Chapter 44
Heynsz ontsloot de deuren; maar daar achter was niemand te einden. Het beddegoed was opgerold en de kussens in 't midden er boven op gelegd, gelijk gewoonlijk geschiedt, wanneer men van de slaapplaats geen gebruik maakt. Met dit oppervlakkig onderzoek echter niet voldaan, haalde Heynsz den ganschen toestel over den vloer.
"'t Is een mooie boel, dien je maakt," zeide Martha, die ons gevolgd was: "als je 't maar allemaal weer in orde brengt. Ik heb vandaag warentig al drukten genoeg."
"Deze lakens hebben gediend," zeide Heynsz, met een zegevierenden blik, terwijl hij aan de beide hoofdbeambten de kreukels deed opmerken.
"Nou jae," zeide Martha: "wat zou dat? Die lakens zijn ook 'ebruikt 'eweest; niet lang 'eleden, met kermis, heit men zuster in 't iene bed 'eslapen en men zusters zeun in het aere. Maar vertel het toch niet an Mevrouw; ze mocht het temet kwalijk nemen."
Ondertusschen had Heynsz, al snuffelende onder de dekens, een geëmailleerden gesp opgeraapt, gelijk die bij een stropdas gebruikt worden.
"En deze gesp," vroeg hij: "behoort die ook al aan uw zuster?"
"Neen, an men zuster niet, maar an der zeun," antwoordde Martha, die niet licht van haar stuk te brengen was: "die heittie op de Uitersche kermis 'ekocht. Wat zel ie blij wezen as ie hem weerom heit."--En zij stak de hand uit om dien terug te nemen.
"Hei! hei wat! dat gaat zoo niet," zeide Heynsz, terwijl hij den gesp nader beschouwde: "dat is geen versiersel voor een boerenknaap. Wat zegt Uw Ed.-Gestr. er van?"
"Het is als gij zegt," zeide mijn vader: "de boerenknapen zijn meer op plomper fatsoen gesteld.--Intusschen, hier is de man niet, dien wij zoeken. Zijn hier geen andere vertrekken in huis?"
Wij begaven ons verder. Alle kamers, zolders, kelders en hokken, zelfs de hooibergen en houtstapels werden doorzocht; maar alles vruchteloos: en wij bevonden ons weder op het plein, met de overtuiging, dat het voorwerp der nasporing ontsnapt was.
"Ik dacht, dat uw dienaars beter wacht zouden gehouden hebben," zeide mijn vader tegen zijn ambtgenoot.
"Sapperloot!" zeide deze: "Mijnheer Huyck! zij hebben het werk gedeeld met uw eigen volk: en wie zijn plicht heeft verzuimd is moeilijk uit te maken. En was die Jood, die hem gisteren hier zag, het mij maar terstond komen zeggen, in de plaats van naar Amsterdam te gaan om het den Heer Heynsz te vertellen, dan had ik hem gisteravond reeds laten pakken. Maar dat helpt nu niet.--Jij, vrouwtje! hoor eens. Biecht nu eens oprecht, anders zul je kennis met de boeien maken. Waar is de vent gebleven?"
"Och, mijn goeie Heer! Wat zal ik zeggen? Ik ben een arme weduwvrouw en weet niets van 't geval af."
"Je kunt toch niet ontkennen, dat die Heer Van Lintz, of zooals hij heeten mag, bij u gehuisvest heeft."
"Wat zou het mij baten," hernam zij: "al wou ik het ontkennen? Uw Ed.-Gestr. gelooft mij toch niet. Maar al zei ik nou: ze binnen naar Amsterdam: dan zou Uw Ed.-Gestr. ommers toch denken dat ik je foppen wou."
"Zij heeft gelijk, collega!" zeide mijn vader: "maar gij, Ferdinand! zult ge mij nu nog niet verklaren, welk belang gij stelt in den Graaf Van Talavera, waarom gij u gestadig met hem in gezelschap bevindt, en of gij niet wellicht ook thans zijn vlucht begunstigd hebt?"
Ik oordeelde, dat de tijd tot spreken gekomen was, en dat een rondborstig verhaal van de toedracht der zaak den Graaf niet meer schaden, maar wellicht van dienst kon zijn. "Onze ontmoetingen," zeide ik, "zijn altijd toevallig geweest; maar Vader kon toch niet verlangen, dat ik den man verraden zou, die mij het leven gered heeft?"
"Het leven! En wanneer?"
"Ziedaar, wat ik u thans kan openbaren."--En ik was op het punt van een verslag van het gebeurde te geven, toen Tante, gevolgd van de overige gasten, naar ons toekwam, ongerust over ons lang wegblijven en over het zien der gerechtsdienaars, die zich van tijd tot tijd op verschillende punten vertoonden.
"Wat is er toch aan de hand?" vroeg Suzanna: "Tante klaagt al:
_d'armes et d'ennemis je suis environnée_."
"Wat wil men?" vroeg Tante: "wie van het gezelschap moet er gepakt worden."
"Van het gezelschap niemand," antwoordde de Naarder Onderschout: "maar het zal UEd. niet weinig bevreemden van te vernemen, dat die vrouw daar goedvindt uw hoeve tot een logies voor verdachte lieden te bezigen.
"Het is zoo, Zuster!" zeide mijn vader: "de Baron Van Lintz, dien gij u nog wel herinneren zult, heeft hier gisteren, en zoo ik mij niet bedrieg, ook vroeger nog, zijn intrek gehad."
"Nu ja!" zeide Martha, de zwijgende ondervraging van Tantes blik beantwoordende: "hij is hier 'eweest, en zijn dochter ook: en nou binnen zij Goddank weg en vrij ook, naar ik hoop. En al moest Mevrouw men er op men ouwen dag voor op straat zetten, ik kon niet aêrs doen als ik 'edaan heb. Wie zou nou zoo barbaarsch wezen, om as iemand, dien men met zijn eigen melk het 'evoed, bij je komt en zeit: moeder Martha! ze zitten men overal op het lijf, en ik kan nergens een veilige schuilplaats vinden, om dan te zeggen: scheer je van mijn deur weg."
"Daar is wat van aan," zeide Tante: "en ik kan toch ook niet vinden, dat mijn erf er door onteerd is, dat er een Grande van Spanje op gelogeerd heeft.--En wat is er van hem geworden?--Die arme Van Lintz! hij is zoo dikwijls mijn Cavalier geweest."
"Dat is juist de vraag, wat er van hem geworden is," zeide de Naarder Onderschout: "hij heeft, ondanks al onze voorzorgen, weten te ontsnappen."
"Dat verblijdt mij," zeide Tante Letje: "want het zal tot een vertroosting strekken voor zijn arme dochter, die hedenmorgen, toen ik haar verliet, bittere tranen schreide, uit ongerustheid over het lot haars vaders."
"Hoe? Is het dan werkelijk zijn dochter, die ten uwen huize is? Gij zult mij dat alles nader vertellen, Zuster!" zeide Tante Van Bempden.
"Zij behoeft niet voor de misslagen haars vaders te boeten," zeide mijn vader: "en ik vlei mij, dat zij bij mijn zuster een meer betamend verblijf heeft gevonden, dan bij Heynsz, en er althans aan geen lastige bezoeken zal blootgesteld worden." Dit zeggende zag mijn vader Lodewijk aan, die verbaasd een stap achteruit deed.
"Hoe!" riep hij: "was die Juffer...?" Hij eindigde den volzin niet, met reden begrijpende, dat de wijze, waarop hij haar kennis gemaakt had, hem niet tot eer verstrekte.
"Ed.-Gestrenge!" zeide Heynsz, mijn vader ter zijde trekkende: "ik heb nog eens geïnterrogeerd al die lieden: zij hebben niemand zien gaan van hier, als alleen den koetsier van den Heer Blaek met het rijtuig."
"Dat rijtuig zou te Huizen stallen," zeide mijn vader zachtjes: "Haast u derwaarts en hoor of het er werkelijk geweest is. De Heer Blaek en de Graaf zijn oude bekenden."
Dit gezegd hebbende, begaf mijn vader zich met zijn ambtgenoot ter zijde, ten einde de meest geschikte maatregelen te beramen: waarop deze laatste zich verwijderde, en ook Heynsz met de dienaars in verschillende richtingen aftrokken. Dit voorval had intusschen de genoegens der partij gestremd: tot zelfs de kinderen toe dorsten zich niet aan hunne gewone, vroolijke luidruchtigheid overgeven, bij het zien der opschudding, die plaats vond, en der ontsteltenis, welke op veler gelaat te lezen was. Tante Van Bempden bemerkte dit, en oordeelende dat alleen de verandering van tooneel de gemoederen weder tot rust zoude brengen, gaf zij last om in te spannen. Terwijl dit plaats had en de dames zich weder met de gewone toebereidselen ter afreize bezig hielden, deed ik aan mijn vader het verhaal van mijn kennismaking met den Graaf.
"Indien gij verkeerd gehandeld hebt," zeide hij, na mij met bedaardheid te hebben aangehoord, "zult gij genoeg gestraft zijn door de kwellingen, die gij deze laatste weken hebt ondergaan. Ik zal u geene verwijten doen: uw toestand was moeilijk: en sterkere hoofden dan het uwe zouden er van aan 't malen zijn geraakt. Ik zal intusschen blijde zijn indien de Freule gelegenheid vindt om Tante te verlaten. Ik weet niet of het wel goed voor u en voor haar is, dat zij daar langer blijft."
"Ik verzeker u," zeide ik, "dat ik voor haar alleen deelneming en niets meer gevoel."
"'t Is mogelijk! Maar zij--zij is ongelukkig: en dan hecht men zich lichtelijk aan hen die ons diensten bewijzen:--en wanneer dan hij, die den dienst bewezen heeft, een knappe jongen is, en zij, die dien dienst ontvangt, een meisje met een niet ongevoelig hart, dan deugt zulks voor geen van beiden, en is de laatste vooral te beklagen.--Dan, nu geen woord meer over dat onderwerp."
Ik kon niet nalaten van bij mijzelven te glimlachen over de samenstemming van hetgeen Amelia's vader mij vroeger had te kennen gegeven en hetgeen thans de bekommering van den mijnen wekte. Ik had echter geene zoo groote inbeelding van mijzelven, om te gelooven, dat ik nu juist de persoon zoude zijn, op wien Amelia verlieven zoude.
Een oogenblik daarna kwam het rijtuig van den Heer Blaek terug: een schijnbaar onbeduidende wenk, door dezen aan den koetsier gegeven, en welken de laatste met een hoofdknik beantwoordde, bevestigde mij in mijn vermoedens omtrent de wijze, waarop de Graaf ontsnapt was.
Wij reden nu allen weer naar Heizicht, alwaar wij met een wandeling door de plaats den tijd poogden te korten en nieuwen eetlust op te doen tot het middagmaal. Nauwelijks had de bel het teeken hiertoe gegeven, of wij zagen het rijtuig van den Heer Van Baalen oprijden en hijzelf met een bezorgd gelaat daaruit stappen.
"Wel, mijn waarde Van Baalen! riep Tante hem toe: "hebt gij zoovele drukte aan het kantoor gehad? Wij rekenden al niet meer op u."
"Wat helpt het klagen!" zeide hij, de schouders ophalende: "het is mijn lot, en ik tref het altijd ongelukkig, dat, zoo vaak ik uit verzocht word, er iets in den weg moet komen. Vriend Huyck! ik moet u even spreken, met verlof van het gezelschap."
"Is er zwarigheid?" vroeg ik, met hem ter zijde gaande.
"Niet gering!" antwoordde hij: "de _Fortuin_ is door den storm op de Terschellingsche banken geslagen. De equipage is gered, en men is bezig de lading te lossen; maar het schip zal, vrees ik, verloren zijn."
"Dat is voorwaar een Jobstijding!" zeide ik ontroerd: "en is UEd. zeker dat niemand er het leven bij ingeschoten heeft?"
"Niemand," zeide Van Baalen: "en dat is waarlijk een wonder te noemen. Nu ik hoop maar, dat Pulver wijs genoeg zal zijn om een spoedige gelegenheid te vinden, om de goederen verder te zenden: vooral de thee; want daar is nog een kapitaal op te winnen; en wordt dat nu verzuimd, dan is binnen een maand de markt overhoopt. Het is drommels uit den koers; anders ware het nog altijd wel zaak, er iemand heen te zenden, om te zien hoe de zaken staan en wat er nog van te halen is, eer de strandvonders en kustwaarders met alles gaan strijken."
"Dan is het misschien best, dat ik er zelf maar heen zeile," zeide ik.
"Ik dorst het u niet voorstellen," zeide Van Baalen: "maar dat zou voorzeker een brave daad van u zijn.--Wanneer zoudt gij in staat zijn te vertrekken?"
"Wel! dadelijk, als het noodig is."
"Neen! Heden zoudt gij toch geene gelegenheid meer vinden: en wij dienen vooraf nog dezen en genen te spreken; want ik kon dezen morgen, met de Zaterdag, slechts de helft aantreffen van hen, die ik noodig had. Zoo gij morgen met den Harlinger beurtman vertrekt, en verder een visschersvaartuig naar Terschelling neemt, zal het toch altijd het beste middel van overtocht zijn; want de gewone _route_ met de postschuit kan ik u niet erg aanraden."
Dit punt alzoo geregeld hebbende, begaven wij ons weder bij het gezelschap, waar wij natuurlijk geen geheim maakten van het voorval, en de betuigingen van deelneming der aanwezigen erlangden. Een en ander was echter weinig geschikt om de genoegens, die men zich van het feest had voorgesteld, te verhoogen.
"Wel lieve moeder!" zeide ik, de beste vrouw bij de hand nemende: "uw jaardag wordt onder geen blijde voorteekenen gevierd."
"O!" zeide zij, mij een kus op het voorhoofd drukkende: "beklaag mij niet: ik gevoel mij gelukkig; want ik heb op dezen dag de zekerheid bekomen, dat wij u onschuldig verdacht hebben gehouden; en zou ik dan nog over iets anders kunnen bedroefd zijn?"
De gebeurtenissen van den dag waren echter nog niet ten einde geloopen: op het nagerecht ontving mijn vader met de 's-Gravenlandsche schuit een pakket uit Amsterdam. Behalve eenige berichten voor hem, bevatte het een brief voor Tante Letje, dien hij haar ter hand stelde. Zij opende dien: hij was van Amelia, die haar, onder warme dankbetuigingen voor het haar verleende verblijf, kennis gaf, dat zij vertrokken was, om haar vader terug te vinden en met dezen de Vereenigde Provinciën voor altijd te verlaten, terwijl zij verschooning verzocht, van zich dus zonder afscheid te verwijderen, hetgeen men toch vooral aan geen gebrek aan hartelijkheid moest toeschrijven: maar alleen aan de gebiedende noodwendigheid, welke haar gedwongen had, op een zoo verhaaste wijze van de zich opdoende gelegenheid gebruik te maken.
"Zij maakte zich op en ginck heenen," zeide Tante Letje: "maar ik zegge: de Heere beeft haar laten gaen; want zij volgt haar vader wien zij verplicht is te eeren en te gehoorzamen, ofschoon hij een man Belials zij, vol van twistzoeking en ongerechtigheid!"
"Ik sloeg haar 't heilig kruis, naardien zij optrock, na."
zeide Suzanna.
"Ja! ik ben ook maar blijde, dat zij weg is," zeide mijn moeder: "want zij moge dan zoo mooi en verstandig zijn als men wil, ik hou niet van die vreemde floddermadammen, die zoo geheel anders zijn, als wij gewend zijn."
Ik kon mij niet weerhouden, te glimlachen over dezen uitval van mijn anders zoo goede moeder; maar ook zij was niet vrij van het verschoonbare vooroordeel, hetwelk gemeenlijk door al de zoodanigen, die aan een ordelijke, afgepaste, alledaagsche sleur gewoon zijn, wordt opgevat tegen hen, die daarvan met voordacht of onschuldig afwijken. Ik gevoelde geen trek om als Amelia's verdediger op te treden, daar ik zelf innerlijk over haar vertrek verheugd was en niet verlangde verder over haar te praten; en ten andere verhinderde ook de tegenwoordigheid van Lodewijk, voor wien het onderwerp mede niet aangenaam kon zijn, zoowel mij als de overige Heeren, iets meer betreffende haar in 't midden te brengen. Al het gebeurde had echter eenige stilte bij de aanwezigen teweeggebracht, en maakte dat het feest, wat althans de vroolijkheid betreft, niet volkomen aan Tantes verwachting beantwoordde: vooral de Heeren Blaek, vader en zoon, waren afgetrokken van gedachten, en het kwam mij voor, dat het beiden een verlossing scheen, toen hun rijtuig werd aangemeld, waar zij dan ook niet vertoefden gebruik van te maken, maar zich dadelijk verwijderden: terwijl ik kort daarna met den Heer Van Baalen den terugtocht naar Amsterdam ondernam.
* * * * *
DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
VERMELDENDE, WIE FERDINAND IN DEN BEURTMAN AANTROF, HOE HIJ OP TERSCHELLING AANKWAM EN WELKE ZONDERLINGE ONTMOETING HIJ ALDAAR HAD.
De volgende morgen werd door mij besteed om van mijn compagnon en een paar andere, bij de zaak belanghebbende lieden, de laatste instructiën te ontvangen, mijn goed te pakken en daarbij uit mijns vaders boekerij eenige werken te voegen, handelende over het strandrecht; welker lezing mij eenigszins in staat zoude kunnen stellen om met meer kennis van zaken de mij opgedragen taak te volvoeren en tevens eenig tijdverdrijf aan boord zou bezorgen. Na afscheid genomen te hebben van mijn ouders, die, ofschoon het noodzakelijke mijner reis inziende, echter (en vooral mijn moeder) niet konden nalaten eenige bekommering deswege te gevoelen, te meer na de slechte ondervinding, die ik kort te voren van een zeetochtje had opgedaan, en de rampen, welke de Texelsche lijst vermeldde, trok ik tegen zes uren naar den beurtman. Het was nog vroeg toen ik aankwam, en er bevonden zich nog maar weinige passagiers aan boord; doch wier getal van lieverlede aangroeide. Eindelijk ging de bel, welke de leuteraars en achterblijvers waarschuwen moest, dat het vertrek ophanden was; doch niet weinig stond ik verwonderd, toen ik, den steiger langs kijkende naar de passagiers, die nu hijgende en blazende aan kwamen geloopen, onder hen vriend Lucas Helding herkende, het lijf in eene dichte overjas gewikkeld en met een mantelzak onder den arm.
"Welzoo!" riep ik, toen hij aan boord stapte: "gij hier, vriend Helding? Gij waart wel de laatste man, dien ik tot reisgenoot verwachtte."
"Is het mogelijk!" riep hij van zijn kant uit: "Mijnheer Huyck! wel dat is een aangename verrassing! ik kon niet hopen zulk een vereerend gezelschap aan boord te vinden. En gaat UEd. ook naar Harlingen, als ik vragen mag?"
"Dat zal wel waar, zijn," antwoordde ik lachende: "want ik geloof niet dat de schipper ons ergens anders zal aan wal zetten: althans dat zou een slecht teeken zijn;--maar in zooverre is uw vraag zoo onjuist niet, ingeval gij het doel mijner reis beoogt, want die moet zich nog verder uitstrekken dan Harlingen. Maar wat jaagt u naar Frieslands kust?"
"Och Mijnheer! een treurige reden; maar die ik zoo niet vertellen kan," en hier zag hij om zich heen, als wilde hij mij te kennen geven, dat hij zich in tegenwoordigheid van zoovelen niet vrij kon uitlaten. Later echter, toen wij onder zeil waren en de meeste passagiers zich naar beneden hadden begeven, deelde hij mij in 't vertrouwen de reden zijner reis mede. Hij had namelijk van Heynsz, wiens, op last mijns vaders, in 't werk gestelde nasporingen eindelijk van uitwerking geweest waren, het bericht bekomen, dat zijn dochter Klaartje, na lang her- en derwaarts te hebben rondgezworven, eindelijk was te land gekomen te Harlingen en aldaar als meid diende in een kroeg, welke juist niet in den besten reuk stond en gewoonlijk door varensgezellen bezocht werd. Bij het ontvangen dier mededeeling had Helding, zonder lang beraad, het besluit genomen dadelijk op reis te gaan om het verdoolde schaap op te zoeken en zoo mogelijk weer terug te brengen. Het was aandoenlijk op te merken, hoe hij, aan de eene zijde, huiverde tegen de ontmoeting en zich schaamde over haar, die zijn onberispelijken naam onteerd had, en, aan de andere zijde, verlangde haar terug te zien en, kon het zijn weder tot zich te nemen. "Och!" zeide hij: "ik weet het wel, Mijnheer Huyck; zij heeft gezondigd: maar zij is toch mijn dochter, mijn eenig kind, en was eenmaal het sprekende beeld van haar nu zalige moeder--en Goddank! dat deze niet geleefd heeft, om haar schande te zien--ofschoon, indien de brave vrouw was blijven leven, zij wellicht ons kind weerhouden had van den slechten weg op te gaan; want daartegen kan een vader toch zoo niet waken als een moeder doet;--och! het is misschien grootendeels ook mijne schuld, omdat ik het kind niet genoeg heb gadegeslagen of te mal met haar geweest ben:--ik had haar zoo lief: en als ik haar maar eens weer bij mij heb en zij berouw toont, dan zal zich alles wel weer schikken en wij zullen nog blijde dagen samen beleven."
Deze en dergelijke redenen had Helding overvloedig de gelegenheid mij te herhalen, gedurende onzen overtocht, die ruim vier en twintig uren duurde, daar wij den wind vlak tegen hadden en dus genoodzaakt waren gedurig te laveeren: en, ofschoon zijn stof tot onderhoud dus noch gevarieerd noch opbeurend was, hoorde ik hem echter liever over dit onderwerp spreken, hetwelk ten minste van zijn goed hart getuigde, dan dat ik gedwongen ware geweest, hem over poëzie te hooren redekavelen of, wat erger was, naar het opzeggen zijner dichterlijke voortbrengselen te moeten luisteren.
Het was ongeveer 's namiddags zeven uren toen wij Harlingen bereikten. Reeds gedurende den overtocht had ik aan Helding den raad gegeven, om zich dadelijk bij de Overheid te vervoegen en van deze assistentie te verzoeken tot het doen zijner nasporing: daar ik met reden beducht was, dat de lieden, bij wie zijn dochter inwoonde, zwarigheid zouden maken in haar vertrek te bewilligen, en misschien voorgeven, dat zij nog schulden had, of andere dergelijke voorwendselen oprapen, of ook haar verborgen houden: en daar ik dien avond toch niets beters te doen had, bood ik aan hem te vergezellen; een voorstel, 't welk hij dankbaar aannam, overtuigd, dat mijn naam en tegenwoordigheid meer klem aan zijn verzoek zouden bijzetten. Na alvorens met een visschersman, dien ik had doen ontbieden, een akkoord getroffen te hebben om mij den volgenden morgen met het krieken van den dag naar Terschelling over te brengen, verliet ik met Helding de herberg, waarin wij onzen intrek genomen hadden, en vergezelde hem bij den Schout, die zich dadelijk tot medewerking geneigd betoonde en ons een dienaar medegaf, met last om ons behulpzaam te zijn in onze nasporing en zoo men zwarigheid maakte, partijen voor hem te brengen. Minder gunstig echter viel ons bezoek in het wijnhuis uit, waar wij tot bescheid bekwamen, dat de persoon, die wij zochten, wel sedert drie weken daar aan huis had verkeerd, doch sedert een paar dagen met een varensgezel, die een oude bekende scheen, was afgetrokken. Deze tijding sloeg, gelijk men denken kan, den armen Helding geheel ter neder; want behalve de teleurstelling in zijn verwachting, was het voor hem bij den bekrompen staat zijner geldmiddelen, geheel geen aangenaam vooruitzicht, om, ter verdere nasporing zijner dochter, nieuwe uitgaven te moeten maken, die wellicht even vruchteloos zouden besteed zijn als die, waartoe hij reeds was verplicht geweest. Ik gaf echter den moed niet zoo ras verloren, maar ging voort met de lieden in het wijnhuis te ondervragen, en gaf hun zelfs te kennen, dat ik nog eenigszins de echtheid hunner berichten bleef wantrouwen.
"Zoo jou me niet 'elooven wilt," zeide eindelijk de waard, terwijl hij op een der lieden wees, die in zijn voorhuis onder hun gelag bijeenzaten: "daar zit Janke Sikkes, die heeft hen zelf met zijn schuit weg 'ebracht."
Ik zag om en herkende den visschersman, dien ik voor den overtocht had besproken. Deze, hoorende wat het geval was, rees op en bevestigde de verklaring van den waard, er bijvoegende, dat hij de jongelui naar Terschelling had overgebracht.
"Indien dit zoo is, vriend Helding!" zeide ik: "dan behoeft gij den moed nog niet te laten zakken: en daar het gelukkig toeval wil, dat ik juist denzelfden weg op moet, dien onze vluchtelingen hebben genomen, zoo kunt gij de reis kosteloos met mij maken; en tenzij de vluchtelingen het zeegat uit zijn, kan het niet missen, of wij moeten het verloren schaap terugvinden."
"Och!" zeide Helding, op een zwaarmoedigen toon: "ik vrees, het zal wel weer vruchteloos zijn;... maar desniettemin zal ik met dankbaarheid van UEds. vriendelijk aanbod gebruik maken;... want ik heb juist op zoo een verre reis niet gerekend, en het zou mij licht aan geld ontbreken om verder te gaan. Hoever licht dat land wel, daar zij is heengegaan?"
"O!" antwoordde ik, met moeite een glimlach onderdrukkende over de geographische kennis, welke de man ten toon spreidde: "wij hebben wel geen voordeeligen wind; maar toch, morgen met den namiddag zullen wij er wel zijn."
Wij verlieten de kroeg en gingen na het nuttigen van een goed avondmaal vroegtijdig ter ruste, ten einde den volgenden morgen op het afgesproken uur bij de hand te zijn. Wij waren dan ook op den bestemden tijd aan boord en hadden weldra aan de haven van Harlingen vaarwelgezegd. Janke Sikkes was met het vaarwater bekend sedert zijn geboorte af; en, aangevuurd door de hoop op een goede belooning, deed hij zijn uiterste best om ons op de spoedigst mogelijke wijze naar ons bestemmingsoord te voeren. Onderweg poogden wij nog eenige berichten bij hem in te winnen omtrent den persoon, die Klaartje op reis vergezeld had; hij wist ons weinig dienaangaande te vertellen; alleen zeide hij, dat de jonkman een knap slag van een kerel was, die de zeemanskunst goed scheen te verstaan en zelf eens mede een hand aan 't werk geslagen had; maar dat hij zich over zijn naam of betrekking niet had willen uitlaten, en dat het meisken ook weinig gesproken had, maar den geheelen overtocht zeer bedroefd en _mankeliek_ was geweest.