Ferdinand Huyck

Chapter 39

Chapter 393,993 wordsPublic domain

Er zijn weinige ontmoetingen lastiger, dan die tusschen twee personen, waarvan de een kort te voren den anderen een gewichtig verzoek heeft afgeslagen. Beiden maken bij die gelegenheid een gek figuur, vooral wanneer zij overigens van denzelfden stand in de maatschappij zijn en elkander vroeger op een gemeenzamen voet gezien hebben, zoodat er althans eenige woorden van beleefdheid gewisseld moeten worden. De een is dan bang, dat er op het verzoek zal teruggekomen, en dat hem verklaring of uitlegging zijner handelwijze zal afgevergd worden: hij vreest, zoo hij te beleefd is, bij den anderen hoop te verwekken op iets, dat toch niet verwezenlijkt kan worden, en hij wil toch niet, door lomp te zijn, nieuwe en onnoodige reden tot misnoegdheid verwekken:--de ander is evenmin op zijn gemak; want bij den wrevel, dien men in hem over de geleden weigering veronderstellen moet, wil hij niet te beleefd zijn, uit angst dat men hem van laagheid verdenken zal, en toch wil hij ook niet, door gebrek aan beleefdheid, de goede kansen, die hij misschien nog hebben mocht, ten eenenmale verspelen. In mijn geval kwam hier nog de onaangename omstandigheid bij, dat ik niet wist, of den Heer Blaek het geval met zijn zoon ten huize van Heynsz bewust was, en zoo ja, op welke wijze hem zulks voorgesteld was en of ik mij deswege al of niet moest verontschuldigen.

Hoe dit ware, het bleek mij duidelijk, dat mijn tegenwoordigheid hem alles behalve aangenaam was. Hij beantwoordde mijn groet met een stijve buiging, nam geen notitie van den Zaankanter, zette zich, haalde een zakboekje voor den dag en doorliep eenige papieren, welke hij daaruit nam. Dit gold zooveel als een wenk, dat hij in geen onderhoud verlangde te treden: en ik hervatte dus mijn vorige houding, zonder acht op hem te slaan.

Op deze wijze verliep er een vrij onaangenaam kwartieruurs, en ik voorzag, dat mijn toestand nog lastiger zou worden, wanneer de derde man, die zich in 't vertrek bevond, en wiens tegenwoordigheid ons wederzijdsch stilzwijgen nog eenigszins wettigde, zou binnengeroepen worden, en ik mij alzoo met den Heer Blaek alleen bevinden. Weldra scheen dat oogenblik te zullen komen. Ik hoorde de schel van den Notaris klingelen, den Klerk de trappen ophollen en kort daarop weder beneden komen, om dengenen, wiens audiëntie was afgeloopen, uitgeleide te doen, en een nieuwen bezoeker op te roepen. Werkelijk werd de deur van het vertrek geopend en de stem van den Klerk noodigde Kneel Poppes uit, hem te volgen.

De Zaankanter rees op, mompelde een goeden avond tegen ons en volgde den Klerk naar boven. Terzelfder tijd hoorde ik den man, die van boven gekomen was, zeggen: "met uw verlof! ik heb mijn parapluie in de zijkamer laten staan."--De spreker trad binnen: en tot mijn spijt herkende ik in hem niemand anders dan Amelia's vader, met zijn scharlaken rok en zijn bril.

Hij herkende mij insgelijks, gelijk ik uit een schier onmerkbaar gefronsel zijner wenkbrauwen opmaakte. Om zijn parapluie te krijgen, die in een hoek van het vertrek stond, moest hij den Heer Blaek voorbij, die nog altijd in dezelfde houding was blijven zitten en geen acht op hem scheen te slaan. Voor hem gekomen, bleef de Heer Bos even staan, hield het oog op hem gevestigd, deed een stap achteruit en zeide toen met een duidelijke, doch zachte stem:

"Jacobus Blaek!"

"Frederik Van Lintz!" riep deze, verbleekende, terwijl hij opsprong en zijn bekende van vroegere jaren met een blik van verbazing en schrik aanstaarde.

"Ikzelf!" zeide Van Lintz: "ik zie dat gij, in spijt mijner vermomming, mijn stem nog herkent."

"Maar hoe durft gij...? Lieve God!... bedenk toch...." en de Heer Blaek scheen hem door een zijdelingschen blik te willen doen opmerken, dat zij zich niet alleen bevonden.

"O! dat is niets!" zeide Van Lintz, met een glimlach: "de Heer Huyck zal mij niet verklappen:--en bovendien, ik heb geene keuze en moet de gelegenheid, nu zij zich voordoet, bij de haren vatten. Er kon voor mij geene gelukkiger ontmoeting zijn dan deze; want ik had al op de middelen gepeinsd om een onderhoud met u te hebben."

"Met mij! en wat kunt gij mij toch te zeggen hebben?... Maar spreek toch zacht om 's Hemels wil! Bedenk, dat uwe veiligheid...."

"Die hangt van u af. Gij alleen kunt mij helpen: gij zult dit doen om onzer oude vriendschaps wille: om den wille van onzen braven broeder, die in den Hemel is."

Ik zag, dat de Heer Blaek opnieuw van kleur verschoot. "Zwijg toch, bid ik u," fluisterde hij: "ik wil u immers gaarne helpen; maar laten wij ergens anders gaan dan hier!" En hij haalde zijn zakdoek voor den dag om de zweetdroppelen af te vegen, die langs zijn voorhoofd dropen.

Ik trad nader. "Vergeeft mij, Mijne Heeren!" zeide ik: "ik wil niet onbescheiden zijn. Ik zal wel even in het voorhuis gaan en u gelegenheid geven, te zamen te praten. Men zal mij wel zoo aanstonds roepen."

"Ach! wat helpt dat?" vroeg de Heer Blaek, terwijl hij zijn angstige blikken beurtelings van mij op Van Lintz liet wandelen: "Mijnheer Huyck heeft toch reeds te veel gehoord!--Hoe kan men zoo onvoorzichtig zijn!"

"En wat is er toch," vroeg Van Lintz, terwijl hij met gekruiste armen tegen den wand stond, "waarover gij u bekommert? Wie toch in de wereld kan het u kwalijk nemen, dat gij eenige woorden wisselt met een ouden kennis, met den zwager van uw broeder? De Heer Huyck weet, zoogoed als gij, dat ik vogelvrij verklaard ben: en het had slechts van hem afgehangen, het had hem slechts één woord gekost, om mij mijn vrijheid, en bijgevolg mijn leven te doen verliezen: maar hij heeft dat woord niet gesproken, en zal het ook niet spreken.--Van zijnentwege heb ik dus niets te vreezen: en ik vertrouw, dat hij het u ook niet kwalijk zal nemen, indien gij mij hoe eerder hoe beter hier vandaan helpt."

"Integendeel!" zeide ik, met overhaasting--"het verblijf van den Heer Van Lintz, of zooals Mijnheer heeten mag, en dat vervloekte geheim, hebben mij reeds last en onaangenaamheden genoeg veroorzaakt, en ik zal den Heer Blaek uiterst dankbaar zijn, indien zijne bemoeiingen daar een einde aan maken."

"Alzoo," zeide Van Lintz, glimlachende: "zoudt gij u van het bewaren van ons geheim ontslagen rekenen, wanneer ik eens van hier ware."

"Ongetwijfeld!" antwoordde ik: "dat was immers de afspraak?"

"Voorzeker!" zeide Van Lintz: "maar het zou den Heer Blaek wellicht onaangenaam zijn, indien men wist, dat hij eenig aandeel in mijn ontkoming had."

"Waarom zou ik dit uitbrengen?" vroeg ik: "ik hoop, dat de Heer Blaek te goede gedachten van mij heeft, dan dat hij mij voor een verklikker zoude aanzien."

"Voorzeker!" zeide Blaek, in blijkbare verwarring: "ik heb uitmuntende, ik heb de beste gedachten ter wereld van den Heer Huyck; maar," vervolgde hij tegen Van Lintz: "is het hier een plaats, om over uwe zaken te spreken? Kom met mij, naar mijn huis, of...."

"Naar uw huis?" herhaalde Van Lintz: "neen dat niet! Het zou wellicht uw zoon niet zeer aangenaam zijn, mij te ontmoeten, na de les, die ik hem gisteravond gegeven heb."

"Hoe! wat!--Zijt gij die Heer Van Beveren, met wien hij die affaire gehad heeft?... doch gij hebt gelijk; mijn huis is ongeschikt;... maar ga toch met mij: ik zal een veilige schuilplaats voor u uitdenken. Wij zullen dat in het rijtuig overleggen. Mijnheer Huyck zal wel zoo goed willen zijn, mij bij den Notaris te willen verontschuldigen, door hem te zeggen, dat ik geen tijd had ... of wat hij verkiest."

"Wel! het zij zoo!" hernam Van Lintz: "Mijnheer Huyck! Ik zeg u nog geen vaarwel; want het schijnt, dat ons noodlot ons, 't zij wij willen of niet, telkens weder in aanraking wil brengen: en wij zullen elkander waarschijnlijk nog wel eens ontmoeten."

"Nog slechts één raad neb ik u te geven," zeide ik: "haast u! want een uur verwijl kan u noodlottig zijn: en daarvan althans kan ik u de verzekering geven, dat het huis van Heynsz voor u tegenwoordig een onveilige schuilplaats is."

"En UEd. belooft mij, van deze ontmoeting niet te zullen spreken," zeide Blaek, zich naar mij toewendende en mij de hand krampachtig drukkende, terwijl Van Lintz mij met een hoofdknik voor mijn raad bedankte.

"Ik heb u reeds gezegd, dat ik geen verklikker ben," antwoordde ik met eenigen trots: "en ik herhaal u, wat ik eenmaal aan den Heer Van Lintz zeide, dat ik slechts dan zal spreken, wanneer mijn plicht het gebiedt."

Ik weet niet of de Heer Blaek zich met deze belofte volkomen tevreden stelde; doch hij diende er wel genoegen mede te nemen: de beide Heeren vertrokken en ik zag hen een oogenblik daarna gezamenlijk wegrijden: waarheen, was mij onbewust.

Weinige oogenblikken daarna kwam de Zaankanter de trappen weder af en werd ik bij den Notaris binnengelaten.

Ik zal mijn geschrijf niet nutteloos vermeerderen met een verslag te geven van hetgeen ik met den Heer Bouvelt verhandelde: want hoe dikwijls zijn naam ook in den loop mijns verhaal genoemd is, en welken invloed hij onwetend en middellijk uitoefende op de gebeurtenissen, welke ik te boek stel, zijn deel daaraan was echter van een ondergeschikten of liever van een verwijderden aard, en hij was in zekere opzichten te vergelijken met den kaarsenmaker van den Schouwburg, die de verlichting bezorgt en zonder wien het spel niet vertoond, althans niet gezien zoude worden; maar die zelf nimmer ten tooneele treedt.--Voor hen echter, wier nieuwsgierigheid eenigszins door het voorafgaande geprikkeld en thans teleurgesteld is, wil ik er wel bijvoegen, dat de Notaris Bouvelt een klein, schraal ineengedrongen ventje was van ongeveer zestig jaren, met een ziekelijke, saffraangele tronie, een baard van zes dagen en een knijpbril op den neus, een slaapmuts op het hoofd en een servet daarover heen; een gebloemde japon met een roode sjerp aan 't lijf, dat lijf gedoken in een met sits bekleeden leunstoel en de in pantoffels gestoken voeten rustende op een koperen stoof: dat hij gezeten was achter een breede tafel, vol schrifturen, akten, drankfleschjes, contracten, cachoutdoosjes, schepenkennissen en likkepotjes: en dat hij na een vrij langdurig gesprek, hetwelk hij door herhaalde hoestbuien meer dan eens gedwongen was af te breken, erkende, dat zijn oudste klerk gedwaald had, en de akten naar mijn zin of liever naar dien van den Heer Van Baalen veranderde.

* * * * *

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

HETGEEN LANGER DAN HET VOORGAANDE, EN NIET MEER OF MINDER BELANGRIJK WEZEN ZAL.

Ik was met een eenigszins luchtiger gemoed van den Notaris teruggekeerd dan ik bij het heengaan bezat; want de aanwezigheid van Van Lintz daar ter plaatse had mij doen vermoeden, dat hij de papieren, in welke hij zooveel belang scheen te stellen, en waarom hij eerst zijn dochter naar Amsterdam gezonden had en vervolgens zelf gekomen was, eindelijk had ontvangen en dus geene reden meer bezat om langer in een stad te vertoeven, waar zijn verblijf hem aan gevaar blootstelde; terwijl aan een anderen kant de weinige woorden, tusschen hem en den Heer Blaek gewisseld, mij alle hoop gaven, dat deze zich het lot zijns voormaligen bekenden zou aantrekken en de noodige middelen in het werk stellen, om hem over de grenzen te helpen: en, hetzij dit gelukte, hetzij Van Lintz betrapt werd, ik voorzag, dat in beide gevallen het oogenblik niet verre meer af was, waarop het mij vergund zou zijn te spreken. Hierbij nog kwam, dat, even gelijk een minnaar in de kleinste zwarigheid reden vindt tot bittere ongerustheid en angst, zoo ook de geringste straal van hoop door hem als de morgenstond eener blijde toekomst verwelkomd wordt: en de omstandigheid alleen, dat de Heer Blaek mij om geheimhouding verzocht had van hetgeen er tusschen hem en Van Lintz was voorgevallen, een omstandigheid, welke hem alzoo in zekere opzichten aan mij verplichtte, was genoegzaam om mij met de hoop te streelen, dat hij goede gedachten van mij opvatten zoude, en zich, ingevalle Lodewijk en Henriëtte afkeerig bleven van het door hem gewenschte huwelijk, niet langer ongenegen zoude toonen, mijn zielswensch te vervullen. De ondervinding had mij toen nog niet geleerd, dat verplichtingen van dien aard bij hem, die ze aangaat, geene genegenheid, maar enkel vrees en zelfs een zekere afkeerigheid ten opzichte van den verplichter doen ontstaan.

Den achtermiddag van den volgenden dag zat ik op mijn kamer te werken, toen Helding bij mij werd aangediend. Wrevelig, dat opnieuw iemand uit dat noodlottige huis van Heynsz zich bij mij vervoegde en door zijn komst versche aanleiding tot vermoedens wekken kon, beknorde ik de meid, die hem gezegd had, dat ik thuis was, en stond een oogenblik in beraad, haar met de boodschap weg te sturen, dat ik bezigheden had en niemand kon afwachten. Bij eenig verder nadenken echter en gedreven door de hoop, dat Helding wellicht een welkome tijding zoude brengen, veranderde ik van besluit en gaf last, hem bij mij te laten.

Hij verscheen dan ook weldra, nam, na eenige buigingen, plaats, en verhaalde mij, dat hij, vernomen hebbende op welke wijze ik hem thuis had gebracht, mij daarvoor zijn dank kwam betuigen.

"Wat zal ik u zeggen, Mijnheer Huyck!" zeide hij, eenigszins verlegen en zijn hoed tusschen de handen draaiende: "ik had wat diep in 't glaasje gekeken; maar _insanivimus omnes_, gelijk wij op de Latijnsche school zeiden. Intusschen, ik kan het haast niet verklaren, hoe ik zoo weinig _compos mentis_ was. 't Is waar, ik had wat hard geloopen: en dan wil men wel zeggen, dat men daardoor vatbaarder is voor den invloed van Bacchus.--En dus: van den wijn alleen kan het niet gekomen zijn."

Ik kon niet nalaten, te glimlachen, want ik kende de waardij van dergelijke verschooningen. Aan welke reden men ook de dronkenschap, waarin men verkeert, toeschrijve, de wijn heeft er nooit geen schuld aan.

"Troost u, Monsieur Helding!" zeide ik: "wij waren allen min of meer onder den invloed van Bacchus."

"Ja," hernam hij: "dat is wel mogelijk: 't was anders goede wijn: misschien wel wat sterker dan ik gewoon ben. Het spijt mij intusschen recht; want ik heb daardoor wellicht aanleiding gegeven, dat het gezelschap spoediger opgebroken is, dan anders het geval zou geweest zijn. Het was jammer! wij zaten zoo genoeglijk bij elkaar, en die Officieren waren aardige Heeren en schenen vrij wat kennis en smaak te hebben in de poëzie.--Zij wisten wat iemand toekwam."

"Dat hebben zij ten uwen opzichte getoond," zeide ik.

Hij zag dit als een compliment aan en lachte witjes--"O verblinding der vleierij!" dacht ik bij mijzelven.

"Maar," vervolgde hij: "ik heb tot mijn leedwezen gehoord, dat de Heer Lodewijk bij ons aan huis zoo leelijk is te pas gekomen!"

"Dat is hij," antwoordde ik: "maar het zal beter zijn, dat onderwerp maar niet aan te roeren."

"UEd. heeft gelijk," zeide hij: "ja, het is wat onbegrijpelijk: er gebeuren buitendien meer rare dingen bij ons aan huis. Wie had het ooit kunnen denken? Die Heer Van Beveren...."

"Welnu?" vroeg ik, nieuwsgierig om te vernemen, wat er nu weer gebeurd was.

"Wel," vervolgde hij: "om met Vader Vondel te spreken:

Hy trock al heimlijck af en zonder eenigh teecken Van wapen of trompet."--

"Hij trok weg!" riep ik: "Goddank!"

"Met de noorderzon verhuisd," hernam hij, eenigszins verwonderd over den uitroep van blijdschap.

"En zijn dochter?"

"Neen die is er nog," antwoordde hij: "maar zij zal niet lang meer blijven: althans Heynsz wil haar niet in huis houden."

"Niet? En wat is er dan voorgevallen?" vroeg ik, eenigszins minder in mijn schik met dit tweede bericht.

"Dat zal ik UEd. verhalen. Ik was gisteravond bij mijn buurjuffer op een kommetje koffie genoodigd; want UEd. moet weten, zij verzoekt mij nog wel eens 's avonds ... en ik heb er altijd vrij entrée ... een eer, die aan alle Heeren niet gegund wordt. He! he! he!"

"Ja!" zeide ik: "ik begrijp, dat zij zwak voor u heeft."

"Nu! dat is tot daar aan toe," hernam hij: "maar het is in allegevalle niet in haar te misprijzen, dat zij niet te ijdel is om met een oud man, als ik ben, wat te keuvelen en zij vindt er smaak in, als ik haar nu en dan eens een versje voorlees."

Ik was eenigszins verwonderd over dezen smaak van Amelia: maar bij verder nadenken begreep ik, dat zij, in de afwezigheid haars vaders, na het voorgevallene liever niet alleen was, en dat het gezelschap van Helding, al was het niet onder de belangrijkste te stellen, haar toch altijd eenige gerustheid moest inboezemen.

"En was haar vader niet te huis?" vroeg ik.

"Dat is het mooie," antwoordde hij, glimlachende: "ik zat moerziel alleen met haar, in _viezevie_, zooals de Franschen zeggen, en ik had een pijp opgestoken:--ik zou haar juist mijn gedichtje op het Kuiltje gaan voorlezen, dat aan de Messieurs zoo beviel, weet UEd.?"

"Ik weet al?--En toen?"

"Daar kwam net haar Papa thuis. "Wel Papa!" vroeg zij zoo: "is UEd. geslaagd in uw bezoek?"--"Ja!" zeide hij: en toen haalde hij een dik pak pampieren uit zijn rokzak en lei het op tafel. "Ik begon al ongerust te worden over uw lang wegblijven," zei zij. "Ja!" zei hij, "ik heb nog een ontmoeting gehad."--En toen keek hij mij zoo schuins aan van onder zijn bril, alsof hij wilde zeggen: "pak je biezen."--"Ik was juist voornemens," zeide ik, "aan de Juffer een gedichtje te gaan voorlezen."--"Ga uw gang," zeide hij. "Monsieur Helding! en laat ik u niet storen." Ik dacht, de man wil het toch eens hooren; maar daar kwam niet van: hij haalde een _cassette_ voor den dag, opende het pak, dat hij medegebracht had, nam eenige pampieren daaruit, die hij weder bij zich stak, en verborg de rest in de _cassette_, zonder bij dat alles de minste acht te geven op hetgeen ik voorlas."

"Dat was niet beleefd," zeide ik: "maar inderdaad, het scheen mij dien avond op uw kransje reeds toe, dat die Heer geen rechten smaak vond in de poëzie."

"Allesbehalve!--En toen ik gedaan had, in de plaats van toen het een of ander te zeggen over mijn werk, of mij ten minste voor de genomene moeite te bedanken, daar draait hij zich op eenmaal naar mij toe, en zegt: "Monsieur Helding! als UEd. nog van een kommetje koffie gediend blieft, zoo is het u gegund; maar drink het dan spoedig op: want ik heb het een en ander met mijn dochter te onderhandelen."--"Och!" zeide ik: "ik ben niet gaarne tot overlast; dan ga ik liever direct heen.--Want ik was knorrig. Zie, ik ben doodgoed, maar ik heb niet graag, dat iemand mij affronteert."

"En ging UEd. toen heen?"

"Nog niet: als UEd. hooren zal. Het mooiste moet nog komen. Terwijl ik mij gereed maakte om te vertrekken en nog een kommetje aannam, dat Mejuffrouw Amelia, die het, geloof ik, weer goed wou maken, mij toereikte, daar komt Heynsz binnen en begint een praatje. "Zoo, Sinjeur Heynsz!" zei de Heer Van Beveren: "UEd. komt juist van pas: ik moet hedenavond nog de stad uit," ("ei! ei!" dacht ik) "en wilde u betalen, hetgeen ik u tot heden schuldig ben, en u meteen verzoeken, zorg te dragen, dat mijn dochter geene bezoeken meer tegen haar zin ontvangt."--"Wel! wel!" zei Heynsz: "gaat UEd. heden nog op reis? Zeker naar Deventer?" voegde hij er bij, met een spotachtig gezicht. De Heer Van Beveren keek hem aan, als wilde hij zeggen: "dat zijn uwe zaken niet."--"Wees maar zoo goed," zei hij: "mij uw briefje van verschotten te geven: dan zal ik u betalen en de maand uit meteen."--"Hm! hm!"zeide Heynsz: "mag ik u vragen of er nog meer Heeren van uw naam te Deventer zijn?"--"Gij zijt nieuwsgierig van avond, Sinjeur Heynsz!" zeide de Heer Van Beveren, met een gezicht alsof hij hem van de trappen wilde gooien, "'t Is maar," vervolgde Heynsz: "omdat er lieden zijn, die beweren, dat er nooit iemand van dien naam binnen Deventer bestaan heeft."--"Dat zou al toevallig zijn," zei de andere: "men vindt die anders overal. Maar Sinjeur Heynsz! wacht tot gij ten minste Onderschout geworden zijt, alvorens mij met dergelijke onbescheidene vragen lastig te vallen."--Daar had UEd. het gezicht van Mejuffer Amelia moeten zien: het arme schaap werd zoo bleek als een doek. En Heynsz keek ook zuur, dat beloof ik u; "Mijnheer!" zei hij: "gij moogt dan Van Beveren heeten of niet, maar al ben ik geen Onderschout, zoo zou er toch een Onderschout kunnen komen en u vragen doen, die u niet aangenaam waren."--"Sinjeur!" zei de ander: "als er een Onderschout komt, zal ik hem antwoorden. Aan u ben ik geen rekenschap verschuldigd. Indien gij werkelijk een zoo knap verklikker waart als gij voorgeeft te zijn, zoudt gij mij terugbezorgd hebben hetgeen Zwarte Piet mij ontstolen heeft, of mij althans aanwijzing daarvan gedaan hebben." Ik sloeg de handen in elkander. "Heynsz een verklikker!" dacht ik. "Hadt UEd. daar ooit gedachten op gehad, Mijnheer Huyck?"

"Zoo eenigszins," antwoordde ik glimlachende: "en hoe liep dit af?"

"Wel! Heynsz werd zoo rood als een kalkoensche haan en antwoordde vrij vinnig, en ik voorzag nog het oogenblik, dat Van Beveren, of zooals de man dan heeten mag, hem bij de kladden zou krijgen. Maar hij scheen opeens te bedaren, ging zitten, haalde een schuiertje uit den zak en begon zich het poeier van den rok te borstelen of er niets gebeurd ware, zonder verder eenig antwoord te geven. Toen zag Heynsz in, dat hij met zijn drift niets won en begon een toontje lager: "hoor Mijnheer!" zeide hij: "ik moet u waarschuwen dat gij een verdacht persoon zijt: en daarom, zeg mij oprecht, wat gij hier verrichten komt. Als eigenaar van dit huis, heb ik toch wel eenig recht, dit te vragen."--"Hoor, Monsieur Heynsz!" zeide de andere: "ik betaal u als een eerlijk man de huur uwer kamers, en ik weet niet, dat er iets tot mijn last is: en aangezien wij in een vrij land leven, zoo zie ik niet, dat gij recht hebt, mij te beletten te gaan, waar ik wil. Bovendien, mijn dochter blijft hier, althans zoolang zij niet beter vinden kan. Ik ga dus hedenavond heen, en gij kunt gerust uw spionnen uitzetten en mijn gangen laten nagaan; maar thans, verzoek ik, van uw verder bijzijn ontslagen te worden. Gij zult dan wel met mijn dochter afrekenen."--Heynsz scheen nu te begrijpen, dat hij niet verder komen zou, mompelde wat binnensmonds en ging heen, zoowel als ik:--en, zooveel als ik hedenmorgen vernomen heb, is die Van Beveren met de nachtschuit naar Utrecht vertrokken."

"Ik wensch hem goede reis," zeide ik, eenigszins verbaasd over de stoutheid en ondoorzichtigheid van Van Lintz, dat hij aldus vertrokken was, met een gelegenheid, waarbij hij niet kon missen bespied en achtervolgd te worden.

Het overige van ons gesprek was onbeduidend; althans het verdient hier niet opgeteekend te worden. Voor Helding vertrok, bad hij mij, mijn vader nog eens te willen herinneren aan de hem beloofde nasporingen omtrent het lot zijner ongelukkige dochter.

"Dat wil ik gaarne doen," zeide ik: "maar het behoeft niet. Wat mijn vader eens voorneemt en belooft, dat vergeet hij niet: heb dus maar geduld, vriend Helding! gij zult de verlangde narichten bekomen. God geve, dat zij tot een gelukkig einde mogen strekken."

Nauwelijks had Helding mij verlaten, en nog zat ik te peinzen over het medegedeelde nieuws, toen de deur mijner kamer zachtjes openging en ik in den tegenover mij geplaatsten spiegel mijn moeder herkende, die bleek en bezorgd van uitzien, met langzame schreden naar mij toekwam.

"Was het Monsieur Helding niet, die daar uitging?" vroeg zij, terwijl zij met de eene hand, waarin zij een open brief hield, op den rug van mijn stoel leunde, en met de andere zich een traan uit het oog wischte.

"Dezelfde, Moederlief!" zeide ik, rood wordende.

"Wat had die nu weer te vertellen?" vroeg zij, met een ontevreden blik.

"Hij kwam mij bedanken, omdat ik hem laatst te huis gebracht heb, toen hij te veel gedronken had."