zij moesten in een konijnshol kruipen; anders weet ik niet, waar zij zich hier zouden verstoppen."
"Een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg," zeide Reynszen: "en Mijnheer wordt voor zijn inlichting bedankt. Jawel, Terschelling is een vrijplaats; maar 't behoeft daarom geen boevennest te worden. Nu! ik kuier op en zie of ik den Drost kan vinden. Tot straks dan."--Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich, mij met Pulver bij de vrachtwagens latende.
"Wat dunk je, Patroon?" vroeg Pulver, toen hij weg was: "zou UEd. ook lust nebben om met de schuit mee te gaan naar de _Kjöbenhavn_, voor een veranderingetje? Er is hier toch niet veel raars te zien. Kapitein Holmfeld is een hupsche vent, die ons goed onthalen zal, wees daar zeker van: en dan kan UEd. hem de kisten zelf aanbevelen. Dat heeft altijd meer klem, dan dat ik het doe."
Ik omhelsde dit voorstel met genoegen: daar het verblijf op Terschelling toch niet zoo vermakelijk was, of het kon wel eenige variatie gedoogen; ik liet mijn mantel door een der matrozen halen, en weinige minuten waren er verloopen, toen ik, met Pulver en een gedeelte der manschap van de _Fortuin_, mij in het vaartuig bevond, hetwelk de theekisten naar het Deensche schip moest overvoeren. In een klein half uur tijds waren wij de haven uit en op de reede gekomen, en zag ik Kapitein Holmfeld aan de trap staan, onze komst verbeidende. Niet verre van hem stonden twee in mantels gewikkelde personen, die insgelijks naar ons uitkeken.
"Het schijnt dat er passagiers aan boord zijn," zeide ik tegen Pulver.
"Dat dunkt mij ook," zeide Pulver: "ja, dat is geen wonder: er trekken tegenwoordig heel wat lieden dien koers uit. Nu! wij zullen zien."
Weldra lagen wij naast de kof: "alles wel! alles wel" klonk het nu over en weer. "Hier breng ik je een heele winterprovisie", riep Pulver zijn confrater toe: "zoo geurig, dat je schip er wel een jaar naar rieken zal."
"'t Is mij welkom," gaf Kapitein Holmfeld, een stevige vierkante Deen, hem in goed Hollandsch ten antwoord. "Maar gij komt immers ook aan boord, met dien Heer, dien gij bij u hebt?"
"Wel gewis!" zeide Pulver, terwijl hij de ladder besteeg: "dat is een van mijn patroons, dien ik meebreng: hij zal u, hoop ik, ook geen belet doen."
"In 't minste niet," antwoordde Holmfeld; terwijl twee matrozen van zijn manschap aan die van ons vaartuig een paar handspaken toestaken, die mij bij het opstijgen tot een leuning verstrekken moesten.
"Nu blijft gijlieden toch eten?" vervolgde de Kapitein: "ik ga toch niet voor morgen het zeegat uit. Stuurt uw schuit maar weg, en laat die u t'avond terug komen halen; of anders, ik zal u wel met de sloep aan wal laten brengen; want de wind gaat toch liggen: wij krijgen stilte."
"Wat mij betreft," zeide ik, na Pulver even te hebben aangezien: "ik neem gaarne uw aanbod aan: te liever, daar ik betere gedachten van uw keuken heb, dan van den Terschellingschen pot."
"Nu! dat is mij lief," hernam Holmfeld: "wel! wel! 't is een macht van kisten, die gij mij aanbrengt: als ik ze alle maar plaatsen kan:--en staat gij er voor in, Schipper! dat er geen averij aan is?"
"Gij kunt ze zelf bezien," zeide Pulver: "er is geen drop water bij gekomen."
De kisten, die intusschen aan boord waren overgebracht, werden met de vereischte nauwkeurigheid bezichtigd en voorloopig op het dek bijeengezet en met een zeil bedekt, terwijl men bezig was er tusschendeks een geschikte bergplaats voor gereed te maken.
"Ik behoef u de zorg voor de waren, die ik meebreng, niet aan te bevelen," zeide ik tegen Holmfeld: "maar wat ik u in de eerste plaats op het hart moet drukken, is de zorg voor uw eigen schip; want het kon wel gebeuren, dat gij in den volgenden nacht een bezoek ontvingt, dat u alles behalve welkom ware."--En ik verhaalde hem in korte woorden het plan, waar ik onderricht van bekomen had: er bijvoegende, dat het bestuur van Terschelling, naar mijne gedachten, wel de noodige maatregelen zou nemen om een aanslag te voorkomen.
"Dat wensch ik," zeide Holmfeld: "maar in allen gevalle dank ik Mijnheer voor de waarschuwing: en zoo zij het in den kop kregen, zoo iets te beproeven, zouden zij ook ondervinden, dat Kapitein Holmfeld handen aan 't lijf en fiksche gasten aan boord heeft. Maar zij zullen het niet zooverre laten komen.--Wees zoo goed en zeg er maar niets van dat de passagiers het hooren. Die menschen mochten zich maar noodeloos ongerust maken: ofschoon, wat den ouden Heer betreft, ik niet bang zoude wezen, dat hij mij in den steek liet zitten. 't Is een kerel als een boom, en die mee in zijn leven den plankenvloer heeft beloopen: dat zag ik direct wel toen hij aan boord kwam: geen landrot zou zoo op zijn gemak over het dek gekuierd hebben."
"Dat is waar ook," zeide ik: "gij hadt, dunkt mij, passagiers aan boord, waar zijn die gebleven? Ik hoop niet, dat zij bang voor mij zijn."
"Wel neen!" zeide Pulver, zich in het gesprek mengende: "wij zullen ze niet opeten, zooals de matrozen zeiden, toen zij de vaatjes rum van den bottelier hadden gekaapt."
"Zij zijn naar beneden gegaan," zeide Holmfeld: "'t schijnen hupsche menschen; waar wat schuw van vreemde aangezichten. Wij zullen hun echter laten vragen, of zij niet mede een kopje koffie komen drinken. Toe Melis! loop eens gauw naar beneden, en vraag, of Mijnheer en de Juffer ons met hun gezelschap willen vereeren. Zeg dat er niemand vreemds is als de Kapitein van de Fortuin en Mijnheer Huyck."
Wij begaven ons hierop in de kajuit, waar koffie, brood en boter werd aangebracht: en nauwelijks had Pulver zijn koperen tabaksdoos uitgehaald, en een pijp met een geweldige pruik gestopt, of de deur ging open en ik herkende in de binnentredende passagiers--Amelia en haar vader. Ik stond eenigszins verzet; echter was mijn verwondering over hun onverwachte verschijning minder groot dan bij vorige gelegenheden; ik geloof, dat ik reeds aan dergelijke verrassingen gewoon was geworden. Niet wetende, in hoeverre hun ware naam en betrekking aan den kapitein bekend waren, vergenoegde ik mij, hen beleefdelijk te groeten, terwijl alleen een glimlach, dien ik niet weerhouden kon, aan een derde zoude hebben kunnen doen gelooven, dat ik hen vroeger gekend had: en ik besloot mijn handelwijze naar de hunne te regelen; daar zij toch van den kajuitsjongen bericht hadden ontvangen, wien zij boven zouden vinden, en zich dus konden voorbereiden, hoe zich jegens mij te gedragen. Maar zoo ik al zweeg en mij goed hield, er was iemand in ons gezelschap, op wien de komst van de nieuwaangekomenen een indruk maakte, die zich niet zoo licht bedwingen liet. De goede Pulver namelijk had hen nauwelijks in 't aangezicht gekeken, of hij sprong van de bank, waar hij op gezeten was, zoodat de versch gestopte pijp in stukken vloog en, met een goed deel tabak, asch en vuur daarnevens, op den grond rolde, staarde vader en dochter met open mond beurtelings aan en sloeg toen de handen ineen, dat het klapte:
"Wat drommel!" riep hij eindelijk uit: "heb ik het mis, of heb ik het wis?"
"Hoe zoo?" vroeg Holmfeld: "kennen de vrienden mekaar?"
"Dezen Heer ken ik," zeide Van Lintz, met een onveranderd gelaat: en naar mij toetredende, drukte hij mij de hand.
"Neen maar...." hernam Pulver: "bij mijn zaligheid zou ik er op durven zweren:--en toch is het niet wel mogelijk.--Maar zoo ik niet wist dat het geen droom is, en dat wij hier werkelijk in 't Maklijk-Oud bij Terschelling lagen, op den hoeker _de Stad Kjöbenhavn_, Kapitein Holmfeld, dan zou ik denken, dat wij ons in de zee van de Antilles bevonden."
"Dat is wat ver van hier," zeide Van Lintz, met het onnoozelste gezicht van de wereld, terwijl hij eenige vonken uittrapte, die de pijp van Pulver op de vloermat gestrooid had.
"Wel! Wel!" vervolgde Pulver: "hadden wij nu Sandertje maar hier:--die kon getuigen, of er ooit zoo'n gelijkenis bestaan heeft.--En de Juffer ook--net datzelfde vriendelijke bakkesje, schoon wat grooter en bleeker dan toen:--neen! nu kan ik er toch niet meer aan twijfelen."
"Er bestaat geen onmogelijkheid, dat wij elkander vroeger gezien hebben," zeide Van Lintz, op een koelen toon: "maar uw gezicht staat mij niet voor."
"Wel mogelijk!" zeide mijn metgezel: "Kapitein Pulver, tot uw dienst--vroeger schipper van de Compagnie op de _Prins te Paard_, thans van het huis Van Bempden, Van Baalen en Comp. op de _Fortuin_, die, God beter 't, ginds in 't zand ligt bedolven.--En heeft UEd. alzoo het ... handwerk vaarwelgezeid?--Nu! dat is prijselijk:--er was toch weinig eer mede te verdienen."
Amelia zag beangst en bevende, eerst haar vader, vervolgens mij aan met een smeekenden blik. Eerstgemelde bleef echter op denzelfden koelen toon tegen Pulver voortgaan:
"Ik weet niet," zeide hij: "wat gij bedoelt. Mijn naam is: Bos: en ik ben op de Antilles nooit geweest."
"Uw herinneringsvermogen bedriegt u, vriend Pulver!" zeide ik: "ik ken dien Heer zeer wel: en de gelijkenis, die gij vindt, kan niet streelend noch aangenaam voor hem zijn."
"Nu! ik ontgeef het mij dan," zeide Pulver: "ik vraag verschooning, zoo ik den verkeerde voorhad, gelijk de soldaat zei, die zijn Kornel overhoop schoot: er is meer gelijk als eigen: maar die ontmoeting, op twaalf graden Noorderbreedte, ligt mij altijd door het hoofd te malen. Ik moet u die toch eens vertellen," zeide hij, terwijl hij een versche pijp stopte.
"Straks!" zeide ik, het gesprek willende afleiden: "wij zitten pas en wij hebben den tijd nog.--Gij hebt het goed getroffen, Kapitein Holmfeld! Waart gij een paar dagen vroeger van Amsterdam gezeild, dan hadt gij den storm ook niet misgeloopen."
"Ik had niet verwacht, u hier aan te treffen, Mijnheer Huyck!" zeide Van Lintz, die inmiddels met zijn dochter had plaats genomen: "het is waarschijnlijk de ramp, aan uw schip overkomen, die u herwaarts gevoerd heeft.--Wanneer is UEd. van huis gegaan?" Ik voldeed aan zijn vraag en gaf hem een vrij omstandige beschrijving van mijn reis, minder uithoofde van de belangrijkheid mijner ontmoetingen als om te voorkomen, dat het gesprek tot het vroegere onderwerp terugkeerde. Toen ik gedaan had, vroeg Amelia: "Gij hebt dus Mejuffrouw uw tante nog vóór uw vertrek gesproken?"
"Ja!" antwoordde ik, beseffende, waar deze vraag op doelde: "zij was zeer wel en had bericht van u ontvangen."
"Ik verzoek u, haar minzaamst van mij te groeten," hernam zij "eenmaal ter plaatse mijner bestemming gekomen, zal ik niet verzuimen haar te schrijven en nogmaals voor al haar goedheid te danken."
"Gij verhaaldet zooeven," zeide Van Lintz, "van de moeite, die gij gehad hebt, om uw eigendom, en dan nog wel tegen betaling van schandelijke bergloonen, uit de handen van den Strandvonder terug te bekomen, maar gij moogt nog van geluk spreken, dat uw vaartuig niet gestrand is op een plaats waar heerlijke rechten op de zeedriften en strandvonden worden uitgeoefend; want dan hadt gij wel geheel onverrichterzake kunnen terugkeeren."
"Of op een plaats, waar zeeroovers wonen," zeide Pulver er bij: "want dan ware niet alleen schip en lading, maar ook leven of vrijheid er mede gemoeid geweest."
"Ik heb," vervolgde Van Lintz, zonder zich aan de aanmerking van Pulver te storen, "van nabij voorbeelden gezien, tot welk een uiterste die afknibbelingen en gewelddadigheden gedreven worden, welke men zich tegen hulpelooze schipbreukelingen veroorlooft, en hoe in een land, hetwelk roem draagt op vrijheid en verlichting, de winzucht ook te dezen opzichte alle menschelijkheid uitdooft, ik was in mijn jeugd zeer bekend en zelfs nauw verwant met een Heer, wiens waren naam ik verzwijgen zal, daar een zijner zonen nog heden een aanzienlijk staatsambt bekleedt, en dien ik dus gemakshalve Murél zal noemen. Deze Heer van Murél woonde op zijn voorvaderlijk slot aan de noordkust van ons land gelegen; doch van het gezag, hetwelk zijn voorgeslacht had uitgeoefend, was hem slechts weinig bijgebleven, en het ontbrak hem bovendien aan middelen om zijn stand behoorlijk op te houden. Wel had hij grond genoeg in eigendom, en de afnemende zee vergrootte jaarlijks zijn grondgebied; maar om dit te bebouwen had hij de kosten eener indijking moeten dragen: en daartoe was hij niet in staat; te meer, daar hij geen slag, of geen lust had om van zijn inkomsten iets ter zijde te leggen; maar die verteerde naarmate hij die ontving; ja eer hij die ontvangen had. Wat hem nog het meest opbracht, was het strandrecht: wat op zijn wadden aan kwam spoelen of aan den grond raakte, was goede prijs; en daar kraaide nooit een haan naar; en wee den armen schipbreukelingen, die hulp of herbergzaamheid bij hem kwamen zoeken; want zij mochten zich gelukkig achten, indien zij vrij kwamen met opoffering van al hun geredde plunje, en indien hij hen niet de zee weer instuurde, waar zij pas uit gered waren.--Maar het was niet altijd stormweer: en niet altijd raakten er vaartuigen in het gezicht van het slot te Murél aan den grond; doch mijn bloedverwant zaliger had een vrij zonderlinge en geheel eigene manier om te zorgen dat dit gebeurde, en de kans zoo voordeelig mogelijk voor hem te maken. Hij was niet ongelijk aan sommige spelers, die, wanneer de fortuin hun niet gunstig is, raad weten om haar een weinig in de hand te werken en een zetje vooruit te geven. Zoo had hij b.v. altijd een loodsboot in zee, die bereid was haar diensten den voorbijvarenden schippers aan te bieden; doch wee dengenen, die ze aanvaardde, want hij kon zeker zijn, dat zijn vaartuig op het droge raakte en dat de lading in de bergplaats van den Heer van Murél overging. Langen tijd was dit middel met een goed gevolg bekroond geworden; doch ten laatste kregen de schippers het in den neus en bedankten den Heer van Murél voor zijn loodsen:--en nu moest er op een andere wijze raadgeschaft. Een zestal kloeke en welgewapende kerels werd den loods toegevoegd, en wanneer dan een voorbijzeilend vaartuig aan boord werd geklampt, was het wel genoodzaakt zich aan hun bedrieglijke leiding over te geven, en den gevorderden tol te betalen."
"Onbegrijpelijk!" riep ik uit: "en werd dit geduld?"
"Ik zoude het niet gelooven, veelmin verhalen," ging Van Lintz voort, "indien ik het niet had gezien; maar ik heb zelf, ik durf het thans wel te bekennen, meer dan een dier tochten bijgewoond: ik was toen nog zeer jong, had geen recht besef van het mijn en dijn, en het kwam niet in mij op, dat mijn oom iets onbetamelijke of onwettigs zoude gelasten: te meer daar hij mij dikwijls onderhield over zijn voorvaderen, die, naar hij beweerde, tot de Noordsche zeekoningen hadden behoord, wier leus was, op den Oceaan geen vrienden te kennen."
"Dan heeft UEd. toch zoo een beetje aan de zeerooverij gedaan," zeide Pulver: "en ik was straks niet zoo geheel buiten koers, dat ik u voor dien anderen aanklampte, die een effectieve zeeroover was."
"En liet het Landsbestuur zulke gruwelijke dingen ongestoord heur gang gaan?" vroeg Holmfeld met een verbazing, welke ik deelde.