Chapter 46
"Ja!" zeide ik, hem terzijde trekkende: "gij moet op uwe hoede zijn. Die Dokter is tevens Substituut van den Drost, en, voor zooveel uit 's mans woorden te verstaan is, maak ik op, dat hij reeds berichten omtrent u heeft, en dat dit eiland u geen veilige schuilplaats biedt."
"Ik wijk niet van hier, zoolang Klaartje in dezen toestand blijft," zeide Sander; "en wat dien meester Doedes aanbelangt, ik ben juist niet erg voor hem beschroomd: ik weet nog wel een huismiddeltje, om hem de oogen te doen dichtknijpen."
Dit zeggende opende hij de deur der herberg, waar wij binnentraden en den Dokter reeds vertrokken vonden.--Ik verzocht Reynszen, zorg te dragen voor een goede waakster om de zieke op te passen; waarop hij mij verzekerde, dat zijn vrouw en dochter zich reeds bereid hadden verklaard, die taak op zich te nemen, en dat overigens niets ontbreken zou om haar toestand zooveel mogelijk te verzachten.
Niet ongenegen een weinig lucht te scheppen, sloeg ik aan Pulver een wandeling voor, waarop wij onze zaken zouden kunnen bepraten. Wij begaven ons, na van Sander afscheid genomen te hebben, het strand langs, en ik vroeg hem, wat er al zoo geëischt werd en hoe wij best ons goed terug zouden krijgen en geschillen of processen vermijden.
"Ja!" antwoordde hij: "wat zal ik veel zeggen? Wie in de schuit is, moet meevaren: en het helpt niet of men tegen dat volkje hier met grof geschut aan boord komt en hen bedreigt met de Commissarissen tot de Pilotage of met Gecommitteerde Raden; want daar geven zij al zooveel om als een walvischhaalder om een dooie schelvisch. Ze liggen hier buiten schoots, weet je! en storen er zich niet aan, of zij brieven en bevelen krijgen: hebben is hebben, denken zij: en wil je niet naar hun pijpen dansen, dan leeren zij het je tot je schade: ik heb nog liever met royale zeeroovers te doen dan met zulk slag van volk. Daar ligt nu de Hyson en Souchong in het pakhuis: en ik heb niet later dan van morgen een kattebelletje ontvangen van Schipper Holmfeld, die op de ree van 't Vlie ligt; dat hij die met alle gemak bergen kon en ze meenemen naar Kopenhagen: een gelegenheid, zoo schoon als men wenschen kon; maar nu wil die verbruide Strandvonder de waren niet laten volgen dan tegen een derde van de waarde voor bergloon; terwijl hem volgens alle ordonnantiën en costuymen niet meer dan zes twintigsten kunnen toekomen."
"Zoo hij al eens recht heeft op zooveel," zeide ik: "want er is hier minder quaestie van geredde, dan wel van geborgen goederen; daar gij met de equipage bijna alles gedaan hebt.--Intusschen, indien het daarmede gedaan ware ... het is ons veel waard, ons goed terug te bekomen."
"Dan is er," vervolgde Pulver: "nog een klein bagatelletje bij van anderhalf percent voor den Strandvonder, en nog een rekening van onkosten, voor gebruikte schuiten en wagens en gegeven fooien, daar een mensch de oogen van overloopen."
"Dat is toch wat grof," zeide ik: "want waar vraagt men het eenderde bergloon voor, indien men nog een extra-rekening maakt voor onkosten?--Maar kunnen wij, de quaestie over het bedrag daarlatende, de goederen niet loskrijgen onder borgstelling?"
"Wel ja! zeide Pulver: "reken daarop (zooals de schoolmeester zei, toen hij den jongen een schellingskoek in plaats van een lei in de hand stopte). Zij zullen geen goed laten volgen, voor en aleer er een volkomen afrekening heeft plaats gehad."
"Dat zullen wij dan zien," hernam ik. "Wanneer vertrekt die Deensche schipper?"
"Zoo ras er goede gelegenheid is: en, gelijk ik het weer aanzie, schiet de wind al meer en meer uit en zal hij niet lang meer op zijn ligplaats blijven. Hij heeft mij zelfs bericht, dat, zoo hij eenigszins kon, hij naar Maklijk-Oud zou opzeilen en dan onze thee in 't voorbijgaan innemen."
"Voortreffelijk! zorg dan, dat gij in allen gevalle morgenochtend een vaartuig bespreekt, om de lading in te schepen en over te brengen: ik zal ondertusschen met den Strandvonder spreken, en zien, wat ik van den vent gedaan kan krijgen."
Aldus ons plan gemaakt hebbende, zetteden wij onze wandeling nog een eindweegs voort, over onverschillige zaken pratende, tot wij het dienstig vonden terug te keeren. Nauwelijks waren wij het dorp weder binnengetreden of ik zag den gewichtigen man, die de betrekkingen van Substituut-Drossaard en Geneesheer vereenigde, uit een der huizen voor den dag komen, en, zoodra hij ons gewaarwerd, zijn koers tot ons richten.
"Als UEd. dien man tot vriend kunt maken, zal alles goed gaan," zeide Pulver: "hij is hier zooveel als de admiraalswimpel, waar alles naar kijkt, die meester Doedes: en zij moeten wel ontzag voor hem hebben: want zetten zij hem den voet dwars, en knijpt hij ze niet als Drost, dan pepert hij het hun in als Dokter."
"Gevonden!" zeide Doedes (gelijk ik nu vernomen had dat 's mans naam was), zoodra hij ons zag: en meteen klopte hij op zijn zak: "goed geheugen--Monsieur Weerglas--Sander Gerritsz--struikroover --zeeschuimer--brief van den Drost--knevelen--naar den vasten wal zenden--hm!"
"Wat zegt UEd.?" vroeg Pulver, eenigszins verschrikt: "Is Sandertje een roover?--Och! dan heeft die verbruide Don Manoël het op zijn rekening; want beter kalf van een jongen heb ik nooit aan boord gehad: maar zoo gaat het: wie met pek omgaat, wordt er mee besmet."
"En zijn uw orders zoo gestreng?" vroeg ik, niet zonder eenig leedwezen te gevoelen over het lot, dat Sander boven 't hoofd hing.
"Orders, hm! hm!--Terschelling een vrijplaats--_refugium_--Staten niet achten--vervallen _privilegium_--orders gestreng."
Ik zweeg en begreep dat het beter voor mij was, dit punt niet verder aan te roeren. Vooreerst had ik er overvloedig mijn bekomst van, om mij met eens andersmans zaken te bemoeien: en, ten tweede kwam het mij voor, dat meester Doedes, ondanks zijn beslissenden toon, het nog maar half met zichzelven eens was, of hij het oude recht van vrijplaats, waar Terschelling aanspraak op maakte, al dan niet zou eerbiedigen, en achtte ik het, als Zoon van den Hoofdschout, ongepast, mij in een geschil van zoo teederen aard te mengen, 't welk mij later waarschijnlijk kwalijk zoude genomen worden. Ik vond het dus verkieslijker, den man over mijn eigen zaken te onderhouden, en deelde hem in korte woorden de redenen mijner komst en den onhebbelijken eisch des Strandvonders mede.
"Hm!" zeide hij, het hoofd schuddende: "gaat den Strandvonder aan--mij niet--u voor Schepens beklagen--goed recht uitspreken!"
"Ja," zeide ik, "maar ik zou liever de zaak zonder vonnis in den minne zien te vinden, en daarom wenschte ik uwe tusschenkomst in deze in te roepen."
"Hm!--mij niet in moeien--mijne zaken niet--maar--als de zaak in orde is niet vergeten:--tiende penning mij betalen--ten profijte der gemeente--oud recht van Terschelling--hm!"
"Hoe," riep ik: "nog meer exacties! dat recht is immers afgeschaft bij een besluit van HH. Staten?"
"Hm! edict van 12 December 1663--gekheid--Staten hun macht te buiten gegaan--hm!--volhouden."
"Hoe!" riep ik: "gij, die hier den Drossaard vertegenwoordigt, zoudt u kanten tegen een edict der Staten, waarbij een middeleeuwsche vexatio paal en perk gesteld is?"
"Hm!--Drost--Enkhuizen--nooit hier komen--geld trekken--niets uitvoeren--Doedes al het werk doen--Staten oude wijven--het eiland niet kennen--makkelijk besluiten nemen in Den Haag--Terschelling zware lasten--vele rampen--schrale verdiensten--leven wagen bij schipbreuken--_qui onera_--_etiam fructus_."
"Ik wil gaarne toegeven," hernam ik, "dat de brave lieden, die het hunne hebben gedaan om bijstand te bieden aan de manschap van de _Fortuin_, of die tot het bergen der lading hebben medegewerkt, aanspraak hebben op belooning: en die zal hun ook geworden, maar ik zal nooit toestemmen in de verplichting om zulke hooge bergloonen te betalen als van ons gevorderd worden, noch recognitiegelden, die afgeschaft zijn; en zoo de Strandvonder geen rede verstaat, dunkt mij, dat gij, Mijnheer! mij recht moet verschaffen, en althans niet, bij reeds bestaande, een nieuwe exactie voegen."
"Hm!--Zaak van den Strandvonder--geen belang er bij--_negotium a me alienum_--voor de Rechtbank--zeven Schepenen--goed recht--naar huis gaan."--Met dit bescheid verliet hij ons en begaf zich binnen zijn woning waar wij op dit oogenblik voorstonden.
"Goed recht!--Ja, dat kan UEd. denken," zeide Pulver: "wij komen bij den duivel te biecht. Met dat al, ik geloof, dat zoo UEd. den man een kleine fooi voor zijn beleefdheid beloofd hadt...."
"Dat in eeuwigheid niet," zeide ik: "denkt gij, dat ik de Justitie om wil koopen?"
"Nu!" hernam Pulver: "wij zullen zien wat er van wordt, zei de blinde, en hoe UEd. met Reynszen varen zult...; maar, dat Sandertje een roover geworden is, dat spijt mij tot in mijn ziel."
Hier waren wij aan de herberg terug, en ik trad nu met den Strandvonder in onderhandeling; doch ook hier vond ik het onmogelijk om den man af te brengen van zijn eisch, die, volgens hem, op goed recht en oude herkomsten steunde: zoodat ik, daar ik toch verlangde de thee te verzenden, per slot nog blijde was, hem in mijn voorstel te zien treden, om het gevorderde, gelijk ook de 10 pct. recognitie, onder protest te betalen, terwijl Pulver, die inmiddels volgens afspraak een schuit was gaan bestellen, terugkwam met de tijding, dat de hoeker _Kjöbenhavn_, Schipper Holmfeld, zich reeds in het Maklijk-Oud bevond.
* * * * *
VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN VERHAALD WORDT, HOE DE THEE AAN BOORD VAN DE KJÖBENHAVN WERD GEBRACHT, EN DEN LEZER VELE VERRASSINGEN WORDEN VOORBEREID.
De toestand der zieke, waarvan Helding mij van tijd tot tijd bericht kwam geven, was intusschen niet verbeterd: zij scheen van uur tot uur zwakker geworden en de kenteekenen eener spoedige ontbinding begonnen zich te vertoonen. Haar geest bleef echter helder en opgeklaard, en zij had zich met meer kalmte dan zich verwachten liet, met den Predikant onderhouden, die op haar verlangen haar was komen bezoeken. Sander, die bij den Drost was ontboden geweest, was van daar teruggekeerd en week niet van haar sponde; terwijl de vrouw en dochter van Reynszen bij afwisseling bij haar waren en met alle hartelijkheid die diensten bewezen, welke een vrouw meer dan een man in staat is waar te nemen: ja zelfs aangeboden hadden den nacht bij haar op te zitten.
Hoewel voor Helding een bed in een afzonderlijk vertrek gereedgemaakt was, verkoos hij, gelijk niet te verwonderen was, den nacht in de ziekekamer door te brengen. Wat mij betreft, ik begaf mij met Pulver, nadat wij het avondeten gebruikt hadden, in de ons aangewezen slaapkamer, waar wij ons in twee tegenover elkander geplaatste bedsteden ter ruste schikten. Ik was echter ook thans niet bestemd, die ongestoord te genieten: althans, nauwelijks was ik onder de dekens gekropen, of een luid gepraat, gevloek, gezang en geloop, dat mij zoo duidelijk in de ooren klonk alsof het in mijn slaapvertrek plaats had, schonk mij de onaangename overtuiging, dat mijn bedstede allernaast den zoogenaamden gemeenen haard gelegen en daarvan slechts door een dun beschot was afgescheiden. Voorts bleek het mij, dat de herberg bezocht was door een aantal varensgezellen en visschers, die zich vrij luidruchtig aanstelden en wier gemeene taal verward dooreen klonk. Onder die stemmen was er een, welke het mij voorkwam meer te hebben gehoord; doch ik kon mij niet te binnen brengen, waar en wanneer zulks had plaats gehad. Dit alles hield mij uit den slaap, en ik kon niet nalaten, het lot van Pulver te benijden, die, meer verwijderd van het gedruisch, of beter daaraan gewoon, was ingeslapen zoodra hij de veeren geroken had, en met een luide basstem lag te snorken. Ik troostte mij echter met de gedachte, dat die drukke gasten niet den geheelen nacht in mijn nabijheid blijven maar ook weldra hun kwartier zouden zoeken, en besloot inmiddels geduld te nemen.
En inderdaad, langzamerhand dropen de gezellen één voor één af, en hoorde ik Reynszen elk op zijn beurt een goeden avond wenschen: zij waren allen op één na weg, toen de laatst overgeblevene, dezelfde, wiens stem mij bekend voorkwam, tot den waard begon te spreken:
"Wel! hoe is 't? Is die vent met zijn duffelsch buis hier niet meer, die met die bleeke meid is komen andwalen?"
"Jawel!" antwoordde Reynszen: "maar ik weet niet, of hij jou nu wel te woord zal staan; want zen liefste is dan maar erg ziek. 't Zal krap an zijn, as ze den morgen haalt."
"Dat d.... niet. Zeg hem, dat hij hier komt, dat Andries er is, en hem spreken moet."
"Andries!" herhaalde ik bij mijzelven, terwijl het koude zweet mij over het lijf liep, en ik verwonderde mij niet langer, dat mij de stem bekend was voorgekomen. Ik ging recht overeind zitten en spande mij nu zoozeer in om te luisteren en geen woord te verliezen, als ik vroeger mijn best gedaan had om niet naar het gepraat te hooren.
"Nu, ik wil hem wel roepen," zeide de waard: "maar toch ik twijfel, of hij hier zal komen. Met deze woorden verliet Reynszen het voorvertrek. Andries bleef met de vingers op tafel trommelen en een liedje neuriën, terwijl ik geheel ontroerd over het zonderlinge toeval, dat mij opnieuw in de nabuurschap bracht van een zoo gevaarlijken fielt, bij mijzelven overdacht, of het ook raadzaam zou wezen, hem aan te geven. Spoedig echter hoorde ik de deur, welke naar het achterhuis leidde, weder opengaan.
.Wel!" klonk de stem van Andries den binnenkomende te gemoet: "lag je vertuid, dat je zoolang noodig hadt het anker te winden?"
"Wat wilt gij?" vroeg Sander met een sombere stem.
"Wat ik wil?--Wel nu nog fraaier! Hebben wij geen afspraak gemaakt om mekaar hier te praaien! En waarvoor ben je anders hier angeland?"
"'t Is waar!" antwoordde Sander met een diepen zucht: "maar het is al verklikt, dat ik hier zou komen. Ik ben bij den Drost ontboden geweest...."
"Welnu! En hij heeft u weer laten afzeilen; anders zou je nu niet hier met mij spreken:--wat wou hu?"
"Hij heeft mij te kennen gegeven, dat hij in last ontvangen had, mij in verzekering te nemen: maar tevens dat dit eiland vanouds een vrijplaats was voor zoodanigen, die hier stil verkozen te leven en borg stellen voor hun goed gedrag."
"Bij ()," zeide Andries: "wij zouden borg voor elkaar kunnen wezen."
"Ik heb hem een goeden borg op tafel gelegd," hernam Sander: "en die heeft hij ter griffie gedeponeerd: zoodat wij als beste vrienden gescheiden zijn."
"Bij mijn zolen," zeide Andries: "ik zou hem ook zulk een borg willen geven; maar, dan is het eerst noodig, dat ik die zelf ga koopen:--en daarover moeten wij nu samen scheepsraad beleggen."
"Ik dank u," zeide Sander: "ik heb reeds genoeg op mijn rekening, en begeer mijn zondenregister niet te vergrooten.
"Hoe! wat!" riep Andries uit; "is de man een kind geworden? Zet () die grillen uit den kop: neem een glas brandewijn en verzuip daar alle viezevazen in. Ga zitten vent! Denk je, dat ik hier ben ten anker 'ekomen om bot te vangen?"
Er was een oogenblik stilte: ik hoorde stoelen verschuiven, en bemerkte, dat beiden zich aan de andere zijde van het beschot, dat ons scheidde, hadden geplaatst.
"Jongen!" zeide Andries: "er is zulk een schoone zaak voor ons te doen. Dat pakhuis ... ik ben er heen gelaveerd ... met eenen trap ligt de deur in ... kostelijke thee man, en geen averij: en Joosje ligt met zijn aak in de haven. In een ommezien is het voort, zonder dat iemand lont ruikt of vermoedens op ons heeft."
"Dat zal nooit gebeuren!" zeide Sander: "die Huyck is een braaf slag van een kerel, en ik zal niet dulden, dat iemand de hand slaat aan 't geen hem toekomt."
"Huyck zeg je? Welke Huyck?" vroeg Andries, blijkbaar verwonderd.
"De zoon van den Hoofdofficier," antwoordde Sander: "hij is gisteren gekomen en logeert hier in de herberg."
"Te droes! doet hij?--Wel dan zou ik een dubbelen trek in de zaak hebben; want ik heb met dien verbrusten zandhaas nog een ouwe afrekening te houen--en zoo ik hem op de eene of andere wijze averij bezorgen kan, ik zal het, de d.... haal mij, niet laten."
"Gij zult wel," zeide Sander: "of wij worden kwade vrienden."
"Nu! dan wat anders," hernam Andries: "ik bedank om mij hier te vertuien: en dien meester Doedes vertrouw ik zooveel als een verrotte plank en heb ook geen plan hem anders als het voormarszeil te betalen. Hij zal, als hij onze borgtochten beetheeft, er net zooveel consciëntiewerk van maken om ons uit te leveren, als ik om dit glas brandewijn te drinken. Hoor! ik weet iets dat ons er uit helpt. De pleit is hier toch van het schip en wij moeten zien hoe wij verder komen. Nou is er van avond een hoeker op Maklijk-Oud voor anker gekomen, die wel niet voor overmorgen het zeegat uitgaat. Wat dunkt je, zoo wij die eens een bezoek brachten en de reis op eigen gelegenheid deden?"
"Hoor Andries!" zeide Sander: "Ik ben hier gekomen, 't is waar, om met u en de overige makkers te overleggen, wat ons te doen stond; maar ik ben van gedachten veranderd: wat gij voorhebt is mij om 't even: ik zal u geen stroobreed in den weg leggen; maar reken niet op mij om u te helpen."
"Wel die en dat, hoe heb ik het met je? Ben je bekeerd of heb je een schat opgevischt?--En zou je ons nou verraaien, nou we je hulp het meest noodig hebben?"
"Ik herhaal, dat ik u niet verraden zal, maar stil uw gang laten gaan: dit moet u genoeg zijn. De reden, waarom ik mij niet, ais vanouds, aan uw hoofd stel, is u, dunkt mij, tamelijk onverschillig. Ik wil niet, en daarmee uit."
"Brui naar de pomp," zeide Andries, wrevelig: "heeft die sloerie je omgepraat: 't is er ook een lievertje naar!--En hoe wil je, dat ik zulk een boodschap an de maats overbreng? Zij zullen het immers niet 'elooven. En wat koers zel je dan verder houen? Of ben je een stille verklikker 'eworden."
"Wat ik doen wil, of doen zal, is mijne zaak," zeide Sander: "ik heb gehoord, wat gij te zeggen hadt, en wensch u goeden nacht:--ik kan mij thans niet langer met u ophouden: vaarwel."--Dit zeggende stond hij op.
"Maar wat deksel! Is het Zwarte Piet, dien ik spreken hoor? of is hij 't niet?" vroeg Andries, oprijzende en hem volgende: "bedenk toch: een spiksplinternieuw vaartuig,--en een rijke vracht--je bent nou zeker wat dingsig onder je baaitje om de ziekte van die seldrementsche meid: maar denk er reis over na, en zoo je er nog toe besluit, geef er mij dan morgen met den dag maar sein van. Wij ankeren zoolang bij...." Hier veranderde zijn stem in een zacht gefluister, hetwelk ik niet verstaan kon. Sander scheen echter geen voldoend antwoord te geven; want ik hoorde ten slotte Andries met een zwaren vloek van hem gaan onder den uitroep van: "je verdijt het? wel ga dan en laat je opknoopen!"--Een oogenblik later hoorde ik hem de voordeur uitgaan, die hij met geweld achter zich toetrok, terwijl ook Sander zich van zijnen kant verwijderde.
Ik bleef de zaak overpeinzen. Naar het weinige, dat ik begrepen had, te oordeelen, kwam het mij niet onwaarschijnlijk voor, dat Andries en zijn makkers het oogmerk hadden, om het Deensche vaartuig te verrassen en prijs te maken: doch het denkbeeld boezemde mij eenige gerustheid in, dat zij die onderneming te gewaagd aanzagen om die zonder de leiding of medehulp van Sander te doen. Ik achtte het ondertusschen mijn plicht, zoowel den Kapitein van het schip als de Overheden op Terschelling te waarschuwen van het gesmeede ontwerp, en het deed mij leed, dat ik het adres van de plaats, waar de booswichten bijeenkwamen, niet had kunnen verstaan. Ook was ik niet geheel zonder bezorgdheid over de koopwaren, die in het pakhuis lagen; doch ik vleide mij, dat daar vooreerst geen aanslag op gedaan zou worden en dat ik in allen gevalle aan Sander een steun zoude hebben om die goederen, al werden zij gestolen, weder terug te bekomen. Lang nog hielden de ontroering over het gebeurde en de overpeinzingen, die daarvan het gevolg waren, mij uit den slaap, totdat eindelijk de vermoeidheid zegevierde en ik het geluk had in te sluimeren. Toen ook was mijn slaap zoo vast, dat de zon reeds hoog aan den hemel stond eer ik ontwaakte. Ik bemerkte dat Pulver reeds was opgestaan, en waarschijnlijk uit bescheidenheid, het vertrek verlaten had zonder mij te wekken. Ik kleedde mij spoedig aan en haastte mij naar het voorhuis, ten einde hem op te zoeken. Ik vond echter noch hem, noch Reynszen; maar op mijn geroep kwam de vrouw van laatstgemelde aangeloopen.
"Zoekt Mijnheer mijn man en den Schipper?" antwoordde zij op mijn vragen: "o heden! die zijn al sedert drie uren aan het pakhuis. Zij wilden Mijnheer niet wakker maken: Mijnheer sliep zoo gerust."
"Een fraaie reden!" zeide ik, eenigszins ontevreden: "denken zij, dat ik hier op Terschelling gekomen ben om te slapen?--En hoe staat het met de zieke?"
"Slapjes!" antwoordde vrouw Reynszen: "het arme schaap zal het niet lang meer maken: och! 't is stichtelijk om te hooren, zoo onderworpen en gelaten als zij is; en de ouwe man is dan danig en danig bedroefd, en de andere ook, zoodat het met geen droge oogen is bij te weunen. Gisteren gaf de meester nogal hoop, dat het schikken zou; maar hedenmorgen had hij er ook al geen zinnigheid in."
"Hoe!--is de Dokter ook al reeds hier geweest?" vroeg ik, hoe langer hoe meer ontevreden op mijzelven, dat ik mij verslapen en op Pulver, dat hij mij niet gewekt had en de noodzakelijkheid gevoelende, van mij terstond naar het pakhuis te begeven: ik legde echter vooraf een kort bezoek af bij de zieke, verzocht aan Helding alles te bestellen, wat hij tot gemak of lafenis mocht noodig oordeelen: en, Sander ter zijde nemende, gaf ik dezen te kennen, dat ik hem een oogenblikje afzonderlijk wenschte te spreken.
"Ik heb gisternacht uw gesprek met Andries gehoord," zeide ik, zoodra wij ons alleen bevonden.
Hij bloosde en zag een wijl voor zich neder: "welnu!" zeide toen, het hoofd met eenige fierheid opheffende, "dan zal UEd. ook gehoord hebben, dat ik genoten weldaden weet te erkennen."
"Dat heb ik," zeide ik "en ik dank u voor de ridderlijke wijze, waarop gij voor mijn thee in de bres zijt gesprongen. Ik beklaag u, arme man, want gij wilt den goeden weg op, en gij weet slechts niet hoe zulks aan te vangen: is het zoo niet?"