Ferdinand Huyck

Chapter 33

Chapter 333,885 wordsPublic domain

Ik wilde beginnen mijn hartsgeheim te ontdekken, maar wist niet hoe: mij dacht, ik kon toch niet zoo plompweg met de deur in huis vallen en in de plaats van: "'t is mooi weer," tegen haar zeggen: "ik bemin u." Ik vergat, dat tusschen twee gelieven, al spreekt men geen woord, het onderhoud zijn loop vervolgt, de geest dezelfde gedachtenreeks bij beiden doorloopt en langs dezelfde schakels voortgaat, zoodat indien beiden na een uur zwijgens den mond opendeden, men tien tegen één zou kunnen wedden, dat beiden hetzelfde woord zouden uitspreken; evenals twee gelijkgestemde harpen, die hetzelfde akkoord uitslaan.

Eindelijk, toen de pauze een geruimen tijd had geduurd, en ik reeds bedacht begon te worden dat Suzanna terug zou komen eer ik nog een woord gesproken had, hervatte ik het gesprek daar, waar wij het gelaten hadden.

"Wij spraken daar van ongelukken met rijtuigen en schepen.--Daar ligt al een zeer troostrijk denkbeeld voor mij in opgesloten."

"Voor u? en hoe dat?" vroeg zij, zonder de oogen op te slaan, terwijl mijn onbeduidend gezegde haar een kleur als bloed aanjoeg.

"Omdat," zeide ik, "ik geen rij- noch voertuig houd, en dus minder dan anderen in de gelegenheid ben om ongelukken daarmede te krijgen."

Nu had die fraaie, zoogenaamde troostgrond, wel beschouwd, noch zin noch slot: want, ofschoon geen speeljacht hebbende, had ik niettemin den vorigen avond tot het getal der schipbreukelingen behoord; en ik reed dikwijls genoeg, zoo niet in mijn eigen, dan toch in eens anders rijtuig; maar het ging mij, zooals het zelfs verstandiger lieden bij dergelijke gelegenheden gaat, ik sprak, zonder dat het mij schelen konde, wat ik zeide, mits ik maar aanleiding vond om tot het punt te komen waar ik wezen wilde: en deed evenals de jager, die, het wild navolgende, er weinig om geeft, of hij een gebaand pad inslaat en veeltijds door heggen en struiken kruipt of over slooten en dammen springt om zijn doel te bereiken. Henriëtte nam dan ook de moeite niet, mijn argument tegen te spreken; maar deed er het zwijgen toe: zoodat ik mij genoodzaakt zag, op denzelfden toon voort te gaan.

"En ik geloof niet, dat ik ooit een speeljacht of een rijtuig bezitten zal."

Dezelfde stilte.

"Ik geloof, dat men zeer gelukkig kan zijn zonder een van beide."

Dezelfde stilte: maar haar lieve vingertjes begonnen te beven, alsof zij bespeurde, dat ik weldra duidelijker spreken zoude.

"En gij, Mejuffer!" vervolgde ik, niet minder bevend: "gelooft gij insgelijks ... ik meen: zoudt gij gelukkig kunnen zijn ... zonder rijtuig ... zonder al die gemakken, waaraan gij thans ... aan het huis van uw oom ... gewoon zijt geraakt?"

Dit was een vraag: en hier diende een antwoord op. Dit antwoord was echter datgene, hetwelk altijd gegeven wordt, wanneer men schroomt of zich ongehouden acht, rechtstreeks of onbewimpeld te antwoorden.

"Dat weet ik niet ... dat is _betrekkelijk_."

"Vergeef mij," zeide ik: "mijn vraag was misschien onbescheiden. Maar," vervolgde ik, opstaande, en mij nevens haar plaatsende, met de eene hand op de tafel en de andere op den rug van haar stoel: "indien ik die vraag doe, 't is omdat bijaldien uw hart gehecht ware aan die genoegens, welke de rijkdom alleen kan verschaffen, ik schromen zoude, u een verklaring te doen, die...." hier zweeg ik een oogenblik en begon nog harder te beven. Zij bleef stip op haar werk zien, beurtelings, rood en bleek wordende.

"Gij hebt mij gisteren," vervolgde ik, "toen wij ons in levensgevaar bevonden, eenige woorden toegesproken, welke ik nimmer vergeten zal en die mij ook thans nog als hemelmuziek in de ooren ruischen. Ik zou echter geene gevolgtrekkingen durven maken uit hetgeen wellicht aanleiding vond in de ontroering van het oogenblik en in den staat van opgewondenheid, waarin wij toen verkeerden. Maar zoudt gij thans, bij bedaarder zinnen, mij vergunnen, aan die woorden een uitlegging te geven, welke mij voordeelig ware?"

Hier lichtte Henriëtte de oogen op en zag mij aan met een engelachtigen blik, maar terstond weder voor zich ziende: "ik durf mij vleien," zeide zij, "dat ik toen bedaard was en geen bewijs van opgewondenheid gegeven heb. Wat ik dus toen zeide...."

"Blijft gij dat ook thans gestand doen?" vroeg ik, in verrukking, haar bij de hand vattende en mij over haar schouders neerbuigende.

Zij beantwoordde mijn handdruk en liet terzelfder tijd het hoofd tegen mijn arm nedervallen. Maar weldra richtte zij zich weder op, en, het hoofd schuddende, zeide zij met een weemoedigen blik: "Kom! ik ben een zottin. Verschoon mij, Mijnheer Huyck! Het is beter, dat wij dit onderwerp niet verder aanroeren ... en zelfs, dat wij elkanders gezelschap vermijden."

"Hoe!" riep ik uit, verbaasd en terneergeslagen: "gij geeft mij de zoetste hoop en tegelijker tijd, in één adem, wilt gij mij die weer ontnemen.

"Ik gevoel dat ik verkeerd heb gehandeld," zeide zij: "maar ik beschouw u als edelmoedig genoeg om geen misbruik te maken van een oogenblik van zwakheid. Uw woorden hadden mij verrast...." (Met allen eerbied gesproken, ik geloof dat dit een weinig bezijden de waarheid was) "en ik heb niet welgedaan die zoo onbedachtzaam te beantwoorden."

"Niet welgedaan," herhaalde ik: "door aan de inspraak van uw gevoel gehoor te geven liever dan aan die van de koele rede? Doch, ik zie niet in, waarom deze beide in dit geval in tegenspraak behoeven te zijn. Zoo uw hart, door de beantwoording mijner liefde, mij tot den gelukkigsten der stervelingen maken wil, begrijp ik niet, welke gewichtige gronden de rede daartegen kan inbrengen."

"Ik ken u nog sinds zeer kort," zeide zij: "en niet genoeg, om te weten of het gevoel van ... voorkeur, dat ik u toedraag, behoorlijk te rechtvaardigen is!"

"Indien dit zoo is, wil ik de hoop niet opgeven," zeide ik: "want ik ben overtuigd, dat de narichten, die men over mij zoude willen inwinnen, niet zoo geheel tot mijn nadeel kunnen uitloopen."

"Ik geloof u, Mijnheer!" hernam zij, het hoofd schuddende, met een droefgeestige uitdrukking op het gelaat, die mij bewees, dat zij de ware reden van haar terughouding niet vermeldde: "maar toch!..."

"Welnu!" wat kan er meer zijn? Ik bid u, verzwijg uwe zwarigheden niet: ik vlei mij, dat, zoo gij mij slechts wederliefde schenken wilt, ik in staat zal zijn alle andere bedenkingen te overwinnen."

"Ik hang van mijn oom af," zeide zij, de oogen nederslaande: "en ik twijfel, of hij...."

"Hoe!" zeide ik: "zou hij iets tegen mijn persoon of familie kunnen in te brengen hebben? Of is het mijn gebrek aan fortuin, dat mij in den weg zoude staan? 't Is waar, rijk ben ik niet; maar ik ben thans deelgenoot eener bloeiende firma en hoop weldra in staat te zijn, eene vrouw, wel niet op een weelderigen, maar toch op een ordentelijken voet te kunnen onderhouden."

"Mijn oom zal dat nimmer willen," herhaalde zij: "en ook dan zelfs, wanneer ik mondig en mijn eigen meesteresse ware, zou ik nimmer iets doen, hetgeen hem mishagen kon, hem aan wien ik alles verschuldigd ben en dien ik eeren moet als een vader, ja meer dan een vader: want hij heeft mij welgedaan, zonder daartoe gehouden te zijn."

"Men kan het hem ten minste vragen," zeide ik: "geef mij slechts uwe toestemming om mijn vader te verzoeken met den Heer Blaek te spreken: dat is al wat ik verlang."

"Hoor! ik wil oprecht met u zijn," zeide zij, "en u niets verzwijgen. Mijn oom heeft zich vast in 't hoofd gezet, dat Lodewijk mij trouwen moet. Tot nog toe (moet ik zeggen gelukkig voor mij?) stemmen vader en zoon niet overeen in hun wenschen: anders weet ik waarlijk niet, wat ik zou moeten doen. Zoolang Lodewijk dus nog ongehuwd blijft, zal mijn oom zijn hoop niet laten varen, en ieder aanzoek afwijzen, dat hem om mijn hand gedaan wordt."

"Dus zou ik dan moeten wachten, tot Mijnheer Lodewijk goedvindt, zich in den echten staat te begeven, of op te stappen?--Mij dunkt toch, dat uw oom, bespeurende, dat gij over en weer geen geneigdheid gevoelt om zijn plannen te bevorderen, niet dwaas genoeg zal zijn, om die vol te willen houden. Hij heeft u en zijn zoon beiden lief: en zal uw beider ongeluk toch niet willen. Mij dunkt, ik zou mij sterk maken, hem zulks aan zijn verstand te brengen."

"Ik vrees, ik vrees," zeide Henriëtte; "maar ik heb er in zooverre niets tegen, dat gij het beproeft," voegde zij er bij met een betooverenden lach.

"Heb dank voor deze vergunning," zeide ik, haar hand met vurigheid aan mijn lippen brengende: "laat nu gebeuren wat wil, eenmaal toch zullen wij vereenigd zijn."

Op dit oogenblik ging de deur open. Wij stoven verschrikt uit elkander en zagen, tot onze niet geringe ontsteltenis, de Heeren Blaek, vader en zoon, binnentreden. De eerstgemelde scheen onze verwarring niet te bespeuren; althans hij toonde daar niets van: maar terstond naar Henriëtte toegaande, omhelsde hij haar hartelijk en vroeg haar of zij reeds van den schrik bekomen was, en of zij zich niet ongesteld gevoelde.

"O!" zeide zij: "ik ben zoo wel, of er niets gebeurd was."

"Ik weet niet, Nichtje!" zeide Lodewijk, die intusschen ons beiden met een spotachtigen blik beschouwd had; "maar mij dunkt als men u wel aankijkt, gij ziet er toch wel wat ontdaan uit. Laat eens zien," vervolgde hij, haar hand nemende: "gij beeft er waarlijk nog van."

"In allen gevalle," zeide ik, niet zonder eenige verontwaardiging: "zou het geen wonder zijn, indien Mejuffrouw de gevolgen van dien noodlottigen avond nog ondervond."

"Zoo, vriend Huyck," zeide Lodewijk, als zag hij mij eerst nu: "wel gerust?--Ja! 't was een ongelukkig geval. Maar wie drommel kan het helpen? Ik lij er het meest bij! En hoe heeft die stoffel van een Weinstübe het toch gemaakt? Jongens! wat zat de vent in de benauwdheid!"

"Ik ben uw dienaar, Mijnheer!" zeide de oude Heer Blaek zich buigende: "wij waren eens komen vernemen naar de gezondheid van de dames: en tevens moet ik u mijn dank betuigen voor de spoedige mededeeling. Lodewijk dient ook zijne verontschuldigingen te maken:--hij heeft gewis wat onvoorzichtig gehandeld; doch, zooals hij zegt, hij lijdt er het meeste bij: want het zal geen kleintje kosten om het jacht weer in 't water te krijgen:--en er zullen wel wat reparatiën aan moeten gedaan worden ook."

"En verhaal ons eens," zeide Henriëtte, "hoe is het u verder gegaan?"

"O!" antwoordde Lodewijk: "men heeft mij wel lang genoeg laten wachten; maar eindelijk kwam er toch volk opdagen, en toen heb ik Klaas bij 't jacht gelaten en ben naar Guldenhof getrokken en terstond, zoodra ik gekleed was, was het wederom inspannen om hierheen te rijden."

"Gij gevoelt," zeide de Heer Blaek tegen Henriëtte, "dat Lodewijk zich geen oogenblik rust wilde gunnen, voor hij vernomen had, hoe het met zijn lieve nicht was gesteld."

Onder dit praten kwam Suzanna weder binnen, met de boodschap aan de Heeren, dat Tante eenigszins vermoeid was, doch meende op te staan om hen te ontvangen. Het ontbrak nu niet aan stof tot gesprek, waartoe al de gebeurtenissen van den vorigen avond weder werden opgehaald. Na verloop van eenigen tijd kwam Tante ook beneden, en kort daarna reden mijn ouders, die vroeg in den morgen door Reynhove bericht van het gebeurde bekomen, en, niet weinig bekommerd, dadelijk rijtuig besteld hadden, Heizicht binnen. Ik zal hier van de blijdschap des wederziens niet gewagen, die men zich licht kan voorstellen: en even van de gesprekken, welke dien dag gevoerd werden en waarvan de reeds verhaalde gebeurtenis het hoofdonderwerp uitmaakte. Ik was vermoeid en verveeld van zoo dikwijls over hetzelfde te hooren praten, en bovendien belette mij de verliefde stemming, waarin ik mij bevond, behoorlijk aandacht te schenken aan hetgeen er gesproken werd.

Het was mijn oogmerk geweest, met Suzanna den volgenden morgen vroegtijdig weder naar Amsterdam te vertrekken: de komst mijner ouders bracht echter eenige verandering in ons plan teweeg: en, daar zij twee plaatsen in hun rijtuig open hadden, werd er goedgevonden dat wij beiden na den eten met hen zouden terugkeeren; een schikking, waar niet veel tegen in te brengen viel; hoezeer Tante zich bitter beklaagde, dat men haar juist nu, nadat zij zulk een schrik had gehad, zoo alleen liet (want Henriëtte zoude ook den volgenden dag vertrekken); dat dit niet vriendelijk of beleefd was, enz. Intusschen wisten wij allen zeer goed, dat zij van den schrik reeds genoeg bekomen was, en inderdaad liever alleen wenschte te zijn, om op haar gemak al de toebereidselen te kunnen maken voor de feestviering, welke zij voornemens was, veertien dagen later ter gelegenheid van den jaardag mijner moeder, op Heizicht te geven, en waarmede haar levendige verbeelding reeds sedert lang werkzaam was geweest.--De tweede persoon, die reden had om zich over de bespoediging van ons vertrek te beklagen, was ikzelf: want ik zag mij daardoor teleurgesteld in het aangenaam vooruitzicht om nog dien avond in het gezelschap door te brengen van haar die ik liefhad. Men begrijpt echter, dat ik mijn verlangen om te blijven niet aan den dag dorst brengen, vreezende, zoo ik daarvan sprak, mijn zielsgeheim te verraden, hetwelk ik, gelijk verliefden gewoonlijk doen, mij verbeeldde, dat ieder reeds in mijn oogen lezen kon. Alleen een droevige blik, op Henriëtte geworpen, en een handdruk, die meer dan gewoonlijk beteekende, bij ons vertrek, moesten haar doen weten, hoeveel mij dit afscheid kostte:--en ik geloof mij niet bedrogen te hebben, zoo ik, toen wij reeds in het rijtuig gezeten waren en het laatst vaarwel over en weder klonk, een traan in hare oogen meende te zien glinsteren.

In het naar huis gaan was ik stil en afgetrokken, zoo zelfs dat Suzanna mij daarover bespotte; ik had echter twee zeer goede verschooningen gereed, namelijk: slaap en vermoeienis, welke mijn goede moeder alleszins geldig vond: en ik bekwam alzoo verlof om niet te spreken en mij tot slapen te zetten. Suzanna, die, niettegenstaande zij er mij mede gebruid had, zelve toch eenigszins de uitwerking der doorgestane vermoeienissen voelde, begon weldra te gapen en te knikkebollen, en raakte, zoodra het donker was, in een diepe rust; zoodat ik nu volle vrijheid bekwam, om, met geslotene oogen en in een hoek van het rijtuig gedoken, mij over te geven aan mijn verliefde droomen, welke langzamerhand in werkelijke droomen overgingen; zoodat ik, toen wij de Weesperpoort binnenreden, in een gerusten slaap lag gedompeld.

* * * * *

VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HETWELK EEN VERVOLG IS OP HET VIER-EN-TWINTIGSTE.

"Dat zijt gij gelukkig ontkomen," zeide de Heer Van Baalen, toen hij mij den volgenden morgen op het kantoor begroette: "gij hadt waarlijk tot spijs voor de visschen kunnen verstrekken;--belieft het u dezen brief in te zien, die gisteren met de Hamburger post is aangekomen."

"In waarheid," antwoordde ik, den brief aannemende: "het is eene bijzondere bewaring Gods!" en ik doorliep vluchtig het blad, dat ik in handen had.

"Men wil wel zeggen," vervolgde hij, "dat die Jongeheer Blaek de rechte man niet is, om een jacht te besturen!--Is UEd. niet van oordeel, dat wij die commissie zeer goed kunnen volbrengen?"

"Mij dunkt, dat de risico niet groot is," antwoordde ik op de laatste vraag. "Ja Mijnheer! Het is eigenlijk een gewaagde onderneming, met hem te gaan zeilen," was mijn bescheid op de eerste.

"Neen voorwaar!" hernam hij: "ik heb ook in mijn jongen tijd een boeier gehad; maar ik ben er vroeg mede uitgescheiden: ik trof nooit goed weer: de spullen waren altijd onklaar: ik kon nooit een geschikten helper krijgen: ik was altijd ongelukkig in al dat soort van ondernemingen. Maar, om die commissie te volvoeren, wenschte ik gaarne een meer ijverigen makelaar te nemen dan die De Wijs is:--ik heb nogal die nota niet ontvangen, waar ik laatst over sprak.--Bovendien ben ik stellig onderricht, dat hij somtijds zaken voor zichzelf doet: en de zoodanigen wil ik niet gebruiken. Zij, die zaken voor zich doen, moeten die van hun patroon noodwendig verwaarloozen."

"Wat dunkt UEd.," zeide ik, mij mijn vriend van de dichteren-vereeniging herinnerende: "zoo wij Velters gebruikten?"

"Hm! hm! Hij is niet onknap, en heeft een goeden wil, maar hij is wat jong."

"Des te ijveriger zal hij zijn en des te minder eigenwijs."

"Dat moet ik u toegeven;--maar er is nog iets anders:--hij rijdt te paard:--en ziedaar iets ongehoords voor een makelaar."

"Niet anders als zeer vroeg in den morgen," zeide ik: "en op voorschrift van zijn dokter;--maar ik geloof niet, dat iemand hem ooit in gezelschap met anderen heeft zien rijden."

"En dan," vervolgde Van Baalen: "wat het ergst van alles is, hij maakt rijmpjes.--Hoe wil er nu ooit een degelijk en bruikbaar mensch van groeien?"

"Wel!" zeide ik: "dat bewijst alleen, dat hij te veel ledigen tijd heeft. Hij is waarlijk niet onknap: en, zoo ik er eenigszins over durf oordeelen, dan heeft hij veel kennis van zaken en een helder, gezond verstand. Verschaffen wij hem werk, dan zal hij dat rijmen vanzelf wel laten varen."

"Nu, _fiat_! UEd. heeft zijn zaak zoowel bepleit, dat ik er niets verder tegen kan inbrengen. Zijn vader was bovendien een braaf man, aan wien ik veel verplichting heb gehad.--Wij kunnen het beproeven.--Zien wij verder: Willem Bartelsz. en Co. te Enkhuizen schrijven, dat zij op ons trekken zullen. Eilieve! Mijnheer Wijdveld! Hoe staat onze rekening met dat huis?--Mij dunkt, wij moeten reeds in avans voor hen zijn."

"Zoo is het, Mijnheer!" zeide de Boekhouder, het folio opslaande.

"Daar zal over geschreven dienen te worden," zeide Van Baalen: "dat kan zoo niet gaan."

"Heeft UEd. geen vertrouwen op de lieden?" vroeg ik.

"Hoor, mijn waarde Heer Huyck! Vertrouwen is een goede zaak en buiten die kan men geen handel drijven: maar _ne quid nimis_! zooals wij op de school plachten te zeggen. In de negotie moet men zelfs zijn eigen vader niet te veel vertrouwen schenken: dat is een vaste regel: hou u daaraan. Niet of de firma Willem Bartelsz en Co. staat ter goeder naam en faam: en ik zou gaarne een dik pak wissels op haar bezitten, door een solide huis getrokken;--maar alles kan mee- en tegenloopen: en ik heb er zoovelen in mijn leven zien vallen, die zoo vast schenen te staan als het stadhuis.--Monsieur Snijders! zijt gij bij den Notaris Bouvelt geweest?--En hoe luidde de boodschap?"

"Ja, Mijnheer!" antwoordde de kantoorbediende: "En het briefje was meer geruststellend: de patiënt heeft een redelijken nacht gehad en bevindt zich iets beter."

"Nu! dat verheugt mij," zeide Van Baalen: "zou hij er waarlijk bovenop komen? Er zou ook veel aan den man verloren zijn geweest.--Hij bezit het vertrouwen van de halve stad, ja van menigeen buiten de stad:--ik geloof zelfs, dat men weinig handelskantoren zoude vinden, die zulke uitgebreide relatiën hebben als hij."

"De Hemel geve dat hij spoedig herstelle!" dacht ik bij mijzelf: "dan is het te verwachten, dat mijn geheimzinnige vriend Bos ook spoedig klaar komt en opdrost."

Die naam van Bouvelt had intusschen opnieuw een snaar aangeroerd, welke een reeks van herinneringen deed ontstaan, en ik had werk om behoorlijke aandacht te schenken aan hetgeen mijn Compagnon mij verder mededeelde. En toen ik eindelijk, aan mijn lessenaar gezeten, mij tot den arbeid zoude begeven, zag ik mij opnieuw buiten staat om een behoorlijke oplettendheid te wijden aan datgene, waar ik mij mede bezig moest houden, en schenen de letters, die ik voor mij had, zich telkens te vereenigen om geen anderen naam aan mijn oogen voor te stellen, dan dien van Henriëtte Blaek.

Ik schaamde mij echter, niet over mijn liefde, maar over den invloed, dien een hartstocht over mij uitoefende: en ik vormde het besluit om niet langer uit te stellen mijn ouders met het gebeurde bekend te maken. "Het is," dacht ik, "alleen de onzekerheid, welke mij het werk moeielijk maakt. Is eens mijn lot op deze of gene wijze beslist, dan zal ik kalmer zijn en weer in staat mijn plichten naar behooren te vervullen."

Hoe zegende ik het geluk, een moeder te bezitten. Want men gevoelt het, het was voor haar, dat ik in de eerste plaats mijn hart wenschte te ontboezemen. Zij, dit wist ik, zou mij met verschoonende deelneming aanhooren; zij zou wat in mijn hart omging op rechten prijs stellen: zij zou mij ten voorspraak strekken bij een vader, dien ik liefhad en eerde, maar die wellicht mijn liefde af zou keuren, of als een voorbijgaande neiging aanzien, bestemd om even spoedig te verdwijnen als zij was opgekomen.

Ik nam dan ook nog dienzelfden middag de gelegenheid waar, dat mijn vader in zijn kamer aan 't werk zat, en dat Suzanna met de jongere kinderen een grachtje rondging, om de lieve vrouw over mijn huwelijksplannen te onderhouden, en haar te bidden, mijn vader te bewegen, om een bezoek bij den Heer Blaek af te leggen en hem voor mij de hand zijner nicht te vragen. Mijn moeder luisterde naar mij met de belangstelling, waarop ik wist te kunnen rekenen: maar toch kon ik aan de eenigszins ontevredene uitdrukking van haar gelaat bemerken, dat het medegedeelde haar niet volkomen welkom was. Ik was echter op zwarigheden voorbereid en wist met de welsprekendheid eens verliefden al de bedenkingen op te lossen, welke zij, zoowel uit de kortstondigheid mijner kennismaking met Henriëtte, als uit ons gebrek aan fortuin wist te putten. Het viel mij echter zwaarder dan ik gedacht had, haar te overreden om mij haar hulp te beloven ter bereiking van een oogmerk, dat, naar ik duidelijk gewaar werd, hare meer verhevene verwachtingen teleurstelde. Want, welke moeder, zij moge overigens de nederigste en verstandigste vrouw zijn, koestert geen inzichten en wenschen omtrent haar kinderen, hooger en grootscher dan de wezenlijkheid kan teweegbrengen? Eindelijk echter, toen zij vernam, dat ik mijn liefde reeds verklaard had, en dat de zaak tusschen Henriëtte en mij zoo goed als beklonken was, deed zij, zooals alle moeders zouden gedaan hebben: zij omhelsde mij, en beloofde, mijn belangen te zullen voorstaan en bij mijn vader bepleiten.

Den volgenden namiddag riep mijn vader, die aan tafel buitengewoon stil en afgetrokken was geweest, mij met hem naar zijn kamer. Ik volgde bevende als een misdadiger, die in het verhoor zal gaan; want zijn gelaat stond strak en ernstig en voorspelde weinig goeds. Hij wees mij zwijgend een stoel aan en zette zich over mij. Na een snuifje te hebben genomen, begon hij aldus:

"Uw moeder heeft mij gezegd dat gij huwelijksplannen in 't hoofd hebt."

"Inderdaad, Vaderlief! En ik zou mij hoogstgelukkig achten, indien zij uwe goedkeuring konden wegdragen."

"Gij hebt altijd een bedaard oordeel gehad, Ferdinand! en waart nooit gewoon u te overijlen. Des te meer bevreemdt het mij, dat gij, nu het den gewichtigsten stap uws levens geldt, u blootstelt, wegens onberadenheid veroordeeld te worden."

"Ik hoop," zeide ik, "dat mijn keus mij voor een dergelijk vonnis vrijwaart.

"Rechtuit gesproken, dat doet zij niet. Ik heb altijd veel goeds van de bedoelde Juffer gehoord:" ('t is zonderling, dat vaders in een dergelijk geval nooit den naam uitspreken, als waren zij bang dat daarin een mystieke kracht lag opgesloten), "zij ziet er lief uit, en ik kan klaar begrijpen, dat een jongmensch haar naar zijn zin vindt;--maar toch! een meisje, dat gij nog den tijd niet hebt gehad te leeren kennen, zoo opeens tot de gezellin uws levens te kiezen, dat is wat vlug, wat wild geprocedeerd, en, zooals ik zeide, dat had ik niet van u verwacht."