Chapter 41
"Zeg dat maar niet, dat Mama het hoort," zeide Suzanna: "het goede mensch treurt er al genoeg over, dat er om harentwille zooveel omslag gemaakt wordt; maar Tante was er zoo op gesteld: en men begreep, dat de groote en kleine kinderen zich buiten meer dan in de stad zouden vermaken, enz."
Hier stond Henriëtte op. "Mejuffrouw Huyck!" zeide zij, na een wijl te hebben geaarzeld, "UEd. zal mij verschoonen; maar ik mag niet langer blijven: het is later dan ik dacht, en...."
"Wel heden! wilt gij nu reeds vertrekken?" vroeg Tante: "gij zit pas."
"Mijn oom wacht mij: wij eten vroeg, en na den middag weder naar buiten te rijden: ik durf niet vertoeven."
"Rijdt gij naar huis, Jetje?" vroeg mijn zuster, opstaande, met de houding van iemand, die een besluit neemt.
"Ja lieve!" antwoordde Henriëtte: "het is wat laat en uit den weg: anders zou ik u voorstellen om u te huis te brengen; maar ik durf aan de paarden van oom zulk een omweg niet te laten doen."
"Neen! dat behoeft ook niet," hernam Suzanna: "maar ik wil toch gaarne een eind met u rijden: ik moet bij Carlin wezen om lint te koopen: dat is toch in uw weg en gij kunt mij daar afzetten."
"O! zeer gaarne!" zeide Henriëtte, op een toon, die aanduidde, dat zij het gezelschap van haar boezemvriendin voor deze reis wel zou kunnen gemist hebben.
"Gij blijft toch nog wat, Neef!" zeide Tante: "dan kan ik u dadelijk zeggen wat mij op het hart ligt."
"Ik ben tot uw dienst," zeide ik, terwijl Henriëtte afscheid nam en Suzanna mij in 't heengaan een blik toewierp, die zooveel zeggen wilde, als dat zij voor mijn belangen zoude waken. Met een zucht zag ik beiden vertrekken.
"Wel neef! dat trof ongelukkig," zeide Tante, toen wij alleen waren: "maar verbeeld u, daar dacht ik in het eerst geheel niet aan uw mislukt aanzoek bij den Heer Blaek. Ik verwonderde mij reeds, dat gij alle drie zoo stil en zoo zonderling waart. Maar om u de waarheid te zeggen, ik zou haast denken, dat zij nogal instemt met de meening van haar oom: want ik kan niet vinden, dat zij u bijzonder voorkomend behandelde."
"Dat heeft mij ook getroffen," zeide ik: "en ik was er verre af, mij op zulk een koelheid te verwachten. Ik weet niet, waarmede ik haar welwillendheid zoo op eenmaal verbeurd heb; en dat kwelt mij."
"Ik wil het wel gelooven," hernam zij: "maar gij moet u in deze beproeving troosten met de gedachte, dat alles naar Gods wijzen wil geschiedt en dat elke kleine teleurstelling tot bevordering van uw eeuwig heil moet strekken. Maar om te komen tot hetgeen ik u zeggen wilde: uw vader is gisteren bij mij geweest en heeft mij gewaarschuwd tegen die lieden, die bij Heynsz wonen. Hij zegt, dat de man onder een valschen naam bij mij gekomen is: en de dochter is, naar hij gelooft, ook van dezulken, tegen wie ik op mijn hoede moet wezen. Het rechte wilde hij niet zeggen; maar hij verwees mij tot u om nadere uitlegging van zijn woorden. Wat is daarvan? Is dat Juffertje wezenlijk zoo slecht? dan heb ik mij in haar bedrogen; want ik zag haar aan voor zulk eene "die rein van harte was ende yverig in alle goede wercken.""
"Ik weet van haar niets kwaads," antwoordde ik, verheugd van te ontwaren, dat mijn vader zijn vermoeden omtrent mij ten minste niet aan Tante had medegedeeld: "en wat haar vader betreft," vervolgde ik, "Helding heeft mij verhaald, dat hij vertrokken is."
"Ja," hernam zij: "dat heeft mij uw vader ook verteld: doch dat is ook al wonderlijk in zijn werk gegaan; want hij is, volgens het zeggen van uw vader, eergisteravond met de nachtschuit heengegaan en te Nieuwersluis er uitgestapt en er niet weder ingekomen: maar verdwenen, niemand weet waarheen.--Dus wil ik maar zeggen, ofschoon ik mijn naaste niet veroordeelen mag, dat daar toch iets achter schuilt. 't Is een wonder, zooals uw moeder laatst aanmerkte, dat Heynsz zulke lieden bij zich heeft ontvangen."
"Inderdaad!" zeide ik: "maar zooals ik zeide: ik weet van beiden geen kwaad: ofschoon ik beken, dat het mij aangenaam zijn zal, niets meer van hen te hooren; want sedert mijn terugkomst alhier kan ik mij niet bewegen of ik ben gedwongen, over hen te hooren spreken; het is of zij mijn booze geesten zijn, die mij in wezenlijkheid of in verbeelding altijd en overal vervolgen."
Ik had deze woorden nauwelijks geuit, of zij werden bevestigd. De deur ging open, en Amelia trad binnen.--Men moet weten, zoo men het niet reeds heeft opgemerkt, dat mijn goede Tante altijd voor iedereen te huis was: en dat haar meiden dus nooit iemand aandienden; maar elk, wiens gezicht zij eenmaal gezien hadden, dadelijk naar boven stuurden.
Wij waren alle drie onthutst. Amelia was echter de eerste, die de verrassing te boven kwam: en zelfs geloof ik, dat mijne tegenwoordigheid haar bemoedigde.
"Mejuffrouw!" zeide zij, zich tot Tante wendende, eer deze nog het vermogen had van haar toe te spreken: "ik kom als smeekeling tot u. Ik heb, in deze groote volkrijke stad, niemand op wiens goedwilligheid ik staat kan maken, buiten u--en uw Heer Neef," voegde zij er blozende bij: "ik weet, dat mijn komst en mijn verzoek onbescheiden zijn:--en ik zal het u niet euvel duiden, zoo UEd. mij ongetroost terugzendt; maar u niettemin dankbaar blijven voor het goede, mij bewezen."
"Ga zitten, Juffertje!" zeide Tante, die aan de buitengewone ontroering, welke op Amelia's wezenstrekken zichtbaar was, wel bespeurde, dat zij door geen onbeduidende oorzaak tot haar gedreven werd: "ik help gaarne, wie ik kan: want dat is ons voorgeschreven: maar wilt gij ook iets drinken? Gij ziet er zoo ontdaan uit. Is u een ongeluk overkomen?"
"Wil ik mij niet liever verwijderen?" vroeg ik, weinig trek gevoelende van opnieuw in Amelia's belangen gemoeid te worden: "Mejuffrouw heeft u wellicht iets in 't geheim te zeggen."
"Neen, blijf nog wat hier, Neef!" zeide Tante, die, geloof ik, bevreesd werd om zich met Amelia alleen te bevinden: "en krijg dat fleschje met die droppeltjes eens uit het hoekkastje, en de waterkaraf.--Toe! drink eens, arme ziel! gij zijt waarlijk geheel van uw stuk."
"Ik dacht niet, dat ik nog vatbaar was voor een diergelijke ontroering," zeide Amelia: "ik heb grootere tegenspoeden en bekommernissen, dan die ik heden ondervind, moedig doorgestaan; maar nooit ook, neen, nooit te voren had ik een vernedering ondergaan als deze. Ik heb de wederwaardigheden der wereld met gelatenheid gedragen;--maar ik was niet geboren om mij door een ellendige spion te zien beleedigen, als ware ik een schandvlek mijner kunne."
"Wat is er gebeurd?--Wie heeft u beleedigd?" vroegen Tante en ik, bijna gelijktijdig.
"Wat hij gezegd heeft," zeide Amelia, "doet er niets toe: zijne uitdrukkingen zijn misschien te verschoonen: hij is niet gewend met beschaafde lieden om te gaan: hij kon mij zijn huis uitzetten: hij is er meester in en heeft daar het recht toe; maar het is laag en onverschoonlijk van hem mij te beleedigen, op een oogenblik, dat ik alleen en van elk verlaten ben.--Ik kan, ik mag niet langer onder zijn dak blijven;--maar waarheen zal ik mij wenden?--Gij alleen Mejuffrouw, gij kunt mij helpen. O! ik bid u, wijs mij een wijkplaats aan bij eerlijke lieden, waar ik mijn intrek nemen kan. Ik zal er niet lang vertoeven, ik beloof het u.--Geld ontbreekt mij niet: ik verlang niet als een verblijf, hoe klein ook, waar ik rust kan vinden en voor alle bezoeken veilig mag zijn."
"Ja!" zeide Tante: "dat is nu goed en wel; maar er worden zooveel rare dingen van uw vader en u verteld, dat ik eerst nog wel wat naders van u dien te vernemen, eer ik u bij anderen recommandeer."
"Daar zult gij gelijk aan hebben, Zuster!" zeide een stem achter ons. Wij wendden alle drie het hoofd om:--en mijn vader trad de geopende deur binnen. Hij was, gelijk ik naderhand vernam, naar de woning van Heynsz gegaan om met Amelia te spreken; doch, daar zij juist vertrokken was, haar op den voet gevolgd, en kort na haar de opene voordeur bij Tante ingetreden.
Geheel verschillend was de indruk, welke zijn plotselinge verschijning op ons waakte. Tantes gelaat helderde op: en het was te zien, dat de komst van haar broeder haar uit een machtige verlegenheid redde: Amelia zag hem aan zonder schrik, maar met verwondering en ongerustheid, en als vermoedde zij, dat het van dien man afhing hoe haar lot zou beslist worden. Wat mijzelf betreft, ik was geheel uit het veld geslagen; want ik voorzag niet slechts nieuwe onaangenaamheden voor mij, en verkeerde uitleggingen van mijn tegenwoordigheid daar ter plaatse; maar ook beefde ik voor Amelia; en alleen de kennis, die ik van mijns vaders strikte eerlijkheid bezat, boezemde mij eenige hoop in.
Mijn vader zag eerst Amelia, en vervolgens mij met een navorschenden blik aan. Zij sloeg de oogen niet neder; maar rees op, en haar gelaat nam die uitdrukking van hoogmoed aan, welke haren vader zoo eigen was en die ik ook vroeger in haar had opgemerkt. Zij was blijkbaar geraakt over hetgeen zij als een onbeleefdheid beschouwde. Tante was de eerste, die het stilzwijgen brak: "Gij komt juist bijtijds, Broeder!" zeide zij: "deze is de Juffer, waarover ik u gesproken heb."
"Ik zie het," zeide mijn vader: "jonge dochter!" vervolgde hij, zich tot Amelia wendende: "het smart mij, in iemand van uw jaren en voorkomen zooveel verstoktheid te vinden. Hoe hebt gij u kunnen verstouten, u in te dringen bij een eerbiedwaardige Juffer, terwijl gij bij u zelve bewust moest zijn, dat uw ware plaats in het spinhuis is."
"Mijnheer!" riep Amelia, op een toon van hevige verontwaardiging, terwijl zij het hoofd ophield met een waardigheid, die een koningin eer zoude hebben aangedaan: en toen, zich naar mij toekeerende: "wie is die man?" vroeg zij.
"Het is mijn vader!" fluisterde ik: "om Godswil...."
"Welnu!" ging zij voort: "zeg dan aan uwen vader, dat ik van zijnentwege een andere behandeling had verwacht. Zoo iemand zonder opvoeding, gelijk Heynsz, mij beleedigde, ik dacht niet, dat de Heer Huyck een dergelijke handelwijze zou navolgen."
"Ik zoude u aanraden, een toon lager te zingen," hernam mijn vader: "ik ben heusch jegens een met lompen bedekte vrouw, wanneer haar gedrag betamelijk is; maar ik zou ook aan een Vorstin mijn verachting toonen, wanneer zij handelde zooals gij."
"Vaarwel Mejuffrouw!" zeide Amelia, even met het hoofd buigende en zich willende verwijderen.
"Blijf!" zeide mijn vader, op dien toon van gezag, dien elk wie hem hoorde gedwongen was te eerbiedigen: "en wees liever dankbaar jegens mij, dat ik u niet door mijn dienaars voor mij op het Stadhuis heb laten brengen, maar hier ben gekomen om u te ondervragen: en bedenk, dat een rondborstige bekentenis u meer nut zal doen dan het aannemen eener ongepaste fierheid."
Amelia bleef midden in het vertrek staan, de armen over elkander geslagen, de oogen vlammende van spijt en de lippen stijf gesloten; terwijl haar geheele houding aanduidde, dat zij alleen toegaf aan dwang, maar besloten had, geen antwoord op de tot haar gerichte vragen te geven.
"Ik weet zelfs niet," vervolgde mijn vader, eenigszins verwonderd over een dergelijke minachting van zijn gezag, waaraan hij weinig gewend was, "of ik nog wel zooveel inschikkelijkheid jegens u betoond zoude hebben, indien het niet ware geweest om den wille van dien onrechtvaardige daar!" (hier wees hij op mij:) "ik moet bekennen, hij heeft zijn affecties wèl geplaatst."
"Hoe!" riep Amelia uit, terwijl de uitdrukking van haar wezen opeens veranderde en zij mij met een blik van verwondering aanzag.
"Ik versta u niet," vervolgde zij, mijn vader met angstvalligheid aanziende.
"Gij verstaat mij niet?" vroeg mijn vader, zelf verwonderd over de plotselinge verandering in haar gelaat.
Ik achtte het oogenblik geschikt om er tusschen in te komen: "Mejuffrouw kan u niet verstaan," zeide ik: "want er is hier geen quaestie hoegenaamd van affecties."
"Wacht tot men u het woord geeft, eer gij u in het gesprek mengt," zeide mijn vader, met een gestrengen blik: "is uw samenkomst hier ook toevallig, evenals al het vroegere? Gij hebt voor altijd mijn vertrouwen verbeurd."
"Vader!" zeide ik: "ik verzeker u...."
"Vertrek!" zeide hij: "ik wil niets meer hooren."
Ik zuchtte en maakte mij gereed om aan dit bevel te gehoorzamen; toen Amelia, die, gedurende deze woordenwisseling, ten prooi was geweest aan eene hevige gemoedsbeweging en beurtelings rood en bleek geworden was, zich tusschen mij en de deur in plaatste: "Toef een oogenblik!" zeide zij; "Ik weet niet," vervolgde zij, tot mijn vader sprekende: "waar ik van beschuldigd worde; maar slechts dit moet ik voor den alwetenden God betuigen, dat uw zoon zich de geringe kennis, die hij aan mij heeft, noch de diensten, welke hij mij bewees, behoeft te schamen: dat zijn handelwijze edel, menschlievend en onberispelijk was, en dat alleen vuige laster een valsche uitlegging aan zijn gedrag kan geven."
Er lag zulk een toon van waarheid in de woorden, die zij gesproken had: het geluid van haar stem, thans ontdaan van die bitterheid, welke er te voren in lag, had iets zoo treffends en overtuigends: een zoodanige edelaardigheid was over haar wezen verspreid, dat mijn vader er van getroffen werd. Gewoon, om in de geheime plooien door te dringen, waarachter het bedrog zich verbergt, en het ware van het valsche te onderscheiden, twijfelde hij niet, of Amelia, al ware zij dan in zekere opzichten schuldig, was echter niet de vrouw, welke men had afgeschilderd. Hij dacht een oogenblik na, wenkte mij toe, dat ik blijven kon, en vroeg toen snel aan Amelia:
"Hoe is uw naam?"
"Amelia," antwoordde zij, haar vorige houding van behoedzamen argwaan hernemende.
"Uw familienaam?"
"Voor het oogenblik draag ik geen anderen naam dan Amelia."
"En uw vader dan?--Hij heeft zich Van Beveren doen noemen; maar dat is zijn naam niet: hoe heet hij?"
"Hijzelf zal best in staat zijn u daarop te antwoorden."
"Goed! Maar hij is hier niet. Waar bevindt hij zich thans?"
"Ik heb mij altijd gewacht zijne gangen na te gaan," antwoordde Amelia: "ik laat zulks aan anderen over," voegde zij er bij op een scherpen toon.
"Gij schijnt dit onderwerp niet te willen behandelen," zeide mijn vader: "en ik kan het in u niet misprijzen, dat gij uw vader niet verraden wilt. Maar gij zult niet aarzelen, hoop ik, mij te antwoorden betreffende hetgene u-zelve aangaat. Waar hebt gij mijn zoon leeren kennen?"
Amelia zag mij even zijdelings aan, en antwoordde toen op een bedaarden toon: "hij zal het u waarschijnlijk zelf verhaald hebben."
Ik dacht één oogenblik, maar ook slechts één oogenblik, dat mijn vader het gewone hulpmiddel zoude bezigen om aan beschuldigden een _confessie_ af te dwingen; namelijk: door hen te doen gelooven, dat hun medeplichtige reeds bekend heeft. Maar, hetzij dat hij te oprecht van harte was, om tot dergelijke listen zijn toevlucht te nemen, hetzij dat hij begreep er geen baat bij te zullen vinden, na de gevatheid, waarvan Amelia reeds blijken gegeven had, hij schudde het hoofd en zeide:
"Jonge dochter! Ik moet u vaderlijk en met nadruk tevens herhalen, dat gij uw zaak slechts verergert door uw hardnekkigheid. Gij komt met mijn zoon, niemand weet van waar, in de Naarderschuit: gij verlaat hem te Amsterdam: doch ontvangt later herhaaldelijk bezoeken van hem: uw vader komt en verdwijnt weder van hier gelijk een schim, en draagt een naam, die blijkbaar valsch is. Er hebben ten uwent onbetamelijke tooneelen plaats:--moet dit niet geschikt zijn, om vermoedens tegen u op te wekken?"
Van deze gansche toespraak had Amelia blijkbaar slechts één punt met opmerkzaamheid aangehoord, namelijk: dat ik haars vaders geheim had bewaard,
"O!" zeide zij: "Mijnheer! uw zoon heeft edel, heeft braaf gehandeld! Hoe! Hij heeft zich aan verdenking blootgesteld! Hij heeft zich het misnoegen der zijnen op den hals gehaald! Hij heeft zich den laster prijsgesteld om onzentwille!--Ach!" vervolgde zij, zich tot mij wendende: "beschuldig mij niet van onedelmoedigheid, van ondankbaarheid, zoo ik in mijn zwijgen volharde en u niet zuivere van de blaam, die men op u ... en ook op mij geworpen heeft. Maar God weet het--ik mag niet spreken."
"Gij zult des Heeren naam niet ijdelyck misbruycken!" mompelde Tante Letje, het hoofd schuddende.
"En nu, Mijnheer!" zeide Amelia tot mijn vader: "laat mij naar de gevangenis, naar het spinhuis brengen: gij hebt er de macht toe en ik ben buiten staat u te weerstaan. Maar ik verklaar het u, ik heb geen kwaad bedreven; en het zal u eenmaal, als gij later van mijne onschuld overtuigd zult zijn, in de ziel grieven, dat gij mij hard en onrechtvaardig behandeld hebt. Ziedaar dan die Nederlanden, die gewesten, geheel de wereld door als de zetel der Burgervrijheid beroemd. Men vervolgt, men bespiedt, men vonnist zonder reden een onschuldig meisje, wier eenige misdaad is, dat zij haar ongelukkigen vader liefheeft en niet aan zijn vijanden verraden wil."
"Neen Mejuffer!" zeide mijn vader op een zachten toon: "zoo gij onschuldig zijt, hebt gij ook voor geen straf te schromen. Ik zal u geen vragen meer doen. Verre zij het van mij, een dochter te willen gebruiken tot werktuig om haar vader in de handen der Justitie te leveren. Maar zulke vreemde en geheimzinnige omstandigheden hechten zich aan uw verblijf alhier, dat ik u niet kan vergunnen, deze stad te verlaten, alvorens die zijn opgehelderd. Gij kunt zelve uw verblijf kiezen en zult daar tegen alle u onaangename bezoeken beveiligd worden. Het zal dus van uw vader zelf afhangen, den duur van dat verblijf te verlengen of te verkorten."
Op dit oogenblik trad de dienstmaagd binnen en gaf mijn vader een briefje, hetwelk een onbekende gebracht had, met last om het onmiddellijk aan Z.-Ed.-Gestr. te overhandigen. Hij las het: zijn gelaat teekende verwondering; hij zag Amelia oplettend aan en zeide toen op halfluiden toon:
"Hoe is het mogelijk, dat ik niet vroeger op dat denkbeeld gekomen ben? Zij is haars vaders evenbeeld. Lees dit briefje, Ferdinand! Misschien zult gij, na de inzage daarvan, u onbezwaard vinden van te spreken."
Ik las het briefje, dat van den volgenden inhoud was:
"Wel-Edel-Gestrenge Heer: zooeven geeft kleine Simon mij de stellige verzekering, dat de Heer Van Beveren niemand anders is als de Graaf van Talavera, dien wij zochten. Te denken, dat die persoon zoolang bij mij aan huis gewoond heeft, zonder dat ik vermoeden op hem had! Hij moet echter in 't net loopen; want er zijn overal wakers uitgezet.--Ik verblijve met diepen eerbied
Uw Ed.-Gestr. Nederige Dienaar HEYNSZ."
"Ik vermoedde dit," zeide ik, hem het geschrift teruggevende: "maar ook deze mededeeling verleent mij nog geene vrijheid, om u de aanleiding onzer kennismaking te verhalen. Eerst als hij of gevangen, of in veiligheid is, zal ik mogen spreken."
"Zoo!" zeide mijn vader op een koelen toon: en toen zich omwendende, nam hij Amelia opeen hoffelijke wijze bij de hand.
"Zuster!" zeide hij tegen Tante Letje: "ik stel u de Freule Van Lintz voor, de dochter van Keetje Reefzeil, die gij u herinneren zult."
"Mijnheer!" riep Amelia uit, verbleekende en mijn vader vol angst aanziende.
"Verschoon mij," vervolgde mijn vader: ik had wellicht moeten zeggen: Donna Amelia de Talavera.--Het smart mij, dat ik gedwongen ben, uw vader, aan wiens groote verdiensten ik in vele opzichten hulde doe, te moeten vervolgen. Maar de plicht, dien ik jegens hem te vervullen heb, zal mij niet beletten, jegens u die menschlievendheid in acht te nemen, waarop uw ongeluk aanspraak heeft. Waarin kan ik u van dienst zijn? Gij hebt hier nog bloedverwanten van moeders zijde? Begeert gij dat ik u bij hen breng en u aan hunne bescherming vertrouwe?
"Helaas!" zeide Amelia: "wie hunner zou zich willen ontfermen over de rampzalige dochter des zwervers?--Neen! het is niet bij hen, die wellicht mijn vader haten of verachten, dat ik een toevlucht zoeken zal. Wijs mij een afgelegene, een veilige woonplaats aan, het zal slechts voor weinig tijds zijn ... aan geld ontbreekt het mij niet:--en ik zal u danken, Mijnheer!--maar niet bij bloedverwanten, die mij een genade zouden meenen te doen."
"Hoor!" zeide Tante Letje, terwijl zij Amelia bij de hand nam: "gij zult niet bij vreemden gaan, en ook niet bij Heynsz terugkeeren. Ik heb nog plaats in huis: blijf bij mij inwonen: "gy sult bevinden, dat mijne tente in vrede is:" gij kunt hier zoo stil leven als gij wilt en op uw eigen kamer blijven, waar gij zon noch maan behoeft te zien, als gij niet verkiest. Ik zal het aan de meiden zeggen, dat zij niemand bij u laten, zonder hem aan te dienen."
"Bij u, mijn goede Juffrouw," zeide Amelia, zich schreiende over Tante heenbuigende en haar omhelzende: "Ach! waaraan heb ik zooveel goedheid verdiend?"
"Wel!" zeide Tante: "staat er niet geschreven: "ik was vreemdeling en gij hebt mij geherbergd?" Gij neemt dus aan, nietwaar?"
"Bij wie zou ik liever komen, dan bij u, Mejuffrouw!" hernam Amelia: "zijt gij de eenige niet, die u mijner hebt aangetrokken?"
"Dat is te zeggen," zeide Tante: "daar komt Neef de meeste eer van toe: heugt het u nog, Neef?"
"Maar neen!" zeide Amelia, zich opeens bezinnende: "neen! dat kan toch niet. In een onbedachte opwelling van erkentenis vergat ik, dat uwe familie reeds onaangenaamheden genoeg om mijnentwille heeft gehad. Neen!--dat kan waarlijk niet."
"En waarom dat niet?"--vroeg Tante: "van de familie zult gij geen last hebben, noch de familie van u: ik heb u immers gezegd dat gij stil op uw kamer kunt blijven."
"Ik eerbiedig de nauwgezetheid van de Freule," zeide mijn vader: "en toch geloof ik, dat zij niet beter kan doen, dan uw voorstel aan te nemen.--De wereld zal daaruit kunnen opmaken, dat de nadeelige geruchten, die omtrent haar geloopen hebben en waaraan ikzelf geloof hechtte, logenachtig zijn.--Voor 't overige zult gij Freule! hier geheel vrij leven en niemand zal u kwellen met vragen of bezoeken."
"Neen!" zeide Amelia: "ook om uwentwille, Mijnheer Huyck! moet ik niet bij uwe zuster blijven.--Zouden de menschen, die altijd liefst genegen zijn het ergste te denken, u niet beschuldigen van te heulen met iemand, dien gij vervolgen moet, door aan zijne dochter huisvesting bij uwe naastbestaande te verleenen?"
"Uwe bedenking is vol juistheid," antwoordde mijn vader: "en zij doet mijn achting voor u rijzen; want na de wijze, waarop ik u behandeld heb, is het meer dan grootmoedig in u, bezorgdheid voor mijnen goeden naam te toonen. Maar in dit geval zal ik de lieden, laten spreken en mij niet storen aan wat zij verhalen. Uw goede naam is van niet minder gewicht dan de mijne; en ik zie geen beter middel om dien te herstellen en alle zotte praatjes te doen zwijgen, dan door het aannemen van het voorstel mijner zuster."
Ofschoon met moeite, gaf Amelia eindelijk toe, en Tante gaf terstond last, dat haar goed zoude gehaald worden; terwijl mijn vader een briefje aan Heynsz schreef, met machtiging om het te laten volgen. Daarna namen wij ons afscheid en lieten de beide dames alleen.
"Zij bezit denzelfden onafhankelijken geest, die haar vader altijd! gekenmerkt heeft," zeide mijn vader, nadat wij een wijl zwijgend! over de straat hadden geloopen: "ik beklaag haar; want, de Graaf moge zich nog een wijl aan onze nasporingen onttrekken: hij moet toch eindelijk in de val loopen: en wat zal dan haar lot zijn?"
"Gij zijt niet meer ontevreden op mij, Vader!" zeide ik, hem bij de hand vattende.
"Ik begin te begrijpen, dat gij in een moeielijk praedicament hebt gezeten; maar nog vat ik niet recht, waarom gij in uw zwijgen volharden blijft, nu alles toch ontdekt is."
"Verschoon mij," zeide ik: "maar, zoo ik u zeide, hoe en waar ik met den Graaf heb kennis gemaakt, zoude UEd. dan ook niet weten, hoe en waar hem te vinden?"
"Daar is wat aan," antwoordde mijn vader, lachende: "welnu! ik zie uw nadere ophelderingen te gemoet. Het doet mij in allen gevalle genoegen, dat gij niet op dit meisje verliefd zijt."
* * * * *
EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.