Ferdinand Huyck

Chapter 26

Chapter 263,911 wordsPublic domain

"Dit laat zich, dunkt mij, nogal raden," zeide Tante: "de woorden ten huize uws vaders door den liedjesmaker gesproken, heb ik bewaard, die overleggende in mijn herte, en het was alsof er een stem in mijn binnenste sprak: "zie! ik moet handelen met deze maagd gelijk Hanna handelde met Samuel haren zoon, hem opbrengende tot het huis des Heeren."--Maar ik zoude toch geene vrijmoedigheid gehad hebben, zoo maar tot haar te gaan en te zeggen: "zie: hier ben ik," ware het niet, dat ik, hedenmorgen in den kousenwinkel bij Van Vlerken zijnde, haar aldaar had aangetroffen met den ouden man, ja, dienzelfden Helding, die haar geleidde, en haar aan mij voorstelde: en, hebbende bevonden, dat zij is gelijk eene Maria, en gaarne luistert naar de waarheid, die uit de godzaligheid is, zoo heb ik haar genoodigd om hedenavond bij mij te komen en deel te nemen in de stichtelijkt onderwijzing, die ik naar mijn vermogen poog te geven aan wie dorst heeft naar de wateren des levens."

Ik kon van mijn verbazing niet terugkomen. "Hoe!" dacht ik, "zal ik dan eeuwig, want ik ga, uit of thuis, aan ontmoetingen worden blootgesteld, die aanleiding geven tot nieuwe verwarring? Is mijn geboortestad sedert mijn afwezigheid betooverd geworden of ben ik het zelf? Of is alles een benauwde droom?--En dan, Amelia is immers den Roomschen godsdienst toegedaan? Heeft zij Tante Letje, die zoo sterk op haar geloof staat, opzettelijk misleid? Of heeft hier een misverstand plaats?--En hoe deerlijk zal dat dan uitkomen!"

Wat Amelia betrof, ofschoon zij in het eerste oogenblik niet minder verlegen scheen dan ik, herstelde zij zich spoedig: zij had het voordeel boven mij, dat mijne tegenwoordigheid, als die van een bekende, haar gerustheid inboezemde, terwijl de hare mij zorg verwekte.

"De Juffrouw heeft mij verteld," zeide Tante, na eenig zwijgen, "dat gij haar een gewichtigen dienst hebt bewezen."

"Zoo!" antwoordde ik, Amelia eenigszins verwonderd aanziende en onbewust, hoe verre zich haar mededeelingen hadden uitgestrekt.

"Ja, Mijnheer Huyck!" zeide Amelia, mij uit de verlegenheid helpende: "ik heb aan Mejuffrouw uw Tante kenbaar gemaakt, dat UEd. zoo vriendelijk geweest zijt om mij van dien lastigen Heer te ontslaan."

"Ik heb alleen mijn plicht gedaan," zeide ik: "en ieder fatsoenlijk man zou in mijn plaats evenzoo gehandeld hebben."

"En de Juffrouw heeft u zeker ook verteld," zeide Tante, "hoe het komt, dat zij dus alleen en verlaten is, gelijk Ruth de Moabitische, zonder zelfs een schoonmoeder te hebben, tot wie zij zeggen kan: uw volk is mijn volk en uw God mijn God?"

Ik wist niet, wat te antwoorden: "Wat dunkt u, lieve Tante!" vroeg ik, om er mij uit te redden: "ziet gij mij aan voor een raadsman, deftig genoeg om het vertrouwen eener jonge Juffer te verdienen?"

Amelia scheen terstond mijn oogmerk met dit ontwijkend antwoord te bevroeden, en haastte zich te zeggen: "ja Mejuffer, ik heb aan uw Heer Neef verhaald, gelijk aan u, dat ik er ongelukkig aan toe ben, daar de Heer Bouvelt mij niet kon ontvangen, en ik niet terug kan keeren naar Deventer, uithoofde mijn familie van huis is: zoodat ik mij alleen bevind."

"Had men u ten minste maar bij een ordentelijke burgervrouw Besteed," zeide Tante: "maar, mij dunkt, Amsterdam is groot genoeg, en ik zal zelve aan dien Sinjeur Bouvelt schrijven, en hem voorstellen, u een ander logies te bezorgen."

"Santa Maria! doe dat niet," riep Amelia ontsteld uit: "de Heer Bouvelt ligt ziek te bed en is buiten staat zich met eenige zaken te bemoeien."

"Wat zeidet gij daar voor een vreemd woord?" vroeg Tante, terwijl ik op mijn lippen beet: "dat luidde even of het een vervloeking ware: en daar staat geschreven: gij en zult ganschelijk niet vloeken."

Amelia keek eenigszins bedeesd over deze bestraffing: en, naar het hooge rood te oordeelen, dat haar wangen bedekte, geloof ik, dat zij zich bovendien verwijtingen deed, van aan de goede vrouw, die haar bij zich ontving, een sprookje op de mouw gespeld te hebben: want aan die Deventersche historie begreep ik wel, dat geen woord waar was. Maar nog grooter werd de verwarring van het arme meisje, toen Tante haar, na een korte stilte, de vraag deed, welken Predikant te Deventer zij gewoon was te volgen.

De eene dienst, dacht ik, is den anderen waard: en ik poogde op mijne beurt Amelia het antwoord te besparen. "Gij maakt misschien, zeide ik, "geen onderscheid tusschen hen, en hoort allen even gaarne."

"Inderdaad," zeide Amelia: "ik geloof...."

"Hoe!" viel Tante in: "mij dunkt, er is toch nogal onderscheid tusschen den godvreezenden Klarebron,--die zijn naam te recht draagt; want hij is als eene fonteijne der hoven, een put der levende wateren,--en den ijdelen Zevenslinger, die besmet is met Pelagiaanschen zuurdeesem en die slechts woorden zonder wetenschap voortbrengt, waarmede hij den raad verduistert en de kortzichtigen verblindt."

"Och Mejuffer!" zeide Amelia, verbaasd over dezen uitval, waar zij niets van begreep: "ik heb daar zoo weinig verstand van, en...." "Maar bij wien hebt gij uw belijdenis dan gedaan?" vroeg Tante: "of behoort gij wellicht tot de zoodanigen, die talmende zijn met die af te leggen, niet indachtig, dat de tijd voortgaat, en dat wij niet weten, wanneer de ure des oordeels komen zal."

"Ik weet het niet recht," antwoordde Amelia: "ik was elf jaar oud, toen ik het sacrament ontving, en ben vergeten welken naam de Priester droeg, bij wien ik mijn cathechismus geleerd heb."

"O wee! o wee!" dacht ik: "nu is het geheel en al mis."

Maar welke woorden zouden in staat zijn, de verbazing, de ergernis uit te drukken, welke op het gelaat van Tante Letje te lezen stonden, toen zij, uit hetgene ter kwader ure aan Amelia ontvallen was, de waarheid inzag, en ontdekte, wie zij bij zich in huis ontvangen had. Met open mond staarde zij Amelia aan: zij liet de kous, waar aan zij breide, op den grond vallen, sloeg de handen in elkander en herhaalde halfluid den gesprokenen volzin, als wilde zij zich overtuigen, of zij wèl verstaan had. Wat de arme Amelia betrof, zij begreep niets van het kwaad, dat zij gesticht had: in den Roomsch-Catholieken Godsdienst opgevoed en in vreemde landen gewoond hebbende, wist zij, gelijk mij naderhand bleek, op zijn best, dat hier te lande eene andere wijze van godsvereering, dan de hare, als de heerschende bestond: haar vader had het hoofd te zeer vervuld gehad met andere zaken of wellicht de gelegenheid gemist van haar te onderrichten, hoe zij zich omtrent dat stuk in Holland te gedragen had. Zij had dan ook al wat Tante vroeger gezegd had, op haar eigen kerkleer toegepast en die uitdrukkingen, welke haar duister of ongewoon voorkwamen, daaruit verklaard, dat er wellicht eenig verschil bestond tusschen den vorm van den eeredienst in dit land en in dat harer vroegere inwoning; terwijl de verwarring, veroorzaakt door de vragen, welke Tante haar deed omtrent de plaats, van waar zij voorgaf gekomen te zijn, haar nog minder had doen nadenken over den vorm, dan over het zakelijke van haar antwoorden. Ik zag intusschen, dat het zaak werd, tusschen beiden te treden.

"Tante-lief!" zeide ik: "hier heeft een misverstand plaats. UEd. schijnt niet begrepen te hebben, en ik heb er u niet van kunnen onderrichten, dat de juffer tot de Roomsche kerk behoort."

"De Heere beware ons!" zeide Tante, na een diepe zucht haar stem wederom krijgende, en beurtelings Amelia en mij aanziende: "dat zoo iets gebeuren moest! Hadde ik dat kunnen vermoeden, zoo bad ik mij wel gewacht de Juffer te noodigen, indachtig dat de Schrift zegt: indien iemand dese leere niet en brengt, en ontfangt hem niet in uw huys."

"Tante is Gereformeerd," zeide ik tegen Amelia, die nu begon te beseffen, waar de schoen wrong.

"Gij zult niet langer last van mij hebben, Mejuffer!" zeide zij met waardigheid, terwijl zij oprees en haar boeltje bijeenpakte: "ik dank u voor uw goeden wil, aan mij, verlatene, betoond; en terwijl ik een erkentelijk aandenken aan uw welwillendheid bewaren zal, zal ik het steeds betreuren, dat een verschil in de vormen des geloofs u beletten moest, de opwelling van uw edel hart in te volgen."

Tante trok bij het hooren dezer toespraak een gezicht, alsof zij een leelijk drankje innam: echter stond zij insgelijks op, en, mij aanziende, mompelde zij: "Ja! de Juffer kon het niet helpen: 't is een abuis, 't is een misverstand, zooals Neef wèl zegt."

"Inderdaad" hernam ik: "maar, Tante-lief, hoewel dit nu oorzaak zijn zal, dat gij uw goede voornemens om met de Juffer naar de kerk te gaan, niet zult kunnen ten uitvoer brengen, noch haar op uwe oefeningen noodigen, zoo zie ik niet in, dat gij daarom de inspraak van uw voortreffelijk hart niet jegens haar zoudt kunnen involgen en haar op een andere wijs behulpzaam zijn of haar uw gezelschap schenken."

"Er zijn Paapsche vrouwen genoeg in de stad," bromde Tante: "en bovendien, wat zegt de Apostel: wijckt van desulcke af."

"En wat heeft een nog wijzer mond geantwoord," vroeg ik, "op de vraag, wie onze naaste was?"

Het was inderdaad opmerkenswaardig, den indruk gade te slaan, dien deze vraag op het vroom en medelijdend hart mijner goede Tante teweegbracht. Zij zag mij een wijl verrast en verlegen aan, bekeek toen met aandacht de toppen van haar vingeren, als overpeinsde zij mijn gezegde, schommelde een tijdlang zonder spreken in haar zak, om haar neusdoek te krijgen, veegde een paar tranen weg, die in haar pogen opkwamen, drukte mij de hand en trad eindelijk naar Amelia, die nog altijd, met haar werk in de hand, en de oogen op den grond gevestigd, midden in de kamer stond, als gereed om te vertrekken.

"Neen!" zeide Tante, haar de handen drukkende en op het voorhoofd kussende: "al waart gij Heidensch of Turksch, men zal niet zeggen, dat ik u verlaten heb en voorbijgegaan, gelijk de Priester en de Leviet, die den gewonden reiziger voorbijgingen. Het is toch uwe schuld niet, dat gij met de afgoderijen van het Pausdom besmet zijt. Waar ik kan, zal ik u van dienst wezen en u bijstaan in wat zake gij mij zoudt mogen van doen hebben: en wij zullen over geene punten des geloofs spreken, tenzij gij opgewekt wordt om naar de leer der waarheid te hooren."

"Helaas! Mejuffrouw!" zeide Amelia, terwijl zij langzaam weder haar plaats innam, waar Tante haar heen geleidde: "hoe grieft het mij, dat ik u onwillekeurig dit verdriet, deze ergernis veroorzaakt hebbe. Ik was zoo blijde met uwe bescherming: want het was zoo lang geleden, dat een beschaafde eerwaardige vrouw een woord van vriendschap en deelneming tot mij gesproken had: en ik verheugde mij zoozeer op de gedachte, dat ik onder uwe schuts weder mijne zoolang verzuimde godsdienstplichten, zoude kunnen vervullen. "Waarom hebben wij elkanderen niet terstond verstaan? Waarom heb ik niet dadelijk geweten, dat ik van uwentwege niets hopen of verwachten kon?--want ach! in geen ander opzicht kunt gij mij, arme verlatene, troost of hulp verschaffen."

"Niet?" vroeg Tante: "wel dat zou wel ongelukkig zijn. Het is niet zonder wijze oogmerken, dat God ons tot elkander gevoerd heeft: en, ik zie het nu duidelijk in, ik mag niet weigeren, den plicht te vervullen, die mij wordt opgelegd. Zeg mij dan, lief kind! hebt gij raad noodig?--of wellicht geldgebrek?--Of schroomt gij misschien, u in het bijzijn van mijn neef te verklaren?"

"Ik geloof, dat ik beter doe u te verlaten," zeide ik, zelf verlangende buiten deze netelige zaak te blijven.

"Uwe goedheid is grooter dan ik verdien," hernam Amelia, schreiende, "maar ziedaar juist mijn ongeluk, dat ik niemand, ook u niet Mejuffrouw! mijn vertrouwen schenken mag, hoe gaarne ik dit wilde. Ik heb u wellicht reeds te veel gezegd. O! ik had hier niet moeten komen."

Tante Letje zag Amelia met medelijden, doch tevens met bevreemding aan: en ik kon bespeuren, dat zij verlegen was, hoe verder te handelen. In haar stille en afgezonderde levenswijze had zij weinig gelegenheid gehad om menschenkennis te verzamelen: en schoon zij dagelijks ongelukkigen bezocht en met raad en daad bijstond, waren de rampen die zij lenigde, doorgaans van meer dagelijkschen aard en had zij zelden zoodanige lieden aangetroffen, wier leed, evenals dat van Amelia, een meer buitengewonen, afzonderlijken oorsprong had. Zij zag mij vragend aan; want ondanks mijn aanbod om te vertrekken, bleef ik nog altijd met den hoed in de hand staan, onzeker of ik weldeed, beide vrouwen alleen te laten, en te wagen, dat Amelia haar geheel vertrouwen schonk aan Tante, die het wel niet verraden zou, maar die mij toch ongeschikt voorkwam om met ware deelneming naar zulke zaken te luisteren, als de dochter van een buiten de wet gestelden zwerver ongetwijfeld verhalen zoude, en die haar althans geen goeden raad zou verschaffen. "Mij dunkt", zeide ik eindelijk, met een gemaakten glimlach, "dat gij beiden, mijne dames! beter zoudt doen met een speldje te steken bij het gebeurde en eenvoudig over kousen en borduurpatronen te spreken.--Zie! ik ben overtuigd, dat zoo Mejuffer zich in haar eenzaamheid verveelt, het voornamelijk daar vandaan komt, dat zij niets omhanden heeft; Tante zoude haar stellig geen grooteren dienst kunnen bewijzen dan door haar wat werk te verschaffen; en, dank zij den behoeftigen, die hulp vereischen, dat ontbreekt nooit bij Tante."

"Mijnheer uw neef raadt mijn gedachten," zeide haastig Amelia, die mijn bedoeling begreep. "O! zoo UEd. mij daaraan helpen konde:--ik zou zoo gaarne werken voor hen die het behoeven.

"Gij zult werk hebben," zeide Tante: "gij zult mij bijstaan om kleederen te vervaardigen voor de nooddruftigen:--Neef! wees zoo goed en zeg aan Truitje, dat zij mij de mand krijgt, die in het zijkamertje staat, waar die lijst op ligt. Gij zult mij helpen, mijn kind! en wij zullen arbeiden, gelijk Tabitha, gezegd Dorcas, voor weduwen en weezen."

Ik zag, dat alles nu in 't effen zoude komen, en de boodschap van Tante aan de meid gedaan hebbende, nam ik afscheid en liet de beide dames aan haar vrome bezigheid.

* * * * *

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

BEVATTENDE 'T GEEN ER OP DE DICHTERLIJKE SAMENKOMST BIJ HELDING VERHANDELD WERD.

Het was niet dan met een soort van huivering, dat ik den Donderdag-avond zag naderen, waarop ik volgens afspraak den vriendenkring van Helding moest bijwonen; want nadat ik Amelia bij Tante Letje, waar ik verre was van haar te verwachten, had ontmoet, had ik een voorgevoel, dat ik wel niet zou kunnen vermijden om haar ten huize van Heynsz tegen te komen, waar ik ten minste zeker was, dat zij zich bevinden zou. Tienmalen was ik willens om het een of ander voorwendsel uit te denken en nog voor de uitnoodiging te bedanken; maar al kon ik Helding met een schoon-schijnende reden afschepen, ik begreep, dat ik toch ook reden zou moeten geven aan mijn vader: en ik had reeds genoeg mijn bekomst aan 't veinzen, dan dat ik nieuwe uitvluchten zoude gaan uitdenken. Bovendien, en in weerwil van al de onaangenaamheden, welke mijn kennismaking met den Heer Bos en zijn dochter mij berokkend had en waarschijnlijk nog berokkenen zoude, er bleef toch altijd een zekere nieuwsgierigheid bij mij huisvesten, wat er toch eigentlijk van hunne zaak ware en hoe het met hen af zou loopen: en ik vertrouw, dat mijn lezers die nieuwsgierigheid niet slechts in mij verschonen, maar ook met mij deelen zullen; anders deden zij gewis beter dit geschrift maar niet verder door te lezen. Ik was, men vergeve mij deze platte vergelijking, niet ongelijk aan een knaap, die in het Oude Doolhof op de Princegracht rondloopt en die, ofschoon het heen en weer dwalen hem verveelt en hij zeer wel in staat is over de heggen heen er dadelijk buiten te geraken, echter op het ingeslagen pad voort blijft draven, in de verwachting dat hij alzoo eindelijk den waren uittocht zal vinden.

Ik ging dan, ten bepaalden dage en na afloop mijner werkzaamheden aan het kantoor, naar de Raamgracht, waar ik, overeenkomstig de gemaakte schikking, in de achterkamer van Heynsz werd binnengelaten. De mij te gemoet komende tabaksdamp verkondigde mij reeds aan de deur, dat de vrienden, immers gedeeltelijk, al vergaderd waren: en werkelijk vond ik er ettelijken aanwezig, aan wie ik nu met alle plechtigheid werd voorgesteld door Helding, die hen insgelijks bij de rij af aan mij opnoemde. Heynsz was, gelijk dit trouwens wel behoorde, insgelijks genoodigd, en zat in een hoek te gluren en allen beurtelings in oogenschouw te nemen, als ware hij door zijn ambt verplicht geweest ook deze onschadelijke zielen te bespieden. De overigen, ook zij die na mij kwamen, waren mij persoonlijk onbekend: alleen herinnerde ik mij de namen van dezen of genen onder hen wel eens vroeger te hebben ontmoet aan den voet van een dier lof- of klinkdichten, waarmede het toen smaak was alle uitkomende werken, vooral dichtbundels, bij wijze van aanbeveling op te pronken, komplimenten, welke men elkander over en weder toekaatste en waarvan men zich zoomin ontslaan kon als van het beantwoorden van een beleefdheidsbezoek.

"Spreek! opdat ik u kenne," zeide de oude Wijsgeer, en zoo begon ik, toen langzamerhand het onderhoud levendiger werd, van lieverlede te bespeuren, met welke menschen ik te doen had. Het waren allen lieden van één slag; want over hunne betrekkelijke waarde als dichters wil ik, die nog wel eens een manegepaard, maar nimmer den Pegasus bereden heb, liever geen oordeel vellen: het eenige onderscheid, dat er tusschen hen scheen te bestaan, was, dat de eene meer in den verhevenen, de andere in den beschrijvenden, een derde in den boertigen dicht- of rijmtrant uitblonk:--ten minste zij schroomden niet, elkander den ruimsten wierook over elkanders talenten in elks bijzonder vak toe te zwaaien, en dat met zoo weinig terughouding, dat bij mij de gedachte oprees, of zij niet al hun loftuitingen bij zulke gelegenheden verspilden, om in het tijdvak tusschen de bijeenkomsten en buiten de tegenwoordigheid van het geprezene voorwerp er des te kariger mede te kunnen zijn. De eene (de treurpoëet) werd een _hoogdravende Muzenzoon_, een _sieraad van den Pindus_ genoemd, die de _Agrippijnsche Zwaan_ (hiermede bedoelden die Heeren Vondel) _groothartig_ op zijde _streefde_, bijna had men gezegd: _overtrof_. De tweede was: _sierlijker dan Maro_, en vereenigde de _liefelijke weelderigheid_ van Flaccus met de _zinrijkheid_ en _kracht_ van Juvenalis. De derde (de boertige dichter) bekwam zulke verhevene eernamen niet; maar werd met andere titels begiftigd, niet minder streelend voor zijn eigenliefde. Hij heette een _kluchtige ziel_, een _koddige duivel_, een _drollige koopman_, een _malle weerga_: en hij kon de onnoozelste dingen niet voortbrengen, ja nauwlijks zijn mond opendoen en zijn neus snuiten, of een algemeen gelach, een grinnikend hoofdknikken, een verdoovend handgeklap, begroette zijn vermeende geestigheid of bespaarde hem de moeite die uit te kramen. Overigens muntte ieder van het gezelschap uit door een, mijns bedunkens wat al te gemaakte nederigheid, die mij deed denken aan de vlucht van een jong meisje, dat achterhaald wenscht te worden, en die derwijze werd aangewend, dat zij zelden haar uitwerking miste, maar altijd nieuwe complimenten afdwong; 't geen ten laatste zoo vervelend en walgelijk werd, dat ik mij begon te schamen over mannen, die, in leeftijd reeds gevorderd, de achtbaarheid van hun stand en jaren zoozeer uit het oog verloren, dat zij een vleitaal uitkraamden en aanhoorden, die zelfs onder jonge lieden van verschillende kunne ongepast zou zijn geweest. Ik moet echter een enkelen van dezen hoop uitzonderen: deze was een jongeling van een schrander, doch eenigszins droefgeestig voorkomen, en blijkbaar van een zwak en teringachtig gestel. Hij was eerst sedert kort als medelid in het gezelschap opgenomen, sprak weinig en zelden; doch wat hij zeide was juist en gepast; en hij onthield zich van aan een der anderen hoogeren lof te geven dan de burgerlijke beleefdheid vorderde: 't zij dat hij nog te kort met hen had omgegaan om zich de onder hen gebruikelijke complimenten-kraam eigen te hebben gemaakt, 't zij dat hij van nature de waarheid te zeer beminde dan dat hij tegen zijn gemoed zoude spreken. Misschien kwam er ook bij, dat hijzelf, als de jongste van 't gezelschap, wel aanmoediging, maar minder lof genoot, en dat hij zijne medeleden met gelijke munt betalen wilde.

Men moet met dat al niet denken, dat Heynsz en ik, ofschoon niet tot de _offeraars_ op den Pindus behoorende, ons aandeel van den honig misten. Wat mij betreft, daar ik van den beginne af betuigd had een oningewijde te zijn, die bovendien, door mijn uitlandigheid, niet op de hoogte was om den tegenwoordigen stand der dichtkunst in ons vaderland te beoordeelen, ik werd dadelijk een Mecenas, een Messala gedoopt: en al die verstandelijke gaven, welke iemand geschikt maken om als kunstrechter op te treden, werden mij ruimschoots toegekend. Heynsz verwierf nog hoogeren lof: en, daar hij de eenige schilder in 't gezelschap was, scheen het aan de overigen een des te geschikter gelegenheid toe om te zijnen opzichte hun gewoon thema van eerbenamingen te kunnen variëeren. Hij was een _Duitsche Apelles_: zijn kunstgenooten waren niets bij hem: de werkjes, die men van hem onder 't oog had (zes of acht onafgehaalde portretjes, die aan den wand hingen) waren kunstjuweeltjes, welke Rembrandt noch Van Dijk in staat zouden geweest zijn te vervaardigen:--NB. dit laatste stemde ik met een gerust geweten toe.

Heynsz betoonde in 't geheel die valsche nederigheid niet, welke aan de overigen eigen was: hij wist hoe zwaar die verplichtende uitdrukkingen wogen, en was, geloof ik, weinig genoeg door de eigenliefde verblind, om wel te weten, wat er aan de voortbrengselen zijner kunst ontbrak. Hij hoorde dan ook al die lafheden met een effen gelaat aan, terwijl hij den spreker met uitroepingen als: "ei! ei!--wel zoo!--nu ja!--" in de rede viel, totdat hij ten laatste, dat gereutel waarschijnlijk moede, de pijp uit den mond nam, een dikke rookwolk wegblies en zich aldus uitdrukte in zijn zonderling Hollandsch:

"'t Is maar jammer, Mijne Heeren! dat al de ingezetenen onzer stad niet denken over mij zooals gij hebt de goedheid van te doen. Dan zou ik ongetwijfeld wat meer hebben de occasie van te maken goed geld voor mijn werken. Want, wat denkt gij wel, dat mij rapporteert het meeste, met den tijd, die voortgaat?"

De poëten keken elkander aan. "Waarschijnlijk het behangsel-schilderen," zeide Velters eindelijk (zoo was de jongste van het gezelschap geheeten): "want dat is tegenwoordig aan de orde van den dag."

"Niet kwaad gegist," hervatte Heynsz: "maar voor dat moet men zijn een Lairosse of een Moucheron. Neen, Mijne Heeren! 't is almede een speculatie op de vaniteit:--ik verdien het meeste geld met te schilderen wapens op de rijtuigen."

"Dat kan ik getuigen," zeide Helding: "onze vriend Heynsz heeft laatst al de rijtuigen van den Heer Blaek, mijn hooggeachten patroon, en van zijn Heer zoon met wapenborden van zijn maaksel verrijkt: men kan voorwaar niets sierlijkers uitdenken."

"Dat moet zeker nogal wel geven," zeide de beschrijvende dichter: "want," voer hij declameerende voort:

"Nooit zag men rijker glans van zilveren blazoenen, En gouden wapenen en paarsen, gelen, groenen."

Ik kon mij niet onthouden te meesmuilen over deze twee regels, die, behalve dat zij vermoedelijk weinig dichterlijke waarde bezaten, zoo duidelijk bewezen, dat de dichter geen woord van zijn onderwerp verstond.

"Ja," voegde de treurpoëet er op zijne beurt bij: "althans tegenwoordig,

Nu elk, gelijk voorheen verwaande Phaëton, Die trotsche voerman van de kleppers van de zon, Of als Salmoneus, die den Dondergod braveerde, De zweep in handen neemt, schoon hij nooit mennen leerde.

"Heerlijk! fraai gezegd!" riepen allen om strijd.

"Nou! 't zel mijn hard ontgaan," zeide de _grappige duivel_, in zijn plat Amsterdamschen tongval, "of Jaap de aschkarreman zel mettertijd ook nog een wapen op zijn kar motten hebben."

Deze snedige zet werd met het gewone gejuich ontvangen.