Chapter 29
Ik begreep terstond, dat de knecht daar gekomen was toen ik mij bij Amelia bevond en toen ieder beneden mij vertrokken waande.
"Ik heb," zeide ik stamelend, "een der gasten, met wien ik een zeer belangrijk gesprek voerde, te huis gebracht en ben wat lang met hem blijven staan praten. Maar ik kan u verklaren, dat ik niets gedaan heb, waarover ik mij behoef te schamen."
"Dan behoeft gij ook niet te kleuren," zeide mijn vader: "hoe heette die nieuwe vriend, die zoo belangrijk sprak?"
Deze vraag bracht mij deerlijk in 't nauw; want, in omstandigheden als de mijne waren, zijn de eenvoudigste doorgaans het moeilijkst te beantwoorden. Nu moest de draaierij wel een logen worden: "Velters," zei ik, bevende.
"Velters?--Nu ja, wat schort er aan, dat gij zulk een moeite schijnt te hebben om een zoo eenvoudigen naam uit te spreken? Ik ken Velters bij reputatie. Hij is een braaf jong mensch, die vlijtig oppast, en wel voort zal komen, indien zijn gezondheid zijn goeden wil evenaart. Maar het belangrijkste gesprek had u niet moeten doen vergeten, dat uw moeder ongerust was en gij haar wakende hieldt."
"Nu," zeide die goede moeder: "wij moeten ook denken, Ferdinand is zoo lange jaren buitenshuis geweest en de gewone sleur wat ontwend. Hij zal vergeten hebben, dat wij lieden van de klok zijn. Ik hoop maar, dat dergelijke invitaties niet te dikwijls zullen komen.--Nu! Ik ga naar bed: want ik heb werk dat ik uit mijn oogen zie. Blijft gijlieden nu ook niet langer plakken."
Dit zeggende kuste zij ons goeden nacht en verliet de kamer. Mijn vader rees ook op, en, zich tot mij wendende: "slaap wel!" zeide hij: "maar voor gij u ter ruste begeeft, bid God, dat Hij u vertrouwen inboezeme in een vader, die u liefheeft."
De tranen ontsprongen mijn oogen op het hooren dezer toespraak: "Lieve vader!" riep ik, de hand des braven mans tusschen de mijne drukkende en die aan mijn mond brengende: "God weet het, ik zou niets liever verlangen, dan dat ik spreken mocht; maar...."
"Ik zal geduld hebben en de ure des vertrouwens afwachten," zeide mijn vader, bedaard: "Gij zijt geen kind meer en ik wil u niet tot spreken dwingen, wanneer gij beter acht te zwijgen. Dit slechts wensch ik, dat de Alwijze uw geest verlichte en u leere wat uw plicht medebrengt."--Met deze woorden drukte hij mij nogmaals de hand en vertrok, terwijl ik mij zuchtende naar mijn slaapkamer begaf. Zoo had ik dan voor 't eerst mijn ouderen VOORGELOGEN!--Ach! ik gevoelde te wel de behoefte, om het voorschrift mijns vaders na te volgen: en in angstige verzuchtingen smeekte ik den Almachtige, mijn gangen te bestieren en mij licht te geven op mijn donkeren weg. Dit besluit nam ik echter, om, wat er ook de gevolgen van wezen moesten, mijn vader te overtuigen, dat ik, hoezeer misschien verkeerdelijk mijn woord gegeven hebbende, door hem zelfs niet van mijn belofte ontslagen kon worden.
Het was dan ook met dit oogmerk, dat ik den volgenden dag na den eten, en toen ik wist, dat Heynsz zich verwijderd had, mijn vader kwam opzoeken. Ik had dit oogenblik verkozen, omdat ik wenschte uit te vorschen, of Heynsz den Heer Bos ook verklapt had, in welk geval mijn verplichting tot geheimhouding ophield en ik, door voor de zaak uit te komen, dezen laatste misschien dienst kon doen. Mijn vader bespeurde wel aan mijn houding, dat ik iets op het hart had, en, zijn papieren ter zijde schuivende, vroeg hij met een ongemeene vriendelijkheid:
"Hebt gij iets met mij te spreken? Dan zal ik die stukken wel even laten rusten. Echter heb ik niet lang tijd," vervolgde hij, op zijn uurwerk ziende: "want waarschijnlijk zal er straks een bezoek komen."
"Ik heb u slechts weinige woorden te zeggen, Vader!" zeide ik, "maar ik wenschte wel, dat ons gesprek langdurig zijn kon."
"Wat meent gij? Dat klinkt eenigszins raadselachtig en duister. _Fallax sollertia nobis_."
"Helaas!" zeide ik. "UEd. heeft te recht opgemerkt, dat er iets is, hetwelk mij als een pak op het hart ligt. Ik ben soms afgetrokken, verstrooid: mijn gangen, zoo UEd. die had doen nasporen, zouden wellicht zonderlinge vermoedens bij u hebben doen ontstaan: ik heb, zeer mijns ondanks, vreemde avonturen gehad sedert ik terug ben:--en hetgeen mij het meest nog hindert, is, dat ik de reden van dat alles aan u niet ontdekken mag."
"Ik kan," zeide mijn vader, de schouders ophalende, "niet oordeelen over uw verplichting tot zwijgen, daar ik de aanleiding niet ken, welke u die heeft doen aangaan. Alleen zoude ik u, in 't afgetrokkene, willen oplettend maken op het gevaarlijke om zich tot iets dergelijks te verbinden. Er zijn slechts weinige zaken, welke een kind aan zijn ouderen niet zoude mogen openbaren. Dan alleen, wanneer het geheimen van derden geldt, kan er een uitzondering bestaan; doch een geheim, dat u niet persoonlijk betreft, kan, dunkt mij, zulk een invloed niet op u gehad hebben, gelijk aan dien, welken uw houding en gedrag mij doen zien dat bij u is teweeggebracht."
"Het is een geheim van derden," zeide ik, niet weinig verheugd, dat mijn vader zelf mij alzoo vrijheid tot zwijgen gaf: "maar een geheim, waar ik door een samenloop van omstandigheden ben ingewikkeld."
"En...." vroeg mijn vader, na zich een wijl bedacht te hebben: "betreft dit geheim ook zekeren Zwarten Piet? Ik vraag u dit als vader, niet als Hoofdschout."
"Slechts zeer zijdelings," antwoordde ik, uit deze vraag de gevolgtrekking makende, dat mijn vader omtrent de wezenlijke oorzaak nog niets wist: "doch, vergun mij ook een vraag, mijn vader! indien deze Zwarte Piet mij het leven gered had en ik zijn verblijf kende, zoude UEd. dan oordeelen, dat ik verplicht ware, het aan den Hoofdschout te openbaren, bijaldien deze er naar vroeg?"
"Gij weet waar Zwarte Piet is?" vroeg mijn vader met drift.
"Neen", antwoordde ik, glimlachende: "en ik heb ook aan hem geene verplichting; maar ik stel dit slechts als een voorbeeld."
"Gij weet te goed," zeide mijn vader, "dat, ofschoon de dankbaarheid slechts een _officium inperfectum_ is, en het inlichten der Justitie een _officium perfectum_, als zijnde dit laatste bij Keuren en Ordonnantiën voorgeschreven, de tweede plicht in dezen voor den eersten zoude moeten wijken, aangezien de dankbaarheid door een hoogere dan de aardsche wetgeving is voorgeschreven. Dan, dit daargelaten: zoo gij een geheim bezit, hetwelk gij mij niet vertrouwen moogt, waarom er mij dan over gesproken? want nu kan ik niet nalaten, te gaan gissen en raden."
"Slechts daarom, mijn vader! omdat mij het denkbeeld onverdraaglijk is, dat gij mij van gebrek aan vertrouwen beschuldigen zoudt: omdat ik u smeeken wilde, uw oordeel over mij slechts zoolang op te schorten, tot ik in staat zal wezen, u de noodige opheldering van mijn gedrag te geven en te openbaren wat u thans onverklaarbaar moet voorkomen?"
"Gij hebt welgedaan, mijn zoon! En ik zou een slecht rechter zijn, indien ik u condemneerde, zonder u den tijd te laten om aan te voeren, wat tot uwe defensie dienende kan zijn. Dit slechts moet gij mij verzekeren, dat gij niets hebt beloofd, wat tot nadeel van dezen lande zoude kunnen strekken. Gij weet, dat wanneer het de veiligheid van den Staat geldt, het _crimen reticentiae_ hem, die het begaat, tot medeplichtige maakt aan het gesmede landverraad."
"De veiligheid van dezen lande loopt zoo weinig gevaar," zeide ik glimlachende, "dat UEd. zelf mijn stilzwijgen zult billijken."
"Dan ben ik tevreden," zeide mijn vader.
Op dit oogenblik werd hard aan de voordeur gebeld en hield er een rijtuig stil.
"Is het reeds zoo laat?" vroeg mijn vader, op zijn horloge ziende: "ja waarlijk! nu moet gij voort, want ik verwacht een deftig bezoek: of blijf hier: ik zal in de zijkamer gaan: hij, wien ik verbeid, is een man van gewicht en dient als zoodanig ontvangen te worden."
Dit zeggende, haastte hij zich naar de zijkamer; maar de persoon, dien hij verwachtte, verscheen niet: en, gelijk mij later bleek, was het alleen de Onderschout, die met een koets aan de Beerebijt de aankomst der Utrechtsche schuit had staan wachten, ten einde den Heer Bos bij het uitstappen te knippen. Daar deze niet was komen opdagen, en de schipper verklaarde, dat de gehuurde roef ledig gebleven was, kwam de Onderschout alsnu eenvoudig verslag geven van het mislukken der hem opgedragen commissie, en de zaak liep voor 't oogenblik af met een schrobbeering, die Simon ontving, omdat hij zich had laten verschalken.
* * * * *
EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN EENIGE OUDE KENNISSEN WEDER OP HET TOONEEL VERSCHIJNEN EN EEN PAAR NIEUWE WORDEN INGEVOERD.
Den volgenden morgen (Zaterdag) begaf ik mij, volgens de met Tante gemaakte afspraak, weder naar Heizicht, waar ik met een kloppend hart mijn Dulcinea terugvond en door Tante ter verantwoording werd geroepen over mijn ontmoeting met Zwarten Piet. Dewijl ik op haar vragen voorbereid was, kostte het mij minder moeite, die te beantwoorden: en zonder haar de geheele waarheid te vertellen, wist ik haar omtrent de reden van het bezoek des roovers zoodanige opheldering te geven, dat ik haar tevreden stelde en haar ongerustheid wijken deed. Wij aten dien dag zeer vroeg en zeer overhaast, vermits het oogmerk van Tante was, met ons naar een boerderij te rijden, welke zij eenigen tijd geleden in de omstreken van Oud-Naarden gekocht had, om daar met wandelen en koffiedrinken den avond door te brengen. Wij reden tegen twee uren af: trokken over de heide naar Laren en van daar over Blarikum den Tafelberg langs, waar wij een zijweg insloegen, die ons in korten tijd aan het doel van onzen tocht voerde. Hier hielden wij voor een schuur stil, welke tot stalling diende, stapten af, en wandelden naar het woonhuis; en niet weinig keek ik op, toen de vrouw, welke ons aan de deur verwelkomde, niemand anders bleek te zijn dan de oude Martha, en haar woning dezelfde, waarin mij de Heer Bos ontvangen had. Zoo ik de gelegenheid niet dadelijk herkend had, het was omdat wij deze reis langs een anderen weg waren gekomen. Nu werd mij duidelijk, waarom de oude vrouw mij op dien noodlottigen avond zoo had aangekeken: en ik verwonderde mij, haar toen reeds niet herkend te hebben, daar zij vroeger tuinvrouw bij mijn Oom Van Bempden geweest was.
De oude vrouw ontving Tante met de gebruikelijke _formules_ van:
"Wel Mevrouw? hoe vaart Mevrouw? Mevrouw is hier in lange niet 'eweest. Ik kan niet zeggen, dat Mevrouw 'er uitzien er op 'ebeterd is!"--een compliment, waar schier alle lieden van die klasse gewoon zijn hunne meesters op te vergasten, als ware het de uitgezochtste vleierij. Mij herkennende, geraakte zij min of meer in verlegenheid en zocht mijn blik te vermijden. "Ik heb het koffiegoed boven klaar gezet," ging zij voort.
"Ja! dat is wel," zeide Tante: "maar het is zulk mooi weer. Wat zeggen de meisjes er van? Zonden wij de koffie niet liever buiten de deur gebruiken?"
Dit voorstel werd toegejuicht en de bevelen dienvolgens gegeven.
"Is uw zoon niet hier?" vroeg Tante, ziende, dat Martha zelve met een tafel en stoelen kwam aandragen.
De oude vrouw zuchtte en haalde de schouders op: "och Mevrouw!" zeide zij, "men zoon is men kruis: sedert acht dagen heb ik hem niet 'ezien: waar hij zit, God weet het."
Ik kan niet ontkennen, dat deze gemankte of schijnbare ongerustheid der moeder mij genoegen deed, want ik beschouwde de tegenwoordigheid van Andries aan de hoeve niet slechts als hoogst gevaarlijk voor de nabuurschap, maar ook als zeer schadelijk voor de belangen mijner Tante; en ik nam voor, om, het mocht kosten wat het wilde, haar in te lichten omtrent de hoedanigheid van dien persoon. Intusschen, onder den schijn van de vrouw te willen helpen in het aandragen der benoodigdheden, volgde ik haar naar binnen. Zoodra wij in de keuken waren, tikte ik haar op den schouder: "Is het stellig waar," vroeg ik, "dat uw zoon verdwenen is?"
"Zoo waar ik leef Meneer!" zeide zij, al bevende: "om Gods wil! maak ons niet ongelukkig."
"Ik geloof ook," vervolgde ik, "dat het raadzaam voor hem zijn zal, zich niet weer hier te vertoonen: want het is genoegzaam bekend bij de Justitie, dat hij met Zwarten Piet en zijn makkers heult, en, zoo men hem krijgt, zal hij den dans van de ladder niet ontspringen."
"O, Meneer Huyck!" zeide zij: "je weet niet, wat ik van den jongen te lijen heb. Och! hij heit nooit willen deugen; maar ik kan het warentig niet helpen: ik heb hem vermaningen genoeg 'egeven."--Vervolgens den toon latende zakken: "UEd. heit toch niet 'esproken met Tante, van dat UEd. hier laatst 'eslapen heit, en van de menschen, die UEd. hier heit 'ezien?"
"Volstrekt niet," antwoordde ik: "maar zeg mij, hoe kent gij die lieden?"
"Hoe ik hen ken?" vroeg zij: "heb ik den jonker niet an men aigen borst 'evoed?--en toen Kapitein Reefzeil op 's-Gravenland weunde, was het toen niet bij mijn an huis, dat hij altijd met Keetje Reefzeil, dat zoete hartje, spreken kwam? Maar kom an, ik mot het theewater buiten brengen," en meteen zich omwendende ging zij naar voren. Ik wilde haar volgen, toen toevallig mijn blik in den tuin viel en ik twee oogen ontmoette, die op mij gevestigd waren.
Ik heb vroeger gezegd, dat de achterdeur, door welke ik de eerste reis in deze woning gekomen was, in de keuken opende en op den tuin uitkwam. Naast deze achterdeur was een openstaand raam: en voor dat raam, op het tuinpad, stond een man, in havelooze lompen gekleed, mij aan te gluren. Zoodra hij merkte, dat ik hem van mijnen kant gezien had, begon hij op een smeekenden toon:
"Meneertje! zoo waar God leeft, gheen dijt rijk! Hik 'eb nog gheen 'andgift gead van dhaag: geen dijt rijk, zoowaar zei je ghezond blijven."
"Gij hier Simon!" riep ik, den man herkennende: "wat komt gij hier zoeken? En waar is de negotie?"
"Neghoossie? Och! was ik mhaar zoo gelikkig, dat hik een klein beetje neghoossie thoen kon:--mhaar een vrouw met zeuven kinderen! Je mot dhenken, dat kan wat an:--gheen dijt rijk...."
"Foei!" zeide ik: "is het geld al op, dat de Jongeheer Blaek u gegeven heeft om de gangen van eerlijke meisjes te bespieden?"
"Heerlijke meissies! Na doch!" zeide Simon, het hoofd schuddende.
"Ja zeker eerlijk! En zoo ik mijn vader dergelijke stukjes van u verhaal, zal hij u afleeren, u met zulke knoeierij op te houden."
"Khom! word dan thoch maar niet boos. Khan ik 't 'elpen? Een bhoodschap is een bhoodschap! As Meneer Blaek theugens me zeit: "Shimon: ga en khijk waar die Jiffrouw blijft: je zelt een ghilden van mier 'ebben--nou khijk! wat mot Shimon dan doen? der steekt gheen kwaad hin, dat Meneer Blaek weet, waar die Jiffrouw whoont, en der stheekt veul goeds hin, dat Shimon voor een dhag of wat den kost heit mit zen hijshouwen.--Maar je vraagt men of het vertheerd is sinds dien thijd?--Och! hik eb sedert gheen dijt verdiend: gheen penning! khan men dhaar van leven hacht dhagen mit 'en hijshouwen? zoowaar zei je ghezond blijven."
"Misschien zult gij mij ook zoeken wijs te maken, dat Heynsz u de reis niet betaalt, die gij heden doet."
"Nou khijk Meneer Hijk! 't Ishomdat je de zeun van dan Oofd-hoffiesier bent--God zegen hem--'t is een schraal loon dat hik van 'Eynsz ontvang.--Hik khan er waarachtig niet van bestaan.--En hik 'eb ommers gheen woord er van ghesproken, dat je met die Jiffrouw in de Naarder schijt 'eb gheseten?"
"Denkt gij," zeide ik wrevelig, "dat ik mij bekommer over hetgeen gij van mij vertelt? Maar wat doet gij nu hier? Wie valt hier bespieden? Het is hier geen publieke grond; en zoo Tante hoort, dat gij op haar erf zijt, zou zij er u wel eens door den koetsier kunnen doen afjagen."
"Na doch! je weet wel, wien hik ier zoeken khom: 't his ommers je papha, die 'et ghelast 'eeft, Shimon is ommers gheen dhief, die wat wegnemen zal."
"Ik geloof, dat gij vergeefsche moeite doet," zeide ik, wel gissende wien hij zocht: "maar wees gewaarschuwd, en pak u weg; want zoo iemand anders u ziet, gij zult niet vriendelijk ontvangen worden."
Met deze woorden wendde ik mij van hem af en keerde terug bij de dames, die reeds onder de breede takken der eiken om de theetafel gezeten waren.--"Wel!" zeide Suzanna, zoodra zij mij zag: "waar heb je nu weer gestoken? Ik dacht, gij waart uitgegaan om de oude Martha te helpen, en gij komt met ledige handen weer. Gij slacht de poes wat, die men naar Rome zendt en die _miaauw_ zeit, als zij terugkomt. Nu! daar hebben wij ook veel aan, aan zoo'n cavalier, die ons alleen laat zitten: en dat nog wel in een tijd, dat het van dieven en struikroovers grimmelt. Maar zeker! aan uwe hulp zouden wij weinig hebben, daar gij toch ook maatjes zijt met de bende."
"Ik dacht, Santje! wij zouden daar niet meer over spreken," zeide Tante, die niet hield van scherts over zulk een onderwerp.
"Gij ziet hoe mijn lot is," zeide ik tegen Henriëtte, "en hoe ik door mijn zuster behandeld word. Gij, die zoo goed zijt, zoo gij een broeder hadt, zoudt hem zeker niet zoo kwellen."
"Hoe weet gij, of ik goed ben," zeide zij lachende: "vraag maar aan Lodewijk, hij zal u wel zeggen, dat ik er hem ook van langs kan geven."
"Ja kom!" zeide Suzanna; "maar daar heb je geen pleizier van; want Lodewijk wordt boos als men hem kwelt: en dat moet ik tot eere van mijn broeder zeggen, hij neemt het altijd nogal wel op." Hier klopte zij mij op den schouder.
"Dat is nu het beste, dat gij in lang gezegd hebt," zeide ik: "daarvoor moet ik u omhelzen."
"Weg! weg!" zeide Suzanna, mij afwerende: "_jeux de mains, jeux de vilains_. Gebruik uw mond en niet uw handen."
"Wel, 't is ook juist mijn mond, dien ik gebruiken wil," zeide ik, haar kussende.
"Och Jetje! help mij toch!" zeide Suzanna: "gij blijft daar maar zitten en trekt u het lot niet aan van uw mishandelde vriendin."
"Ik zal wel deugdelijk oppassen, van er mij mede te bemoeien," zeide Henriëtte.
"Integendeel!" zeide ik: "Santje heeft gelijk: en gij zoudt mij een bijzonder genoegen doen, zoo gij er u mede wildet bemoeien."
"Wat is het toch, kinderen?" vroeg Tante, die intusschen met Martha geredeneerd had: "op deze wijze krijgen wij geen koffie."
"Och! 't is Ferdinand, die mij plaagt," zeide Suzanna.
"Men plaagt wie men liefheeft," zeide Tante.
"Zoo dat waar is, dames!" zeide ik, terwijl ik, hoewel in 't algemeen sprekende, het oog bepaaldelijk op Henriëtte gevestigd hield, "hoe meer gij mij dan plaagt, hoe aangenamer het mij zijn zal."
Met deze en dergelijke praatjes, welke toen voor de belanghebbenden vermakelijk waren, maar wier mededeeling den lezer vervelen zoude, hielden wij ons bezig gedurende het koffiedrinken, waarna Tante een wandeling voorsloeg, bij welke gelegenheid ik niet verzuimde alle pogingen aan te wenden om meer en meer de gunst mijner schoone te verwerven. Eindelijk maakte ik het zoo bont, dat zij den arm van Suzanna nam en vooruitholde, bewerende niet meer naar mij te willen luisteren.
Ik was zelf bang wellicht te ver te zijn gegaan, en bleef dus een wijl met Tante achter, aan wie ik, zoowel bijwijze van gesprek als uit nieuwsgierigheid, de vraag deed, of de oude Martha niet vroeger tuinvrouw op Heizicht geweest was.
"Ja!" antwoordde zij: "tot den dood van haren man. Toen heeft zij een woning op het dorp gehad: en naderhand, toen ik deze hoeve kocht, heb ik haar daarop gezet,"
"Heeft zij," vervolgde ik, "niet eerst bij Kapitein Reefzeil gewoond?" --Ik wist wel beter, doch wilde zoodoende het gesprek op die familie brengen.
"Dat geloof ik niet," antwoordde Tante: "het is echter mogelijk; want toen ik met uw oom Van Bempden trouwde, was zij reeds op Heizicht; maar hoe vraagt gij dat zoo?"
Daar zat ik vast. "Och! dat weet ik zelf niet," zeide ik: "daar lag mij iets in 't hoofd, betreffende die Reefzeils."
"De moeder van Jetje was een Reefzeil," zeide Tante: "was het dat, wat gij meendet?"
"Inderdaad?" zeide ik: "neen, dat wist ik niet. Maar was er met nog een zuster?"
"Ja voorzeker!--Keetje Reefzeil! zij waren beiden mooi. Keetje en Letje: de eene was een blonde en de andere een bruinet. Jetje, de blonde, trouwde met den Heer Hendrik Blaek: en de goede man had er niet veel pleizier van; want zij stierf in 't kraambed. Keetje, ja, die heeft het niet best laten liggen: zij is het pad opgegaan met den Baron Van Lintz. Dat is indertijd een fameuze historie geweest."
"Mochten zij dan niet trouwen?" vroeg ik, meer en meer belang stellende in het verhaal.
"Zij had, geloof ik, weinig of niets," zeide Tante: "en Van Lintz ook niet veel meer dan zijn gage als Luitenant bij de Marine. Bovendien was hij Roomsch; maar dat alles hielp niet: hij wist haar te bepraten en trok met haar het land uit. De familie zoude wel weer bijgedraaid zijn; maar hij was deserteur: en dat was erger. Hij heeft zich een poos sobertjes moeten generen, nu hier, dan daar--en vervolgens maar dat weet gij zoogoed als ik--vervolgens is hij in Spaanschen zeedienst gekomen en een groot Heer geworden: en nu is hij, geloof ik, dood of weg: althans men heeft rare dingen van hem verteld. Hij is in ongenade vervallen, dat is zeker, en toen verdwenen. De hemel weet: hij is misschien Turksch geworden en Pacha met een half dozijn paardenstaarten; want ik geloof dat hem de godsdienst ook wel om 't even zijn zoude, mits hij maar voortkwame. Ik had laatst werk genoeg, om Van Baalen te beletten van door te slaan, toen hij in tegenwoordigheid van den Heer Blaek en Jetje over dat onderwerp begon. Zij heeft met de _folies_ van haar Tante niet noodig. 't Was anders een aangenaam mensch, die Van Lintz: ik herinner mij nog zeer goed, met hem menigmalen gedanst te hebben. Hij was _la pluie et le beau temps_ in zijn tijd."
"Zijn dwaze stap verdient, dunkt mij, eenige verschooning," merkte ik aan. "Er zijn zoovele van die adellijke Heeren uit de land-provinciën, die alleen te Amsterdam komen om een rijk huwelijk te doen, en enkel op geld zien. Hij werd ten minste door liefde gedreven en niet door zucht naar schatten."
"Neen! die waren bij de Reefzeiltjes niet te zoeken," hernam Tante: "nu, Hendrik Blaek is er ook om gebrouilleerd geraakt met zijn familie; want hij was ook slecht bij kas en is te Cadix, of te Lissabon, weet ik het, arm gestorven. Gij weet zeker, dat Henriëtte geheel afhangt van de goedheid van haar oom ... en zij heeft wel reden om dankbaar jegens hem te zijn; want al ware zij zijn eigene dochter, hij kon haar niet teederder liefhebben en beter behandelen. Zij zal ook wel eindigen, denk ik, van zijn wensch te vervullen en met haar neef te trouwen.--Waarom zegt gij _hm_?"
"Heb ik _hm_ gezegd, Tante?"
"Ja neef! _Gij_ hebt gezegd _hm_! En waarom? Zoudt gij het zoo bespottelijk vinden, dat zij Lodewijk nam of Lodewijk haar?"
"Wat zal ik u zeggen? Ik bespeur niet, dat zij veel werks van elkander maken: en ik weet althans wel iemand, aan wien ik haar liever zoude gunnen."
"_Quel est donc ce héros ou bien ce téméraire?_" vroeg Tante, mij scherp aanziende: "gijzelf toch niet, hoop ik?"
"En al ware ik het zelf, Tante? Wat zou UEd. daartegen hebben?"
"Ferdinand!" zeide Tante: "gij jaagt mij een schrik op het lijf.--Niet, of het is een lief meisje, maar wat zouden uw vader en moeder wel van mij denken:--alsof ik u beiden had samen willen brengen. En uw vader zou het zeker maar half goedkeuren; want zij heeft niets. Neen! dat zou ik vooralsnog maar uit mijn hoofd stellen."
Hier werd ons onderhoud, hetwelk voor mij geene zeer troostrijke wending begon te nemen, afgebroken door Suzanna, die van een hoogte, welke zij met Henriëtte beklommen had, ons toeriep:
"Komt toch hier; men heeft hier zulk een heerlijk uitzicht."