Ferdinand Huyck

Chapter 32

Chapter 323,983 wordsPublic domain

Weinstübe werd overal gezocht: doch vruchteloos: nergens, noch in de kajuit, noch in 't vooronder was hij te ontdekken. Sommige onder ons meenden zich te herinneren, dat zij hem, een oogenblik voordat wij over den dijk geraakten, nog aan de voorplecht hadden zien staan: en wij konden niet nalaten de gevolgtrekking op te maken, dat hij te dier gelegenheid over boord was geslagen en zijn dood in de golven gevonden had. Hoe gek en lastig de vent ook ware, het was toch een schrikkelijke gedachte, onzen reisgenoot verloren te hebben door een zoo noodlottig toeval, hetwelk evenzeer elk onzer had kunnen treffen. Er was echter niets aan te herstellen: en deze gebeurtenis versterkte zelfs de begeerte der dames om hoe eerder hoe beter het tooneel van zooveel treurigs te verlaten. Ten einde zij echter een geschikte plaats zouden vinden om af te stappen, liet ik mij overboord glijden en zocht nu welke plek de droogste ware en tevens de naastgelegene om den weg te bereiken, die beneden langs den dok liep. Nauwelijks echter had ik een oogenblik rondgeloopen, of ik hoorde een flauwe stem kort bij mij, die erbarmelijke klaagtonen aanhief, welke ons de wind en de regen tot nog toe waarschijnlijk hadden belet te hooren.

"Wie is daar?" riep ik, zonder in de duisternis eenig voorwerp te kunnen onderscheiden: "Klaas! licht eens bij. Hier in de buurt is iemand, die angstig kermt."

"God beware ons!" riep Klaas, die niet geheel vrij was van bijgeloovige denkbeelden: "als het de geest maar niet is van dien armen mof."

"Om 't even!" zeide ik: "wij moeten het toch onderzoeken."

Klaas vatte echter moed en, met een brandende lantaren gewapend, liet hij zich naast mij afzakken. Wij vernamen nu nog duidelijker het gesteen en een flauwe stem liet deze woorden kort bij ons hooren:

"Ach lieber Gott! zum hulfe! Iek pin todt."

"'t Is wel Weinstübe zelf en niet zijn geest," zeide ik, op het geluid afgaande: en weldra ontdekten wij, met behulp der lantaren, den armen Duitscher in eigen persoon, die ongeveer tien passen van het vaartuig af tot aan den hals toe in een moddersloot was gezakt en ontwijfelbaar gestikt ware bij gebrek aan spoedige hulp. Hoe hij daar kwam was ons een raadsel; maar dewijl het niet te vergen was, dat hij ons in zijn tegenwoordigen toestand daarvan de oplossing geven zoude, staken wij hem een roeispaan toe en trokken wij hem uit de sloot, waaruit hij deerlijk toegetakeld voor den dag kwam en nu aan den kant te beven stond als een juffershondje, buiten staat om eenig antwoord te geven. Wij raadden hem, zoo het hem zijn krachten toelieten, met ons mede te gaan en zich warm te loopen, daar er toch aan boord geen gelegenheid was, om hem van andere kleederen te voorzien.

Nu werd de trap uitgezet op de geschikst bevondene plaats: en de dames verlieten het vaartuig; waarna wij Lodewijk, hoezeer tegen zijn zin, alleenlatende, ons gezamenlijk op weg begaven, vooruitgelicht door Klaas, die in de eene hand de lantaren droeg, en in de andere een roeispaan om den grond te polsen en te zorgen, dat wij niet van den weg afdwaalden. Na hem volgden Henriëtte en Suzanna: dan ik, Tante geleidende: en vervolgens Reynhove met een tweede lantaren: terwijl Weinstübe hompelend en strompelend zich achterna sleepte. Het was geen gemakkelijk noch aangenaam werk, alzoo door de modder te ploeteren, ofschoon de wind tot ons geluk merkelijk verminderd was en de dijk ons eenigszins beschutte; maar het was stikdonker; terwijl een fijne regen den grond zoowel als onze kleederen doorweekte.

Wij hadden ongeveer een kwartieruurs voortgesukkeld, en ik bemerkte, dat Tante, hoe goed zij zich ook poogde te houden, hoe langer hoe minder in staat was om voort te gaan en al zwaarder op mijn arm leunde. Zij was uitgeput van angst en vermoeidheid en liep slechts werktuiglijk voort. Eindelijk bleef zij geheel staan met den uitroep: "o wee! daar verlies ik mijn schoen!"

"Hou op!" riep ik, tot hen die voor mij waren:--en de trein stond stil.

"Tante is haar schoen kwijt," zeide ik: "waarachtig, de weg is al te slecht. Is er hier geen woning in de nabijheid?"

"Als je nog een amerijtje geduld heit," zeide Klaas: "daar gunter aan den weg zie ik een lichtje."

"Is 't nog ver?" vroeg Tante: "ik kan waarachtig niet verder voort en ik zal u liever hier tegen den dijk blijven wachten."

"Dat zal ik nooit dulden," zeide ik: "'t ware om te besterven. Maar zoo de Heer Reynhove mij zijn rotting wil toesteken, zie ik wel kans om u voort te helpen."

Reynhove was dadelijk bereid en gaf zijn licht aan Weinstübe, waarop wij, ieder een einde van den rotting nemende, Tante verzochten daarop te gaan zitten en haar armen om onze schouders te slaan. Op deze geïmproviseerde draagbaar, die zeker niet van de gemakkelijkste was, droegen wij haar verder voort, niet zonder vrij wat te struikelen en dikwijls op te houden. Nog kan ik het mijzelf niet verklaren, hoe het mogelijk was, dat wij op den smallen weg, waar wij telkens tot de enkels toe inzakten en gedurig uitgleden of afweken, niet honderdmalen met onze vracht zijn omgerold: en ik beken, dat ik recht in mijn schik was, toen wij eindelijk voor een boerenhek stonden, hetwelk naar een boerderij geleidde, en dat ik het ongastvrij hondengeblaf met welgevallen begroette.

Nu hielden wij allen stil voor het geslotene hek, en Klaas, een stentorstem opzettende, begon uit al zijn macht te schreeuwen: "heidaar! boer! boer!"

Wij ontvingen echter op dit eerste geroep geen ander antwoord dan een nog gevaarlijker gehuil en gejank van de honden. Wij begonnen dus allen eenparig mede te schreeuwen, elk zijn best, en de honden des te harder te blaffen, alsof wij wedijverden, wie hei meeste leven kon maken: en het was een geweld, dat men op een uur afstands had kunnen hooren.

Eindelijk werd er een deur in de boerenwoning ontsloten en zagen wij licht door de opening schemeren. Wij zwegen allen, als door een gelijktijdig gevoel van hoop en verwachting overvallen,

"Wat wil jelui? Wat is er?" vroeg een stem.

"Schipbreukelingen!" riep de een. "Kunnen wij opkomen?" vroeg een ander. "Eilieve hoor eens!" schreeuwde een derde. "Goed volk!" riepen wij eindelijk, allen te gelijk.

De persoon, die in de deur stond en wiens donkeren omtrek alleen wij tegen den verlichten muur achter hem konden onderscheiden, deed geene beweging om te naderen en scheen besluiteloos. Toen verzocht ik mijn tochtgenooten wat stil te wezen, en, mijn stem verheffende: "kom eens hier, goede vriend!" riep ik: "gij kunt een goede fooi verdienen, zoo gij ons helpen wilt."

Het woord fooi maakte blijkbaar indruk: de persoon kwam naar buiten, en, ofschoon wij hem door de duisternis weder uit het oog verloren, hoorden wij aan het geklos zijner klompen, dat hij ons naderde. Maar toen hij, naar onze gissing, halverwegen den afstand tot het hek gekomen was, bemerkten wij, tot onze bittere teleurstelling, dat hij eensklaps met een vervaarlijken kreet terugkeerde en vrij wat sneller dan bij zijn aankomst den weg naar huis nam, en de deur achter zich toesmeet.

"Dat zal hem de duivel leeren," zeide Klaas: "wij motten er toch binnen."

"Kan dit hek niet geforceerd worden?" vroeg Reynhove.

Het hek was wel voorzien en de sloot te breed om er over te springen; maar bij onderzoek bemerkten wij, dat er kans was om op zijde van het hek om te klimmen en ik stelde voor aan Klaas, dit gezamenlijk te doen.

"Om Gods wil, doe het niet, Ferdinand!" zeide Tante: "zoo de honden u eens aanvielen."

"Geen nood Tante! zoo wij in Friesland waren, waar de honden altijd losloopen op de werf, dan zou ik weinig zin in de expeditie hebben; maar in dit gewest liggen zij meestal vast."

Dit zeggende, was ik reeds aan de andere zijde, en, door Klaas gevolgd, wandelde ik op het woonhuis aan; doch nauwelijks hadden wij eenige schreden gedaan, of het bleek ons, dat men van binnenshuis deze schennis van het grondgebied had bespeurd; want een raam werd opengeslagen en een hoofd kwam voor den dag.

"As jelui niet gauw maakt, dat je wegkomt," werd ons toegeschreeuwd, "zel ik er op losbranden, in dat geval!"

"Maar hoor dan toch eens!" riep ik: "wij zijn geen dieven: wij...."

Hier werd mijn rede op een zeer onaangename wijze afgebroken door het afgaan van een vuurroer, dat de man aan het venster in de hand hield. Gelukkig trof het schot geen van ons beiden; maar het baarde niettemin een grooten schrik bij ons gezelschap, dat een angstig gegil aanhief. Ik besloot echter nog eene poging te doen, en, mij achter een boom stellende, waar ik schootvrij meende te zijn, riep ik wederom:

"Wees toch voorzichtig. Het is Mevrouw Van Bempden van Heizicht, die aan het hek staat: en ik ben Huyck van Amsterdam."

"Wat zeg je?" hernam de stem van boven: "Mevrouw Van Bempden! scheer je ze wat? ja, in dat geval, wil ik ereis zeggen...."

"Ken je mij niet, Roggeveld!" riep ik; want ik herkende nu duidelijk de stem, die mij al in den beginne niet vreemd was voorgekomen: "ik ben Huyck! geloof mij toch: Mevrouw Van Bempden staat daar buiten."

"Wel, wie heit van zijn leven!" riep hij "verakskeseer mijn onbeleefdheid. Ik kom zoo bij je."

"'t Is warempel 'elukkig ook, dat de man je kent," zeide Klaas: "aêrs hadden wij nog werk 'ehad het hum aan zijn domme verstand te brengen."

Ondertusschen riep ik hun die buiten stonden toe, dat zij maar gerust zouden wezen en dat er hulp zoude komen opdagen. Niet lang duurde het ook of de voordeur ging weder open en Roggeveld trad te voorschijn en kwam naar ons toe, terwijl zijn vrouw, zijn knecht en een paar meiden nieuwsgierig aan de deur hieven staan.

"Wel wie heit van zijn leven!" herhaalde Roggeveld, naar ons toekomende, "ik heb jelui ummers niet 'eraekt?--Nou! 't was maer los kruit, wil ik ereis zeggen; maer ik dacht niet aêrs, of het dieven waren, in dat geval."

"Dat had uw knecht wel anders kunnen gewaarworden, indien hij niet was gaan loopen."

"Jae! Kees dacht, 'et waren spoeken: en jelui ziet er ook al pover uit, hoor."

Ik kon den man geen ongelijk geven; want op den afstand, waarop wij ons bevonden, leverden zij, die buiten stonden, vooral de dames, die, zooals ik vroeger verhaald heb, tafellakens hadden omgeslagen, bij het twijfelachtige licht der lantaren een vrij kluchtige vertooning op, en de schrik van Kees kwam mij vrij natuurlijk en verschoonhaar voor.

Het hek werd ontsloten, en terwijl wij ons ongeval in korte bewoordingen aan Roggeveld mededeelden, bracht deze ons naar zijn woning. Ik laat aan mijn lezers over zich de uitroepen voor te stellen van: "wel kijk ereis: Heere bewaar ons! lieve tijd! wel jemenie! wie heit zoo iets meer beleefd!" en diergelijke, die het Roggeveldsche gezin deed hooren bij het vernemen dezer wederwaardigheden.

"Nou vraag ik je reis," zeide de vrouw van den huize, terwijl zij haar best deed om een goed vuur aan den gang te krijgen, "wat of die rijke lui zich al in gevaar begeven, en op zee gaan uit plezier, wanneer zij warm en wel te huis kunnen zitten."

Intusschen werd de breede raad gespannen, wat er te doen stond. Ik stelde voor, dat, indien Roggeveld de noodige ligging bezorgen kon, de dames zich hoe eerder hoe beter te bedde zouden begeven, terwijl wij Heeren den nacht bij het vuur zouden doorbrengen. Tante had niets in te brengen tegen het eerste gedeelte van mijn voorstel; maar vroeg of er intusschen niet iemand zoude kunnen gaan naar Heizicht of naar de hoeve van de oude Martha, om haar rijtuig te zoeken en te zeggen dat men haar afhalen kwam.

"O!" zeide ik, "er valt nog veel bovendien te beredderen: maak maar eerst, dat gij in bed komt: dat is nu het voornaamste."

De dames begrepen, dat dit inderdaad de verkieslijkste partij was en verwijderden zich met de vrouw en de dochters van den huize: terwijl wij ons, zoodra het vuur goed brandde, om den haard sloten en op Engelsche wijze, naar een recept van Reynhove, die er zich goed op verstond, van brandewijn, water en suiker ons een verwarmenden drank bereidden, terwijl wij ons langzamerhand van schoenen en bovenkleederen ontdeden en die op de warme plaat voor het vuur lieten drogen.

"Nu hebt gij ons nog niet verhaald, Weinstübe!" zeide Reynhove, toen wij een poos gezeten hadden, "hoe gij daar in die sloot zijt gearriveerd."

"Wat sol ich er lang ofer braten?" zeide Weinstübe: "ich stond an de foorblecht, und da kingen wir den dijk ober: und ich dacht zo, wir kingen nach de blitz: und ich fiel und ich hield mihr selbst an ein tauw fest: und die tauw schlingerde mit mir, und ich fiel pijten poord: und ich dacht das ich versaufen waar: aber nein: ich lag in 't gras. Und ich stund op und ich dacht: dat tijfelsche schip komt ofer mich hin, und so lief ich voraus, und ich sakte bis de oren in eine modderschloot und da lag ich zu sportelen, und zu dreien, und zu schreien; aber da waar niemand, die mihr achtte."

"Ik geloof inderdaad," zeide Reynhove, "dat uw positie verre van amusant was; maar laat u raden, Weinstübe, en vertel dat gedeelte uwer lotgevallen aan niemand over. Het is waarlijk al te vernederend, om, wanneer men zulk een schoone kans heeft geloopen in de open zee te verdrinken, slechts in een stinksloot te land te komen."

Terwijl Reynhove op deze wijze voortging met Weinstübe te plagen, wendde ik mij naar Roggeveld, en vernam of er ook gelegenheid ware, iemand, zoowel naar het gestrande vaartuig, als naar Oud-Naarden of 's-Gravenland te zenden: en op deze punten ingelicht zijnde, vroeg ik aan de beide Heeren, wat hunne verdere voornemens waren. Nadat ieder zijn meening en verlangen geuit had, werd alles dienovereenkomstig geregeld en bepaald, en ik wilde juist de vrouw van Roggeveld roepen om van het afgesprokene aan de dames kennis te geven, toen zij de keuken binnenkwam en mij berichtte dat Tante mij wenschte te spreken. Ik volgde haar naar een opkamertje met twee bedsteden: in de eene zag ik Tante zitten, die het nachtgewaad der boerin aan 't lijf had en bezig was een kandeeltje te drinken. Op de andere bedstede, waarvan de gordijnen waren dichtgeschoven, durfde ik slechts een zijdelingschen blik te slaan.

"Hoe bevindt gij u, Tante?" vroeg ik, mij tot haar begevende.

"Dat schikt wel," antwoordde zij: "en ik ben blijde, dat ik in bed lig. Maar hoor eens, Ferdinand! Ik vrees, dat men op Heizicht doodelijk ongerust zal wezen."

"Dat vrees ik ook, Tante!"

"En ik ben bang, dat men boodschappen naar Amsterdam en naar Guldenhof en de Hemel weet waar verder zal sturen, en overal alles in rep en roer brengen."

"Dat is niet onwaarschijnlijk."

"Ik wenschte daarom wel," vervolgde Tante, "dat Baas Roggeveld of iemand van zijnentwege kon gaan zeggen, dat wij ons allen wel bevinden."

"Ik ben bereid er heen te rijden," zeide ik.

"Neen! dat wil ik volstrekt niet: gij behoeft u niet op nieuw aan nattigheid en koude bloot te stellen."

"Laat dat aan mij over, lieve Tante! Gij zult toch niet langer verkiezen hier te blijven dan tot morgenochtend, en wel eenig schoon goed willen hebben, om behoorlijk gekleed te huis te komen."

"'t Is gelukkig juist Zaterdagavond," zeide de stem van Suzanna van uit de andere bedstede: en zij liet er een half gesmoord gelach op volgen, terwijl een ander stemmetje "st! stil!" fluisterde.

"Stil wat, meisjes!" zeide Tante: "wel foei!"

"Wilt gij eens weten, wat wij hebben afgesproken, onder uw welnemen," zeide ik: "Roggeveld zal zijn boerewagen inspannen, en daarmede zullen Reynhove, Weinstübe en ik naar Muiden vertrekken."

"_Beau trio de baudets_," mompelde Suzanna.

"De Heeren zullen van daar hun weg wel vinden naar Amsterdam: en ik den mijnen naar 's-Gravenland, vanwaar ik iemand naar de hoeve zal sturen, om te zien of uw rijtuig zich daar nog bevindt."

"Goed overlegd," zeide Tante.

"En wat Klaas betreft, die zal, met al wie hier in de buurt kan opgeloopen worden, naar zijn meester terugkeeren, ten einde hem de hulp te bewijzen, die hij noodig mocht hebben."

"'t Zou ook jammer zijn, dat zij den armen jongen wegstalen," zeide Suzanna.

"Nu! ik vind alles zeer goed geschikt," zeide Tante, "als gij dan maar met Kaatje de kamenier overlegt: die weet, wat ons gezonden moet worden."

"Dit zoo zijnde, wensch ik u een goeden nacht," hernam ik. Ik bleef echter nog een oogenblik staan, en vroeg met een bevende stem:

"Hebben de jonge dames ook nog iets te gelasten?"

Ik bekwam in het eerst geen antwoord; maar er was eenige beweging, en een dof gemompel achter de bedgordijnen. Ik stond zelf eenigszins verlegen, niet wetende of ik gaan of blijven zoude. Opeens vertoonde zich net hoofd van Suzanna tusschen de gordijnen door.

"Henriëtte vraagt, of gij niet een boodschap aan haar oom zoudt kunnen zenden, die anders in ongerustheid zou wezen over zijn lieve zoontje."

"Ik was bevreesd om onbescheiden te wezen," fluisterde het lieve stemmetje van Henriëtte: "maar UEd. zou mij zeer verplichten, Mijnheer Huyck, indien het in uw vermogen ware."

"Ik neem dit stellig op mij," zeide ik, mij buigende.

"En dan verder," vervolgde Suzanna, "verzoekt Henriëtte, dat gij aan Kaatje haar kapsel met rozeroode strikken vraagt, en haar kleed met de fontanges en haar zijden keurs, en haar Brusselsche schoenen en...."

"Ik verzoek om verschooning, Mijnheer Huyck," zeide Henriëtte: "ik heb niets van dat alles gezegd; zooals Kaatje 't schikt, is 't mij wel. Foei Santje...."

"Foei Santje!" zeide ik op mijne beurt: en het schelmachtige gelaat mijner zuster verdween weder achter de gordijnen;--waarop ik, de dames nogmaals een goede nachtrust wenschende, mij naar beneden begaf. Welhaast was nu de boerewagen ingespannen en schokten en hotsten wij naar Muiden, waar wij de halve stad in opschudding brachten. Ik zond eenig volk aan Lodewijk tot bewaking van het gestrande vaartuig, en een man te paard naar de hoeve van de oude Martha: ik nam afscheid van mijn reisgenooten, terwijl Reynhove op zich nam mijne familie te Amsterdam gerust te stellen, en, een fourgon nemende, reed ik naar 's-Gravenland, waar, als men denken kan, niemand te bed was gegaan. Ik deelde aan de kamenier de bevelen van Tante mede, schreef een briefje aan den Heer Blaek, om hem in korte woorden met de toedracht der zaken bekend te maken, en begaf mij vervolgens ter ruste. Ofschoon het gebeurde van den avond wel geschikt was geweest, om mijn ziel te ontstemmen, en mij, in het begin, de beeltenis van de verbolgen zee en het geteisterde vaartuig en daartusschen dat van de beminnelijke Henriëtte gedurig voor de oogen speelden, en hare liefdevolle woorden mij tusschen het geruisch der golven en het gegier der winden in de ooren suisden, zoo zegevierde toch eindelijk de vermoeidheid over deze kinderen van het brein en viel ik in een diepen slaap, waaruit ik niet eerder ontwaakte, dat toen de bediende mij kwam waarschuwen, dat het rijtuig van Heizicht teruggekomen en weder met versche paarden bespannen was. Ik kleedde mij spoedig aan, ging naar beneden, en vond de kamenier reeds met een half dozijn doozen, gereed om mij te vergezellen. Wij begaven ons terstond op weg naar de boerderij van Roggeveld: van waar de dames, na een haastig toilet, met ons terugkeerden. Alle drie waren naar tijdsomstandigheden vrij welvarende, alleen Tante klaagde over hoofdpijn, en ging dus, zoodra zij op Heizicht kwam, weder naar bed; terwijl wij jonge lieden onze krachten poogden terug te bekomen door het gebruik van een stevig ontbijt.

* * * * *

VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HETWELK OVER 'T GEHEEL VAN EEN VRIJ SENTIMENTEELEN AARD IS; DOCH VRIJ SLAPERIG EINDIGT.

"Ik hoop," zeide Henriëtte tegen Suzanna: "dat de gezondheid van die goede Mevrouw Van Bempden maar geen slechte gevolgen moge ondervinden van dezen ongelukkigen tocht."

"Ik hoop het met u," zeide ik: "maar ik durf denzelfden wensch koesteren met betrekking tot allen, die van de partij zijn geweest."

"Wel ja!" zeide mijn zuster: "neem den wensch zoo algemeen mogelijk: 't zou jammer zijn u-zelf te vergeten. Gij doet zooals nicht Bender, die, als zij gasten heeft, nooit zegt; "ik hoop dat het den vrienden," maar: "ik hoop dat het ons wel zal smaken."

"Wat mij betreft," zeide ik, "ik ben niet van zout of van kraak porselein en zal aan een nat pak of aan een weinigje vermoeienis niet sterven."

"Ei kom!" zeide Suzanna: "gij praat als een held, en ondertusschen, laatst, toen gij terugkwaamt van de reis, waart gij ook mooi ziek van de bui, die gij op uw dak hadt gehad."

"Inderdaad?" vroeg Henriëtte, op een toon van bezorgdheid, die mij verrukte: "dan zou het u toch waarlijk wel kwaad kunnen doen, Mijnheer Huyck! van zoo kort daarna opnieuw aan zulk een weer te zijn blootgesteld."

"Het zou hem kwaad doen," zeide Suzanna, haar napratende: "wel Jetje! gij zoudt mijn broeder in den grond bederven. 't Is goed, dat gij mijn zuster niet zijt."

"Dat zeg ik ook," zeide ik, Henriëtte aanstarende met een veelbeteekenenden blik, die haar de oogen neer deed slaan.

"Ik moet zeggen, 't is al zeer beleefd," hernam Suzanna: "waar heb je die fraaie complimenten leeren maken?"

"O!" zeide ik: "Mejuffrouw Blaek houdt niet van complimenten: en ik durf hetgeen ik zeg staande houden, zonder wegens onwellevendheid veroordeeld te worden."

"Dat loopt mij te hoog," zeide Suzanna.

"Ja, mij ook," zeide Henriëtte: "en wij zullen Mijnheer de verklaring zijner woorden maar niet afvergen. Zie!" zeide zij, na eenige oogenblikken zwijgens en met het blijkbaar inzicht om van gesprek te veranderen: "'t is mij nog even of ik de beweging van het vaartuig voel."

"Een gewone sensatie wanneer men op het water is geweest," zeide ik: "en die van zelve wel slijten zal."

"Nu!" zeide Suzanna: "ik begeer die van mijn leven, noch in schijn, noch inderdaad weder te ondervinden: ik denk als Poot: 't Is _varen_, maar met groot _gevaar_: en zoo ik ooit trouw, zal ik de voorwaarde maken, dat mijn man er geen boeier op nahoude. Ik zou geen oogenblik gerust zijn."

"Dan moogt gij evenzeer de voorwaarde maken," zeide ik, "dat hij geen rijtuig houde; want ik geloof, dat men, alles bijeenrekenende, meer ongelukken met rij- dan wel met vaartuigen tellen zal."

"Dat leert mijne ondervinding niet," zeide Suzanna: "want ik heb wel honderdmalen in een rijtuig gezeten en nog nooit eenig ongeluk gehad: en voor de eerste reis dat ik op het water ben, loopt het zoo deerlijk af."

"Lodewijk zou u een tegenovergestelde ondervinding voorwerpen," zeide Henriëtte: "hij is wel twintigmaal van 't paard gevallen en heeft, de hemel weet hoe dikwijls, met de sjees omgelegen; terwijl deze rampspoed de eerste is, die zijn jacht overkomt."

"'t Is dan zeer gracieux van zijnentwege," zeide Suzanna: "dat hij die juist voor ons bewaard heeft."

Op dit oogenblik kwam de kamenier van Tante binnen, en verzocht, of Mejuffrouw Suzanna even bij Mevrouw wilde komen.

"Ohé!" zeide Suzanna: "ik voorzie het al: de beschikkingen van den maaltijd zullen mij worden opgedragen. Wat eet gij liefst, Jetje?--En gij, Ferdinand?"

"Kom!" zeide ik: "maak maar dat gij boven komt: Tante wacht u immers."

"Aha!--Mijnheer wil gaarne van mij ontslagen worden! Nu! ik zal u verlossen van mijn overtollig gezelschap: ik ga al."--En, een spotachtigen blik op ons slaande, verliet zij het vertrek en liet ons samen.

Wij bleven, gelijk veelal in dergelijke gevallen plaats heeft, een geruimen tijd zwijgende over elkander zitten: ik, vast besloten hebbende, mijn zielsverlangen te uiten, maar verlegen, hoe best het onderhoud aan te vangen: zij, ten gevolge van dat fijne voorgevoel, hetwelk aan alle vrouwen eigen is, vermoedende wat er in mij omging, en ijverig voortwerkende met het hoofd voorovergebogen en de oogen stijf op haar borduurwerk gevestigd; terwijl echter haar kleursverandering en het zwoegen van haar boezem de onrust van haar gemoed verrieden.