Chapter 31
"Och! wat gevaar!" zeide Lodewijk: "wij zullen eenvoudig terugkeeren: en, voor de bui er is, zijt gij aan de hoeve terug.--Wenden Klaas!"
Maar het was te laat! Toen hij wenden wilde, weigerde het vaartuig aan de beweging van het roer te gehoorzamen en bij-de-wind te draaien. Op ditzelfde oogenblik deed zich een dof gegons hooren over de oppervlakte van het water: de zee, nog kort te voren zoo helder, werd zwart en vuil van kleur, alsof een onderaardsche beweging het water beroerd had: donkere, laaghangende wolken sloten zich aan het zwerk ineen, en de beide oevers waren in een oogenblik achter een dicht gordijn van regen verborgen, terwijl de wind, plotseling omschietende, met zulk een geweld in de zeilen voer, dat het vaartuig over één kant ging en stellig zou omgeslagen zijn, indien niet de sterk gespannen touwen aan stukken waren gesprongen. Een algemeene kreet van ontsteltenis deed zich hooren. Lodewijk werd bleek als een laken en een krachtige vloek bestierf op zijn lippen.
"Ach! mein Kot!" zeide Weinstübe: "set mihr aus: ich wil er aus. Ich wil nicht langer hier pleiben."
"'t Is niets!" zeide ik, de dames wenschende gerust te stellen; "wij hebben het ergste al geleden. Alle man aan 't werk: dames! gaat in de kajuit!"--En, te gelijk mijn best doende, hielp ik Klaas om de einden touw te kappen waar de gescheurde zeilen in smalle reepen en strooken nog aan bleven fladderen. Reynhove, die bij ongeluk een verkeerd touw had aangegrepen, werd door den schippersknecht op zijde gestooten en liep heen en weder, met de verlegen houding van iemand, die gaarne van dienst wil zijn, maar niet weet op welke wijze.
De bui was intusschen meer en meer genaderd, en weldra viel de stortregen op het dek. De dames, hoewel in de kajuit geborgen, waren ook daar niet veilig voor het water, dat als een cascade de trappen afstroomde. Weinstübe was insgelijks naar binnen gevlucht en prevelde al de gebeden, die hij in zijn leven geleerd had. Lodewijk stond in sombere verslagenheid bij het roer en Reynhove zag mij aan alsof ik er wat aan doen kon. Wij waren allen tot het hemd toe nat; ofschoon Lodewijk het voordeel had van een duffelsche jas, die hij dadelijk had aangeschoten.
"Wat zoudt gij nu denken, dat het beste ware?" vroeg ik aan Klaas, op wiens doorzicht ik in dit geval meer vertrouwen stelde dan op dat van zijn meester.
"Ja!" zeide bij, om zich heenziende: "te Muiden kunnen wij niet komen. 't Zal best wezen, dat wij aan de overzij een opperwal zoeken en daar ten anker blijven tot het opklaart."
Tot mijn genoegen keurde Lodewijk het voorstel goed. Wij heeschen een fokje op, en het gelukte ons, na een paar gangen te hebben gedaan, een goede ligplaats te bereiken, waar wij het anker uitwierpen en nu aan het eind van onzen kabel slingerden, dat het een lust was om te zien.
Dit alzoo geschikt zijnde, ging ik naar de deur der kajuit, om te vernemen, hoe de dames het maakten: "hoe is het daar binnen gesteld?" vroeg ik.
"Kom in," riep Suzanna: "'t is hier een lief huishouentje."
Ik trad af. Een akelig en tevens walgelijk schouwspel wachtte mij. De tafel was omgeworpen met alles wat er opstond, en de vloer met pot- en glasscherven bedekt. Tante zat, of liever lag op den grond uitgestrekt, bleek als een doek van zeeziekte, met de kleederen bemorst door het instroomende water. Henriëtte zat naast haar op een voetenbankje en ondersteunde haar het hoofd, terwijl Suzanna een paar servetten had samengefrommeld, die zij als een dweil bezigde om den vloer wat te boenen. Wat den Duitscher betrof, deze had, sedert wij ten anker lagen en dus oogenschijnlijk buiten gevaar waren, met bidden opgehouden en lag zoolang hij was op de rustbank, met het gezicht in een stapel kussens gedompeld.
"Wat zou onze Aagt wel zeggen, als zij mij zoo aan 't werk zag?" vroeg Suzanna: "maar hoe is het? liggen wij ten anker? En waar ergens zijn wij?"
"Wij liggen bezuiden Durgerdam, kort bij den dijk," antwoordde ik: "is Tante niet wel?"
"Tante mag wel zeggen: _Qu' allais-je faire dans cette galère?_" zeide Suzanna: "en dat nog wel om onzentwil."
"Welk een ongelukkige reis!" zeide Henriëtte: "is UEd. niet doornat, Mijnheer Huyck?"
"Zooals UEd. ziet, Mejuffer!" zeide ik: "en ik ben waarlijk eenigszins beschaamd, mij aldus aan u te vertoonen."
"Net alsof het de eerste reis ware, dat Jetje u met een nat pak ziet," zeide Suzanna. Henriëtte glimlachte even: maar haar lach had iets droefgeestigs en de blik, dien zij op mijn zuster wierp, scheen aan deze te verwijten, dat zij in zulk een oogenblik schertsen kon.
"Maar lieve Ferdinand!" vervolgde Suzanna, bij wie de spotzucht geen hartelijkheid uitsloot: "gij zult waarlijk ziek worden. Moet gij nu in die doornatte kleederen blijven?"
"_Comme c'est malheureux!_" zeide Reynhove, die nu insgelijks binnentrad: "en dat wij de dames zulk een fataal moment geprecupeerd hebben."
"Mijnheer Blaek weet allerliefste partijtjes te geven," zeide Suzanna: "jammer maar, dat zij zoolang duren."
"Maar wat doet gij dan toch, Mejuffrouw?" vroeg Reynhove. "Permitteer mij, dat ik den knecht roepe om den boel hier wat in orde te brengen."--En weg was hij.
"Die is ten minste beleefd," zeide Suzanna, en wierp een zijdelingschen blik op Weinstübe.
"Ja! dat is ook waar," zeide ik, den onbeschoften knoet naderende: "Mijnheer!" zeide ik, hem op den schouder tikkende: "zoudt gij zoo goed willen zijn, uwe plaats aan de dames af te staan?--Mijnheer!"
Eerst op de tweede uitnoodiging gaf Weinstübe teekenen van leven. Hij lichtte even het hoofd op en zag mij aan met een versuften blik en een open mond.
"Kom Mijnheer!" zeide ik: "als er dames in 't gezelschap zijn, zult gij toch wel de beleefdheid hebben, de rustbank niet voor u alleen te nemen."
"Ach Kot! ich pin so krank," zuchtte hij, met de oogen draaiende als een schelvisch, die op het strand ligt.
"Dat is wel mogelijk, zeide ik: "maar die dames zijn ook niet wel:" en zonder meer plichtplegingen te maken, nam ik hem bij de kraag met de eene en om het midden met de andere hand en wentelde hem van de bank af; waarna ik, mijn natten rok uittrekkende en mijn mouwen opstroopende, Tante optilde en op de ontruimde plaats nederleide, nadat de jonge meisjes de kussens weer wat hadden opgeschud. Beiden namen nu naast haar plaats en poogden haar toestand zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Wat Weinstübe betrof, hij bleef liggen waar hij neergekomen was, met de ongevoeligheid van een zeeziek mensch. Weldra keerde Reynhove met Klaas terug, welke laatste nu knaphandig den boel opredderde.
"Waar is de Heer Blaek?" vroeg ik, eenigzins verwonderd, dat Lodewijk niet opdaagde.
"Die zit in 't vooronder," antwoordde Reynhove, "zijn pijp te rooken en een glaasje brandewijn te drinken: en, in 't passant gezegd, wij mochten ook wel iets nemen tegen de nattigheid. Ik geloof, dat onze vriend wat confuus is over hetgene gearriveerd is en zich niet aan de dames durft presenteeren."
"Hoelang zullen wij hier nog moeten blijven?" vroeg Suzanna.
Ik haalde de schouders op: "zoolang de storm duurt, kunnen wij hier niet vandaan," zeide ik: "en vooreerst schijnt het weer niet te zullen bedaren."
"Neen," zeide Klaas: "en als wij hier vroeger vandaan kwamen, zou het fout wezen; want dan gingen wij zoo zeker tegen den overkant als tweemaal twee vier is: en dan bleef er geen spaander van het heele jacht over. Ja! Ja! daar zijnder hier wel met een minder windje naar den kelder 'egaan."
"Een aangename consolatie," zeide Reynhove.
"Ziezoo!" vervolgde Klaas tegen de dames: "nou doe jelui zelvers k 'ereis ondervinding op, dat het niet allemaal pleizier is aan boord. Nou dat's tot daaraantoe.--Ja, nou wou jelui wel een zoopie brandewijn hebben (dit tegen ons:) Ik 'loof dat er nog wel wat in 't lakkeurkeldertje wezen zei."
Dit zeggende haalde hij een fleschje voor den dag: en Reynhove en ik verkwikten ons met een paar goede teugen.
"Mot je ook niet wat hebben, Sinjeur!" vroeg Klaas, Weinstübe schuddende: "of ben je er vies van?"
Weinstübe poogde op te staan; maar nauwelijks had hij zich half opgericht, of het vaartuig onderging zulk een schok, dat hij weder achterover tuimelde; terwijl Klaas, onder den uitroep van: "God help ons! het anker:" de kajuit uitvloog. Reynhove en ik snelden hem na. Het was maar al te waar: wij waren van ons anker geslagen en dreven nu voort waar de wind en de golven ons heenvoerden.
Op het dek ontmoette ik Lodewijk: en nooit zal ik de uitdrukking vergeten, welke zijn verwilderde oogen en bleeke gelaatstrekken in dit oogenblik vertoonden: "vervloekte boeier!" riep hij: "wij zijn naar de w....!" En staroogende bleef hij vooruit zien, zonder eenig bevel te geven.
Op dit oogenblik voelde ik een hand, die mij op den schouder gelegd werd. Ik keerde mij om. Het was Suzanna, die met Henriëtte de kajuit had verlaten: en sprakeloos van angst schenen zij mij met de oogen omtrent de hoegrootheid van het gevaar te ondervragen. Ik drukte aan beiden de handen: mijn antwoord bestond uit een schouderophalen: waarna ik mij tot Klaas wendde, die tegen zijn Heer stond te spreken, zonder dat deze eenige acht op zijn woorden scheen te geven.
"Klaas!" riep ik: "wat moet er gedaan worden?"
"Lensen op 't fokje," antwoordde hij: "en zooveel mogelijk van wal houen en in 't open vaarwater trachten te komen."
"Welnu! doe dat," zeide ik: "en ik zal terwijl op het roer passen."
Maar het was te laat: de wind had ons reeds te dicht op de kust gedrongen: nauwelijks had Klaas de fok geheschen en ik de roerpen losgemaakt, of het vaartuig raakte grond, en het roer, de zandbank ontmoetende, gaf mij een slag tegen de beenen, dat ik op het dek nederkwam.
"Ferdinand! Mijnheer Huyck!" riepen de beide meisjes, met een angstigen gil toeschietende; en ik voelde vier zachte handjes, die mij poogden op te helpen.
"Hebt gij u bezeerd?" was beider gelijktijdige vraag.
"'t Is niets," zeide ik, opkrabbelende: "maar ik houd het ervoor, dat wij aan den grond zitten."
"Vier voet!" zeide Klaas, den peilstok uitwerpende: "wij zitten secuur vast ook: Mijnheer Blaek! zouden wij niet een schot doen?"
Lodewijk gaf geen antwoord; maar in zijn zakken tastende, scheen hij den sleutel van de kruitkast te zoeken. Eindelijk, na eenige oogenblikken, welke zoovele uren schenen, bracht hij een sleutelring te voorschijn en begon, met bevende handen, sleutel voor sleutel te hanteeren. Ik zag, dat het hem nooit zoude gelukken, dien, dien hij hebben moest, van de overige te onderscheiden, en, hem den geheelen bos uit de handen rukkende, zeide ik tegen Klaas: "volg mij! waar bewaart Mijnheer zijn kruit?"
Klaas bracht mij in de kajuit. "Het kruit zit in het kastje onder die bank," zei hij.
"Tante!" zeide ik: "het spijt mij, dat ik u moet lastig vallen; maar wij moeten hier binnen wezen:" en meteen lichtte ik Tante met kussens en al op en ontsloot het kastje.
"Zijn wij aan wal?" vroeg zij met een flauwe stem.
"Ach! jounge! kellner!" riep Weinstübe, die weder wat bijgekomen zijnde, in een hoek tegen den wand aanzat: "pring mij wat matera en een pescheitje. Ich pin zoo vlauw."
"Wij hebben wel tijd, om Mijnheer madera en beschuitjes te bezorgen," zeide ik, wrevelig, terwijl ik de ammunitie voor den dag kreeg. Van het noodige voorzien, keerde ik met Klaas op het dek terug, die zich hierop met Reynhove (welke laatste daarvoor beter berekend was dan ik) met het laden van het geschut belastte. Toen verzocht ik de meisjes dringend, weder naar binnen te gaan, daar zij onnoodig in den weg stonden en zij bij Tante meer van dienst konden zijn dan op het dek. "Ikzelf zal u het voorbeeld geven," zeide ik: "mijne hulp zoude hier toch niets baten en ik moet Tante waarschuwen tegen hetgeen er gebeuren zal."
Wij keerden dan terug in de kajuit. "Tante!" zeide ik, haar weder op de rustbank helpende: "schrik niet: er zal meteen geschoten worden; wij moeten een sein geven, dat wij aan den grond zitten."
"O God!" zeide zij, even het hoofd oplichtende: "moeten wij hier omkomen?"
"Ik hoop voorwaar van neen," antwoordde ik, mijn best doende om een opgeruimd gezicht te zetten: "wij bevinden ons hier niet op een onbekende kust noch bij een onbewoond land. Er zwerven hier altijd zooveel visschers rond, dat het wel wonder zoude zijn, indien men ons niet bespeurde."
"Ach Kot! 't zal wel de laatste maal seijn, dat ich op 't water kom," zeide Weinstübe.
"Kom," zeide ik: "Sinjeur Weinstübe! Wees een man. Wat drommel! als het niet was om het ongerief, dat zulks aan de dames veroorzaakt, zoude ik mij, wat mijzelven betreft, niet verlegen maken."
"Vloek maar niet," zeide Suzanna: "daar is het nu geen tijd toe."
"Meent gij dat oprecht, hetgeen gij zegt, Mijnheer Huyck!" fluisterde Henriëtte, terwijl zij mij ernstig aanzag: "meent gij stellig, dat er geen gevaar is?"
Ik werd rood en sloeg de pogen neder, terwijl ik op Tante wees.
"Er is gevaar," ging zij voort, altijd op denzelfden toon sprekende, "en gij wilt het maar verbloemen om ons niet ongerust te maken. Maar!" en hier blonk een traan in haar oog: "wanneer een oogenblik ons de eeuwigheid kan doen ingaan, is het dan geoorloofd een ijdele gerustheid voor te wenden, en ons af te trekken van die gedachten, welke ons op zulk een gewichtig tijdstip betamen."
Ik gevoelde mij beschaamd en diep getroffen. "Mejuffrouw!" zeide ik, haar bij de hand nemende: "ik handelde om bestwil. Maar gij doet mij mijn ongelijk gevoelen. Wat er ook gebeure, laat mij ten minste dezen troost, dat gij niet ontevreden op mij zijt."
Zij antwoordde mij niet, maar drukte mij met aandoening de hand, en toen, de hare wegtrekkende, veegde zij zich de oogen af en wendde het gelaat om.
Op dit oogenblik ging het schot af.
"Mein Kot!" riep Weinstübe, opspringende: "Was ist das?"
"Dames!" zeide Reynhove, die terstond daarna binnentrad: "ik kom u vragen, of gij ook prefereert in 't vooronder te zitten: niet, omdat het _séjour_ daar zeer gerechercheerd is, maar omdat aldaar vuur aan ligt, en gij er u warmer zult bevinden dan hier."
De dames zagen elkander aan: "wij danken u wel voor uwe attentie," zeide eindelijk Suzanna: "maar wij zullen liever bij Tante blijven."
"Is er vuur aan?" vroeg Tante, met vaardigheid opstaande: "dan ga ik er stellig heen, want ik verga hier van de koude."
"Ja!" zeide Weinstübe: "dan ka ich er auch heen: denn ich pin sehr kaut."
"Met verlof," zeide ik tegen Tante: "dan moeten wij zien, dat wij u tegen den regen beveiligen. De overtocht is wel kort; maar toch lang genoeg om nat te worden."
Dit zeggende nam ik de tafellakens en hing die aan de dames als regenschermen om. Weinstübe liep vooruit, zeker met het oogmerk om de beste plaats voor zich te nemen. Reynhove en Suzanna ondersteunden Tante en ik volgde met Henriëtte. Dan nauwelijks waren wij op het dek, of een windvlaag kwam met zooveel geweld tegen ons aan, dat wij werk hadden om ons op de been te houden. Te gelijk bespeurden wij dat het vaartuig op zijde ging.
"O God!" zeide ik, Henriëtte aan mij vastklemmende: "indien ik u slechts kon redden."
"Wij zijn in Gods hand," zeide zij met een onbeschrijfelijke uitdrukking: "en toch," voegde zij er fluisterend bij: "het is mij, alsof ik, met u zijnde, niets te vreezen had."
Een nooit te voren gekend gevoel doorstroomde mijn aderen op het hooren dier woorden en vooral van den toon, waarop die werden uitgesproken: en, midden in het ijselijke van onzen toestand, gevoelde ik mij gelukkig, bij de gedachte dat ik weder bemind werd. En toch--want tot langdurige overdenkingen bestond thans geen tijd--toch verzuimde ik tevens niet, voor onze veiligheid te zorgen en klemde mij, op het voorbeeld der anderen, aan het gangboord vast; in sprakelooze verwachting bleven wij allen een oogenblik staan, en staarden op een geweldige golf, die op ons afkwam als wilde zij het geheele vaartuig overstelpen. De uitwerking was echter anders. De golf lichtte het jacht, als ware het een stuk kurk geweest, van de zandbank af: wij werden bespat en gedurende eenige seconden verblind van het schuimende water; en toen wij onze oogen weder konden openen en voor ons uitzagen, bespeurden wij den dijk op geen twintig voet afstand.
"'t is gedaan!" riep een stem uit ons midden.
Suzanna scheurde zich los van Tante en viel mij om den hals: ik drukte haar en Henriëtte tegen mij aan. Een nieuwe golf nam ons op. Er was weder een oogenblik, dat wij niets als water zagen.
Toen voelden wij, dat het vaartuig een beweging onderging, als werd het door een weeke zelfstandigheid heengevoerd: en plotselings hield het stil, met een schok, die ons allen op het dek wierp. Wij hoorden het zeenat als grommende van rondom wegloopen;--maar toen wij, wanende dat ons laatste uur gekomen was, weder oprezen, zagen wij nergens water meer.
Het jacht was over den dijk heengeslagen en lag tegen de binnenste helling in het slijk vast.
* * * * *
DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
VERMELDENDE HOE DAMES VOOR SPOKEN WORDEN AANGEZIEN, EN WAT DE SCHIPBREUKELINGEN AL ZOO VERDER DEDEN OM EEN VERKOUDHEID TE VOORKOMEN.
Het gadeslaan der verschillende aandoeningen, welke ons na een zoo wonderbare redding bezielden, zou aan den zoodanige, die, zonder in onze gevaren gedeeld te hebben, eensklaps in het gestrande vaartuig verplaatst ware geweest, een niet onbelangrijk schouwspel hebben opgeleverd. In de eerste oogenblikken, en wel voordat men recht wist, hoe men het had, heerschte er een soort van verbijstering, en waren wij gelijk aan lieden, die, op een vreemde plaats geslapen hebbende, bij hun ontwaken in de war zijn en eenig herinneringsvermogen moeten aanwenden, alvorens zij zich kunnen bezinnen, waar zij eigenlijk zijn. Daarbij, het was avond geworden: de wind en regen bleven aanhouden, en alles om ons heen was in nevel en duisternis gehuld.
Voor zooverre ik mij herinner, was ik de eerste, die sprak: en de oogen om mij slaande, om de dames te zoeken, die door den schok van mij afgeraakt waren, riep ik in vervoering uit: "God lof! wij zijn gered!"
"Dat mag wel 'ezeid worden, bij 't walletje langs," zeide Klaas: "op zoo'n rare manier ben ik nooit aan wal 'ekomen."
"Goddank! dat was boven verwachting!" riep Lodewijk; maar met deze uitboezeming scheen hij zijn geheelen voorraad dankbaarheid te hebben uitgeput; want, op het dek heen en weer loopende, begon hij bij zichzelven te mompelen: "'t is een mooie winkel! hoe d.... krijgen wij het jacht hier weer vandaan?"
De drie dames zeiden niets. Henriëtte en Suzanna hielden Tante omvat en alle drie schenen in stille, eerbiedige overpeinzing verzonken.
Wat Reynhove betrof, zijn blijdschap was de luidruchtigste. Hij sprong en danste over het dek rond, drukte Lodewijk, mij, de dames, zelfs den schippersknecht, de handen, beurtelings lachende, zingende en weenende, tot eindelijk zijn voet op de natte planken uitgleed en hij achterover rolde, "'t Is niets," zeide hij, terstond weder opspringende: "het gevaar is voorbij en wij zijn allen gesauveerd:" en hij begon van voren af aan handjes te geven en elk in 't bijzonder geluk te wenschen met een hartelijkheid en een uitbundigheid, welke merkelijk afstaken bij zijn gewone geaffecteerde vormen, en bewezen, hoeveel guller en beter hij in den grond zijns harten was dan hij oppervlakkig scheen te zijn.
"Maar waar zijn wij toch eigenlijk?" vroeg Tante.
"Op een veilige plaats, Tante-lief!" was mijn antwoord: "en waar wij op de vreemdste manier ter wereld zijn aangekomen."
"Nu zal ik nooit meer lachen over den vreemden Jood, die zich verbeeldde, dat hij met trekschuit en al over de brug heen getrokken zou worden", zeide Suzanna, die haar vroolijkheid terugbekomen had.
"Mevrouw," zeide Lodewijk, die toch scheen te gevoelen, dat hij eenige apologie noodig had, terwijl hij zich bij Tante vervoegde, "dat is waarlijk gelukkig afgeloopen. Het doet mij recht leed, dat UEd. er zoo ongelukkig bij te pas zijt gekomen."
"Ja Mijnheer!" zeide Suzanna: "Tante mocht u wel toevoegen, gelijk Athalia tot Abner:
dans quel piège as-tu conduit mes pas?"
"Het schijnt," zeide Tante, met reden eenigszins gevoelig over de handelwijze van Lodewijk, "het schijnt, dat Mijnheer Blaek weinig gewend is dames aan boord te hebben."
"Ja Mevrouw!" vervolgde Lodewijk, eenigszins verlegen: "tegen 't weer kan niemand; en wie had zich op zulk een onvoorzienen en geweldigen storm kunnen verwachten?--Al had ik niet met dien boeier om 't hardst gezeild, wij waren toch niet vrijgekomen."
"Mocht de drommel!" zeide Klaas, wiens zeemansrondheid deze logenachtige verontschuldiging niet verdragen kon: "Jan Pergens lag warm en wel binnen Muiden, toen het zware weer begon: en dat hadden wij ook kunnen doen."
"Wat reutel je Klaas?" zeide Lodewijk, zich omkeerende, op een barschen toon: "bemoei je met je werk en niet met ons discours, of je krijgt je paspoort op staanden voet."
"Mijn paspoort!" herhaalde Klaas, zich ter zijde begevende: "hm! er zal op 't jacht in de eerste weken toch niet veul te verdienen vallen."
"Nu Mijnheer Blaek!" zeide Tante: "gedane zaken hebben geen keer, en het beste is, dat wij alle verwijtingen maar daarlaten."
"Te meer," zeide Henriëtte, "daar Lodewijk al genoeg gestraft is: want hij zal zijn jacht ook niet even gemakkelijk aan de overzijde van den dijk krijgen als het aan deze zijde gekomen is."
"Neen!" zeide Reynhove: "tenzij er een aardbeving kome, die het weder teruglanceert."
"Ja!" bromde Lodewijk: "jelui hebt goed spotten. Hoe ik het hier vandaan krijg, weet Joost."
"Mij dunkt," zeide ik: "wij moesten liever zien, hoe wij zelf hier vandaan komen. Op wat hoogte zijn wij zoowat?"
"Wij zullen een heel eind beoosten Muiden zijn," zeide Lodewijk: "wij konden verd.... nergens ongelukkiger te land komen: wij zijn een half uur van alle bewoonde plaatsen af: en het wordt zoo donker, dat men niet zien kan welken weg men op moet."
"Dat is zeker ongelukkig," zeide ik: "maar wij kunnen toch niet hier blijven: en ik geloof zelfs, dat eenige beweging goed zal doen aan de dames en de slechte gevolgen voorkomen, die koude en nattigheid teweegbrengen."
"Ik zal gaarne de dames accompagneeren," zeide Reynhove: "maar ik moet alleen remarqueeren, dat het in de kajuit droog is, en dat zij buiten geëxponeerd worden om nog meer doornat te worden."
"Ja dat mag zoo zijn," zeide Henriëtte: "maar ik voor mij zal van harte gaarne loopen:--indien echter Mevrouw Van Bempden het afkeurt...."
"Ik doe alles liever, dan langer in dit noodlottige jacht te blijven," zeide Tante: "Kom! terstond maar opgewandeld! Wij zullen toch wel ergens te land komen."
"Vergezelt gij ons?" vroeg ik aan Lodewijk, "of blijft gij aan boord?"
"Ik heb altijd gehoord," zeide Lodewijk, "dat de kapitein het laatst aan boord moet blijven; maar zoo gijlieden ergens aankomt, stuur mij dan in 's hemels naam wat vertrouwd volk, om hier den boel te bewaken."
"Ik zou u gaarne van dienst zijn," zeide ik: "maar gij gevoelt, dat ik de dames niet verlaten kan."
"En ik evenmin," zeide Reynhove: "eerst moeten de dames en _lieu de sureté_ zijn: zij hebben waarlijk bij nacht niet te veel aan de assistentie van ons beiden: en zoo gij ons Klaas met de lantaren wildet medegeven, ware zulks, geloof ik, niet te veel geëxigeerd."
"En wie zal mij dan volk gaan halen en hier brengen?"
"Wel, stuur Weinstübe op kondschap uit," zeide Reynhove: "maar dat is waar ook:_ où diantre est-il?_"
"Ja! waar is Weinstübe?" riepen wij allen, onszelven het verwijt doende, dat wij hem niet eerder gemist hadden.
"De hemel beware ons!" zeide Tante: "ik hoop niet dat hij overboord is gevallen!"