Ferdinand Huyck

Chapter 35

Chapter 354,067 wordsPublic domain

Na eenig verder onderhoud stond Reynhove op en nam afscheid. Toen hij vertrok, deed ik hem uitgeleide. Zoodra wij in de gang waren, nam hij mij bij de hand: "Ik had nog een verzoek aan u," zeide hij: "maar ik dorst er daarbinnen niet mede voor den dag komen: uw ouders zijn zulke deftige lieden: ik was bang, dat zij mij railleeren zouden. Ik zal u zeggen, wat het geval is. Ik beweerde gisteren tegen Blaek, dat ik met mijn Engelschman naar Haarlem en terug zoude rijden in zeven kwartier; hij pretendeert hetzelfde te kunnen doen met de harddravers, die hij van den Heer Van Baalen gekocht heeft: en daaruit is een pari ontstaan, wie onzer het eerst den weg heen en weder zoude afgelegd hebben. Wij moeten dit morgennamiddag beslissen: te vijf uren rijden wij af aan de _Tweehonderd Roe_. Hebt gij lust om het te komen zien en naderhand een glas wijn te blijven drinken?"

"Ik dank u," antwoordde ik, "ik moet aan 't kantoor zijn. Er is een schip van ons, dat op zijn vertrek staat, en dat geeft mij veel drukten."

"Het spijt mij," zeide hij: "nu, _au revoir_ dan."

Hij vertrok en ik keerde in de huiskamer terug, bij mijzelven denkende dat Reynhove wel gedaan had, zijn voorstel niet te doen in tegenwoordigheid mijner ouders, bij wie een harddraverij contrabande was. Toen ik binnentrad was mijn moeder bezig, mijn vader in 't vriendelijke te beknorren, dat hij dien vreemden Heer, bij zijn eerste bezoek, zoo de les gelezen had.

"Kom! kom!" zeide mijn vader: "ik zou het niet gedaan hebben, indien ik niet de overtuiging bezat, dat bij dien knaap een goede grond ligt en dat de kern beter is dan de schil. 't Is maar jammer, dat hij met dien Lodewijk Blaek omgaat."

"En dat hij zooveel Fransche woorden bezigt," zeide mijn moeder.

"Dat is Haagsche stijl," zeide ik: "en hij doet het niet erger dan anderen."

"Hij zal nog veel te leeren hebben, eer hij de tale Kanaäns spreekt," zeide Tante Letje.

"En gij Santje! Hoe denkt gij over onzen nieuwen kennis?" vroeg ik, bemerkende dat Suzanna, tegen haar gewoonte, stil was: "hoe bevalt hij u?"

"O! ik vind hem zeer naar mijn zin," antwoordde zij: "gij weet, ik hou veel van kapellen, en duizendschoonen, en gouden torren, en palmpaschen- en pinksterbloemen en al wat blinkt en sierlijk is."

"Dat is geen bepaald antwoord op mijn vraag," zeide ik: "hij verdient volgens de getuigenis van vader, niet verward te worden met die pronkers, wier eenige verdiensten in hun mooien rok bestaat."

"Volstrekt niet," hernam zij: "want hij draagt bovendien een bijzonder nette pruik en keurige lubben en een schitterenden diamant aan zijn das.--Het portret van den saletjonker uit den _Verliefden Poëet_ van Buysero is volkomen op hem toepasselijk:

'k Zag nooit netter van mijn leven: Wel driemaal op een dag werd hem schoon goed gegeven. Geen kreukje zag men in zijn kleeren, en, om recht Te gaan, 't was in dien tijd een keuning van een knecht. Hij wou zijn handen maar in rozewater wasschen. Men heeft zijn leven zoo geen man een pruik zien passen. En zijn handschoenen, ho! die waren klaar Jasmijn."

"Santje! Santje!" zeide ik: "biecht zuiver op; want ik bedrieg mij zeer, of die Hagenaar heeft een goed oog op u; en zoo gij iets tegen hem hebt, is het beter, dat hij maar spoedig daarvan kennis bekome; anders zal hij het u nog lastig genoeg maken."

"Santje heeft volkomen gelijk, dat zij het met een Jantje van Leiden afmaakt," zeide mijn moeder: "een jong meisje moet zich nooit uitlaten over een Heer: het mocht haar naderhand berouwen."

"Juist zoo!" voegde mijn vader er bij: "want de oude spreuk zegt terecht, dat men met zijn spot naar bed gaat."

Met deze grap was het onderhoud over Reynhove besloten en wij vervielen langzamerhand weder tot de zwaarmoedige stemming en de stilte, waaruit zijn bezoek ons voor een poos gered had.--Mijn zuster zelfs, anders zoo levendig en opgeruimd, deed geen moeite om het gesprek gaande te houden, en zat in gepeinzen verdiept: 't zij dat haar genegenheid voor mij haar de slechte uitkomst van mijns vaders pogingen evendiep had doen gevoelen alsof het haar eigene zaak geweest ware: 't zij dat werkelijk het bezoek van Reynhove een bijkomende aanleiding tot overdenking had opgeleverd. Eindelijk vroeg mijn moeder, onder andere onverschillige zaken, aan Tante Letje, of zij de Juffer nog gezien had, die bij Heynsz aan huis woonde?

"Wel ja!" antwoordde Tante: "heeft Neef u niet verhaald, dat hij haar tot mijnent ontmoet heeft?"

Allen zagen mij aan en mijn vader zelfs met een ernstigen blik. Ik gevoelde terstond, hoe verkeerd ik gedaan had, van deze toevallige ontmoeting niet te reppen; daar ik nu van achteren den schijn op mij laadde, als had ik die opzettelijk verzwegen.

"'t Is waar!" zeide ik: "ik had het vergeten ... ik had het hoofd zoo vol. Ook heb ik niet gedacht, dat er iemand belang in stelde."

"Nu! die jonge Juffer stelt dan wel belang in u," zeide Tante in haren eenvoud des harten: "zij is nog tweemalen sedert dien tijd bij mij geweest, en heeft mij telkens naar u gevraagd, Neef!--Een zoet meisje, dat moet ik zeggen: jammer maar, dat zij Roomsch is. Haar vader had mij heden ook bezocht, om mij te bedanken voor de vriendelijkheid, die ik, zoo hij zeide, voor zijn dochter gehad had. Een beleefd mensch die Heer Van Beveren, dat moet ik zeggen."

"Van Beveren!" herhaalde mijn vader, die met aandacht naar de woorden zijner zuster geluisterd had: "waar hoort die man te huis?"

"Te Deventer!" antwoordde Tante: "doch hij schijnt hier welbekend; althans hij heeft mij over vele lieden gesproken en wist bijna aller betrekkingen."

"Te Deventer! zoo!" herhaalde mijn vader, nadenkend: "en heeft u die Heer Van Beveren geen geld ter leen gevraagd?"

"Neen Broeder! En hij zag er ook niet uit als iemand, die geld behoefde. Hij was goed gekleed en had het geheele voorkomen van een man, die in de groote wereld leeft."

"Ik behoef u niet te vertellen, Zuster?" zeide mijn vader, "dat de duivel zich somtijds in een engel des lichts verkleedt, om zijn oogmerken te bereiken. Ik zou u aanraden, wat voorzichtig met die lieden te zijn."

"Hoe dan: weet gij eenig kwaad van hen, Broeder?" vroeg Tante, met eenige bezorgdheid.

"Niet het minste; maar ik wil dat toch eens onderzoeken ... er is toch iets, dat mij vreemd voorkomt."

"Gij zult toch niet denken, Willem!" zeide mijn moeder: "dat Heynsz verdachte lieden zal herbergen?"

"'t Is zeker, dat zulks nogal grappig zoude wezen," hernam mijn vader: "maar gij hebt gelijk en uw aanmerking is juist.--En Zuster! sprak de dochter van dien Heer zoo belangstellend over Ferdinand?"

"Och Vader!" zeide ik, alle vermoedens wenschende af te wenden: "Tante zal de zaak waarschijnlijk een weinig vergrooten. Zij en ik zijn misschien de eenigen, die Amelia behalve haar huisgenooten kent."

"Ei! heet zij Amelia?" vroeg mijn vader: "gij schijnt reeds vrij familiaar met haar te zijn, om haar zoo bij haar doopnaam te noemen!"

Ik zag, dat Suzanna bleek werd en ik merkte dat ikzelf een kleur over mijn onvoorzichtige uitdrukking kreeg. Mijn Zuster, waarschijnlijk om mij uit de verlegenheid te redden, zei met een gemaakten lach:

"'t Zal een prinses zijn, die incognito reist; en prinsessen worden nooit anders als bij haar voornamen genoemd."

"Dat is zeker," zeide ik, moed vattende, "dat ik haar doopnaam beter weet, dan haar familienaam; maar overigens is onze kennis al zeer gering en ik verlang die niet nader aan te knoopen, hoe lief zij ook wezen moge."

"Niet?" zeide Tante: "en gijzelf, Neef! hebt haar zoozeer tot voorspraak gestrekt, toen ik haar wilde verstooten."

"Wel Tante! Wat zal ik u zeggen? Uw goedheid spoorde u aan, haar, die u onbekend was, bij u te ontvangen: en mijn hart zeide mij dat de leer, die zij beleed, haar aanspraak op uwe bescherming niet verminderde. Dat is alles."

Mijn vader zag mij aan, schudde bedenkelijk het hoofd, nam een snuifje en verwijderde zich om in zijn vertrek te gaan arbeiden: zoodat, zeer tot mijn genoegen, het gesprek over Amelia en haren vader hierbij rusten bleef.

* * * * *

ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN GELEERD WORDT, HOE MEN BEST OUDE PAARDEN VERKOOPT, EN JONGE BEDERFT.

Het was gelukkig voor mij, bij de stemming, waarin ik mij bevond, dat het ophanden zijnde vertrek van Kapitein Pulver mij vrij wat bezigheid aan 't kantoor verschafte en daardoor buiten de mogelijkheid stelde om mij over te geven aan mijn leedwezen over de ondervonden teleurstelling. Al had de arbeid geene andere nuttigheid als deze, dat hij den geest bezig houdt en belet het verdriet te gevoelen, dan nog zou hij als een weldaad voor het menschdom moeten beschouwd worden. En boven alle andere zijn, in gevallen, wanneer de ziel ontroerd en geschokt is, de zoogenaamde dorre eentonige werkzaamheden, welke ons beroep verschaft, verkieslijk boven die, welke een meer aanlokkende zijde hebben en waarbij de verbeelding mede in 't spel gebracht wordt. Wijsbegeerte en fraaie letteren mogen op den duur kalmte en vertroosting aan den geest bieden: haar beoefening zoude ik vergelijken bij die van de gezondheidskuur, waarvan de invloed, hoe heilzaam ook, eerst later gevoeld wordt; beroepsbezigheden zijn als de pijnstillende opium of de blaartrekkende pleister, welke de kwaal niet wegnemen, maar ons beletten die te gevoelen.

Maar toen ik, na afloop van het kantoor, weder te huis kwam, en de avond te schoon was, om dien op mijn kamer door te brengen, terwijl de dames uit waren, keerde mijn zwaarmoedigheid. "Kom!" dacht ik, na een wijl gepeinsd te hebben: "ik heb op dit oogenblik geen grooter vijand dan mij zelf en mijn gedachten: ik moet of werk hebben of bezigheid zoeken. Waarom zou ik niet naar den Haarlemmerweg gaan en zien hoe de weddenschap is afgeloopen?"

Dit besluit gevormd hebbende, begaf ik mij dadelijk op weg, wandelde de singels om naar de Haarlemmerpoort en kwam ongeveer tegen half zeven ure aan de Tweehonderd Roe; waar ik weldra vernam, dat de beide wedders te vijf uren precies waren afgereden, en dus, bijaldien er geen ongeluk had plaats gehad, welhaast moesten terug wezen. Een vrij talrijk gezelschap zat in den tuin en voor de deur der herberg bijeen, met de wijnflesch of bierkan voor zich, naarmate de staat hunner geldbeurs meerdere of mindere uitgaven gedoogde: anderen wandelden langzaam den weg op en neder, blijkbaar den uitslag des wedrens verbeidende; terwijl enkelen, te paard of in hun chaisen gezeten, met hetzelfde oogmerk stapvoets op en neder reden. Daar waren, onder dien toevloed van menschen, lieden van elken rang of stand, vermogende renteniers, deftige kooplieden, beunhazen, pikeurs, stalhouders en voerlieden; doch allen, op weinige uitzonderingen na, _ridders van de zweep_: en de onderscheidene gesprekken, welke hier en daar gevoerd werden, hadden overal slechts één onderwerp, de edele rijkunst. De verdiensten der paarden van Lodewijk Blaek, die bij allen bekend waren, werden overwogen: de groote feiten, door hen verricht, in ai hun kleuren opgevijzeld; hun betrekkelijke waarde vergeleken: de prijs, dien zij gegolden hadden, genoemd, enz. enz. Wat het paard van Reynhove betrof, daarover dorst men een minder beslissend oordeel vellen, vermits het slechts aan weinigen bekend was; doch men was van gedachten, dat het, ofschoon uiterlijk van weinig apparentie, echter droog en fraai was, en tot die soort van paarden behoorde, welke niet bij uitstek snel loopen, maar een gestadigen gang hebben en het lang uithouden zonder zich te vermoeien.

Ik keek ondertusschen rond, of ik niet hier en daar onder de menigte een gezicht van een kennis zoude aantreffen; maar ofschoon ik met dezen en genen, die mij van de beurs of van elders bekend was, een groet, of een kort: "hoe vaart Mijnheer?" wisselde, zag ik niemand, met wien ik het de moeite waardig achtte, een bepaald gesprek aan te knoopen. Daar ik eerst aan de Academie, en toen buitenslands geweest was, had ik weinig bekenden, althans onder dat slag van lieden, hetwelk zich hier bevond.--Eindelijk, mij langs een hoopje begevende, dat nog luidruchtiger en drukker was dan de rest, hoorde ik mij eensklaps bij mijn naam noemen: en, mij omwendende, herkende ik Weinstübe, die met een grooten roemer in de eene en een zweep in de andere hand, den redetwist, waarin hij gewikkeld was, afbrak om mij aan te spreken.

"Huyck" riep hij: "foor wien wed jij?"

"Voor geen van beiden," antwoordde ik, mijn hoed even aflichtende, als wilde ik mijn wandeling vervolgen.

"Nein! Pots tit und tat! Je komt er zoo nicht af! Je solt seggen voor wien je pint. Wed jij tegen mich. Ik heb een sakkie sesthalven kewed op de plessen van Plaeck: en er is niemand, die meer dan een sakkie toepeltjes teugen houdt. Toe jij me nou de frundschap und neemt de rest."

"Ik zou u gaarne dat genoegen doen," zeide ik: "maar ik wed niet zoo maar in den wilde: de blessen van Blaek ken ik ternauwernood en het paard van Reynhove in 't geheel niet: zoodat ik over hunne vergelijkende waarde niet kan oordeelen."

Ik dacht er hiermede af te zijn; maar weldra had ik berouw, van maar niet ronduit verklaard te hebben, dat ik in 't geheel niet wedde; want nu kreeg ik terstond het loon voor mijne valsche schaamte.

"Laat je dat niet afschrikken, Mijnheer!" zeide een dikke vent, wien ik naderhand vernam, dat een kastelein van den Overtoom, en een beroemd paardenkenner was: die beestjes van Blaek loopen drommels goed, dat 's waar; 't bennen poppetjes, daar niks aan mankeert: zoo rond as appeltjes en as een zij zoo zacht in den bek, daarom niet; maar kijk! daar hebje dien anderen: heb ik jou daar? het biest mag zoo mager wezen as het wil: des te minder zit hem zijn vet in den weg:--en as je 't zoo ziet afrijen, je zoudt zeggen: het slaat zien beenen deur mekaêr of het mal was;--maar laat hem gerust zijn gang gaan: hij zal het uithouen op den langen weg--en ze alle achter hem laten. Kijk!--het zakkie dubbeltjes durf ik op hem resikeeren; en het past mijn en mijns gelijken niet om meer te doen;--maar hou jij gerust de rest: 't zei je geen schaê doen; zoowaar ik Krijn Jaspersz hiet."

"Ik wil het best gelooven," zeide ik: "maar in zoodanige gevallen ga ik niet op goed geloof af, en dat zult gij mij niet kwalijk nemen. Gij zoudt ook niet gaarne een paard koopen of er op wedden, zonder het alvorens gezien te hebben."

"Nou, dat 's waar ook," zeide hij: "maar anders!... Ik heb de eer niet, van Meneer parteklier te kennen, en ik weet niet, of Meneer verstand van paarden heit; want anders ben je nog niet sekuur al heb je ze gezien: dat heit die makelaar ondervonden, die laatst bij ons was, daar Blaek die ouwe knol van hem an verkocht heit."

"Ja!" zeide Weinstübe, grinnikende: "dien heeft hij oud peet kehad."

"Zoo! heb je ook al gehoord van den moord van Parijs?--Nou! die goeie man had het paard ook gezien en geprobeerd: en hij docht, dat hij wonder wat kocht; maar jawel!--hij liet zich royaal weg een ouwen blinden knol in de handen stoppen en mag den hemel danken, zoo hij er den volgenden dag den nek niet mee gebroken heeft."

"Maar dat is niet veel beter dan stelen," zeide ik: "op deze wijze van eens anders onnoozelheid partij te trekken."

"Hei ho! daar komen zij! daar komen zij!" riepen eenige stemmen. Alles stoof op en keek den weg op; hoewel er nog niets te zien was, dan een stofwolk, die aan deze zijde van het tolhek opsteeg.

Ongeduld, verwachting, hoop en vrees, waren op de aangezichten te lezen, en men staroogde, alsof men den blik door het stof heen had willen laten dringen, om te ontdekken, wie de overhand had. Het duurde echter niet lang, of beide rijtuigen waren naast elkander zichtbaar, zonder dat men nog door den afstand kon onderscheiden welk het eerste was.

"Zij zijn er waarachtig allebei!" riep de een,--"zij hebben mekaar goed bijgehouen!" riep een ander.--"Nou! wat braatje nou van uithouen?" vroeg Weinstübe aan Krijn Jaspersz.: "je ziet immers, dat de peesten an mekaar kewaagd zijn. Heb je ook perauw? Sol je 't afmaken wille voor de helft."

"Patientie!" zei de kastelein: "de laatste loodjes wegen het zwaarst."

"De ruin is voor!" riep opeens een stem.

"Neen! neen!" zeide een ander: "de blessen winnen het."

"De blessen winnen het!" riepen onderscheidene stemmen. En inderdaad zag ik nu ook, dat de twee paarden een eind dichter bij waren dan het eene; ofschoon het rijtuig, dat door de eerstgemelden getrokken werd, wild over den weg heen en weder slingerde, terwijl de sjees van Reynhove met een gelijken gang vorderde.

"Hoera!" riep Weinstübe, met den hoed zwaaiende: "had je nu mijn foorschtel maar aannemen willen. Het sakkie toeppeltjes is mein."

"Hoezee!" riep de menigte, en opende zich voor het rijtuig van Blaek, die, met purper aangezicht, schreeuwende en juichende kwam aangereden. Maar nauwelijks had hij de plek bereikt, als de uiterste grens van den wedren bepaald, of een zijner paarden stortte en hij zelf tuimelde uit de sjees. Hij was echter dadelijk weder op de been en werd nu door de toestroomende liefhebbers met luid gegalm als overwinnaar begroet. Reynhove was intusschen insgelijks aangekomen, mede vrij verhit en ontdaan; doch zijn paard toonde slechts weinige blijken van vermoeidheid en wettigde daardoor de lofspraak, daaraan door Krijn Jaspersz gegeven. Alleen het schuim, waarmede het bedekt was, een korte hoest en een trillende beweging van het lichaam, toen het stilstond, gaven bewijs dat het hard geloopen had. Een lakei van Reynhove schoot dadelijk toe, dekte het met een warm kleed en bracht het op stal met behulp van den kastelein der _Tweehonderd Roe_. Ofschoon nu onze Hagenaar het onderspit gedolven had, bleek mij echter dat de oordeelvelling van den Overtoomschen kastelein juist geweest was; want de paarden van Blaek hadden zich overloopen: het eene lag, zooals ik gezegd heb, op den grond en scheen meer dood dan levend; het andere stond nog, doch hijgende als een juffershondje en zoo onvast op de beenen, als ware het op het punt van neer te storten. Met veel moeite deed men het gevallene opstaan, en bracht men beide opstal.

"Jongen! dat is jammer!--Ik hoop, dat het den beestjes geen kwaad zal doen! Zij hadden zich zoo mooi gekweten!--Je bent den ander toch vooruitgebleven!--'t Mag wezen hoe 't wil: 't is beter, dat ze crepeeren, dan dat die magere knol je voorbij ware gereden, enz. enz."--Zoo klonken de troostredenen, die nu in ruime mate aan Lodewijk werden toegevoegd; maar waar hij geen oor naar had, zoo grootsch was hij op zijn overwinning; ofschoon hem die waarlijk een paar goede paarden kosten zoude.

"Ik ben toch de baas gebleven!" riep hij Reynhove toe, met een zegevierenden blik.

"Dat geloof ik wel," zeide deze, met spijtige bedaardheid: "gij waart schier aan 't hollen geslagen: en ware uw paard niet gestort, dan zoudt gij ze niet gearrêteerd hebben. Op zoo'n wijze zoude ik niet willen triomfeeren."

"Heb ik het niet gezeid?" zeide Krijn Jaspersz: "'t is een bloot toeval en meer niet, zoo de blessen eerst an zijn; maar ik vraag maar an iedereen, of die prijs mooi gewonnen is? Ik heb gezeid, en ik blijf er bij, dat de ruin op den langen weg beter loopt: en as Meneer hem niet had willen sparen, was hij nog de baas gebleven."

"As! As!" herhaalde Weinstübe: "asch is verbrante tourf: en je pint toch je toeppeltjes kwijt, man."

"Dat ben ik," zeide Krijn: "heb daarover geen zorg; maar dat belet niet, dat ik op zoo'n manier geen weddenschap zou willen winnen."

Onder dit praten waren Reynhove en Lodewijk, door de omstanders heen, de herberg binnengedrongen: en geen trek hebbende, om mij in dien wilden boel te mengen, noch om langer naar de klaagliederen van Krijn Jaspersz te luisteren, begaf ik mij naar den tuin, zette mij neder en bestelde een roemer wijn, met oogmerk om na het gebruik daarvan huiswaarts te keeren. Ik had nauwelijks eenige minuten gezeten en was, bij de algemeen heerschende drukte, nog niet geholpen geworden, toen de waard in persoon naar mij toekwam en mij uit naam van Reynhove vroeg, of ik hem en aan de overige Heeren de eer aan wilde doen, mij bij hen te vervoegen.

"Ik bedank Mijnheer wel voor zijn beleefdheid," antwoordde ik: "het is mij daarbinnen te vol en ik ga zoo aanstonds heen."

"Vol! Mijnheer!" herhaalde de waard: "wel neen! zij zitten maar metter zessen daar gunter in den koepel: 't is zeker anders wel de gewoonte, datter meer van de partij zijn, maar die Heer uit Den Haag valt nogal grootsch en wil niet graag met anderen als met zijns gelijken converseeren. Nou! 't is mij wel wat scha; maar wat zal ik zeggen?"

Ik keek in de richting, welke hij mij aanwees, en zag inderdaad, dat Reynhove, Blaek, Weinstübe en een drietal Officieren, zich in een der bij de herberg behoorende koepeltjes bevonden, dat voor hen was vrijgehouden: en het gaf mij juist geen kwaden dunk van Reynhove, dat hij niet verlangde met Jan en alleman te zitten.

"Nou, wat mot ik zeggen?" vervolgde de waard.

Ik had voorzeker wijzer gedaan, en mij vrij wat verdriet bespaard, indien ik bij mijn voornemen gebleven ware en de Heeren alleen had gelaten; maar eensdeels deed een misschien kwalijk gepaste schaamte mij vreezen, dat Reynhove het euvel zoude opnemen, indien ik het voorstel afsloeg; te meer, daar ik mij den vorigen dag verschoond had en nu toch was komen kijken: en daarbij dreef een dwaze ijdelheid mij aan, om mij geroepen te wanen, ten einde aan die liefhebbers een nuttige les te geven. Kortom, ik stond op en volgde den waard naar het koepeltje, waar onze Heeren onder de flesch bijeenzaten.

"Wel! ik moet zeggen," zeide Reynhove. toen hij mij zag: "het kost niet weinig moeite de eer van Mijnheers gezelschap te bekomen. Gisteravond verzoek ik u, en gij refuseert: vandaag verandert gij van idee, en dan laat gij u nog bij de ooren trekken, om ons uw sociëteit te schenken."

"Ik houd niet van mij in te dringen," zeide ik: "en blijf slechts een oogenblik."

"Wel, ik hoop van beter," hernam hij: "maar neem plaats: ik weet niet of gij deze Cavaliers kent: de Heeren Contour, Reekalf Van Ranst, officieren te Naarden in garnizoen." '

Ik boog mij en nam plaats.

"Wat is dat voor een bocht van wijn?" riep Lodewijk, die mij slechts even met een hoofdknik had begroet: "Jan! haal anderen wijn: denk je, dat wij zulke vergifte kost willen zuipen? Haal van den Klooster Baserac: immers zoo de baas er nog van dezelfde heeft als laatst."

"Het heeft weinig gescheeld," zeide ik tegen Reynhove, "of gij hadt den prijs behaald."

"'t Heeft genoeg gescheeld," zeide Lodewijk: "ja! laten zij maar komen, die het tegen de blessen uithouden."

"Nu ja," zeide Reynhove, niet zonder wrevel over het bluffen van Lodewijk: "indien ik mijn paard had willen ambimeeren, zooals gij uwe beesten gedaan hebt, dan had ik u op Halfweg al vooruit kunnen zijn."

"Nu vraag ik aan elk verstandig mensch," zeide Lodewijk, met een luiden lach, "of zulk een verschooning wel iets anders als een uitvlucht is?--Wat duivel! die zijn paarden sparen wil moet niet wedden.--Wat zegt gij er van, Weinstübe?..."

"Das ist recht," antwoordde deze: "onze freund Reynhove sol het auch gaar nicht meinen wollen. Maar met dat al, zijn rein is ein gnap peestje und loopt blaisierig: ich sol hum er nog een sakkie koeltens voor pieten wollen."

"Wacht eerst, tot het te koop is," zeide Reynhove; "intusschen ben ik gereed, zoo vriend Blaek wil, morgen weer tegen hem te rijden, tot aan Guldenhof toe: en voor het dubbele geld."

"Of ik mal ware," zeide Lodewijk: "kom over veertien dagen eens weer, dan zullen wij er nader over spreken."

"Over veertien dagen," zeide Reynhove: "zullen de blessen wel denzelfden weg zijn opgegaan als de witvoet."

"Dat ware altijd een laatste uitkomst," zeide Lodewijk, lachende: "ja! van dat ouwe dier ben ik zeker wél afgekomen."

"Van den witvoet?" herhaalde Reynhove, met verbazing.

"Wat was dat?--Eilieve vertel eens!" vroegen de Officiers: "heb je nog geld aan dat oude beest verdiend?"

"Ja kottorie!" zeide Weinstübe: "laat Plaek dat eens vertellen: je houdt waaraftig je pijk fast fan 't lachen, as je 't hoort."