Chapter 43
Ik had mijn hoofd reeds terug willen trekken; want ik schaamde mij den luistervink te spelen; maar deze laatste vraag prikkelde mijn nieuwsgierigheid te zeer, dan dat ik den trek kou weerstaan om het antwoord af te wachten.
"Zij beminnen elkaar ... zij zullen een paar worden," zeide de Heer Blaek: "gij zijt aan niets verbonden, zoo ik u bedrieg. Ik verzeker het u. Vernietig toch dat ... dat noodlottige stuk.--Het kon in vreemde handen komen ... geef het mij liever ... ik zal...."
"Neen! dat niet, Jacobus Blaek!" zeide Van Lintz, met een spotachtigen lach: "als ik in veiligheid ben--en niet eer--zult gij het bekomen--en het zelf kunnen verbranden. Ik weet, waaraan ik de hulp, die gij mij bewijzen zult, dank moet weten--en ken mijn voordeel te goed om er afstand van te doen, nu het mij dienen kan."
"Ach!" hernam Blaek: "gij zult er geen misbruik van maken: gij zult mij niet met schande ten grave doen dalen. Ik help u immers zooveel in mijn vermogen is ... ik heb zelfs meer gedaan dan ik u beloofd had: ik heb naar Den Haag geschreven ... al mijn invloed zal ik aanwenden om de vervolgingen te doen staken ... om onzer oude vriendschaps wille, maak mij niet ongelukkig."
"Gij hebt mijn woord," zeide Van Lintz: "en dat moet u genoeg wezen: morgen zal ik u verwachten. Tracht nu ongemerkt van hier te komen en de plaats te bereiken, waar uw rijtuig u wacht. Ik zal Martha bellen om te hooren of de uittocht veilig is."
Na het uiten dezer woorden verhief hij zijne stem om Martha te roepen: ik aarzelde een oogenblik; doch bedenkende, dat Van Lintz toch van haar zoude vernemen, dat ik er geweest was, besloot ik, zelf binnen te gaan, wenkte der oude vrouw, die bevende achter mij stond, toe, dat zij wel terug kon blijven, en opende de deur.
"De Heer Huyck!" riepen beiden, de een op een toon van verwondering, de andere met een uitdrukking van schrik.
"Vergeeft mij, Mijne Heeren!" zeide ik, glimlachende: "zoo ik uw bijeenkomst stoor. Maar ik ben hier door Mevrouw Van Bempden gezonden om eenige toebereidselen te maken voor het feest van morgen, en ik had ook in dit vertrekje iets te doen:--weinig dacht ik, dat het bewoond was."
"Ik beken," zeide Van Lintz, "dat ik mijn tijd slecht gekozen heb."
"Zoo de Heer Blaek," vervolgde ik, dezen aanziende, die vast beefde, "zich wenscht te verwijderen, zonder dat het opzien bare, zal ik hem gaarne een eindweegs vergezellen."
"UEd. is al te goed. Mijnheer Huyck," zeide Blaek, stotterende: "ik neem uw vriendelijk aanbod dankbaar aan."
"Ik hoop u nog te zien als gij terugkomt," zeide Van Lintz, mij met zijn doordringende oogen aanstarende.
Ik boog en verliet het vertrek. De Heer Blaek volgde mij, en beiden traden wij de achterdeur uit, den tuin door, waar zich niemand bevond, en het boschpad op. Ik bemerkte, dat mijn tochtgenoot moeite had om voort te wandelen, zoozeer was hij van zijn stuk, en bood hem dienvolgens mijn arm aan, in mijzelven lachende om het zonderlinge spel des noodlots, dat mij tot den geleider maakte van iemand, die aan mijn vurigste wenschen den bodem had willen inslaan.
Gaarne had ik hem nadere uitlegging gevraagd van de woorden, die mij het toeval had doen hooren; maar de zaak was van een te teederen aard, dan dat ik die snaar dorst aanroeren, zonder daartoe een voegzame aanleiding te hebben. Ik bemerkte, dat hij van zijn kant iets op het hart had, maar niet wist, hoe het gesprek aan te vangen. Ettelijke reizen opende hij den mond als om mij een vraag te doen: maar de woorden bleven hem in de keel steken. Eindelijk scheen hij moed te vatten: en na een zwaren zucht, bracht hij met een flauwe stem en nedergeslagen oogen het navolgende uit:
"Ik kan niet van mijn verwondering terugkomen, dat ik den Heer Huyck, den zoon van den Heer Hoofdofficier ... in betrekking zie met iemand, die ... die...." hier scheen hij naar zijn woorden te zoeken.
"Onze verwondering is wederkeerig, Mijnheer!" zeide ik met een glimlach.
"O!" zeide hij, mij zijdelings aanziende, alsof hij op mijn gelaat wilde uitvorschen of ik geloof hechtte aan zijne woorden: "met mij is het een geheel ander geval. Ik heb ... hem vroeger gekend ... en zaken met hem uitstaande gehad."
"Mijne kennis aan hem is niet van een oude dagteekening," zeide ik: "hij kan echter gerust zijn wat mij betreft: ik zal hem niet verraden ... en ook niet ongevraagd van uw bezoek spreken, indien UEd. dit eenige gerustheid kan verschaffen."
"Neen! dat is ook beter," zeide hij, blijkbaar opgeruimd door mijne betuiging: "ik heb deze _démarche_ om bestwil moeten doen.--Ik blijf UEd. intusschen zeer verplicht:--het doet mij recht leed, dat ik mij in de noodzakelijkheid gezien heb ... het vereerend aanzoek van Mijnheer ... af te slaan ... maar ... het geluk mijner nicht ... UEd. gevoelt...."
"UEd. zal niet vergen," onderbrak ik hem, "dat ik juist de man zal zijn, die gevoelen moet, dat uw nicht met een ander gelukkiger zal zijn dan met mij."
"Geenszins," hervatte hij: "ik bedoelde maar ... ziet UEd ... ik kan mij vooralsnog moeielijk over dit onderwerp uitlaten.--Over een paar jaren, als zij mondig zijn zal, en dan nog vrij is, zal ik zeer gaarne uw voorspraak bij haar zijn; maar vooralsnog...."
"Ik wil u niet verbergen," zeide ik, "dat ik zooeven in het opkamertje hoorende spreken, een oogenblik aan de deur heb geluisterd en UEd. bij die gelegenheid heb hooren zinspelen op een huwelijk tusschen uw zoon en uw nicht."
"Gij hebt ons beluisterd!" zeide hij, sidderende en bleek van toorn zoowel als van angst: "dat was zeer verkeerd van u, Mijnheer! ofschoon," voegde hij er bij, waarschijnlijk bedenkende dat ik meer kon gehoord hebben dan hem lief was, en dat hij mij dus te vriend moest houden: "ik kan het u niet kwalijk nemen; want UEd. hadt recht een weinig verwonderd te zijn van ons daar te vinden. Nu ja! 't Is waar! Ik wilde u zulks zooeven niet zeggen, om u niet te bedroeven. Dat huwelijk is altijd mijn vurigste wensch geweest: en het zal, vleie ik mij, weldra voortgaan."
"Onmogelijk!" riep ik uit, geheel ternedergeslagen door deze mededeeling.
"'t Is stellig waar: de jonge lieden beminnen elkander: en ik verlang niets zoozeer als hun beider geluk. Geloof mij, mijn waarde Heer Huyck! stel die neiging uit uw hoofd. Er zijn genoeg schoone meisjes in onze Nederlanden, en die beter door de fortuin bedeeld zijn dan mijn nicht.--Maar ik bid u, doe geen verdere moeite: ik zal nu zelf mijn weg wel vinden."
Wij waren op dit oogenblik het hakhout uit en aan een binnenweg gekomen, waar ik op eenigen afstand het rijtuig van den Heer Blaek zag staan: en, zelf oordeelende dat hij mijn geleide niet verder noodig had, keerde ik, na wederzijdsche groete, langs den weg terug dien ik gekomen was.
"Gij ziet," zeide Van Lintz, toen ik bij hem in het opkamertje was teruggekeerd, "dat ik, bij gebrek aan een betere, mijn oude schuilplaats weder heb moeten opzoeken."
"Ik zie het," antwoordde ik, het hoofd schuddende: "maar ik vrees, dat zij niet lang meer veilig zijn zal. Gij behoeft het hoofd aan de andere zijde slechts buiten te steken, om u te overtuigen dat het hier geen eenzame plaats meer is: en morgen komen hier nog meer gasten."
"Ik zal hunne komst niet afwachten," zeide Van Lintz.
"En hoopt gij waarlijk ongemerkt te ontkomen?" vroeg ik: "Heynsz heeft ongetwijfeld uw gangen laten nagaan: en zoo hij u niet eerder heeft doen vasthouden, is het, omdat hem nog onbekend was, dat de Heer Van Beveren en de Graaf Van Talavera één persoon waren; maar thans weet hij dit: en ik twijfel er niet aan, of hij zal zijn onbedachtzaamheid hersteld hebben en geene middelen verwaarloozen om u niet weder te laten ontsnappen."
"Ik weet het," hernam hij somber: "ik speel een schaakpartij met tien kansen tegen ééne, dat ik mat gezet worde; en toch, zoolang mijn Koning nog één vak open vindt, zal ik het spel niet gewonnen geven. Zoo echter mijn vervolgers niet voor morgen hier zijn, loopen zij groote kans van het nest ledig te vinden:--en dan tart ik hunne nasporingen."
"Gij verlaat dus dit land?"
"Voor altijd, zoo ik hoop. Ik heb er waarlijk geen genoegzame verplichtingen aan om het te betreuren."
"En uw dochter?"
"Zij zal ... mij volgen, hoop ik," antwoordde hij zuchtende.
"Weet gij, waar zij zich tegenwoordig ophoudt?"
"Ik weet dit; en, wanneer gij het eenmaal oorbaar vinden zult, dank dan uw waardige tante uit mijnen naam voor hetgeen zij aan een ongelukkige, verlatene wees heeft gedaan.--Wat u betreft, Mijnheer Huyck! ik ben u ook grooten dank verschuldigd, want ik weet het, mijn verblijf, en dat mijner dochter vooral is u de bron geweest van vele onaangenaamheden. Ik wenschte ook eenmaal iets voor u te kunnen doen."
Ik zweeg eenige oogenblikken. Ik had hem willen vragen, welk groot belang hij toch stelde in het huwelijk van Henriëtte met haar neef, welke laatste hem toch geene redenen had gegeven om zijne partij te nemen; maar een gevoel van bescheidenheid weerhield mij. Ik begreep dat er onder dit alles een geheimenis school, waar Henriëtte in gemoeid was, maar tevens dat ik daarmede niets te maken had. Terwijl ik aldus stond te peinzen, hielp Van Lintz zelf mij op den weg:
"Gij hebt ongetwijfeld zooeven het een en ander van ons gesprek gehoord?"
"Dat heb ik," antwoordde ik: "ik beken het tot mijn schande; maar ik was zoo verbaasd van u te zien; dat...."
"Gij behoeft u niet te verschoonen: vromer lieden dan gij zijt zouden de verzoeking niet weerstaan hebben. En wat hebt gij vernomen?"
"Niet veel," antwoordde ik: "het was mij omtrent, of gij Chaldeeuwsch spraakt, zoo geheimzinnig waren uw woorden."
"Niet veel, maar toch wat, nietwaar?"
Ik was op het punt van hem mijn verwondering te kennen te geven over hetgene Blaek hem verteld had nopens de wederzijdsche liefde van Lodewijk en Henriëtte: maar eene bedenking wederhield mij. Zooveel had ik uit het gesprek opgemaakt, dat daarvan het stilzwijgen scheen te zullen afhangen van Van Lintz omtrent iets, hetwelk Blaek bedreven had en dat het licht niet zien mocht: en met dat stilzwijgen moest weder de hulp gekocht worden, die Blaek hem bewees. Ik achtte dus mij zelven ongeroepen, mijne meening omtrent die voorgewende _inclinatie_ der jongelieden te uiten en daardoor de bedoelingen van Blaek bij Van Lintz verdacht te maken, en misschien aanleiding te geven tot een twist, die voor beiden noodlottig zijn konde. Dit stilzwijgen van mijne zijde, hoewel het uit een edelmoedige oorzaak voortsproot (want ik behoefde noch Blaek noch zijn zoon te ontzien), was echter in het vervolg de middellijke oorzaak van het verlies van twee menschenlevens.
"Ik herhaal u," zeide ik, "dat ik niets van ulieder gesprek heb begrepen. Alleen heeft het mij verwonderd, den anders vrij hooghartigen Heer Blaek zoo beangst te zien."
"Nietwaar?" vroeg Van Lintz: "Ja voorwaar! het moet al een vreemd schouwspel zijn geweest voor een derde, den rijken Heer van Guldenhof, den trotschen Amsterdamschen koopman, wiens woord meer gewicht heeft dan de manifesten van een half dozijn Duitsche Mogendheden, te zien blozen en sidderen voor den blik van een armen zwerver, die reeds in zes of zeven Staten ter dood veroordeeld is, wien de speurhonden der Justitie nazitten, of hij een huisbreker ware, en die nauwelijks een plek kan vinden, waar hij het hoofd ter ruste kan leggen. Maar hij weet het, de rijke man, dat ik slechts één woord heb te spreken om hem ellendiger te maken dan de arme zwerver ooit worden kan.--Genoeg hiervan: het is niet mijne hand, die zonder noodzaak het gordijn zal opentrekken wanneer alles tot nog toe samengeloopen heeft om het dichtgeschoven te houden. Daarom, mijn jonge vriend! vergeet wat gij gezien--en ook wat gij mocht gehoord hebben."
"Ik wilde, dat ik alles kon vergeten, wat mij in de laatste weken gebeurd is," zeide ik zuchtende: "maar het wordt laat: ik moet vertrekken, mijne tegenwoordigheid alhier zoude tot vermoedens kunnen aanleiding geven:... vertoon u toch niet buiten--en hou zelfs, zoo ik u raad schuldig ben, u ver van het raam: er kon zoo licht een oog van uit dien tuin naar binnen dringen.--Wat zeide ik u?"
Beiden hadden wij gelijktijdig in den tuin gekeken: en beiden hadden wij de gluipende oogjes van Simon den marskramer op ons gevestigd gezien van achter de heining, waar hij tegen leunde. Wij traden terug en zagen elkanderen aan. Toen ik nogmaals aan 't raam kwam, was hij verdwenen.
"Gij behoeft er niet meer aan te twijfelen," zeide ik: "morgen, wellicht dezen avond nog is het huis omringd."
"Ik heb hem herkend," zeide Van Lintz: "het is dezelfde Jood, die mij vroeger te Utrecht achtervolgd heeft en wien ik toen verschalkt heb. Welnu! waarom zoude het wij thans niet weer gelukken?--Dan ik ben wars van nieuwe listen in 't werk te stellen. Ware het niet om mijn dochter, ik had mij reeds overgeleverd aan hen, die mij zoeken."
"Ik kan u," zeide ik, "bij ons afscheid dan niets beters toewenschen, dan dat ik u morgen hier niet meer vinden moge."
"Het zal zijn, gelijk het noodlot over mij beschikt heeft," antwoordde hij, de schouders ophalende, en mij hartelijk de hand schuddende, knikte hij mij een vriendelijk vaarwel toe, zonder er een woord meer bij te voegen. Waarschijnlijk begreep of voorzag hij, dat wij ook thans niet voor het laatst zouden afscheid nemen. Ik beantwoordde zijn handdruk, en, de woning daarop verlatende, zette ik mij weder te paard en draafde met dubbelen spoed naar Heizicht terug.
* * * * *
TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN OVERTUIGEND BEWEZEN WORDT, DAT DE BEHENDIGSTE VOGELAAR OOK WEL EENS VOGELS LAAT ONTSNAPPEN.
De gasten, die Tante Van Bempden verwachtte, waren den volgenden morgen op hun tijd aanwezig: het waren, behalve mijn ouders met al hun kroost, Tante Letje en een half dozijn neven en nichten uit de stad, waarvan het onnoodig zou zijn hier de afbeeldingen te geven, daar zij op alle mogelijke neven en nichten geleken. De Heer Blaek (wiens nicht mede genoodigd was, maar zich wegens onpasselijkheid had laten verschoonen), Lodewijk Blaek, Van Baalen en eenige andere bijzondere vrienden van Tante, zoo uit de stad als uit de nabuurschap, zouden onmiddellijk aan de hoeve komen, zonder alvorens Heizicht aan te doen. Na de gewone plichtplegingen en gelukwenschingen, welke de lezer zich best zal kunnen voorstellen, kwamen de noodige rijtuigen voor. Aan elk werd volgens de vooraf gemaakte regeling onzer gastvrouw, zijn plaats aangewezen, en zoo begaven wij ons te gader naar de hoeve, waar wij, onder begunstiging van een uitmuntend weer, ongeveer tegen twaalf uren met vrij hongerige magen aankwamen. De Heer Blaek was bereids verschenen en wandelde in een blijkbaar vrij onrustige gemoedsbeweging onder de eikeboomen op en neder. Mijn vader bejegende hem zeer beleefdelijk; waarschijnlijk wilde hij de koelheid goedmaken mijner moeder, die hem nog de slechte ontvangst van mijn aanzoek niet wel vergeven kon. Terwijl men aan de plichtplegingen bezig was, kon ik niet nalaten den blik nu en dan op de woning te slaan, alsof ik op de muren lezen kon, of het den vervolgden zwerver reeds gelukt ware te ontsnappen. Het was echter niet wel doenlijk daaruit iets op te maken en het gelukte mij evenmin, uit de gelaatstrekken van de oude Martha, die ik met twee meehelpsters door de keuken op en neder zag trekken, iets anders te lezen, als dat zij het zeer druk had met het bakken der beloofde koeken en het aanbrengen van hetgeen verder noodig was voor het ontbijt.
"Ik heb u het leedwezen mijner nicht te betuigen, dat zij door een lichte ongesteldheid verhinderd wordt, hier te verschijnen," zeide de Heer Blaek tegen Tante Van Bempden, terwijl mijn ouders zich met eenige nieuw aangekomene gasten onderhielden.
"Ik hoop dat die geene gevolgen zal hebben," antwoordde Tante, die zeer wel begreep, hoe het met die voorgewende ongesteldheid gelegen was: "maar mijn waarde Heer Blaek! ik hoor daar van; mijn koetsier, dat UEd. uw rijtuig teruggezonden hebt. Het had immers hier zeer goed kunnen blijven. Ik heb met opzet mijn neef gisteren nog hierheen gezonden, om te zorgen dat er plaats gemaakt werd voor al de paarden, die er te wachten waren."
"Ik wilde niet onbescheiden zijn," zeide Blaek, op halfluiden toon, als vreesde hij, dat deze op zichzelf weinig beteekenende woorden zouden verstaan worden: "ik heb het rijtuig naar ... Huizen gezonden: het is daar ook zeer goed...." en tevens wierp hij mij een smeekenden blik toe, die mij bevroeden deed, dat er meer achter deze schijnbaar nietige omstandigheden zat en dat hij mijne hulp wenschte om hem uit de verlegenheid to redden.
"Wel Tante!" zeide ik: "hoe staat het er mede? Ik geloof, wanneer ik de aangezichten van uw jongere gasten aanzie, dat zij zeer verlangende zijn, om zich te overtuigen of de smaak uwer Gooische koeken beantwoordt aan den aangenamen reuk, die uit gindsche keuken tot ons overwaait."
"Ja! ik wensch niets liever dan te beginnen," zeide Tante: "maar al de gasten zijn nog niet aangekomen. Ik mis den jongen Blaek nog en den vriend Van Baalen."
"O! wat mijn zoon betreft," zeide Blaek: "ik bid, dat UEd. om hem geen complimenten maakt. 't Is zijn eigen schuld, indien hij niet op zijn tijd past; en al komt hij wat later, er zal nog wel altijd iets voor hem overschieten."
"Nu ja!--maar Van Baalen!" zeide Tante: "UEd. weet, dat indien wij begonnen eer hij er was, hij zich den ongelukkigsten man van de wereld zoude vinden."
"O!" zeide Suzanna, naderende: "dat zal hij in allen gevalle, 't zij gij op hem wacht of niet."
"Het zou mij slecht staan het hem kwalijk te nemen, zoo hij wat later kwam," zeide ik: "want er kunnen zoo licht kantoorzaken opgekomen zijn, die hem beletten, zoo vroeg te vertrekken als hij had voorgenomen, en ik heb hem vandaag alleen aan 't werk laten zitten."
"In dat geval," zeide Tante, "ware het misschien best, hem maar te wachten, als de koetjes in de wei, etende en drinkende:--te meer, daar ik den Heer Lodewijk ook zie aankomen."
Lodewijk reed inderdaad op dit oogenblik de werf op en trad ons weldra met zijn gewone onbeschroomdheid nader. Hij bloosde niet, toen hij mijn vader groette, maakte slechts een flauwe verontschuldiging bij Tante, dat hij zoo laat kwam, sprak terloops een paar woorden met Suzanna, en zeide mij vrij koeltjes goeden dag. Ik beken, dat mijn wedergroet ook allesbehalve beleefd was; doch ik kon niet veinzen tegen iemand, die mij zooveel verdriet berokkend had en wiens tegenwoordigheid mij al de genoegens van het feest vergalde.
Daar de tijd van vertrek bepaald was en men niet om éénen genoodigde al de overige kon laten wachten, liet Tante nu de koeken en het verdere gedeelte van het ontbijt op tafel brengen. Wij namen onze zitplaatsen onder het zeil en begonnen met graagte de smakelijke voortbrengselen van Gooiland te betwisten aan de vliegen, die, door de strooplucht verlokt, als echte tafelschuimers haar aandeel in ons maal kwamen opeischen. En het waren niet alleen de vliegen; maar weldra kwamen ook de meer gevaarlijke wespen, als de Harpijen vanouds, schrik en angst onder de aanwezigen verspreiden: vooral hadden zij het op een mijner nichten voorzien, die, van natuur van alle insecten afkeerig, elk oogenblik, wanneer slechts eene dier onwelkome gasten haar bord of wijnglas genaakte, gillende opsprong en zich vergeefs met haar servet van de vervolging dier lastige wezens zocht te ontslaan. Suzanna zocht haar te troosten, en beweerde, dat Tante die lieve diertjes alleen besteld had om aan te toonen, dat de buitenvermakelijkheden ook haar schaduwzijde hadden, en om aan de zoodanigen, die door de omstandigheden genoodzaakt waren in de stad te leven, tevredenheid met hun lot in te boezemen. Op deze kleine onaangenaamheden na, ging het maal vroolijk zijn gang en was het gesprek vrij levendig geworden, toen een der bedienden mijn vader naderde en hem zachtjes iets in het oor fluisterde, bij het vernemen waarvan deze eenigszins donker keek, gelijk men doorgaans doet, wanneer men uit een aangenaam gezelschap wordt opgeroepen tot de lastige beslommeringen, die ambtsbetrekkingen met zich brengen.
"Is er eenige zwarigheid?" vroeg Tante Van Bempden, terwijl mijn moeder angstig mijn vader aanzag, die oprees om zich te verwijderen.
"Ik ben dadelijk terug," antwoordde hij: "ik bid u, laat niemand zich over mij bekommeren."--En hij ging naar den kant van de schuur.
Ik oogde hem bekommerd na; want een geheim voorgevoel, of liever de opsomming van het vroeger voorgevallene, zeide mij, dat het opontbod mijns vaders in verband stond met het opsporen van Van Lintz. En ik werd niet weinig in mijn vermoedens versterkt toen dezelfde bediende mij een oogenblik later kwam zeggen, dat mijn vader mij liet roepen.
"Wel zoo! vertrekt gij ook al?" vroeg Tante Van Bempden.
"_Le combat finira faute de combattans_,"
voegde Suzanna er bij: "de Heeren willen ons zeker een verrassing bezorgen."
"'t Zou mij niet verwonderen," zeide ik, "indien er werkelijk een verrassing plaats had." En ik wierp in 't heengaan een blik op den Heer Blaek, die, met een gelaat zoo bleek als een doek, onbeweeglijk op zijn plaats zat en de eene teug water voor, de andere na opdronk.
Ik vond mijn vader in de schuur, en bij hem een ander Heer, die mij naderhand bleek Onderschout van Naarden te zijn: tegen over hen stond Heynsz, die aan een hevige gemoedsbeweging ten prooi scheen.
"Mijnheer!" zeide mijn vader, zoodra hij mij zag, op een gestrengen toon: "kunt gij mij ook zeggen, waar zich de persoon bevindt, met wien gij gisteren in de boerenwoning een geheim onderhoud hebt gehad?"
"Neen, vader!" antwoordde ik: "ik heb den man, dien UEd. waarschijnlijk bedoelt, bij toeval hier ontmoet, daar ik een boodschap voor Tante verrichtte, en weet niet waar hij gebleven is."
"Ik zeg Uw Ed.-Gestr., dat hij nog moet zijn hier," zeide Heynsz: "al mijn maats, die hier in den omtrek de wacht hebben gehouden, declareeren, dat zij hem niet hebben zien uitgaan: en de dienaars van Gooiland declareeren het ook ... had ik maar kunnen vermoeden, wie die Heer Van Beveren was!... maar wie kon ook veronderstellen, zoo iets?--Te denken, dat de man, dien wij zochten, heeft gewoond veertien dagen lang te mijnen huize! 't Is om te worden ijlhoofdig!--Maar hij moet gevonden worden!"--En de goede man liep stampvoetende heen en weder, beurtelings gekweld door de gedachte, dat men hem zoo had beetgenomen, en bemoedigd door de hoop van den zwerver in zijn macht te krijgen.
"Juist! indien hij niet van hier is, moet hij zich hier nog bevinden," zeide de Naarder Onderschout, deze alleszins logische redeneering met een veelbeteekenend hoofdknikken verzeld doende gaan: "wat dunkt u er van, Heer Hoofdschout?"
"Ik ben het volkomen met u eens," antwoordde mijn vader: "en wij zullen, geloof ik, best doen, het huis en de aanhoorigheden nog eens te onderzoeken, terwijl de dienaars al de uitgangen blijven bewaken."
"_Hunc procul obscura latitantem parte videbis_. Wat u betreft," zeide hij, mij aanziende: "gij zult ons vergezellen. Wij kunnen beginnen met deze schuur."
De schuur werd van alle kanten doorsnuffeld: er was aldaar weinig gelegenheid om iemand te verbergen. De ronde hield ons dus niet lang bezig.--Van daar gingen wij de woning binnen. Martha, die voor het vuur tusschen haar medehelpsters zat neergehurkt, liet van ontsteltenis den inhoud van haar koekenpan over de plaat druipen, toen zij den Onderschout met een barsche stem hoorde roepen: "waar heb je dien vent verstopt, die hier dezer dagen gehuisd heeft?"
"Ik Meneer!" antwoordde zij, bevende: "ach God! ik ben een arme weduwvrouw en leef hier eenzaam en alleenig, sinds men zeun mij verlaten heit: zou ik hier iemand in huis 'ehad hebben?"
"Wij zullen deze trap op moeten," zeide, zonder zich aan haar taal te bekreunen, mijn vader, die mij al dien tijd in 't oog gehouden had en bespeurd, dat ik bij 't binnenkomen een blik naar dien hoek had geslagen.--Wij liepen allen naar boven; maar het opkamertje was ledig.
"Doorzoekt de bedsteden!" zeide mijn vader.