Ferdinand Huyck

Chapter 25

Chapter 253,972 wordsPublic domain

Dit was het eenige beklag, dat hij zich veroorloofde. Ik kon van mijne verbazing niet terugkomen. Was deze dezelfde man, wien ik den dag te voren zoo morrende en klagende had leeren kennen. Hij had zich den ongelukkigsten man der wereld genoemd, omdat zijn tuinbaas hem geen doperwtjes kon leveren, en hij droeg met gelatenheid een verlies van veertig duizend gulden. Hoe verkeerd, dacht ik, zijn de oordeelvellingen der menschen bij een slechts oppervlakkige kennis! Wie den Heer Van Baalen alleen in de gewone samenleving ontmoet had, zou hem niet anders hebben beschouwd dan als een verdrietigen, gemelijken, verstrooiden knorrepot, die zichzelven en anderen tot last leefde;--en ook alzoo had ik hem beoordeeld, en reeds het denkbeeld mij beangst, van in zijn gezelschap mijn dagen te moeten slijten. Hoezeer had ik mij bedrogen! en hoe aangenaam vond ik mij verrast, nu ik hem in zijn waarde leerde kennen; en, dat ik het hier bijvoege, hoe meer tijd ik in het vervolg met hem sleet, hoe meer ik zijn rustelooze werkzaamheid, zijn helder inzicht in de zaken, zijn geest van orde, zijn kordaatheid in 't handelen en zijn gelijkheid van gemoed bij voor- en tegenspoed leerde bewonderen. Slechts op ééne wijze heb ik mij dat verschil tusschen Van Baalen op 't kantoor en Van Baalen in de wereld kunnen verklaren. Hij was van de natuur tot handelaar bestemd, en door zijn stand in de maatschappij tot uitgaan gedwongen. In zaken was hij op zijn plaats; in de wereld speelde hij een rol. Maar zijn ziel was bij zijn _affaire_ en bleef er bij, al was zijn lichaam in de dagelijksche kringen aanwezig; hij gevoelde zich aldaar niet op zijn gemak: en verveling, zucht om zonderling te schijnen, wrevel, of al deze aandoeningen te zamen genomen, bedierven alsdan zijn luim en vormden hem tot den man, dien ik vroeger geschilderd heb.

Terwijl ik mij nog op het kantoor bevond, kwam mijn boodschap aan Helding mij in de gedachten. Ik was eerst voornemens geweest, die aan Heynsz op te dragen: maar de vrees om vermoedens te wekken had mij dit plan doen verwerpen: en ik begreep, dat het beter ware en meer overeenkomstig met het doel des zenders, het geld op een zoodanige wijze in de handen des dichters te spelen, dat men nimmer kon nagaan van wien het kwam. Toen dus, bij het sluiten van het kantoor, de bediende kwam hooren, of de patroon nog iets te zeggen had, verzocht ik verlof aan Van Baalen, dien man met een commissie te belasten: dit toegestaan zijnde, nam ik den looper ter zijde, deelde hem mijne instructiën mede, en stelde hem vervolgens het geld ter hand, dat ik, om op alle gelegenheden gewapend te zijn, bij 't van huis gaan bij mij had gestoken. Ik bleef toen nog eenigen tijd met Van Baalen alleen, ten einde al wat onze compagnieschap betrof op een behoorlijken voet te regelen, en keerde recht tevreden naar huis.

Op den avond van dien dag zat mijn familie in onze huiskamer vereenigd. Tante Letje was bij ons te bezoek en ik was naar mijn kamer gegaan om eenige plaatwerken te krijgen, die ik aan de mijnen wilde laten zien, toen ik hoorde, dat er iemand aangediend en na eenig toevens binnengelaten werd. Ik kwam weder beneden, mijn platen onder den arm houdende, en was niet weinig verbaasd en teleurgesteld, toen ik ontdekte dat de bezoeker niemand anders was dan vriend Helding, die, zoodra hij mij zag, naar mij toekwam, en met de meeste eerbiedigheid mij zijn dank betuigde voor de weldaad, die ik hem bewezen had.

Ik stond als van den donder getroffen en verwenschte het toeval, dat ik juist uit de kamer was, toen hij zich had laten aandienen: daar ik in het tegenovergestelde geval naar hem had kunnen gaan en hem afzonderlijk spreken: en nu, vreesde ik, zou de bommel losbreken.

"Maar mijn waarde Monsieur Helding!" zeide ik eindelijk: "ik weet, niet waar UEd. van spreekt: ik betuig u, dat uw dankzeggingen mij zoo vreemd voorkomen...."

"Wel ja!" zeide mijn vader, die van meening was, dat Helding, voor de twee dukaten bedanken kwam: "UEd. behoefde waarlijk niet de moeite te doen, van daarvoor hier te komen. Het gedicht, waarmede UEd. ons vereerd hebt, is slechts weinig betaald met zulk een bagatelletje."

"Een bagatelletje, Ed.-Gestr. Heer!" riep Helding: "waarlijk! zoo UEd. honderd Zeeuwen een bagatelletje noemt! voor UEd. is 't mogelijk, maar voor mij waarachtig niet."

"Honderd Zeeuwen!" herhaalde mijn vader: "hier moet een misverstand plaats hebben: dat geld komt van mij niet: en ik betwijfel, of mijn zoon ook genoeg bij kas is om zulke _munera_ weg te geven."

"Eilieve, Ed.-Gestr. Heer!" hervatte de poëet: "UEd. drijft het al te verre. Zulk een edele wijze van schenken verhoogt de waarde van het geschonkene."

"Dat uw slinkerhand niet wete wat uw rechter geeft," mompelde Tante Letje.

"Maar het is vruchteloos," vervolgde Helding, "de zaak te willen verbloemen. Hoe fijn het werk ook bestoken was, ik ben er toch achter gekomen."

"Eilieve! Geef ons de _historia facti_ eens," zeide mijn vader, "want ik ben nieuwsgierig te weten hoe de vork in den steel zit."

"Met genoegen, Edel-Gestr. Heer. Ik zat daar op mijn bovenkamer en had een veldzang ter gelegenheid der verjaring van den Heere Smethof voor mij, terwijl Heynsz, mijn huisheer, juist bij mij zat en mij een quitantie schreef voor drie maanden huur, die ik hem voldeed uit de twee dukaten, die UEd. laatst bij mij gelaten hadt. Daar wordt aan mijn deur geklopt: ik zeg "binnen!" daar komt een Monsieur binnen: "Monsieur Lucas Helding"--"Dezelfde," zeg ik. "Dan moet ik u dit zakje overhandigen," zegt hij: "wees zoo goed, mij quitantie daarvoor te geven." Met begon hij het geld op de tafel uit te tellen: alle gerande Zeeuwsche Rijksdaalders. Ik was zoo buiten mijzelf, dat ik beefde als een rieten blad. "Maar man!" zeg ik: "UEd. is zeker abuis. Ik ben geen geld te wachten."--"Geen abuis ter wereld," zegt hij, terwijl hij het geld al vast voortelde: "zoo UEd. Lucas Helding is: 29, 30, 81."--"Maar van wie komt het toch?" vroeg ik.--"Ja! dat mag ik niet zeggen: 45, 46, 47."--Het was mij alsof alles mij draaide voor de oogen! zulk een som gelds te zien.--"Wel!" zeide Heynsz: "ik zou het maar opsteken. Men moet zoo geen koren van den molen sturen."--zeide ik: "Sinjeur Heynsz! wees zoo goed en schrijf mij de quitantie eens. Gij zijt nu toch bezig: en ik zou niet in staat zijn, een letter op 't papier te stellen, zoo confuus ben ik."--"Daar heb ik niet tegen," zeide hij: "hoe groot is de som?"--Tweehonderd zestig gulden," zei de vreemde persoon.--Nu, Heynsz schreef het reçu: ik teekende, en de man kuierde weg. "Begrijp je daar iets van, Sinjeur Heynsz?" vroeg ik. "Neen," zei hij: "maar 't is een buitenkansje, daar ik u geluk mee wensch...." "Ken je dien man?" vroeg ik weer. "Jawel!" zeide hij:"'t is een kantoorknecht bij Van Baalen."

"Dat die drommelsche verklikker ook tegenwoordig moest zijn," dacht ik, bij dit gedeelte van Heldings verhaal. Deze vervolgde:

"Dat was aan geen doove gezeid. Ik gaf mijn geld aan Heynsz om te bergen en liep naar den Heer Van Baalen. Maar jawel! Ik had pas een paar woorden gezegd, of ik merkte, dat het alweer mis was. "Ik geef mijn geld zoo niet weg," zeide hij, en liet daarop den kantoorknecht roepen, die juist aan huis was. Toen kwam het hooge woord er uit: hij had het van UEd. gekregen om het mij te bezorgen."

Hier zette mijn geheele familie groote oogen op en ik sloeg de mijne neder, mijn noodlottig gesternte verwenschende.

"Ik wist niet, dat uwe middelen zoo ruim waren," zeide mijn vader met bevreemding.

"Het spijt mij, dat het ontdekt is," hernam ik: "maar ik kan u verklaren, Monsieur Helding! dat uw dankbetuigingen niet aan mij behooren gericht te zijn. UEd. is het geld evenmin aan mij verschuldigd als aan den kantoorknecht, die het u gebracht heeft; want beiden hebben wij het van een derde ontvangen: en de hand, die 't mij ter hand stelde, wil niet genoemd zijn."

Mijn toon was zoo ernstig, dat Helding overtuigd scheen. Nu keek hij mijn vader aan; maar deze schudde het hoofd, en mompelde: "_Etiam per interpositam personam donatio consummari potest_; maar ik begrijp er niets van."

"En mag ik er volstrekt niet naar raden, wie de zender is?" vroeg Helding.

"Ik verzeker u," was mijn antwoord, "dat gij daar vergeefsche moeite toe zoudt doen. Het is mij bovendien volstrekt verboden u iets dienaangaande te vertellen."

Helding zuchtte en haalde de schouders op: "in dat geval ben ik UEd. toch altijd dankbaar voor de bezorging," zeide hij: "en hetzij UEd. de zender zijt of niet, zoo wil ik toch niet nalaten, UEd. het tweede oogmerk mijner komst mede te deelen, zijnde om UEd. te noodigen op een klein partijtje, dat ik sedert lang aan eenige mijner kunstvrienden schuldig ben en nu eindelijk in staat ben gesteld, hun te geven."

"Mijn waarde Monsieur Helding!" zeide ik: "ik ben volstrekt niet op de hoogte, om met geleerde lieden om te gaan, en zal bovendien thans drukten genoeg aan de hand krijgen, die mij dergelijke partijen wel zullen beletten."

"Ja! dat vind ik ook," zeide mijn moeder, mij met bezorgdheid aanziende: "dergelijke partijen duren somtijds laat: men gebruikt er meer dan gewoonlijk, de gezondheid lijdt er door."

"Och! UEd. meent het niet," zeide Helding: "de Jongeheer kan immers naar huis gaan wanneer hij verkiest, en behoeft niet meer te drinken dan hem lijkt; een glas roode wijn kan op zijne jaren zooveel kwaad niet: en dan bovendien, de Jongeheer heeft het mij beloofd."

"Het zij verre van mij, hier, ongeroepen, wijsheid te willen verschaffen," zeide mijn vader: "maar ik geef u, Monsieur Helding! vriendschappelijk in bedenking, of gij weldoet de verkregene som zoo dadelijk te gebruiken om uwe vrienden te trakteeren. Ik weet wel, gij poëten acht het geld als slijk en denkt met Horatius:

_Nullus argento color est avaris abdito terris_:

maar toch, ik denk, dat het oogmerk des zenders geweest is, dat gij er u-zelven mede te goed deedt, en niet, dat anderen het verbrasten."

"UEd.-Gestr. spreekt zeer waar," zeide Helding: "maar wat is het geval? Ik ben nu al zoovele jaren lid van een vriendenkring ter onderlinge oefening in de dichtkunst. Volgens de instellingen van ons genootschap moeten wij maandelijks bij een der leden vergaderen, die de overigen ontvangt en hun een glas wijn schenkt naar zijn vermogen. En daar zij nu weten, dat ik geen kelder heb, wisten zij het altijd zóó te schikken, dat mijne beurt werd overgeslagen. Ik heb nu zoovele jaren altijd op hunne kosten wijn gedronken, en nu wilde ik wel voor eens in mijn leven hunne beleefdheid te mijnen opzichte vergelden."

"Dat is edelmoedig gedacht," zeide mijn vader: "maar toch, draag zorg, dat gij niet alles aan den wijn verdoet: en bepaal u dan bij hen, aan wien gij een traktement schuldig zijt."

"Nu ja!" zeide Helding: "of er een paar meer of minder zijn, dat zal er zooveel niet toe doen: en aan den jongen Heer, die mij in staat gesteld heeft mijn huishuur te voldoen, wilde ik toch ook wel toonen, dat ik niet ondankbaar ben. 't Is zeker wel wat vermetel van mij, te durven hopen, dat iemand als de Jongeheer Huyck mij de eer aan zoude doen mijn arme woning te bezoeken."

"Volstrekt niet," hernam mijn vader: "en ik heb er niet tegen, dat mijn zoon van uw uitnoodiging gebruik make, indien zijn kantoordrukten het niet beletten en hij voor dien avond niet verzeid is."

"Maar lieve engel!" zeide mijn moeder, vreemd opziende: "gij; meent het immers niet?"

"Kom, Keetje-lief!" zeide mijn vader: "wees maar tevreden: _indulge veniam puero_."

"Ja!" zeide zij, de schouders ophalende: "als ge Latijn begint te praten, zal ik maar zwijgen," en zij schudde het hoofd, terwijl haar geheele wezen te kennen gaf, dat zij die partij niet goedkeurde.

"Ziezoo! dat is treffelijk," zeide Helding, terwijl hij zich tot mij wendde, en de handen wreef: "UEd. zal zien, het zal in orde zijn. Heynsz heeft mij veroorloofd, de gasten op zijne kamer te ontvangen, dan behoeven zij zoovele trappen niet te klimmen...."

"En hebben minder gevaar er af te rollen," dacht ik.

"En ik zal de Juffrouw, die beneden mij woont, verzoeken koffie te schenken: dan heeft het goede mensch ook reis een verzet: want zij zit den geheelen dag te kniezen en te zuchten."

"En zal die Juffrouw dan alleen met al die Heeren zitten?" vroeg Moeder.

"Wel neen, Mevrouw!" antwoordde Helding, lachende! "zij zal op haar kamer blijven en ons de koffie sturen.--Och! het is een lief meisje, zoo vriendelijk, zoo zachtzinnig: nietwaar Mijnheer?" vroeg hij, mij tot getuige nemende.

"Zoo Ferdinand! Kent gij die Juffrouw ook al?" vroeg mijn moeder, half schertsend, half bestraffend.

"Dat is te zeggen, ja, ik heb haar in 't voorbijgaan gezien, toen ik Monsieur Helding bezocht," antwoordde ik.

"Nu ja, gezien," zeide Helding: "en een grooten dienst gedaan bovendien.--Nu zij is ook altijd recht dankbaar; want zoo dikwijls ik haar op de trap ontmoet en een praatje met haar maak, vertel ik haar van UEd. en dan glinsteren haar oogen als twee sterretjes."

"Wat is dat voor een juffer?" vroeg op zijn beurt mijn vader, met een strakken blik: "en wat zijn dat voor diensten, die Ferdinand haar bewezen heeft?"

"Och! een zedig meisje," zeide Helding, "die geen Christenziel bij haar ziet, en nooit uitgaat: en vroom ook;--maar zij woont dan bijster alleen en verlaten. Daar heb je den Notaris Bouvelt, daar ik geloof dat het een stuk van een nicht af is, die komt niet eens naar haar omzien. De man is ziek, dat is mogelijk; maar kon hij niet eene van zijn dochters zenden? al was het maar om haar naar de kerk te brengen, waar zij nu niet alleen naar toe durft gaan. Gisteren nog vroeg ik haar, zoo bij manier van spreken, waar zij ter kerke geweest was: en zij antwoordde mij, dat zij sedert haar komst te Amsterdam nog geen voet over den drempel heeft gehad, omdat zij niet alleen durfde uitgaan. En toen vroeg zij mij, of ik geene zuster of nicht had, die op jaren ware, en haar derwaarts zou kunnen geleiden."

"Arme ziel!" zeide Tante Letje, met deernis: "zij is gelijk aan den geraakte, die de genezende wateren van Bethesda niet kon genaken, omdat er niemand was om hem op te nemen."

"Maar dat heldert nog niet op, wat Ferdinand met haar te maken had," zeide mijn vader.

"Anders niet," zeide ik, "dan dat ik haar bevrijd heb van iemand, wiens bezoek haar lastig was; doch Monsieur Helding weet, dat wij den naam des onbescheiden indringers niet voegzaam kunnen noemen."

Mijn vader zweeg en nam een snuifje. Ik wist, wat dit beteekende; want de snuifdoos kwam slechts bij bepaalde gelegenheden uit den zak: namelijk wanneer hij hoofdpijn had, in de pleitzaal bij lange pleidooien, in de kerk bij vervelende predikatiën, wanneer hij iets zwaarwichtigs op te stellen had, of wanneer hij misnoegd was. Hij bleef echter dien gansenen avond even vriendelijk jegens mij: ik vermoedde derhalve, dat zijn ontevredenheid alleen op Heynsz zoude nederkomen, die hem van het voorgevallene tot zijnent onkundig had gelaten.

Na een onbeduidend gesprek nam Helding zijn afscheid van het gezelschap, mij meldende, dat de bijeenkomst, waarop hij mij genoodigd had, den volgenden Donderdag te zes uren zoude plaats hebben, terwijl ik van mijn kant beloofde intijds aanwezig te zullen zijn. Toen ik den man uitgeleide deed naar de voordeur, vroeg hij mij, of ik reeds, ingevolge mijn belofte, hem de vriendschap gedaan had van met mijn vader over zijn dochter te spreken. Ik antwoordde, gelijk de waarheid was, dat ik zulks terstond had verricht: doch dat er met de verlangde nasporingen wel eenige tijd zoude verloopen, vermits het verloren schaap zich sedert lang niet meer in Amsterdam bevond en waarschijnlijk van naam was veranderd. Helding toonde zich hoogst erkentelijk en maakte nog verscheidene verschooningen over de moeite, welke hij mijnen vader en mij veroorzaakte, waarna hij vertrok.

Bij het gezelschap terugkeerende, vond ik mijn moeder bezig mijn vader minzaam te beknorren, dat hij mij naar dat poëtenmaal liet gaan.

"Ik hoop," zeide mijn vader, "dat Ferdinand oud en wijs genoeg is, en zich weet te matigen. Gij wilt toch niet, Keetje-lief, dat wij een knaap, die nu ruim twee jaren op zijn eigen wieken gedreven heeft, weder als een schooljongen gaan behandelen? En hoewel ik niet verlang, dat hij Helding tot een huisvriend make, zoo heeft mij de dankbaarheid des mans toch getroffen en wil ik niet, dat hij ons van hoovaardij beschuldige. Had ik echter vooraf geweten," voegde hij er glimlachend bij, "dat zich zulk een innemende koffieschenkster daar bevond, ik had mij nog eens bedacht."

Men kan zich voorstellen, dat ik bij dit alles niet zeer op mijn gemak was en met schrik opzag tegen het losbersten der donderbuien, die zich van alle kanten boven mijn hoofd samenpakten. Maar mijn ongerustheid moest nog vermeerderd worden. Den volgenden dag kwam er een mand van Tante Van Bempden, met groenten en vruchten, welke zij aan mijn moeder stuurde, en een brief er bij van Suzanna aan mij, van den volgenden inhoud:

"Sinjeur Ferdinand!

Gij hebt voorwaar mooie stukjes uitgevoerd! daar zijn nu al mijne profetiën uitgekomen, dat gij nooit zoudt deugen. Ja! Ferdinand werd altijd in de familie als een achtste wonder beschouwd, en ik, die wat beter inzicht in de zaken had, al zoo weinig geloofd als wijlen Mejuffrouw Cassandra. Maar zoo gaat het: als de wijsheid op de straten schreeuwt, blijft ieder thuis; en als de dwaasheid maar even fluit, is er dadelijk een toeloop. Pas maar op, dat er geen toeloop kome om u te zien ophangen. Denk eens! de zoon van den Hoofdschout het stadhuisraam te zien uitsteken: dat zou een aandoenlijk schouwspel wezen. Nu ja! kijk maar zoo vreemd niet op; de bommel is uitgebroken. Daar komt van morgen Baas Roggeveld met zijn lakenveldsche koeien aanzetten en vertelt aan Tante, dat die Monsieur Weerglas, die in zijn huisje woonde, met de noorderzon vertrokken is, niemand weet waarheen: ofschoon iedereen gissen kan, dat hij niet spoedig terug zal komen: overmits zich hedenmorgen de Baljuw in eigen hoogen persoon aan het ledige huisje vervoegd heeft, bewerende, dat gemelde Monsieur Weerglas niemand anders was als ... nu raad eens, zoo gij kunt;--of liever, zoo gij 't niet weet:--niemand anders als Zwarte Piet, en de bedrijver van ettelijke diefstallen, huisbraken en rooverijen op den publieken weg. Nu behoef je niet te vragen, hoe of Tante opkijkt, dat gij met den Sinjeur op zulk een intiemen voet waart, dat hij u visites kwam doen. Zij wilde er eerst aan Papa over schrijven: maar ik heb haar beduid, dat zij den man maar verdriet aan zoude doen, en dat het beter ware, dat ik u eerst kapittelde over het aangaan van dergelijke _liaisons_. Ik kan u zeggen, dat ik er van ril en beef: en dan, hoor ik, heeft Pulver verteld, dat gij een zakje met geld van dien fielt hebt ontvangen. Is UEd. altemet een compagnon van Cartouche en Jaco?

_On apprent a hurler, dit l'autre avec les loups_.

En ik mag Van Baalen wel waarschuwen; anders gaat gij nog met de kas strijken, en dan zou hij inderdaad de ongelukkigste man der wereld worden. Ik heb al aan Jetje Blaek geraden, haar koffertje na te kijken, om te zien of gij haar niets ontstolen hebt.--Ten haren opzichte zou ik het u vergeven; want dat ware volgens het recht van wedervergelding (_jus talionis_, zou Papa zeggen: ja ik weet ook wel een mondvol Latijn): overmits zij, zoo 't mij voorkomt, zich aan de dieverij van uw hart heeft schuldig gemaakt.--Nu! op haar hart zult gij wel alle aanspraak verbeuren, zoo gij er dergelijke kennissen op nahoudt. 't Is toch jammer! laatstleden Zondag scheen zij u zoo genegen, en toen gij aan tafel met den Heer Van Baalen aan 't redetwisten waart over het tarief, keek zij, ofschoon zij er wel niets van begrepen zal hebben, u met zulke aandachtige oogen aan, dat het mij den schijn had, als had zij haar toilettafel tegen een gebroken bloempot willen verwedden, dat gij gelijk hadt.--Nu! rechtvaardig u, zoo gij kunt, want Tante is ernstig boos: en er is een zilveren suikerstrooier zoek, dien zij zich verbeeldt, dat door dien vagebond tijdens zijn bezoek is meegepakt: of hebt gij hem misschien in den lommerd gezet?--Gij zijt er niet te goed toe; dit, weet gij, is het oordeel van

Uwe Zuster SUZANNA."

De mededeeling van dit alles was niet geschikt om mij bijzonder gerust te stellen, en ik had reden genoeg om mijn rassche belofte tot stilzwijgendheid te verwenschen. Ik kon den brief echter niet onbeantwoord laten en zag in, hoe noodig het ware, Tante te bevredigen. Ik schreef derhalve aan Suzanna en dankte haar voor den dienst, dien zij mij bewezen had, door mij zoo tijdig van het gebeurde te onderrichten, en vooral, door Tante te doen afzien van haar voornemen om aan mijn vader te schrijven. Wat de ontmoeting van Zwarten Piet betrof, zoo verhaalde ik haar alleen, dat de man mij werkelijk geld had gelaten, met het verzoek het aan een derde over te brengen; doch dat het een geheim was, waarin personen betrokken waren, die ik niet noemen mocht. "Geloof mij," dus eindigde ik, "dat ik niet min dan gij verwonderd ben geweest over de eer van 's mans bezoek, en dat ik wel gewild had, dat hij aan een ander deze lastige commissie had opgedragen. Ik heb die echter niet geweigerd, omdat het werkelijk een vergoeding was, welke de man deed, en dat hij, naar ik mij vleie, op weg is om zijn schandelijk bedrijf te verlaten. Bidden wij liever voor den ongelukkige, dan dat wij hem veroordeelen, en vergeten wij niet, dat, welke zijn misdrijven ook geweest mogen zijn, de poort der genade voor den berouwhebbenden zondaar nimmer gesloten blijft."

Ik was nog een bezoek schuldig aan Tante Letje en besloot den avond te baat te nemen om aan deze verplichting te voldoen. Ten haren huize gekomen, verzuimde ik niet, aan de dienstmaagd, die mij de deur opende, te vragen, of Tante ook belet had; want ik wist dat zich niet zelden eenige vromen ter onderlinge stichting ten harent verzamelden, en ik was niet bijzonder op het gezelschap van de weduwe Knijpduim of den catechiseermeester Zoutbrand gesteld.

"De Juffrouw is alleen," zeide de meid, "met nog een Juffertje, dat zooeven met een sleetje hier gekomen is."

Op deze verzekering begaf ik mij naar boven in de verwachting van de eene of andere mij onbekende neepmuts over Tante te zien zitten, maar wie schildert mijn verbazing, toen ik, in Tantes achterkamer gekomen, gewaarwerd, dat de Juffer, die tegenover haar bezig was een kopje thee te drinken, al te wel bij mij bekend, in één woord niemand anders was als Amelia Bos! Wat deze betreft, zij was niet minder verrast door mijne verschijning en het kopje ontgleed bijna haar vingers.

"Zoo Neef!" zeide Tante: "ik was u hedenavond niet te wachten. Gij kent de Juffer, naar ik meen."

"Ja Tante!" antwoordde ik: "maar ik was er verre af van te denken, dat de Juffer ook bij u bekend ware."

"Behoeft men dan zijn naaste te kennen, om hem een dienst te bewijzen?" vroeg Tante: "kende de weduwe van Zarpath den man Gods, dien zij bij zich ontving? En staat er niet geschreven: vergeet de herbergzaamheid niet: want hierdoor hebben sommigen onwetend Engelen geherbergd?"

"'t Is verre van mij," zeide ik, "dat ik aan uw goeden wil jegens uwe naasten zoude twijfelen: maar toch vind ik mij verrast, door Mejuffer hier te zien, en kan ik niet nagaan, op welke wijze uwe kennismaking heeft plaats gehad."